HOOFDSTUK III. DE MYTHEN OMTRENT DE INVALLEN IN IERLAND.

Het ontstaan der wereld volgens de Kelten.

Was er onder de geheime leerstellingen omtrent den "aard der

dingen", die, zooals Caesar ons mededeelt, nooit door de Druïden

zijn geboekstaafd, iets dat herinnerde aan een cosmogonie, eenige

mededeeling omtrent het ontstaan van de wereld en den mensch? Zeker

was dit het geval. Het zou immers werkelijk vreemd zijn, als de

Kelten het eenige ras zouden geweest zijn, dat geen mythen had, die

op dit onderwerp betrekking hadden. Het schouwspel van het heelal

met al zijn groote en geheimzinnige verschijnselen in den hemel en

op aarde heeft eerst op de verbeeldingskracht gewerkt, en daarna

tot bespiegelende beschouwingen geleid bij elk volk, dat voor die

dingen vatbaarheid heeft. De Kelten bezaten nu beide eigenschappen

in de hoogste mate, en toch weten wij, behalve in één zinsnede

omtrent de "onvernietigbaarheid" der wereld, door Strabo tot ons

gekomen, niets omtrent hun oudste voorstellingen of bespiegelingen

over dit onderwerp. Ierland bezit een uitgebreide litteratuur op het

gebied van legenden. Dat alles nam eerst in Christelijke tijden zijn

tegenwoordigen vorm aan; toch is er zóóveel, dat in wezen heidensch

is, daarin overgebleven, dat het vreemd zou zijn als Christelijke

invloeden geleid hadden tot de uitroeiing van alles in die oude

teksten, dat wees op een niet-Christelijke opvatting omtrent den

oorsprong der dingen--indien Christelijke uitgevers en verspreiders

ons zelfs niet het geringste schijnsel hadden gegeven van zulk een

opvatting. En toch is het werkelijk het geval, dat zij ons dit niet

geven; er is niets in de oudste legendarische letterkunde der Iersche

Galiërs, wat de oudste Keltische letterkunde is, die nog bestaat, dat

overeenkomt met de Babylonische mythe omtrent de verovering van den

Chaos, van de woeste Noorsche mythe omtrent de schepping van Midgard

uit het lichaam van Ymir, of de Egyptische mythen der schepping uit

het oorspronkelijke Water door Thoth, het woord Gods, of zelfs de

oorspronkelijke folklore opvattingen, die bij bijna iederen wilden

volksstam gevonden worden. Het is onmogelijk er aan te twijfelen,

dat de Druïden de één of andere leerstelling over dit onderwerp

hadden. Maar door die met de meeste vastberadenheid verborgen te

houden voor de niet-ingewijden en alle leekenbespiegeling over dat

onderwerp te beletten, schijnt het, dat zij het mythenmakende instinct

onder de groote menigte ten opzichte der cosmogonie hebben verstikt,

en er voor hebben gezorgd, dat als hun eigen kaste te gronde ging,

hun leerstellingen, wat die ook waren, met hen zouden te gronde gaan.

Wij vinden dan ook in de oudste Iersche verhalen omtrent het begin der

dingen, dat de vertellers niet met de Wereld beginnen, maar met hun

eigen land, Ierland. Het was wel is waar de gewoonte, aan die verhalen

der oudste invallen en kolonisaties het verhaal uit den Bijbel te

doen voorafgaan omtrent de schepping van de wereld en van den mensch,

en dit bewijst, dat men voelde, dat iets van dien aard werd verlangd;

maar wij weten volstrekt niet, wat vóór de dagen van het Christendom

de plaats van het Bijbelsche verhaal innam, en het is te betreuren,

dat wij waarschijnlijk daaromtrent nooit iets zullen te weten komen.

De verschillende cyclen van Iersche legenden.

De Iersche litteratuur op het gebied van mythen en legenden, zooals

die in den oudsten vorm tot ons is overgebracht, valt, naar men

mag aannemen, in vier afdeelingen, en daaraan zullen wij in onze

bespreking in dit werk vasthouden. In chronologische volgorde zijn

het de mythologische cyclus, of die der invallen, de Ulster- of

Conorische Cyclus, de Ossian- of Feniancyclus, en een aantal gemengde

verhalen en legenden, die moeilijk in een historisch lijstwerk kunnen

ingevoegd worden.

De mythologische cyclus.

De mythologische cyclus omvat de volgende afdeelingen:

1. De komst van Portholan in Ierland.

2. De komst van Nemed in Ierland.

3. De komst der Firbolgs in Ierland.

4. De inval der _Tuatha De Danann_, of Volk van den god Dana.

5. De inval der Milesiërs (Zonen van Miled) uit Spanje,

en hun verovering van het Volk van Dana.

Met de Milesiërs beginnen wij te naderen tot iets, dat op geschiedenis

gelijkt--zij vertegenwoordigen in de Iersche legenden het Keltische

ras; en men neemt aan, dat de heerschende Iersche families van hen

afstammen. Het Volk van Dana zijn blijkbaar goden. De kolonisten of

overweldigers uit den prae-Danaïschen tijd zijn kolossale, spookachtige

figuren, die slechts flauw voor den dag komen door de nevelen der

overlevering, en die weinig duidelijke karaktertrekken hebben. De

verhalen, die omtrent hen worden gedaan, zijn talrijk en tegenstrijdig,

en uit deze kunnen wij hier alleen de oudste verhalen mededeelen.

De komst van Partholan.

De Kelten geloofden, zooals Caesar ons heeft medegedeeld, dat zij

waren afgestamd van den god der onderwereld, den god der dooden. Men

verhaalt, dat Partholan in Ierland gekomen was uit het westen, waar

aan de overzijde van den uitgestrekten, nooit bevaren Atlantischen

Oceaan, het Iersche Tooverland, het land der levenden--dat is het

land der gelukzalige dooden--gelegen was. De naam van zijn vader

was Sera (het westen?). Hij kwam met zijn koninklijke gade Dalny

[74] en een aantal makkers van beide geslachten. Ierland was--en

dit is een aan de verbeelding ontleende trek, die ten doel heeft

een denkbeeld te geven van de ontzaglijke oudheid--in die dagen uit

een natuurkundig oogpunt een geheel ander land dan tegenwoordig. Er

waren toen slechts drie meren in Ierland, negen rivieren en slechts

één vlakte. Langzamerhand kwamen er andere bij tijdens de regeering

der dynastie van Partholan. Volgens de verhalen was één meer, en wel

het Rurymeer, opengebarsten, toen een graf werd gedolven voor Rury,

den zoon van Partholan.

De Fomoriërs.

De mannen van Partholan hadden, zoo loopt het verhaal, te strijden

tegen een vreemd ras, de Fomoriërs genaamd, waarvan wij in latere

gedeelten van dit werk veel zullen hooren. Zij waren een kolossaal,

wanstaltig, heftig en wreed volk, dat naar wij mogen aannemen, de

machten van het kwaad vertegenwoordigde. Eén van hen had den bijnaam

van _Cenchos_, wat De Voetlooze beteekent, en schijnt dus verwant te

zijn aan Vitra, den god van het kwaad in de Veda mythologie, welke

godheid noch voeten noch handen had. Partholan vocht met een aantal

van die demons om de heerschappij over Ierland, en joeg ze naar de

noordelijke zeëen, vanwaar zij van tijd tot tijd het land onder zijn

latere heerschers verontrustten en plunderden.

Het ras van Partholan werd ten slotte door de pest aangetast, en nadat

zij zich verzameld hadden op de Oude Vlakte (Senmag) om hun dooden te

kunnen begraven, kwamen zij daar allen om; en weer lag Ierland ledig,

om later weer opnieuw te worden bezet.

De legende van Tuan mac Carell.

Wie vertelde dan het verhaal? Dit leidt ons er toe, melding te

maken van een merkwaardige en belangwekkende legende--één der vele

legendarische mededeelingen, waarin die verhalen uit de mythische

periode tot ons zijn gekomen. Deze wordt gevonden in het zoogenaamde

"Boek der Dun Koe", een manuscript van omstreeks het jaar 1100 na

Christus en dat tot titel draagt "De Legende van Tuan mac Carell".

St. Finnen, een Iersche abt uit de zesde eeuw had, naar verhaald wordt,

gastvrijheid gezocht bij een opperhoofd, Tuan mac Carell genoemd,

die niet ver van het klooster van Fin te Moville, (Graafschap

Donegal) woonde. Tuan weigerde hem den toegang. De heilige ging op

den drempel van het huis van het opperhoofd zitten, en vastte den

geheelen Zondag [75], waarop de norsche heidensche krijgsman de deur

voor hem opende. Tusschen hen ontstonden vriendschapsbetrekkingen,

en de heilige keerde naar zijn monniken terug.

"Tuan is een uitnemend man," zoo sprak hij tot hen; "hij zal bij

u komen en u verkwikken, door u de oude vertelsels van Ierland te

herhalen" [76].

Die menschelijke belangstelling in de oude mythen en legenden van het

land, is, naar hier moge worden opgemerkt, een even standvastige als

aangename trek in de litteratuur der oudste Iersche Christenheid.

Tuan kwam kort daarna bij den heilige, om hem een tegenbezoek

te brengen, en noodigde dezen en zijn leerlingen uit, hem in zijn

kasteel te komen bezoeken. Zij vroegen hem naar zijn naam en afkomst,

en hij gaf een wonderbaarlijk antwoord. "Ik ben een man uit Ulster",

zeide hij. "Mijn naam is Tuan, zoon van Carell. Maar vroeger heette

ik Tuan, zoon van Starn, zoon van Sera, en mijn vader, Starn, was de

broeder van Partholan."

"Vertel ons de geschiedenis van Ierland," zoo sprak toen Finnen,

en Tuan begon. Zooals hij zeide was Partholan de eerste mensch,

die zich in Ierland nederzette. Na de groote pest, waarvan reeds

melding is gemaakt, was hij de eenige die in leven bleef, "want er

is nooit een slachting zóó groot, dat er niet een man aan ontkomt,

om het verhaal te doen." Tuan was alleen in het land, en hij trok

rond van de ééne ledige vesting naar de andere, van rots naar rots,

om een schuilplaats te zoeken tegen de wolven. Zoo leefde hij twee

en twintig jaar in eenzaamheid voort, in verlaten plaatsen wonend,

totdat hij stokoud en vreeselijk gebrekkig was geworden.

"Toen nam Nemed, de zoon van Agnoman Ierland in bezit. Deze (Agnoman)

was de broeder van mijn vader. Ik zag hem van de klippen af en deed

voortdurend mijn best, hem te vermijden. Ik had lange haren en

klauwen, was afgeleefd, grijs, naakt, ongelukkig en ellendig. Op

zekeren avond viel ik in slaap, en toen ik weer ontwaakte, was ik

in een hert veranderd. Weer was ik jong en vroolijk van hart. Toen

zong ik van de komst van Nemed en van zijn ras, en van mijn eigen

gedaanteverwisseling.... Ik heb een nieuwe gedaante aangenomen een

ruwe en grijze huid. Overwinning en vreugde zijn gemakkelijk voor mij;

een korten tijd geleden was ik zwak en hulpeloos."

Daarna was Tuan koning van al het roode wild van Ierland, en bleef

dat gedurende al den tijd, dat Nemed en zijn ras in Ierland regeerden.

Hij vertelt, hoe de Nemediërs naar Ierland zeilden in een vloot van

twee en dertig booten, en in iedere boot waren dertig personen. Zij

zwierven anderhalf jaar over de zeeën, en de meesten van hen stierven

van honger en dorst of kwamen in een schipbreuk om. Slechts negen

ontsnapten--Nemed zelf, met vier mannen en vier vrouwen. Deze landde

in Ierland, en vermenigvuldigden zich in den loop der tijden, totdat

hun aantal 8060 mannen en vrouwen bedroeg. Daarop stierven zij allen

op geheimzinnige wijze.

Weer was Tuan oud en gebrekkig geworden, maar hem wachtte weer een

nieuwe gedaanteverwisseling. Ik stond eens aan den ingang van mijn

hol--ik herinner mij dat nog duidelijk--en ik wist, dat mijn lichaam

weer een andere gedaante aannam. Ik was een wild zwijn. En ik zong

daarover het volgende lied:

"Vandaag ben ik een wild zwijn.... Er was een tijd, dat ik

in de vergadering zat, die de uitspraken van Partholan

openbaarden. Zij werden gezongen, en ieder prees de

melodie. Hoe heerlijk was de trant van mijn schitterend

oordeel! Hoe heerlijk voor de bevallige jonge vrouwen! Mijn

wagen reed in majesteit en schoonheid rond. Mijn stem was

ernstig en liefelijk. Mijn stap was vlug en stevig in den

strijd. Mijn gelaat was vol bekoorlijkheid. Maar zie, thans

ben ik in een zwart zwijn veranderd."

"Zoo sprak ik. En werkelijk was ik een wild zwijn. Daarna werd ik

weder jong, en ik was verheugd. Ik was koning der kudden wilde

zwijnen in Ierland, en getrouw aan mijn gewoonte, ging ik mijn

verblijfplaats rond, als ik in de landen van Ulster terugkeerde, zoo

dikwijls ellende en ouderdom mij overvielen. Want het was steeds daar,

dat mijn gedaanteverwisselingen plaats hadden, en daarom keerde ik

daarheen terug, om de vernieuwing van mijn lichaam af te wachten." Tuan

vertelt dan verder, hoe Semion, de zoon van Stariat, zich in Ierland

vestigde. Van hem stamden de Firbolgs af en twee andere stammen,

die nog in historische tijden bleven voortleven. Weer komt de oude

dag nader, zijn krachten laten hem in den steek, en hij ondergaat

weer een nieuwe gedaanteverwisseling; hij wordt "een groote zeearend"

en verheugt zich weer eens in nieuwe jeugd en kracht. Daarop vertelt

hij, hoe het Volk van Dana in Ierland kwam, "goden en valsche goden,

uit wie, zooals iedereen weet, de Iersche geleerden gesproten

zijn." Daarna kwamen de zonen van Miled, die het Volk van Dana

overmeesterden. Al dien tijd hield Tuan de gedaante van een zeearend,

totdat hij, toen hij ontdekte, dat hij op het punt stond weer een

nieuwe gedaanteverwisseling te ondergaan, negen dagen lang vastte;

"daarop overviel mij de slaap, en veranderde ik in een zalm". Hij

geniet van zijn nieuw bestaan, waarbij hij jarenlang aan de valstrikken

der visschers ontkomt, totdat hij ten slotte door één van hen wordt

gevangen, en gebracht wordt naar de vrouw van Carell, het opperhoofd

van het land. "De vrouw had zin in mij en at mij geheel op, waarbij ik

in haar baarmoeder kwam." Hij wordt weder geboren, en gaat door voor

Tuan, den zoon van Carell; maar de herinnering van dat voormalige leven

en van al zijn gedaanteverwisselingen, en van de geheele geschiedenis

van Ierland, die hij had meegemaakt sedert de dagen van Partholan,

blijft nog bij hem achter, en hij onderwijst al die dingen aan de

Christenmonniken, die al die verhalen zorgvuldig bewaren.

Dit allervreemdste verhaal, met zijn atmosfeer van grijze oudheid en

van naïeve wonderlijkheid, doet ons denken aan de gedaanteverwisseling

van den Galischen Taliessin, die eveneens in een arend veranderde, en

wijst op die leer der zielsverhuizing, die zooals wij gezien hebben,

zoo sterk werkte op de verbeelding der Kelten.

Wij moeten thans eenige bijzonderheden voegen bij de schets der

opvolgende kolonisaties van Ierland, zooals die in het kort zijn

aangeduid door Tuan mac Carell.

De Nemediërs.

Zooals wij gezien hebben, waren de Nemediërs verwant aan de

Partholaniërs. Beiden waren afkomstig uit het geheimzinnige gebied

der dooden, hoewel latere Iersche verhalen, die trachtten een

verzoening tot stand te brengen tusschen die mythische opvatting

en het christendom, het deden voorkomen, alsof zij afstamden van

bijbelsche aartsvaders en aan aardsche landen zooals Spanje en Scythië

hun oorsprong te danken hadden. Beiden hadden voortdurend strijd te

voeren met de Fomoriërs, die volgens de latere legenden zeeroovers

van over de zee waren, maar die zonder twijfel godheden waren, die

de machten van duisternis en kwaad voorstelden. Er is geen legende

bekend, hoe de Fomoriërs in Ierland gekomen zijn en zij werden ook

nooit beschouwd als een geregeld deel der bevolking. Zij waren even oud

als de wereld zelf. Nemed vocht met het beste gevolg tegen hen in vier

groote gevechten, maar hij zelf stierf kort daarna aan de pest, die

ook tweeduizend van zijn volgelingen ten grave sleepte. De Fomoriërs

waren toen in staat hun oppermacht over Ierland te vestigen. Zij

hadden in die dagen twee koningen, Morc en Conann. De macht der

Fomoriërs had haar krachtigste versterking op het eiland Tory, dat

zijn woeste klippen en afgronden doet oprijzen uit den Atlantischen

Oceaan, in de nabijheid van Donegal--een geschikte woonplaats voor dat

ras, dat zoo rijk was aan geheimzinnigheid en afgrijselijkheid. Zij

hieven een vreeselijk drukkende schatting van het Iersche volk, en

wel tweederden van al de melk en tweederden van al de kinderen uit

het land. Ten slotte stonden de Nemediërs op. Onder aanvoering van

drie opperhoofden, landen zij op het eiland Tory, nemen de Toren van

Conann in, en Conann zelf sneuvelt door de hand van den Nemedischen

aanvoerder Fergus. Maar op dat oogenblik treedt Morc in het gevecht

op met een nieuwe troepenmacht, en jaagt de Nemediërs geheel op de

vlucht, die op een dertigtal na sneuvelen:

"De mannen van Erin, zij togen ten strijde,

Nadat de Fomoriërs kwamen,

De zee verzwolg hen allen,

Behalve driemaal tien."

Gedicht van Eochy O'Flann, omstreeks 960 n.C.

De dertig overlevenden verlaten Ierland in wanhoop. Volgens de oudste

overlevering zijn zij allen omgekomen zonder nakomelingen achter te

laten, maar latere verhalen, die trachten uit al die mythen nuchtere

geschiedenis op te bouwen, stellen het voor, alsof één familie, die

van het opperhoofd Britan, zich in Groot Brittannië vestigde en hun

naam aan dat land schonk, terwijl twee andere na vele omzwervingen,

naar Ierland terugkeerden als de Firbolgs en het Volk van Dana.

De komst der Firbolgs.

Wie waren de Firbolgs, en welke rol hebben zij gespeeld in de Iersche

legenden? De naam schijnt te beteekenen: "Mannen van de Zakken,"

en in later tijden werd er een legende uitgedacht, om dien naam te

verklaren. Er werd verhaald, dat zij, na zich in Griekenland te hebben

gevestigd, door het volk van dat land onderdrukt werden, die hen aarde

lieten aantrekken van de vruchtbare valleien naar de rotsachtige

heuvels, zoodat zij daarvan beploegbaren grond konden maken. Zij

vervulden hun taak door middel van leeren zakken; maar ten laatste,

toen zij de onderdrukking moede geworden waren, maakten zij van hun

zakken booten met leder overtrokken, en zetten daarin koers naar

Ierland. Nennius echter zegt, dat zij uit Spanje kwamen, want volgens

hem waren al de verschillende rassen, die Ierland bewoond hebben,

oorspronkelijk uit Spanje, en "Spanje" is bij hem een rationalistische

vertaling van de Keltische woorden, die het Land der Dooden aanduiden

[77]. Zij kwamen in drie groepen, de Fir-Bolg, de Fir-Domnan en de

Galioin, die allen in het algemeen als Firbolg worden aangeduid. Zij

spelen geen groote rol in de Iersche mythologie, en hun schijnt een

zekere trek van slaafschheid en minderwaardigheid eigen te zijn.

Eén van hun koningen, Eochy [78] mac Erc, trouwde met Taltiu, of

Telta, de dochter van den koning der "Groote Vlakte," (het Land der

Dooden). Telta had een paleis in de stad, die nu naar haar Telltown

(eigenlijk Teltin) heet. Daar stierf zij, en daar werd zelfs nog in

de Middeleeuwen, een groote jaarlijksche bijeenkomst of jaarmarkt

ter harer eere gehouden.

De komst van het volk van Dana.

Wij komen thans tot verreweg de merkwaardigste en belangrijkste der

mythische overweldigers en volksplanters van Ierland, het Volk van

Dana. De naam, _Tuatha De Danann_, beteekent letterlijk "het volk van

den god, wiens moeder Dana is." Dana draagt somtijds ook een anderen

naam, en wel dien van Brigitta, een godin, die in het heidensche

Ierland in hooge eer werd gehouden, wier attributen in de legenden

grootendeels overgebracht zijn op de Christelijke Heilige Brigitta

uit de zesde eeuw. In Gallische opschriften vindt men haar naam ook

wel als "Brigindo" en in Britsche opschriften komt deze voor als

"Brigantia." Zij was de dochter van het hoogste opperhoofd van het

Volk van Dana, den god Dagda "Den Goeden." Zij had drie zoons, van wie

men vertelt, dat zij gemeenschappelijk een eenigen zoon hadden, Eene

genaamd--wat beteekent "Kennis" of "Poëzie" [79]. Men mag dus zeggen,

dat Eene de god was, wiens moeder Dana was, en het ras, waaraan zij

haar naam schonk, waren de duidelijkste vertegenwoordigers, die wij

in Iersche mythen hebben van de machten van Licht en Kennis. Men zal

zich herinneren, dat Tuan mac Carell alleen aan het Volk van Dana

onder al die mythische rassen den naam van "goden" had gegeven. Toch

komen zij niet als goden voor in den vorm waarin de Iersche legenden

omtrent hen tot ons zijn gekomen. De invloed van de christelijke

opvattingen bracht hen terug tot den rang van feeën, of vereenzelvigde

hen met gevallen engelen. Zij werden door de afstammelingen van Miled

overwonnen, die worden gedacht als een volkomen menschelijk ras,

en die een aantal betrekkingen van liefde en oorlog met hen hadden

tot in latere tijden. Toch is ook in de latere legenden het Volk

van Dana bekleed met een zekeren luister en met groote verheffing,

die herinnert aan den hoogen rang, waarvan zij waren afgedaald.

De populaire opvattingen en die der Barden.

Men mag echter niet over het hoofd zien, dat de populaire opvatting

der godheden, van Dana afgestamd, waarschijnlijk ten allen tijde iets

anders was dan die der barden en Druïden, of met andere woorden dan

de scholastieke opvatting. Deze laatsten toch stelt hen, zooals wij

zullen zien, voor als de godheden, die over wetenschap en poëzie

heerschen. Dit is geen populaire voorstelling; zij is het product

der Keltische, Arische verbeelding, zooals die is ingegeven door een

zuivere verstandelijke opvatting. Het lagere volk, dat grootendeels

het megalithische element onder de bevolking vertegenwoordigde,

blijkt hun godheden als aardsche machten te hebben opgevat--_dei

terreni_, zooals zij uitdrukkelijk genoemd worden in het "Boek van

Armagh" uit de achtste eeuw [80]--die niet heerschen over wetenschap

en poëzie, maar veeleer over den landbouw, die toezicht houden over de

vruchtbaarheid van land en water, en hun woonplaats hebben in heuvelen,

rivieren en meren. In de litteratuur der barden is de Arische opvatting

overheerschend; de andere opvatting vindt men in tallooze volksverhalen

en populaire gebruiken; doch het ligt in den aard der zaak, dat

in elk geval op zich zelf de beide opvattingen voor een groot deel

ineengeweven en in elkander zijn doorgedrongen--zoodat er geen scherpe

scheidingslijn tusschen beide opvattingen in oude tijden kon worden

getrokken, en die scheiding thans in het geheel niet meer mogelijk is.

De schatten van het volk van Dana.

Tuan mac Carell zegt, dat zij "uit den hemel" in Ierland zijn

gekomen. Dit is in de latere overlevering geweven tot een verhaal,

dat leert, hoe zij afkomstig waren uit vier groote steden, wier

namen zelf het feeënrijken verdichting ademen--Falias, Gorias,

Fincas en Murias. Hier leerden zij wetenschap en ambachten van

groote wijzen, van wie er in iedere stad één op den troon zat, en

uit iedere stad brachten zij een tooverschat mede. Uit Falias was de

steen afkomstig, de _Lia_ Fail, of Steen van het Noodlot, genaamd,

waarop de Opperkoningen van Ierland stonden, als zij gekroond werden,

en die geacht werd de verkiezing van een wettigen vorst te bevestigen

door onder hem te bulderen, als hij daarop plaats nam. De werkelijke

steen, die gebruikt werd bij de inhuldiging van een vorst, bestond

sinds onheugelijke tijden te Tura en werd van daar in het begin der

zesde eeuw naar Schotland gezonden voor de kroning van Fergus den

Groote, den zoon van Erc, die zijn broeder Murtagh mac Erc, den koning

van Ierland vroeg, dien ter leen te mogen hebben. Een oude profetie

hield in, dat overal waar die steen was, een koning van het Schotsche

(d.i. Iersch-Milesische) ras zou regeeren. Dit is de beroemde Steen

van Scone, die nooit meer in Ierland terug kwam, maar door Eduard

I in 1297 naar Engeland werd vervoerd, en nu de kroningssteen is in

de Westminster-Abdij. En de oude profetie is niet valsch gebleken,

daar door de Stuarts en Fergus mac Erc de afstamming der Britsche

koninklijke familie van de historische koningen van het Milesische

Ierland kan worden gevolgd.

De tweede schat van het Volk van Dana was het onoverwinnelijke zwaard

van Lugh met den langen Arm, van wien wij later zullen hooren, en

dat zwaard kwam uit de stad Gorias. Uit Finias kwam een tooverspeer

en uit Murias de Groote Ketel van den Dagda, die de eigenschap had,

een menigte mannen te kunnen voeden zonder dat hij ooit leeg werd.

Met die bezittingen kwam het Volk van Dana, volgens de lezing in het

"Boek der Invallen" gegeven, in Ierland.

Het volk van Dana en de Firbolgs.

Zij werden in een tooverwolk naar Ierland gedreven, en verschenen

het eerst in Westelijk Connacht. Toen de wolk optrok, ontdekten de

Firbolgs hem in een kamp, dat zij reeds te Moyrein hadden versterkt.

De Firbolgs zonden nu één van hun krijgslieden uit, Sreng genaamd,

om met de geheimzinnige aankomelingen een onderhoud te hebben; en

het Volk van Dana van hun kant, zonden een krijgsman, Bres genaamd,

om hen te vertegenwoordigen. De beide afgevaardigden beschouwden met

groote belangstelling elkanders wapenen. De speren van het Volk van

Dana, waren, naar ons wordt medegedeeld, licht en van scherpe punten

voorzien; die der Firbolgs waren zwaar en stomp. De blijkbare bedoeling

van de legende is, om hier de macht der wetenschap tegenover die der

ruwe kracht te stellen, en wij worden hier herinnerd aan de Grieksche

mythen van den strijd der Olympische goden met de Titanen.

Bres stelde den Firbolg Sreng voor, dat de beide rassen Ierland

gelijkelijk onder elkander zouden verdeelen, en zich zouden vereenigen,

om hen tegen alle toekomstige indringers te verdedigen. Daarop

verwisselden zij hun wapenen, en keerde ieder naar zijn eigen kamp

terug.

De eerste slag by Moytura.

De Firbolgs kwamen echter niet onder den indruk van de grootere

voortreffelijkheid van het volk van Dana, en besloten hun aanbod af

te slaan. Zij werden toen handgemeen op de Vlakte van Moytura [81],

in het Zuiden van het Graafschap Maye, in de nabijheid van de plaats,

die nu Cong heet. De Firbolgs werden aangevoerd door hun koning,

mac Ere, en het volk van Dana door Nuada met de Zilveren Hand, die

zijn naam ontleende aan een ongeluk in dien strijd. Men verhaalt

toch, dat zijn hand in het gevecht werd afgehakt, en één der bekwame

handwerkslieden, waaraan de gelederen van het volk van Dana zoo rijk

waren, maakte voor hem een nieuwe hand van zilver. Door hun magische

en heelkundige gaven won het Volk van Dana den slag en de koning

der Firbolgs sneuvelde. Maar er werd toen een billijke overeenkomst

gesloten: aan de Firbolgs werd de provincie Connacht als grondgebied

toegekend, terwijl het Volk van Dana het overige deel van Ierland in

bezit nam. Tot zelfs in de zeventiende eeuw ontdekte de kronykschrijver

Mac Firbis, dat een aantal bewoners van Connacht hun afstamming terug

voerden tot diezelfde Firbolgs. Waarschijnlijk waren zij werkelijk

een historisch ras, en het is niet onmogelijk, dat de strijd tusschen

hen en het Volk van Dana een stuk werkelijke geschiedenis is geweest,

dat omgeven is met enkele mythische trekken.

Het verdrijven van koning Bres.

Nuada met de Zilveren Hand zou nu de heerscher over het Volk van Dana

geweest zijn, maar zijn verminking verbood dit, daar geen misvormd man

koning van Ierland mocht zijn. Daarom kozen zij Bres, die de zoon was

van een vrouw uit dat volk, Eri genaamd, maar wiens vader onbekend

was, om in zijn plaats over hen te heerschen. Dit was niet dezelfde

Bres, die als afgevaardigde met de Firbolgs had onderhandeld, en die

gesneuveld was in den slag bij Moytura. Doch Bres had, hoewel hij

sterk was en schoon te aanschouwen, niet de gave als heerscher, immers

niet alleen liet hij toe, dat de vijand van Ierland, de Fomoriërs,

hun onderdrukking en hun schatting in het land weer opnieuw begonnen,

maar ook legde hij zelf zijn onderdanen hooger belastingen op; daarbij

was hij zóó gierig, dat hij hoofden en edelen of hofspelers geen

gastvrijheid verleende. Gebrek aan milddadigheid en gastvrijheid werd

altijd gerekend onder de ergste ondeugden van een Iersche vorst. Men

verhaalt nu, dat op zekeren dag de dichter Corpre aan zijn hof kwam,

die gehuisvest werd in een kleine, donkere kamer zonder vuur of

huisraad, waar hem na een lang vertoef drie droge koeken zonder ale

werden voortgezet. Om zich te wreken vervaardigde hij een satiriek

versje op zijn vrekkigen gastheer:

"Zonder voedsel, snel bediend,

Zonder koemelk, waarvan een kalf kan groeien,

Zonder woonplaats voor een man te gebruiken in den duisteren

nacht,

Zonder middelen om een gezelschap van barden te onthalen,--

Moge Bres in dien toestand verkeeren."

In Ierland onderstelde men, dat een dichterlijke satire een soort

tooverkracht bezat. Koningen waren er bang voor, zelfs ratten konden

er door worden uitgeroeid [82]. Dit versje van Corpre werd met

groot vermaak onder het volk herhaald, en Bres was genoodzaakt zijn

koningschap neer te leggen. Men zegt, dat dit de eerste satire was,

die in Ierland werd vervaardigd. Tevens werd Nuada, omdat hij zijn

zilveren hand had gekregen door de vaardigheid van zijn geneesheer

Diancecht, of omdat, zooals een andere lezing der legende zegt, een

veel grootere heelkundige, de zoon van Diancecht, gezorgd had, dat

de echte hand weer aan de stomp vastgroeide, in plaats van Bres tot

koning gekozen. De laatste begaf zich nu in toorn en wrok naar zijn

moeder Eri, en smeekte haar hem raad te geven en hem op de hoogte te

brengen van zijn afkomst. Eri vertelde hem toen, dat zijn vader Elatha

was, een koning der Fomoriërs, die in het geheim van over zee bij

haar was gekomen, en die haar bij zijn vertrek een ring had gegeven,

met het verzoek, dien nooit aan iemand te geven, behalve aan hem, aan

wiens vinger hij zou passen. Zij haalde nu den ring te voorschijn,

en deze paste aan den vinger van Bres, die daarop met haar afdaalde

naar het strand, waar de Fomorische minnaar geland was; daarna zeilden

zij te zamen naar het land van zijn vader.

De tyrannie der Fomoriërs.

Elatha herkende den ring, en gaf zijn zoon een leger, om daarmede

Ierland te heroveren, terwijl hij hem bovendien wegzond om verdere hulp

te zoeken bij den grootsten der Fomorische koningen, Balor. Deze had

den bijnaam van "met het kwade oog", omdat de blik van zijn ééne oog

als een bliksemflits hem kon treffen, op wien hij in woede neerzag. Hij

was toen echter reeds zóó oud en zwak, dat het groote ooglid neerhing

over het doodaanbrengende oog, en door zijn manschappen met touwen

en takels moest worden opgetild zoo dikwijls het oogenblik was

aangebroken, dat hij het op zijn vijanden moest slaan. Nuada kon

hem evenmin het hoofd bieden als Bres dit tijdens zijn regeering

had kunnen doen; en het land zuchtte nog steeds onder den druk der

Fomoriërs en verlangde smachtend naar een kampioen en verlosser.

De komst van Lugh.

Nu treedt een nieuwe figuur in de mythe op, en wel niemand anders dan

Lugh, de zoon van Kian, de Zonnegod bij uitnemendheid in het geheele

gebied der Kelten, wiens naam wij nog thans kunnen terugvinden in een

aantal historische plaatsnamen op het vasteland van Europa [83]. Om

zijn verschijning te verklaren, moeten wij voor een oogenblik de

mededeelingen der oude handschriften, die hier onvolledig zijn, op

zijde zetten, en die moeten worden aangevuld door een verhaal, dat

in den volksmond is blijven leven, en zelfs eerst in de negentiende

eeuw uit dien volksmond is opgevangen door den bekenden Ierschen

oudheidkundige, O'Donovan [84]. In dit verhaal uit den volksmond zijn

de namen Balor en die van zijn dochter Ethlinn (de laatste in den

vorm "Ethnea") bewaard gebleven, behalve nog sommige andere mythische

personen, maar dien van den vader van Lugh vindt men nog flauw terug in

Mac-Kineely; de naam van Lugh zelf is vergeten geraakt, en de dood van

Balor is medegedeeld op een wijze, die niet in overeenstemming is met

de oude mythe. In het verhaal, zooals wij het hier weergeven, zijn de

oude namen en de mythische omtrekken bewaard gebleven, maar, waar dit

noodig was, aangevuld uit de volksoverlevering, waaruit die moderne

trekken zijn weggelaten, die niet te verzoenen zijn met de mythe.

Het verhaal luidt dan, dat Balor, de koning der Fomoriërs, in een

Druïdische voorspelling gehoord had, dat hij door zijn kleinzoon

zou worden gedood. Zijn eenig kind was een nog zeer jong meisje,

Ethlinn genaamd. Om dan dat noodlot te ontkomen liet hij haar, evenals

Acrisios, de vader van Danaë, in de Grieksche mythe, opsluiten in

een hoogen toren, dien hij had laten bouwen op een steilen landtong,

de Tor Mor, op het eiland Tory. Hij stelde het meisje onder bewaking

van twaalf oude vrouwen, die streng moesten toezien, dat zij nooit het

gelaat van een man te zien kreeg, of dat zij zelfs ooit zou ontdekken,

dat er wezens bestonden van een ander geslacht dan het vrouwelijke. In

die afzondering groeide Ethlinn--zooals alle in afzondering gehouden

prinsessen het geval is--op tot een maagd van onovertroffen schoonheid.

Het geval wilde nu, dat er op het vasteland drie broeders waren, Kian,

Sawan, en Goban, de smid, de groote wapensmid en kunstenaar in de

Iersche mythen, die overeenkomt met een dergelijke persoonlijkheid in

de Germaansche mythologie. Kian had een tooverkoe, die zóó overvloedig

melk gaf, dat iedereen verlangde die koe te bezitten, en hij verplicht

was, haar streng te bewaken.

Balor besloot zich van die koe meester te maken. Op zekeren dag kwam

Kian en Sawan naar de smidse, om wapenen voor zich te laten maken, voor

welk doel zij prachtig staal medebrachten. Kian ging de smidse binnen

en droeg Sawan de zorg voor de koe op. Nu kwam Balar ten tooneele,

na de gestalte te hebben aangenomen van een roodharigen jongen,

en vertelde Sawan, dat hij de broeders in de smidse beluisterd had,

terwijl zij een plan smeedden, om al het prachtige staal voor hun

eigen zwaarden te gebruiken, en niets dan gemeen staal voor het zwaard

van Sawan over te laten. Deze gaf nu in groote woede den halster in

handen van den jongen en stormde de smidse in, om dit misdadige plan

te verhinderen. Onmiddellijk voerde Balor de koe weg en sleepte haar

over zee naar het eiland Tory.

Kian besloot nu, zich op Balor te wreken, en won daartoe den raad in

van een Druïde priesteres, Birog genaamd. Na zich in vrouwenkleeren te

hebben gekleed, werd hij door tooverbezweringen over de zee gedreven,

waar Birog, die hem vergezelde, het tegenover de bewaaksters van

Ethlinn deed voorkomen, dat zij twee edele vrouwen waren, op het strand

geworpen, toen zij voor een man vluchtten, die haar wilde ontvoeren,

en om een schuilplaats smeekte. Zij werden toegelaten; Kian vond

de gelegenheid toegang te krijgen tot prinses Ethlinn, terwijl de

vrouwen door Birog in een diepen tooverslaap werden gebracht, en toen

zij ontwaakten, waren Kian en de Druïden-priesteres verdwenen zooals

zij gekomen waren. Maar Ethlinn had Kian haar liefde geschonken, en

spoedig ontdekten haar bewaaksters, dat zij zwanger was. Daar zij den

toorn van Balor vreesden, trachtten de oude vrouwen haar te overtuigen,

dat de geheele gebeurtenis slechts een droom was, en spraken er niet

meer over, maar na verloop van tijd beviel Ethlinn van drie zoons.

Het bericht van die gebeurtenis bereikte Balor, en vol woede en

vrees beval hij, dat de drie kinderen moesten verdronken worden

in een maalstroom aan de Iersche kust. De boodschapper, die met die

opdracht werd belast, rolde de kinderen in een laken, maar toen hij ze

naar de bepaalde plaats droeg, liet de speld waarmede het laken was

dichtgemaakt, los, waardoor één der kinderen er uit viel en in een

kleine baai terecht kwam, die nog ten huidigen dage Port na Delig,

of de Haven van de Speld genoemd wordt. De beide andere werden,

zooals bedoeld was, verdronken, en de bediende bracht het bericht,

dat hij zijn zending had volbracht.

Maar het kind, dat in de baai was gevallen, werd door de

Druïden-priesteres bewaakt, die het dreef naar de woning van zijn

vader Kian; deze gaf het ter opvoeding aan zijn broeder den smid,

welke het kind zijn eigen ambacht onderwees en hem in alle soorten van

ambacht en handenarbeid bekwaam maakte. Dit kind was Lugh. Toen hij

opgegroeid was tot een jongeling, plaatste hem het Volk van Dana onder

de hoede van Duach, "Den duisteren," den koning der Groote Vlakte (het

Tooverland, of het "Land der Levenden," wat tevens het Land der Dooden

is), en daar bleef hij totdat hij den mannelijken leeftijd had bereikt.

Lugh was natuurlijk degeen, die bestemd was het Volk van Dana uit

zijn slavernij te verlossen. Zijn komst wordt medegedeeld in een

verhaal, dat de Zonne-attributen van algeheele macht naar voren

brengt, en hem evenals Apollo doet kennen als de godheid, die het

bestuur heeft over alle menschelijke kennis en alle bekwaamheid op

het gebied van kunst en geneeskunde. Hij kwam, zoo wordt verhaald,

om zich in den dienst te stellen van Nuada met den Zilveren Hand,

en toen de portier van het koninklijke paleis van Tara hem vroeg,

wat voor werk hij kon doen, antwoordde hij, dat hij timmerman was.

"Wij hebben geen timmerman noodig", zeide de portier; "wij hebben

een uitstekenden timmerman in den persoon van Luchta, den zoon

van Luchad". "Ik ben ook smid", zeide Lugh. "Wij hebben al een

voortreffelijken smid", zeide de portier. "Maar ik ben ook een

krijgsman", zeide Lugh. "Wij hebben er geen noodig, zeide de portier,

"zoolang wij Ogma hebben". Lugh gaat voort al de beroepen en kunsten

te noemen, die hij maar kan bedenken--hij is dichter, harpspeler, een

man van wetenschap, een geneesheer, een keukenmeester, en zoo voort,

waarbij hij telkens ten antwoord krijgt, dat iemand van uitstekende

bekwaamheid in die kunst reeds aan het hof van Nuada in betrekking

is. "Vraag dan den koning", zeide Lugh, "of hij ook iemand in zijn

dienst heeft, die volleerd is in ieder van die kunsten, en als dit het

geval is, zal ik hier niet langer blijven, en niet trachten het paleis

binnen te komen". Daarop wordt Lugh aangenomen, en hem de bijnaam

Ildánach gegeven, wat beteekent "De man van Alle Ambachten" de Vorst

van alle Wetenschappen; terwijl een andere naam, dien hij gewoonlijk

droeg, Lugh Lamfada was, of Lugh met den Langen Arm. Wij worden hier,

zooals de Jubainville opmerkt, herinnerd aan de Gallische god, dien

Caesar vereenzelvigt met Mercurius, "den uitvinder van alle kunsten",

en voor wien de Galliërs een aantal standbeelden hadden opgericht. De

Iersche mythe vult die nader aan en noemt ons den Keltischen naam

van die godheid.

Toen Lugh uit het Land der Levenden kwam, bracht hij een aantal

toovergeschenken mede. Daaronder waren de Boot van Mananan, de zoon

van Lir den Zeegod, welke boot de gedachten van den mensch kende en

overal heen kon reizen, waar zij wilde, en het paard van Mananan,

dat zoowel over land als over zee kon gaan, en een vreeselijk zwaard,

dat _Fragarach_ ("De Antwoordgever") heette, en de gave bezat van

door ieder harnas heen te snijden. Zoo toegerust, kwam hij eens in een

vergadering van opperhoofden van het Volk van Dana, die samengekomen

waren om hun schatting te betalen aan de afgevaardigden der Fomorische

onderdrukkers; en toen die opperhoofden hem zagen, leek het hun alsof

zij, zooals verhaald wordt, de opkomst van de zon waarnamen op een

drogen zomerochtend. In plaats van de schatting te betalen, vielen zij

onder aanvoering van Lugh de Fomoriërs aan, die allen op negen man

na sneuvelden, welke teruggezonden werden om Balor mede te deelen,

dat het Volk van Dana hem tartte en in het vervolg geen schatting

meer wilde betalen. Balor maakte zich toen gereed voor den strijd en

beval zijn veldheeren, om als zij het Volk van Dana hadden overwonnen,

het eiland door kabels aan hun schepen te bevestigen en het een heel

eind in noordelijke richting te sleepen naar het Fomorische gebied

van ijs en duisternis, waar het hen niet langer zou hinderen.

De tocht van de zonen van Turenn.

Lugh van zijn kant, maakte zich eveneens gereed voor den beslissenden

strijd; maar om zich van de overwinning te verzekeren, had hij nog

eenige magische voorwerpen noodig, en die moesten nog verkregen

worden. Het verhaal, hoe die voorwerpen werden opgespoord, waarbij

ons ook nog de dood van Kian, den vader van Lugh wordt vermeld, is

één der merkwaardigste en kostelijkste vertelsels onder de Iersche

legenden en vormde één van een drietal mythen, die tot den bloem der

Iersche verdichtselen kan gerekend worden. [85]

Kian, zoo luidt het verhaal, was door Lugh naar het Noorden gezonden,

om de strijdbare mannen van het Volk van Dana in Ulster op te roepen

teneinde deel te nemen aan den strijd tegen de Fomoriërs. Op weg,

bij het overtrekken van de vlakte van Murthemney, bij Dundalk, komt

hij drie broeders tegen, Brian, Iuchar en Iucharba, zonen van Turenn,

tusschen wier geslacht en dat van Kian een bloedveete bestond. Hij

tracht te ontkomen door zich in een varken te veranderen en zich

bij een kudde te voegen, die in de vlakte huist, maar de broeders

ontdekken hem en Brian wondt hem door een speerworp. Kian, die weet,

dat zijn einde nabij is, vraagt toestemming om zich, vóór dat hij

gedood wordt, weer in menschelijke gedaante te veranderen. "Ik wil

liever een man dan een varken dooden," zegt Brian, die verreweg de

voornaamste rol speelt in alle avonturen der broeders. Daarop staat

Kian in menschengedaante vóór hen, terwijl het bloed, door Brians speer

vergoten, uit zijn borst vloeit. "Ik heb u verschalkt," roept hij uit,

"want als gij een varken hadt gedood, hadt gij slechts den bloedprijs

van een varken behoeven te betalen, maar nu moet gij den bloedprijs

van een man betalen; er is nooit grootere bloedprijs geweest dan die,

welken gij moet betalen; en de wapens waarmede gij mij doodt zullen

het vertellen aan den wreker van het bloed."

"Dan zult gij zonder eenige wapens gedood worden," zegt daarop Brian,

en hij en zijn broeders steenigen hem en begraven hem in den grond

ter mansdiepte.

Maar toen Lugh kort daarop dien weg langs ging, schreeuwden de steenen

in de vlakte luide en vertelden hem over den moord op zijn vader door

de hand van de zonen van Turenn. Hij graaft het lichaam op en keert

naar Tara terug, na wraak te hebben gezworen. Hier beschuldigt hij de

zonen van Turenn tegenover den Opperkoning, en krijgt de toestemming

hen ter dood te doen brengen of den losprijs te noemen, waarvoor

hij dat vonnis wil herroepen. Lugh kiest den losprijs, en hij noemt

de volgende, waarbij hij dingen van groote waarde, die alleen onder

ongehoorde moeilijkheden te verwerven zijn, onder de namen van gewone

voorwerpen verbergt: drie appels, een varkenshuid, een speer, een

wagen met twee paarden, zeven zwijnen, een jachthond, een braadspit en

ten slotte eischt hij, dat zij boven op een heuvel drie kreten laten

hooren. De broeders verbinden zich, de boete te betalen, en daarna

verklaart Lugh de beteekenis er van. De drie appels zijn die, welke

groeien in den Tuin van de Zon; de varkenshuid is een tooverhuid, die

iedere wonde heelt en ook iedere ziekte geneest, als zij op den lijder

kan worden gelegd, zij is in het bezit van den koning van Griekenland;

de speer is een tooverwapen in het bezit van den koning van Perzië

(die namen zijn natuurlijk slechts fantaisienamen voor plaatsen in de

geheimzinnige feeënwereld); de zeven zwijnen behooren aan koning Asal

van de Goude Pilaren, en al heeft men ze iederen avond geslacht en

opgegeten, men vindt ze den volgenden dag weder in hun geheel terug;

het spit behoort aan de zeenimfen van het verzonken eiland Finchory;

en de drie kreten moet men doen hooren op den heuvel van een woesten

krijgsman, Mochaen, die met zijn zonen de gelofte heeft afgelegd, dat

zij iedereen zullen beletten zijn stem op dien heuvel te verheffen. Het

is een bijna onuitvoerbare taak, zelfs maar één van die werken te

volvoeren, en de broeders moesten ze alle volbrengen, voor dat zij

zich konden bevrijden van de schuld en de straf voor den dood van Kian.

Het verhaal loopt dan verder, hoe de zonen van Turenn met ontzaglijken

moed en met de grootste scherpzinnigheid één voor één al hun

opdrachten vervullen, maar als zij alle volbracht zijn behalve het

verwerven van het braadspit en het doen hooren der drie kreten op

den heuvel van Mochaen, zorgt Lugh door middel van tooverkunsten, dat

vergeetachtigheid over hen valt, en zij keeren met hun schatten naar

Ierland terug. Juist deze, in het bijzonder de speer en de varkenshuid,

zijn het, die Lugh noodig heeft om hem tegen de Fomoriërs te helpen;

maar zijn wraak is niet volkomen, en na de schatten verkregen te

hebben, herinnert hij de broeders er aan, dat er nog enkele werken

moeten vervuld worden. Zij beginnen nu, ten zeerste terneergeslagen,

te begrijpen, dat zij zijn voor den gek gehouden, en zij gaan droevig

heen, om, als zij kunnen, het overige van den bloedprijs meester te

worden. Na langen tijd te hebben rondgezworven, blijkt het hun, dat

het eiland Finchory niet boven, maar onder de zee is gelegen. Brian

gaat in een magische waterkleeding naar beneden, ziet de driemaal

vijftig nimfen in haar paleis, en pakt het gouden braadspit van haar

haard. De taak op den heuvel van Mochaen is de laatste, die nog moet

worden volbracht. Na een wanhopig gevecht, dat eindigt met het dooden

van Mochaen en zijn zonen, verheffen de broeders, doodelijk gewond, hun

stemmen in drie zachte kreten, en zoo is de bloedprijs betaald. Zij

zijn echter nog in leven als zij in Ierland terugkeeren, en hun

bejaarden vader Turenn smeekt Lugh, hem de tooverhuid van het varken

te leenen, om ze te genezen, maar de onverzoenlijke Lugh weigert dit,

en de broeders en hun vader sterven tezamen. Zoo eindigt het verhaal.

De tweede slag bij Moytura.

De tweede slag bij Moytura had plaats in een vlakte in het noorden

van het graafschap Sligo, dat de aandacht trekt door het aantal

grafmonumenten, die daar nog altijd verspreid liggen. De eerste

slag was natuurlijk dien welken het Volk van Dana met de Firbolgs

had geleverd, en het daar bedoelde Moytura lag veel zuidelijker in

het graafschap Mayo. Het gevecht tegen de Fomoriërs wordt verhaald

met een verwonderlijken rijkdom van de vreemdste gebeurtenissen. De

ambachtslieden van het Volk van Dana, Goban de smid, Credné, de

smeedkunstenaar (of goudsmid) en Luchta, de timmerman, herstellen

voortdurend de gebroken wapens van het Volk van Dana met magischen

spoed--drie slagen van Gobans hamer maken een speer of een zwaard,

Luchta slingert er een handvat tegen aan, dat dadelijk vast blijft

zitten, en Credné werpt er met zijn tang de klinknagels heen, zoo

vlug als hij ze kan maken, en zij vliegen op hun plaats. De gewonden

worden geheeld door de tooverhuid. De vlakte weerklinkt van het geraas

van den strijd:

"Vreeselijk was de donder, die over het slagveld rolde; de kreten der

krijgslieden, het breken der schilden, het flikkeren en kletteren van

de zwaarden, van de rechte zwaarden met ivoren gevesten, de muziek

en de harmonie der geworpen werpspiesen, en het suizen van speren en

lansen" [86].

De dood van Balor.

De Fomoriërs brengen hun kampioen Balor naar voren, voor wiens

vreeselijk oog Nuada met de Zilveren Hand en anderen van het Volk

van Dana bezwijken. Maar Lugh maakte gebruik van de gelegenheid,

dat het ooglid van vermoeidheid neerviel en naderde Balor tot op

korten afstand, en zoodra dat ooglid weer in de hoogte ging wierp hij

in het oog een grooten steen, die in zijn hersens doordrong, zoodat

Balor, zooals de profetie had voorspeld dood ter neder lag, door zijn

kleinzoon getroffen. Toen werden de Fomoriërs totaal verslagen, en

er wordt geen melding van gemaakt, dat zij ooit weer eenigen invloed

in Ierland verkregen of daarvan een eenigszins uitgebreid terrein

plunderden. Lugh, de Ildánach, werd toen op den troon geplaatst,

die te voren door Nuada was bezet, en de mythe van de overwinning

van den zonneheld over de macht van duisternis en van geweld is

hiermede voltooid.

De harp van den Dagda.

Wij zullen hier een aardig verhaal inlasschen, dat betrekking heeft

op de macht, die het Volk van Dana kon uitoefenen door de betooverende

uitwerking der muziek. Voordat de Fomoriërs op de vlucht gejaagd waren,

hadden zij den harpspeler van den Dagda gevangen genomen en voerden

dien met zich mede. Lugh, de Dagda en de krijgsman Ogma volgden hen

en kwamen zonder dat men hen herkende, in de feestzaal van het kamp

der Fomoriërs. Daar zagen zij de harp aan den muur hangen. De Dagda

riep haar aan, en onmiddellijk vloog zij in zijn handen, op haar weg

negen mannen der Fomoriërs doodend. De aanroeping van den Dagda is

eigenaardig, en ongemeen raadselachtig:

"Kom, appelzoete murmelaar", zoo roept hij, "kom raam van harmonie

met vier hoeken, kom Zomer, kom Winter, uit de monden der harpen en

zakken en fluiten" [87].

De toespeling op de jaargetijden wijst op de eigenaardigheid bij

de Indische muziek om bepaalde muzikale wijzen te gebruiken bij

verschillende jaargetijden (en zelfs bij verschillende uren van

den dag) en doet eveneens denken aan de Egyptische legende, die

besproken wordt door Burney in zijn "Geschiedenis der Muziek", waar

de drie snaren van de lier geacht werden overeen te komen met de drie

jaargetijden, lente, zomer en winter [88].

Toen de Dagda de harp in zijn bezit had, zoo luidt het verhaal verder,

speelde hij daarop de "drie edele tonen", die iedere grootmeester

op de harp moet beheerschen, en wel den Toon der Klacht, die alle

hoorders deed weenen, den Toon van het Lachen, die hen vroolijk maakte,

en den Toon van den Slaap, of Lullaby, die allen in een diepen slaap

dompelde. En onder de bedekking van dien slaap sloop de kampioen van

het Volk van Dana naar buiten en ontsnapte. Wij merken hierbij op,

dat in de geheele legendenlitteratuur van Ierland bekwaamheid in de

muziek, welke kunst een invloed uitoefent, die het meest gelijkt op

die van een geheimzinnige toovermacht of van een gave der feeën, het

prerogatief is van het Volk van Dana en hun afstammelingen. Zoo wordt

in de "Samenspraak der Ouden", een verzameling sprookjes omstreeks de

dertiende of veertiende eeuw vervaardigd, St. Patrick in aanraking

gebracht met een minnezanger Cascorach, "een schoonen jongeling met

gekrulde haren en donkere wenkbrauwen", die een zóó zoete melodie

speelt, dat de heilige en zijn gevolg in slaap vallen. Volgens het

verhaal was Cascorach de zoon van een minnezanger uit het Volk van

Dana. De schrijver van St. Patrick, Brogan merkt op: "Gij gaaft

ons daar een heerlijk staaltje van uw kunst". "Het zou werkelijk

goed zijn", zeide St. Patrick, als er niet een klank in was van de

tooverij eener fee, die het verpest; was dit niet het geval, dan

zou niets meer dan dit overeenkomen met een hemelsche harmonie. [89]

Sommige van de schoonste der oude Iersche volksmelodieën,--b.v. de

_Coulin_--zijn volgens de overlevering door sterfelijke harpspelers

afgeluisterd bij de feesten der Feeën.

Namen en karaktertrekken van de godheden van het Volk van Dana.

Wij zullen dit verhaal der verovering door het Volk van Dana

besluiten met een overzicht van de voornaamste goden van het Volk

van Dana en van hun attributen, welk overzicht van groot nut zal

zijn voor de lezers der volgende bladzijden. Het beste ons bekende

overzicht is dat, wat gevonden wordt in de "Critische geschiedenis

van Ierland", door Standish O'Grady [90]. Dit werk is niet minder

merkwaardig om zijn critisch inzicht--het werd in 1881 uitgegeven,

toen men nog weinig hoorde van een wetenschappelijke beoefening der

Keltische mythologie--dan om de diep-poëtische verbeeldingskracht,

die nauw verwant was aan die van de dichters der oude mythen zelf,

waardoor doode vormen uit het verleden opstaan en door den adem des

levens worden opgewekt. De groote lijnen, waarin O'Grady de typische

karaktertrekken der hoofdpersonen in den cyclus van Dana heeft

geschetst, vereischen in onzen tijd nauwelijks eenige verbetering,

en zijn voor ons bij het hier volgende overzicht van groot nut geweest.

De Dagda.

De Dagda Mor was de vader en het opperhoofd van het Volk van

Dana. Er is aan hem en aan zijn optreden het denkbeeld van grootheid

verbonden. In den tweeden slag bij Moytura vellen zijn slagen geheele

rijen van den vijand, en als hij zijn speer op marsch laat slepen,

trekt deze een vore in den grond als de gracht, die de grens van een

provincie aanwijst. In enkele verhalen omtrent die godheid is een

element van zonderlingen humor aanwezig. Als de Fomoriërs hem voedsel

geven bij zijn bezoek aan hun kamp, worden de pap en de melk in een

grooten kuil in den grond gestort, en hij eet die met een lepel,

die zóó groot is, zooals verhaald wordt, dat een man en een vrouw er

samen in kunnen liggen. Met dien lepel schrapt hij den kuil uit, als

de pap op is en met de grootste onverschilligheid laat hij de aarde

en het grove zand door zijn keel loopen. Wij hebben reeds gezien,

dat hij zooals het geheele Volk van Dana een meester is in de muziek,

en tevens volleerd in alle magische kunsten, terwijl hij daarbij een

harp bezit, die op zijn roep door de lucht komt vliegen. "De neiging,

om leven toe te kennen aan levenlooze dingen is duidelijk merkbaar

in de Homerische litteratuur, maar oefent een veel grooteren invloed

uit in de mythologie van dit land. De levende, vlugge speer van Lugh;

het tooverschip van Mananan; het sprekende zwaard van Cuchulain; de

Lia Fail, de Steen van het Noodlot, die van vreugde loeide onder den

voet van wettige koningen; de golven van den oceaan, die van woede

en smart bulderden, als die koningen in gevaar waren; de wateren

van de Avon Dia, die uit vrees bleven stilstaan bij het vreeselijk

tweegevecht tusschen Cuchulain en Ferdia: die alle zijn slechts enkele

uit vele voorbeelden [91]. Een legende van lateren tijd verhaalt ons,

hoe eens bij den dood van een groot geleerde alle boeken in Ierland

van de boekenplanken op den vloer vielen.

Angus Og.

Angus Og (Angus de Jonge), de zoon van den Dagda, verwekt bij Boanna

(de rivier bij Boyne) was de Iersche liefdegod. Men dacht zich zijn

paleis te New Grange, aan de Boyne. Ook stelde men zich de vier

schitterende vogels, die voortdurend boven zijn hoofd zweefden voor,

als zijn kussen, die in die lieflijke gedaante gematerialiseerd werden,

en als deze zongen, ontsprong de liefde in de harten van jongelingen

en en meisjes. Eens werd hij smoorlijk verliefd op een meisje, dat

hij in den droom had gezien. Hij vertelde de oorzaak van de ziekte,

die daarvan het gevolg was, aan zijn moeder Boanna, die geheel Ierland

doorzocht naar het meisje, maar het niet kon vinden. Daarop werd de

Dagda binnengeroepen, maar wist evenmin, wat hij doen moest, totdat

hij de hulp inriep van Bov den Roode, den koning van het Munstersche

volk van Dana--denzelfden, van wien sprake is in het verhaal van

de kinderen van Lir, en die op de hoogte was van alle mysteriën en

tooverkunsten. Bov nam de taak op zich, naar het meisje te zoeken,

en na verloop van een jaar verklaarde hij, dat hij het in den droom

verschenen meisje had gevonden bij een meer, dat het Meer van den

Drakenbek heette.

Angus ging nu naar Bov, en na door hem drie dagen te zijn onthaald,

werd hij gebracht naar den oever van het meer, waar hij driemaal

vijftig maagden zag, die paar aan paar liepen, terwijl ieder paar aan

elkander was gekluisterd door een gouden keten, doch één der meisjes

was meer dan een hoofd grooter dan de overige. "Dat is zij," roept

Angus uit. "Vertel ons onder welken naam zij bekend is." Bov antwoordt,

dat zij Caer heet, en dat zij de dochter is van Ethal Anubal, een

vorst van het volk van Dana, dat in Connacht woont. Angus weeklaagt,

dat hij niet sterk genoeg is, haar van haar gezellinnen weg te dragen,

maar op raad van Bov begeeft hij zich om hulp naar Ailell en Maev,

het sterfelijke koningspaar uit Connacht. Daarop begaven zich de Dagda

en Angus naar het paleis van Ailell, die hen een week lang feestelijk

onthaalt en hen daarna naar de reden van hun komst vraagt. Toen zij

die hadden vermeld, antwoordde deze: "Wij hebben niets te zeggen over

Ethal Anubal". Toch zonden zij een boodschap naar Ethal, waarbij zij

hem vragen om de hand van Caer voor Angus, maar Ethal weigert haar af

te staan. Ten slotte wordt hij belegerd door de verbonden troepen van

Ailell en den Dagda en gevangen genomen. Toen zij hem ten tweeden male

Caer ten huwelijk vroegen, zegt hij, dat hij er niet in kon toestemmen,

"want zij is machtiger dan ik." Hij legt hun uit, dat zij om het

andere jaar in de gedaante van een meisje en van een zwaan leeft,

"en op den eersten November", zoo zegt hij, "zult gij haar met

honderd-vijftig andere zwanen bij het meer van den Drakenbek zien.

Angus gaat daar op den vastgestelden tijd heen en roept haar toe: "Ach,

kom toch, en spreek met mij!" "Wie roept mij?" vraagt Caer. Angus

deelt haar mede, wie hij is, en ziet dan, dat hij in een zwaan

is veranderd. Dit is voor hem een aanwijzing, dat zij toestemt,

en hij springt in het water, om zich bij zijn geliefde in het meer

te voegen. Daarna vliegen zij beiden naar het paleis aan de Boyne,

waarbij zij een zóó goddelijke muziek doen hooren, dat alle hoorders

gedurende drie dagen en drie nachten in slaap worden gewiegd.

Angus is de bijzondere vriend van jongelingen en meisjes. Dermot van

de Liefdesplek, een onderhoorige van Finn mac Cumhal, over wien wij

later zullen hooren, was te zamen met Angus in het paleis aan de Boyne

opgevoed. Hij was de typische minnaar in de Iersche legende. Toen hij

gedood was door het wilde zwijn van Ben Bulben, wekt Angus hem weer

tot leven op en draagt hij hem weg, om met hem in zijn tooverpaleis

in de onsterfelijkheid te deelen.

Len van Killarney.

Wij hebben reeds gesproken van Bov den Roode, den broeder van den

Dagda. Naar men zegt, had hij een goudsmid in zijn dienst, Len genaamd,

"waaraan de Meren van Killarney vroeger hun namen hadden ontleend,

daar zij eertijds bekend waren onder de namen Locha Lein, de meren van

Len met de Vele Hamers. Hier, bij het meer, oefende hij zijn ambacht

uit, omgeven door regenbogen en een overvloed van vurigen dauw [92].

Lugh.

Lugh is reeds beschreven [93]. Hij heeft meer bijzondere attributen

van de zon dan eenige andere Keltische godheid; en, zooals wij weten,

was zijn vereering wijd over het Keltische vasteland verspreid. In

het verhaal over de zonen van Turenn werd ons medegedeeld, dat Lugh

de Fomoriërs van het westen naderde. Daarop stond Bres, de zoon van

Balor, op en zeide: "Het verbaast mij, dat de zon heden in het westen

opkomt, en iederen anderen dag in het oosten." "Mocht dit inderdaad

het geval zijn," zeiden zijn Druïden. "Wel, wat anders is het dan,

als het de zon niet is?" zeide Bres. "Het is de glans van het gelaat

van Lugh met den Langen Arm," antwoordden zij.

Lugh was de vader van Cuchulain, verwekt bij de Milesische maagd

Dectera; hij was de grootste heldenfiguur in de Iersche legende,

in wiens geschiedenis een krachtig element der zonnemythe schuilt [94].

Midir, de trotsche.

Midir de trotsche is een zoon van den Dagda. Zijn tooverpaleis is te

_Bri Leith_, of Slieve Callary in het graafschap Longford. Hij komt

dikwijls voor in legenden, die gedeeltelijk handelen over menschelijke

wezens, gedeeltelijk over wezens uit het Volk van Dana, en altijd

wordt hij voorgesteld als een type van pracht, en in zijn kleeding en

in zijn persoonlijke schoonheid. Als hij voor koning Eschy verschijnt

op den heuvel van Tara wordt hij aldus geschetst [95].

"Op zekeren helderen dag in den zomertijd stond Eochaid Airemm,

de koning van Tara op, en beklom hij de hoogte van Tara [96], om de

vlakte van Bleg te overzien; de kleur dier vlakte was wonderschoon,

en daarop stonden de prachtigste boomen met bloesems, die glinsterden

in alle bekende kleuren. En toen de bovengenoemde Eochy om zich

heen en in de verte zag, ontdekte hij een jongen vreemden krijgsman

naast zich op de hoogte. Het kleed, dat de krijgsman droeg, had een

purperkleur, zijn haar was goudgeel, en zoo lang dat het reikte tot

boven aan zijn schouders. De oogen van den jeugdigen krijgsman waren

glinsterend en grijs; in de ééne hand hield hij een fijne, gepunte

speer, in de andere hand een schild met een witten knop in het midden,

en gouden edelgesteenten daar bovenop. En Eochaid hield zich stil,

want hij wist, dat een dergelijk iemand den avond te voren niet in

Tara was geweest, en evenzeer wist hij, dat de poort, die naar zijn

gebied leidde, in dien tusschentijd niet geopend was [97].

Lir en Mananan.

Lir treedt, zooals O'Grady opmerkt, in twee verschillende vormen op. In

den eersten is hij een groot, onpersoonlijk iets, dat geëvenredigd

is aan de zee; in werkelijkheid de Grieksche Oceanus. In den tweeden

vorm is hij een afzonderlijke persoonlijkheid, die onzichtbaar woont op

"Slieve Fuad" in het graafschap Armagh. In de Iersche legenden hooren

wij weinig van hem, daar de attributen van den zeegod meestal worden

toegekend aan zijn zoon, Matanan.

Die laatste godheid is één der populaire goden in de Iersche

mythologie. Hij was heer over de zee, voorbij of onder welke het

Land der Jeugd of de Eilanden der Dooden moeten gelegen hebben;

hij was daarom de geleider der menschen naar dat land. Hij was

doorkneed in allerlei listen en misleidingen, en bezat alle soorten

van toovermiddelen--de boot, de Oceaanveger genaamd, die gehoorzaamde

aan de gedachten van hen, die daarin voeren, en die zonder roeiriemen

of zeilen voortging, het paard Aonbarr, dat zoowel over zee als

over land kon reizen, en het zwaard, de Antwoorder, waaraan geen

wapenrusting kon weerstand bieden. Golven met witte koppen heetten

de Paarden van Mananan, en het was den Zonnegod Cuchulain verboden

(_tabu_), die te zien--dit wees op den dagelijkschen dood der zon,

als zij in de westelijke golven onderduikt. Mananan droeg een grooten

mantel, die iedere kleur kon aannemen, zooals het wijdverspreide

veld der zee, als het van een hoogte wordt aanschouwd; en men zegt,

dat als een vijandelijke macht in het land viel, zij zijn donderende

voetstappen en het wapperen van zijn grooten mantel hoorden, wanneer

hij als de beschermer van het eiland Erin toornig des nachts hun kamp

omliep. Men stelde zich voor, dat het eiland Mann, dat flauw van de

Iersche kust werd gezien, de troon van Mananan was, en zijn naam aan

dien godheid heeft ontleend.

De Godin Dana.

De grootste der godinnen uit het Volk van Dana, was Dana "de

moeder der Iersche goden", zooals zij in een oud handschrift wordt

genoemd. Zij was een dochter van den Dagda, en stond evenals hij in

verband met denkbeelden van vruchtbaarheid en zegen. Volgens d'Arbois

de Jubainville was zij identiek met de godin Brigitta, die in het

Keltische gebied zoo algemeen vereerd werd. Men zegt, dat Brian,

Iuchar en Iucharba hun zonen waren--deze stellen in werkelijkheid

slechts één persoon voor, op de gewone Iersche wijze, waarbij de

goddelijke macht in een drieëenheid wordt voorgesteld. De naam van

Brian, die in al de heldendaden der broeders de leiding neemt [98],

is afgeleid van een ouderen vorm Brenos, en onder dien vorm was de

god, aan wien de Kelten hun overwinningen aan de Allia en te Delphi

toeschreven door de Romeinsche en Grieksche kronykschrijvers ten

onrechte aangezien voor een aardschen aanvoerder.

De Morrigan.

Er was ook een zeer merkwaardige en bijzondere godin, Morrigan

[99] genaamd, die alles in zich schijnt te belichamen, wat er maar

verdorvens en afschuwelijks is onder de bovennatuurlijke machten. Zij

had er genoegen in, den oorlog onder de menschen te doen ontbranden, en

streed zelf onder hen mede, waarbij zij zich in een aantal vreeselijke

gedaanten veranderde en dikwijls in de gestalte van een kraai boven

vechtende legers zweefde. Eens ontmoette zij Cuchulain en bood hem

haar liefde aan in den vorm van een menschelijke maagd. Hij wees die

af, en van dat oogenblik vervolgde zij hem gedurende het grootste

gedeelte van haar leven. Terwijl zij eens met hem streed te midden

van den stroom, veranderde zij zich in een waterslang, en vervolgens

in een bos waterkruiden, waarin zij hem trachtte te verwarren en zoo

te verdrinken. Maar hij overmeesterde en wondde haar en daarna werd

zij zijn vriendin. Vóór zijn laatste gevecht trok zij des nachts door

Emain Macha heen en brak zij, om hem te waarschuwen, den disselboom

van zijn wagen.

De golf van Cleena.

Eén der meest bekende grenspalen van Ierland was de _Tonn Cliodhna_, of

"Golf van Cleena" aan het zeestrand bij Glandore Bay in het graafschap

Cork. Het verhaal over Cleena komt in verschillende lezingen voor,

die niet met elkander overeenkomen behalve in zóóver, dat zij een

maagd uit het volk van Dana is geweest, die eens gewoond heeft in het

land van Mananan, het Land der Jeugd over de Zee. Na van daar met een

sterfelijken minnaar, zooals één der lezingen luidt, gevlucht te zijn

landde zij op de zuidkust van Ierland, en haar minnaar, Keevan met

Krullende Lokken, ging heen om in de bosschen te jagen. Cleena, die

aan het strand achterbleef, werd in slaap gewiegd door betooverende

muziek, die gespeeld werd door een minnezanger van Mananan, toen een

groote golf der zee oprees en haar naar het Tooverland terugbracht,

terwijl zij haar minnaar troosteloos achterliet. Vandaar werd de

plaats het Strand der Golf van Cleena genoemd.

De godin Ainé.

Een andere plaatselijke godin was Ainé, de schutsgodin van Munster,

die nog altijd door de bevolking van het graafschap vereerd wordt. Zij

was de dochter van Owel, een pleegzoon van Mananan en een Druïde,

en uit het volk van Dana afkomstig. Zij is in zekeren zin een godin

der liefde, die voortdurend stervelingen met hartstocht bezielt. Zij

was ontvoerd, zoo werd verhaald, door Ailill Olum, den koning van

Munster, die daarom door haar magische kunsten gedood werd, en dat

verhaal heeft zich in veel later tijd herhaald ten opzichte van

een anderen sterfelijken minnaar, die echter niet gedood werd, en

wel een Fitzgerald, wien zij den bekenden graaf baarde, die om zijn

tooverkunsten beroemd was [100]. Een aantal aristocratische families

van Munster maakten er aanspraak op, dat zij uit die verbintenis

waren afgestamd.

Haar naam is nog steeds verbonden aan den "Heuvel van Ainé"

(Knockainey), bij Loch Gur in Munster. Al de godheden van Dana waren

in de volksverbeelding aardgoden, _dei terreni_, die in verband

stonden met vruchtbaarheid en vermenigvuldiging. In de letterkunde

der barden hoort men niet veel van Ainé, maar in de volksoverlevering

in die streken speelt zij een belangrijke rol. Op verzoek van haar

zoon, graaf Gerald beplantte zij in één nacht geheel Knockainey met

erwten. Zij werd vroeger--en misschien is dit nog het geval--den avond

vóór Sint Jan door de landbouwers vereerd, die toortsen van hooi en

stroo droegen, die op stokken gebonden waren en na aangestoken te zijn,

daarmede in den avond om haar heuvel liepen. Daarna verspreidden zij

zich over hun bebouwde velden en weiden, en zwaaiden de toortsen over

de aren en het vee om geluk en een rijken oogst voor het volgende

jaar te verkrijgen. Op zekeren avond, zoo verhaalt D. Fitzgerald,

[101] die de plaatselijke overleveringen omtrent die godin heeft

verzameld, werd de plechtigheid verzuimd ten gevolge van den dood

van één der buren. Toch zagen de boeren des avonds de toortsen in

grooter getale dan ooit te voren zich rondom den heuvel bewegen,

met Ainé zelf voorop, die de processie aanvoerde en regelde.

"Een anderen avond vóór Sint Jan waren een aantal meisjes laat op den

heuvel blijven staan, terwijl zij de _cliars_ (toortsen) beschouwden en

aan de spelen deelnamen. Plotseling verscheen Ainé in haar midden, en

dankte haar voor de eer, die zij haar hadden bewezen, maar zeide, dat

zij wenschte, dat zij nu naar huis gingen, _daar men den heuvel voor

zich zelf noodig had_. Zij maakte haar duidelijk, wie zij met _men_

bedoelde, want na sommige meisjes naar zich toe geroepen te hebben,

liet zij haar door een ring zien, waarop zij zagen, dat de heuvel

bezaaid was met menschen, die vroeger onzichtbaar waren geweest."

"Hier", zoo merkt Alfred Nutt op, "hebben wij de oude plechtigheden,

die uitgevoerd worden op een plek, gewijd aan één der oude

machten, onder bescherming van die machten en waaraan zij zelf

deelnemen. Nergens behalve bij de Galiërs zouden wij zulk een

sprekend voorbeeld kunnen vinden, hoe de feeënwereld identiek is met

de eerbiedwaardige machten, ten einde hun welgezindheid te verkrijgen,

ter eere van wie sedert ontelbare jaren, plechtigheden en offers zijn

gebracht, die eertijds wreed en bloedig waren, doch nu slechts een

flauwe weerschijn zijn van hun oorspronkelijken vorm. [102]

Sinend en de put der kennis.

Er is een merkwaardige mythe, die, terwijl zij bestemd is, een

verklaring te geven van den naam van de rivier de Shannon, een bewijs

is van de vereering der Kelten voor poëzie en wetenschap, verbonden

met de waarschuwing, dat die twee niet zonder gevaar kunnen worden

genaderd. Het verhaal luidt "dat de godin Sinend, de dochter van

Lodan, den zoon van Lir, naar een zekeren put, de put van Connla

genoemd, ging, die onder de zee is, dat wil zeggen: in het Land der

Jeugd, in het Tooverland. Het verhaal zegt, "dat dit een put is,

waar de hazelaars van wijsheid en ingevingen gelegen zijn, dat zijn

de hazelaars van wetenschap en poëzie, en op hetzelfde uur komen hun

vruchten en bloesems en bladeren te voorschijn en vallen dan boven in

den put in dezelfde bui, die op het water een koninklijke golf van

purper doet ontstaan." Toen Sinend bij den put kwam, had zij enkele

voorgeschreven plechtigheden of voorbereidingen verzuimd,--welke dit

waren is ons niet bekend--, en daarom braken de vertoornde wateren los

en overweldigden haar, en dreven haar naar den oever van den Shannon,

waar zij stierf; daaraan ontleende de Shannon zijn naam. [103] Die

mythe van de hazelaars der ingevingen en der kennis, en het verband

van deze met stijgend water loopt door vele Iersche legenden en is

prachtig weergegeven door den Ierschen dichter G. W. Russell in de

volgende versregels:

"Een hut verborgen tusschen grassen, die op de helling welig

groeien,

Met deur en venster wijd geopend, waardoor de sterren heimlijk

gluren,

Vrij kan 't konijn die schuur betreden, waarbinnen luid de

winden loeien,

Die buiten op de hooge bergen, langs kam en toppen heftig

schuren.

"En daalt de zon in 't westen neder, kleurt 't avondrood

de lucht,

Dan werpt de hazelaar ter neder zijn rijk gekleurde, rijpe

vrucht,

En sterrevormig is de bes, zooals die valt in Connla's put,

Want eeuwig levend water stroomt, waar winden suizen om de hut.

"Ik denk bij 't vallen van den nacht, die kille dauw doet

beven,

Hoe door mijn geest dan ongestoord en rein gedachten zweven;

Die als de bessen zijn, die vrij in 't luchtruim zich

verbreiden,

Terwijl de vruchten van den wonderboom zich overal

verspreiden."

De komst van de zonen van Miled.

Na den tweeden slag bij Moytura regeerde het Volk van Dana in Ierland

tot aan de komst van de zonen van Miled. Deze worden in de Iersche

legenden als een volkomen menschelijk ras beschouwd, doch in hun

oorsprong gaan zij, evenals de overige overweldigers van Ierland,

terug tot een goddelijk en mythisch voorgeslacht. Miled, wiens naam

als godheid voorkomt in een Keltische inscriptie uit Hongarije, wordt

voorgesteld als een zoon van Bilé. Bilé is evenals Balor één der

namen van den god des Doods, d.i. van de Onderwereld. Zij komen uit

"Spanje"--de gewone naam gebruikt door de latere nationalistische

geschiedschrijvers voor het Land der Dooden.

Zij zijn op de volgende wijze in Ierland gekomen: Ith, de grootvader

van Miled, hield verblijf in een grooten toren, dien zijn vader,

Bregon in "Spanje" had gebouwd. Op zekeren helderen winterdag, toen

hij in zijn hoogen toren in westelijke richting keek, zag hij in de

verte de kust van Ierland, en besloot hij naar het onbekende land

te zeilen. Hij scheepte zich in met negentig krijgslieden en landde

te Corcadyna, in het zuid-westen. In verband met deze gebeurtenis

willen wij een bijzonder schoon gedeelte aanhalen uit de "Iersche

Mythologische Cyclus", die bovendien de belangstelling waard is. [104]

"Volgens een onbekenden schrijver, door Plutarchus aangehaald, die

omstreeks het jaar 120 n.C. stierf, en ook door Procopius, die in

de zesde eeuw n.C. schreef, is "het Land der Dooden" het westelijke

uiteinde van Groot-Brittannië, dat door een ontoegankelijken muur

van het oosten is gescheiden. Op de noordkust van Gallië, zoo zegt de

legende, vindt men een bevolking van zeelieden, wier taak het is de

dooden van het vasteland over te brengen naar hun laatste woonplaats op

het eiland Brittannië. De zeelieden, die 's nachts gewekt worden door

het fluisteren van een geheimzinnige stem, staan op en begeven zich

naar het strand waar zij schepen vinden, die op hen wachten en hun niet

toebehooren [105], en daarin onzichtbare wezens, onder wier gewicht

de schepen bijna tot aan de dolboorden zinken. Zij gaan aan boord en

komen, zooals één lezing luidt, na één slag met de roeiroemen, volgens

een andere lezing binnen het uur, op de plaats hunner bestemming,

hoewel de reis met hun eigen schepen, zelfs met behulp van zeilen,

minstens een dag en een nacht zou geduurd hebben, voordat zij de kust

van Spanje hadden bereikt. Zoodra zij aan den anderen oever komen,

landen de onzichtbare passagiers, en op datzelfde oogenblik ziet

men, hoe de van hun last bevrijde schepen boven de golven verrijzen,

terwijl een stem gehoord wordt, welke de namen der nieuw aangekomenen

aankondigt, die zooeven gevoegd zijn bij de bewoners van het Land

der Dooden.

"Een slag met de roeiriemen, hoogstens één uur reizen, is voldoende

voor den middernachtelijken tocht, die de Dooden van het Gallische

vasteland naar hun laatste woonplaats overbrengt. De ééne of andere

geheimzinnige wet brengt immers in den nacht de groote tusschenruimten

bijeen, die het rijk der levenden over dag van dat der dooden

scheidt. Het was dezelfde wet, die Ith op een schoonen winteravond in

staat stelde om van den toren van Bregon, in het land der Dooden, de

kusten van Ierland, of het land der Levenden te zien. Het verschijnsel

had in den winter plaats; immers de winter is een soort van nacht;

de winter haalt, evenals de nacht, de slagboomen weg tusschen het

gebied van den Dood en dat van het Leven; evenals de nacht, zoo geeft

de winter het leven de gedaante van den dood, en neemt als het ware

den somberen afgrond weg, die tusschen beide gelegen is."

In dien tijd, zoo luidt de legende, werd Ierland geregeerd door drie

koningen uit het Volk van Dana, kleinzonen van den Dagda. Het waren

MacCuill, MacCecht en MacGrené, hun vrouwen heetten Banba, Fohla

en Eriu. Men ziet hier weer een voorbeeld, hoe bij de Kelten het

gebruik, om zich goddelijke personen in drietallen voor te stellen

inheemsch was. De drietallen vertegenwoordigen ieder één persoon,

en het mythische karakter van dien persoon blijkt uit den naam van

één van hen, MacGrené, zoon der Zon. De namen der drie godinnen zijn

ieder op verschillende tijdstippen op Ierland toegepast, maar die van

de derde, Eriu, is de eenige, die heeft stand gehouden, en is in den

derden naamval, Erinn, tot op den huidigen dag, een poëtische naam

voor het land. Zooals de Jubainville opmerkt, beteekent het feit, dat

Eriu de vrouw van MacGrené is, dat de Zonnegod, de god van den Dag,

van Leven en Wetenschap met het land is gehuwd en daarover regeert.

Ith vindt bij zijn landing, dat de koning uit het volk van Dana,

Neit, juist gesneuveld is in een gevecht met de Fomoriërs, en de drie

zonen, MacCuill en de overigen zijn in de vesting Aileach, in het

graafschap Donegal, om een regeling te maken omtrent de verdeeling

van het land onder hun drieën. In het begin verwelkomen zij Ith,

en vragen zij hem, de erfenis te regelen. Ith geeft zijn oordeel,

maar ten slotte komt zijn bewondering voor het juist ontdekte land

naar voren en zegt hij: "Handel naar de wetten der rechtvaardigheid,

immers het land, waarin gij woont is een goed land, het is rijk aan

vruchten en honig, aan graan en visch; en bij hitte en bij koude is

het klimaat gematigd". Uit die lofrede trekken de drie broeders de

gevolgtrekking, dat Ith booze plannen op hun land heeft, en daarom

nemen zij hem gevangen en brengen hem ter dood. Doch zijn makkers maken

zich meester van zijn lijk en dragen het met zich in hun schepen naar

"Spanje", waarna de kinderen van Miled besluiten wraak te nemen voor

de beleediging en zich gereed maken een inval in Ierland te doen.

Zij werden aangevoerd door zes-en-dertig bevelhebbers, ieder

met zijn eigen schip, waarop zijn familie en onderhoorigen waren

ingescheept. Men zegt, dat twee van het gezelschap onderweg zijn

omgekomen. Eén van de zonen van Miled, die boven in de mast was

geklommen om naar de kust van Ierland uit te kijken, viel in zee en

verdronk. De andere was Skena, de vrouw van den dichter Amergin,

de zoon van Miled, die onder weg stierf. De Milesiërs begroeven

haar toen zij landden, en noemden de plaats naar haar "Inverskena?";

dit was de oude naam der rivier Kenmare in het graafschap Kerry.

"Het was op een Donderdag, den eersten Mei, en de zeventienden dag

na nieuwe maan, dat de zonen van Miled in Ierland aankwamen. Ook

Partholan was den eersten Mei in Ierland geland, maar het was op

een anderen dag der week en der maan; het was ook op den eersten Mei

dat de pest uitbrak, die in één week tijds zijn geheele ras totaal

uitroeide. De eerste Mei was gewijd aan Beltené, één der namen van

den God des Doods, den god, die den mensch het leven schenkt en het

hun weer ontneemt. Het was dus op den feestdag van dien god, dat de

zonen van Miled hun verovering van Ierland begonnen." [106]

De dichter Amergin.

Toen de dichter Amergin den voet zette op den bodem van Ierland,

zong hij, naar verhaald wordt, een vreemd en mystisch lied:

"Ik ben de wind, die waait over zee,

Ik ben de golf van den oceaan;

Ik ben het gemurmel der golven;

Ik ben de os der zeven gevechten;

Ik ben de gier op de rots;

Ik ben een straal van de zon;

Ik ben de schoonste der planten;

Ik ben in dapperheid een wild zwijn;

Ik ben een zalm in het water;

Ik ben een meer in de vlakte;

Ik ben de bedrevenheid van den kunstenaar;

Ik ben een woord van wetenschap;

Ik ben de speerpunt, die aan den strijdt deelneemt;

Ik ben de god, die in het hoofd van den mensch het vuur der

gedachten schept.

Wie is het, die de menigte op den berg licht geeft, zoo

niet ik?

Wie telt den ouderdom der maan, zoo niet ik?

Wie wijst de plaats aan, waar de zon ter ruste gaat, zoo

niet ik?"

De Jubainville, wiens vertaling hier in hoofdzaak is gevolgd, merkt

naar aanleiding van die vreemde uiting op:

"Er is een gemis aan orde in dit gedicht; de denkbeelden, hoofdzaken en

ondergeschikte gedachten, zijn zonder methode door elkander geschud;

maar er is geen twijfel aan de beteekenis; de _filé_ (dichter)

is het woord der wetenschap, hij is de god, die den mensch het vuur

der gedachte geeft; en daar de wetenschap niet gescheiden is van zijn

doel, daar God en Natuur slechts één zijn, is het wezen van den _filé_,

vermengd met de winden en de golven, met de wilde dieren en de wapenen

van den krijgsman" [107].

Er werden nog twee andere gedichten aan Amergin toegeschreven, waarin

hij het land en de natuurkundige eigenschappen van Ierland aanroept,

om hem te helpen:

"Ik roep het land van Ierland aan,

Schitterende, schitterende zee;

Vruchtbare, vruchtbare berg;

Open, open bosch!

Overvloeiende rivier, overvloeiend in water!

Meer rijk aan visch!" [108]

Het oordeel van Amergin.

Het leger der zonen van Miled trekt na landing op Tara aan, waar zij

de drie koningen uit het Volk van Dana aantreffen, die hen afwachten,

en stellen hun den eisch, het eiland aan hen af te staan. De drie

koningen vragen een uitstel van drie dagen, om te overwegen, of

zij Ierland zullen verlaten, zich zullen onderwerpen of slag zullen

leveren; en zij stellen daarna voor, de beslissing over te laten aan

Amergin. Amergin doet uitspraak "het eerste vonnis dat in Ierland was

uitgesproken". Hij geeft toe, dat de Milesiërs hun vijanden niet bij

verrassing moeten overrompelen--zij moeten zich negen golven afstand

van de kust verwijderen en dan terugkeeren; indien zij dan het Volk

van Dana overwinnen, is het land eerlijk het hunne door het recht

van verovering.

De zonen van Miled onderwerpen zich aan die beslissing en bestijgen

hun schepen. Maar nauwelijks zijn zij dien mystieken afstand van

negen golven weggevaren, toen een mist en een storm werden opgewekt

door de tooverijen van het Volk van Dana--de kust van Ierland is voor

hun gezicht verborgen, en zij zwerven verstrooid over den Oceaan. Om

zich er van te vergewissen, of het een natuurlijke storm is, die

hen teistert, dan wel een, die door de Druïden is opgewekt, wordt

een zekere Tranan boven op den mast gezonden, om te zien, of daar de

wind waait. Hij wordt van den zwaaienden mast afgeslingerd, maar onder

het vallen, waarbij hij den dood vindt, roept hij zijn scheepsmakkers

nog toe: "Er is boven geen storm". Amergin, die als dichter,--dat wil

zeggen als Druïde--in alle critieke omstandigheden de leiding heeft,

zingt dan zijn tooverformulieren aan Erin. Daarop gaat de wind liggen,

zij wenden vroolijk de stevens naar het strand. Maar één der hoofden

der Milesiërs, Eber Donn jubelt in onmenschelijke opgewondenheid

bij het vooruitzicht, allen, die in Ierland wonen met het zwaard te

dooden; daarop steekt de storm opnieuw op, waarbij een aantal der

schepen van de Milesiërs schipbreuk lijden, waaronder ook dat van

Eber Donn. Tenslotte bereikt een klein deel der Milesiërs het strand,

en landen in de monding van de Boyne.

De nederlaag van het volk van Dana.

Daarop volgt een groote veldslag tegen het Volk van Dana te

Teltown. [109] De drie koningen en de drie koninginnen worden met een

aantal van het volk verslagen en de kinderen van Miled,--de laatste

van de mythische overweldigers van Ierland--krijgen de oppermacht in

Ierland. Maar het Volk van Dana wijkt niet terug. Door hun tooverkunst

werpen zij een sluier van onzichtbaarheid over zich heen, die zij naar

verkiezing aan- of afleggen. Er zijn van nu af aan twee landen Ierland,

het onstoffelijke en het aardsche. Het Volk van Dana vertoeft in het

onstoffelijke Ierland, dat door hun grooten opperheer, den Dagda, onder

hen verdeeld is. Daar waar het menschelijke oog niets ziet dan groene

heuvels en wallen, de overblijfselen van vernielde vestingen of graven,

daar verrijzen de tooverpaleizen der verslagen godheden: daar vieren

zij hun feesten in eeuwigen zonneschijn, gevoed door het toovervleesch

en het tooverbier, dat hun onsterfelijke jeugd en schoonheid schenkt,

en van daar komen zij te voorschijn, om zich met de stervelingen te

vermengen in liefde en in strijd. De oude mythische letterkunde stelt

hen voor als helden, schitterend in kracht en in schoonheid. In latere

tijden, naarmate de Christelijke invloed krachtiger wordt, dalen zij

af tot toovenaars en feeën, het volk der Sidhe [110]; maar zij zijn

nooit geheel ten gronde gegaan; tot op onzen tijd leeft het Land der

Jeugd met zijn bewoners voort in de verbeelding der Iersche boeren.

De beteekenis der Dana-mythe.

Alle mythen, ontstaan bij een primitief volk, zijn symbolen en

indien wij kunnen ontdekken, wat zij symbolisch voorstellen, hebben

wij een kostbaren sleutel tot het geestelijk karakter, en somtijds

zelfs tot de geschiedenis van het volk, waaraan zij hun ontstaan

te danken hebben. Nu is de beteekenis dezer mythe, zooals die in de

barden-litteratuur voor den dag komt, volkomen duidelijk, hoewel zij,

voordat zij ons heeft bereikt, zeer is verwrongen. Het Volk van Dana

vertegenwoordigt den eerbied der Kelten voor wetenschap, poëzie en

kunstvaardigheid, natuurlijk vermengd met de andere opvatting der

goddelijkheid van de machten van het Licht. In hun strijd tegen de

Firbolgs is duidelijk de overwinning van het verstand over domheid en

onwetendheid geteekend--de vergelijking van het zware, stompe wapen der

Firbolgs met de lichte en doordringende speren van het Volk van Dana

is een aanwijzing, die onmogelijk kan worden misverstaan. En in hun

strijd met een veel machtiger en gevaarlijker vijand, de Fomoriërs,

moeten wij blijkbaar den strijd zien tusschen de machten van het

Licht met het kwaad, zooals dit in een minder positieven vorm is

voorgesteld door de Firbolgs. De Fomoriërs drukken niet uitsluitend

stompheid en domheid uit, maar de krachten van tyrannie, wreedheid

en hebzucht--eer moreele dan verstandelijke duisternis.

De beteekenis der mythe van de zonen van Miled.

Maar de mythe van den strijd tusschen het Volk van Dana en de zonen

van Miled is moeilijker te begrijpen. Hoe komt het, dat de vorsten

van licht en schoonheid, die heerschen over alle machten der gedachte

(magische kunsten en tooverij) bezweken voor een menschenras en door

hen beroofd werden van hun zoo moeilijk gewonnen erfdeel? Wat is de

beteekenis van dat inkrimpen van hun macht, wat plotseling plaats

greep, zoodra de zonen van Miled ten tooneele verschenen? De zonen van

Miled stonden niet aan de zijde van de machten der duisternis. Zij

stonden onder de leiding van Amergin, die blijkbaar een belichaming

was van de voorstelling van poëzie en gedachte. Zij werden met het

grootste ontzag en den grootsten eerbied beschouwd, en de heerschende

families van Ierland beweerden van hen af te stammen. Was dan het

Rijk des Lichts tegen zich zelf verdeeld? Of, zoo niet, tot welke

opvatting in den Ierschen geest moeten wij de mythen van den inval

en de overwinning der zonen van Miled terugvoeren?

Het eenige antwoord, dat wij kunnen geven op die vraag, die ons zoo

zeer in verlegenheid brengt, is dat wij moeten aannemen, dat die mythe

haar oorsprong ontleende aan een veel lateren tijd dan de overige

mythen, en dat zij in hoofdtrekken het product was van Christelijke

invloeden. Het Volk van Dana was in het bezit van het land, maar het

waren heidensche godheden--en deze konden niet de plaats bekleeden van

de voorzaten van een Christelijk Ierland. Men moest ze op de één of

andere wijze kwijt raken, en men moest een ras van minder kinderlijke

voorouders voor hen in de plaats stellen. Daarom werden de zonen

van Miled uit "Spanje" gehaald, en begiftigd met de voornaamste

karaktertrekken, maar iets meer menschelijk voorgesteld, van het

Volk van Dana. Maar de laatsten worden, in afwijking van de gewone

houding van het oude Christendom, in het verhaal hunner omverwerping

met groote teederheid behandeld. Zoo heeft ééne van deze de eer, dat

zij haar naam mag schenken aan het eiland; de onbeschaamdheid van één

der veroveraars jegens hen wordt met den dood gestraft, en zelfs als

zij het oppergezag over den grond verloren hebben, genieten zij nog

van het leven in de tooverwereld, die zij door hun tooverkunsten voor

stervelingen onzichtbaar hebben gemaakt. Zij zijn niet langer goden,

maar toch zijn zij meer dan gewoon menschelijk, en er komen een aantal

voorbeelden voor, waarin zij ons worden voorgesteld als te voorschijn

te komen uit hun tooverwereld, te worden omvat in de plooien der

Christelijke wereld, en de hemelschen gelukzaligheid deelachtig te

worden. Wij zullen met twee gevallen van die verlossing van het Volk

van Dana dit hoofdstuk over de Mythen naar aanleiding van den inval

in Ierland besluiten.

Het eerste is het vreemde en schoone verhaal van de

gedaanteverwisseling der kinderen van Lir.

De kinderen van Lir.

Lir was een godheid van het Volk van Dana, de vader van den zeegod

Mananan, die voortdurend voorkomt in tooververtellingen uit den cyclus

van de kinderen van Miled. Hij was na elkander met twee zusters gehuwd,

van wie de tweede Aoife [111] heette. Zij was kinderloos, maar de

vorige vrouw van Lir had hem vier kinderen nagelaten, een meisje,

Fionuala [112] genaamd, en drie jongens. De innige liefde van Lir

voor die kinderen wekte de jaloezie der stiefmoeder op, en ten slotte

besloot zij hen uit den weg te ruimen. Wij maken hier de opmerking,

dat het Volk van Dana, hoewel zij worden voorgesteld als niet onder

den invloed van den tijd te staan, en van nature onsterfelijk te zijn,

toch aan een gewelddadigen dood onderhevig zijn, hetzij door elkanders

toedoen, hetzij zelfs door stervelingen.

Met het doel haar misdadig plan te volbrengen, gaat Aoife op reis

naar een naburigen koning uit het Volk van Dana, Bov den Roode, op

welke reis zij de vier kinderen medeneemt. Toen zij op een eenzame

plaats bij het meer Derryvaragh in Westmeath gekomen was, beveelt

zij haar volgelingen, de kinderen te dooden. Deze weigeren dit en

berispen haar. Daarop besluit zij het zelf te doen, maar, zooals de

legende zegt, "haar vrouwelijke natuur krijgt de overhand", en in

plaats van de kinderen te dooden, verandert zij ze door tooverkunsten

in vier witte zwanen, en legt hun het volgende noodlot op: zij moeten

driehonderd jaar doorbrengen op de wateren van het meer Derryvaragh,

driehonderd jaar op de landengte van Moyle (tusschen Ierland en

Schotland) en driehonderd jaar op den Atlantischen Oceaan bij Erris

en Inishglory. Daarna, "zoodra de vrouw uit het Zuiden verbonden is

met den man uit het Noorden", zal de betoovering geëindigd zijn.

Zoodra de kinderen niet met Aoife medekomen in het paleis van Bov,

wordt haar misdrijf ontdekt, en Bov verandert haar in een "demon der

lucht". Schreeuwend vliegt zij voort en in de vertelling wordt van

haar niet meer gesproken. Maar Lir en Bov vinden de zwanenkinderen

en ontdekken, dat zij niet alleen de menschelijke spraak bezitten,

maar dat zij ook de gave behouden hebben, om prettige muziek te doen

hooren, wat een karakteristieke gave is van het Volk van Dana. Uit

alle deelen van het eiland trekken gezelschappen uit het Volk van

Dana naar het meer Derryvaragh, om die prettige muziek te hooren,

en zich met de zwanen te onderhouden en gedurende dien tijd scheen

een groote rust en welwillendheid over het land verspreid te zijn.

Maar eindelijk brak voor hen den dag aan, dat zij hun stamgenooten

moesten verlaten en verder moesten gaan leven bij de woeste klippen

en de voortdurende booze zee der noordelijke kust. Hier leerden zij

eenzaamheid, storm en koude in al hare verschrikkingen kennen. Daar

het hun verboden was te landen, vroren hun vederen in de winternachten

vast aan de rotsen, en dikwijls werden zij door stormen gestooten en

van elkander afgedreven. Zooals Fionuala zingt:

"Wreed was voor ons Aoife,

Die ons betooverde,

En ons dreef in het water--

Vier schoone zwanen, wit als sneeuw.

"Ons bad is 't schuimend water,

In baaien aan de roode rotsen;

Terwijl wij thuis de meede dronken,

Lescht thans den dorst het zoute water.

"Drie zonen en één enkle dochter,

Bewonen wij der rotsen spleten,

De harde rotsen, wreed voor menschen--

Wij zijn in dezen nacht scherpzichtig".

Fionuala, de oudste der vier, neemt bij al wat zij doen de leiding,

en koestert de jongere kinderen zoo teeder als een moeder, terwijl

ze hen met haar veeren omgeeft in de koude winternachten. Eindelijk

breekt de tijd aan, dat zij de derde en laatste periode van het hun

door hun stiefmoeder opgelegde lijden intreden, en zij vluchten naar de

westelijke kusten van Mayo. Ook daar ondervinden zij veel tegenspoed

en ellende; maar de zonen van Miled zijn nu in het land gekomen,

en een jonge landbouwer, Evric genaamd, die aan de oevers van Baai

Erris woont, ontdekt wie en wat de zwanen zijn, en treedt als hun

beschermer op. Zij vertellen hem hun geschiedenis, en door hem zou

dan die geschiedenis bewaard gebleven en overgeleverd zijn. Toen het

einde van hun lijden nabij was, besloten zij naar het paleis van hun

vader Lir te vliegen, die naar ons wordt verhaald, in Armagh woont op

den Heuvel van het Witte Veld, ten einde te zien, hoe het hem gegaan

is. Dat doen zij; maar daar zij niet weten, wat bij de komst der

Milesiërs is geschied, zijn zij ontroerd en in verwarring gebracht,

als zij niets dan groene hoogten en hulststruiken en brandnetels vinden

op de plaats waar eens het paleis van hun vader stond--en nog staat,

hoewel zij het niet kunnen zien. Hun oogen zijn, zooals ons wordt

te begrijpen gegeven, niet in staat het te zien, omdat een hoogere

bestemming voor hun was weggelegd dan om terug te keeren naar het

Land der Jeugd.

Aan baai Erris hooren zij voor het eerst het geluid van een

Christelijke klok. Dat geluid is afkomstig van de bidkapel van een

kluizenaar, die zich daar heeft gevestigd. Het eerste oogenblik zijn

de zwanen ontsteld en beangst door het "dunne, vreeselijke geluid",

maar daarna komen zij naderbij en maken zij zich aan den kluizenaar

bekend, die hen in het geloof onderricht, en zij zingen met hem de

kerkelijke oefeningen mede.

Het geval wilde nu, dat een prinses uit Munster, Deoca, ("de vrouw

uit het Zuiden") zich verloofde met een opperhoofd uit Connacht,

Lairgnen genaamd, en hem als huwelijksgift verzocht, haar de vier

zwanen te bezorgen, die zoo prachtig zongen en waarvan de faam tot

haar was doorgedrongen. Hij vraagt er den kluizenaar om, die echter

weigert ze af te staan, waarop de "man uit het Noorden" hen met

geweld aangrijpt bij de zilveren ketenen, waarmede de kluizenaar ze

aan elkander had gekluisterd en ze naar Deoca voortsleept. Dit is hun

laatste beproeving. Zoodra zij in haar tegenwoordigheid zijn gekomen,

overvalt hun een ontzettende gedaanteverwisseling. Het zwanendons valt

af, en nu vertoonen zich niet de schitterende vormen der godheden

van het Volk van Dana, maar vier afgeleefde menschelijke wezens,

met sneeuwwitte haren, ineen geschrompeld door het verval van hun

hoogen ouderdom. Lairgnen vlucht in ontzetting van de plaats weg,

maar de kluizenaar maakt dadelijk voorbereidselen om den doop toe

te dienen, daar de dood voor hen nabij is. "Leg ons in één graf",

zegt Fionuala, "leg Conn aan mijn rechterhand, Fiachra aan mijn

linkerhand en Hugh vóór mijn gelaat, want dat was hun gewone plaats

als ik hen gedurende zoovele winternachten op de zeeën van Moyle

beschutte." En zoo geschiedde het, en zij gingen naar den hemel;

zoo luidt het verhaal, de kluizenaar treurde om hen, tot aan het

einde van zijn aardsch bestaan. [113]

In de geheele Keltische legendenliteratuur is er geen teederder en

schooner vertelling dan die van de kinderen van Lir.

De vertelling over Ethné.

De verbeelding van den Keltischen bard hield zich altijd met genot

bezig met dergelijke verhalen omtrent overgangen naar het Christendom,

waarvan verzoening van de heidensche wereld met de Christelijke het

onderwerp was. Diezelfde opvatting wordt belichaamd in het verhaal,

dat wij nu over Ethné zullen weergeven.

Zooals gezegd werd, had Mananan mac Lir een dochter, die ter

opvoeding was toevertrouwd aan vorst Angus van het Volk van Dana,

wiens tooverpaleis te Brugh na Boyna was gelegen. Dit is de groote

grafheuvel aan de Boyne, die thans New Grange heet. Ter zelfder tijd

werd den opzichter van Angus een dochter geboren, Ethné genaamd,

die aan de jonge prinses als kamenier werd toegewezen.

Ethné groeide op tot een lief en aanvallig meisje, maar op zekeren

dag werd ontdekt, dat zij volstrekt geen voedsel gebruikte, hoewel

de overige leden van het gezin zich als gewoonlijk voedden met de

toovervarkens van Mananan, die den éénen dag konden worden gegeten en

voor het maal van den volgenden dag weer levend waren. Men riep Mananan

naar binnen, om het geheim te doorgronden, en de volgende merkwaardige

geschiedenis kwam aan het licht. Een der hoofden onder het Volk van

Dana, die bij Angus op bezoek was geweest en die door de schoonheid van

het meisje betooverd was, had met geweld getracht haar te bezitten. Dit

had in den reinen geest van Ethné den zedelijken aard ontwikkeld, die

den mensch eigen is en bij de goden onder het Volk van Dana onbekend

is. Zooals het verhaal luidt "haar beschermende demon" verliet haar,

en een engel van den waren God nam zijn plaats in. Daarna onthield

zij zich geheel van het toovervoedsel en werd zij op wonderlijke

wijze door den wil van God gevoed. Na zekeren tijd brachten echter

Mananan en Angus, die een reis naar het Oosten hadden ondernomen,

twee koeien daar vandaan mede, waarvan de melk nooit opdroogde, en

daar men mocht aannemen, dat zij van een heilig land afkomstig waren,

leefde Ethné van toen af van de melk dier koeien.

Dat alles heet gebeurd te zijn tijdens de regeering van Eremon, den

eersten Milesischen koning van geheel Ierland, en die een tijdgenoot

was van koning David. Tijdens de komst van St. Patrick moest dus

Ethné ongeveer vijftienhonderd jaar oud geweest zijn. Het Volk van

Dana groeit van den kinderleeftijd op tot den volwassen leeftijd,

maar dan blijven zij leven, zonder onder den invloed te staan van

het verloopen van den tijd.

Het gebeurde nu op zekeren zomerdag, dat de prinses, wier kamenier

Ethné was, met haar geheele dienstpersoneel afdaalde om in de Boyne

te baden. Toen zij zich daarna weer aankleedden, ontdekte Ethné tot

haar spijt--en dit feit was natuurlijk een voorbeeld van de goddelijke

belangstelling in haar lot--dat zij den Sluier der Onzichtbaarheid

had verloren, die hier wordt opgevat als een toovermiddel, dat zij op

het lichaam draagt, die haar den toegang verschafte tot het tooverland

van Dana en haar voor de oogen der stervelingen verborg. Zij kon den

weg naar het paleis van Angus niet terugvinden, en wandelde heen en

weer langs de oevers der rivier, terwijl zij tevergeefs naar haar

gezellinnen en haar woning zocht. Eindelijk kwam zij bij een tuin,

die door een muur omgeven was, en toen zij door de poort heen zag,

ontdekte zij aan den binnenkant een steenen huis van vreemden vorm, en

een man in een lang bruin kleed gehuld. De man was een Christenmonnik,

en het huis was een kleine kerk of bidkapel. Hij wenkte haar binnen

te komen, en toen zij hem haar geschiedenis had verteld, bracht hij

haar naar St. Patrick, die haar opneming onder de sterfelijke menschen

voltooide, door haar de ceremonie van den doop te doen ondergaan.

Nu volgt een eigenaardig pathetische episode, die ons een blik doet

slaan in de teederheid, men zou des noods kunnen zeggen het hartzeer,

waarmede de oude Iersche Christenheid terug zag op de verloren wereld

van het heidendom. Terwijl Ethné op zekeren dag in de kleine kerk

aan de Boyne bad, hoorde zij plotseling een suizend geluid in de

lucht, en ontelbare stemmen, naar het scheen op grooten afstand, die

weeklaagden en haar naam riepen. Het waren haar verwanten uit het Volk

van Dana, die nog altijd te vergeefs naar haar zochten. Zij sprong op

om te antwoorden, maar werd zóó zeer door aandoening overmeesterd,

dat zij flauw viel op den grond. Na korten tijd kwam ze weer bij,

maar van dien dag af was zij door een doodelijke ziekte overvallen,

en korten tijd daarna stierf zij, met het hoofd op de borst van

St. Patrick, die haar het laatste oliesel toediende, en beschikte,

dat de kerk naar haar Kill Ethné moest worden genoemd--een naam, die

zonder twijfel in de dagen, dat dit verhaal werd vervaardigd, door

een werkelijke kerk aan de oevers van de Boyne gedragen werd. [114]

Christendom en Heidendom in Ierland.

Deze verhalen, in verband met tallooze andere legenden, die zouden

kunnen worden aangehaald, stellen de houding der oude Keltische

Christenen, tenminste in Ierland, tegenover de godheden van het

vroegere geloof, duidelijk in het licht. Zij schijnen het denkbeeld

buiten te sluiten, dat ten tijde van de bekeering van Ierland tot

het Christendom, de heidensche godsdienst verbonden was met wreede

en barbaarsche gebruiken, waarop de nationale herinnering met afschuw

en ontzetting zou terug zien.

Keltische Mythen en Legenden · 第 12 / 29 题