HOOFDSTUK II: DE GODSDIENST DER KELTEN.

Ierland en de godsdienst der Kelten.

Wij hebben gezegd, dat onder de Keltische volken de Ieren in de

voornaamste plaats hierdoor belangrijk zijn, dat zij een aantal

kenmerkende trekken van een inheemsche Keltische beschaving gebracht

hebben in het licht van het moderne geschiedkundige onderzoek. Er is

echter één ding, dat zij niet brachten over de golf, die ons van de

oude wereld scheidt, en dat is hun godsdienst.

Niet alleen dat zij dien geheel wijzigden; zij lieten dien ouden

godsdienst zóó volkomen achter zich, dat elke overlevering daaromtrent

verloren is gegaan. St. Patrick, zelf een Kelt, die Ierland tijdens

de vijfde eeuw onder den invloed van het Christendom heeft gebracht,

heeft ons een autobiografisch verhaal van zijn zending nagelaten,

een geschrift van ontzaglijk veel belang en het oudste verhaal, dat

omtrent het Christendom van Brittannië is overgebleven; doch dit

vertelt ons niets omtrent de leerstellingen, die hij uitroeide en

verving. Wij vernemen veel meer omtrent de godsdienstige opvattingen

der Kelten door middel van Julius Caesar, die hen van een geheel

ander standpunt naderde. De groote hoeveelheid litteratuur, waarin

legenden behandeld worden en die haar tegenwoordigen vorm in Ierland

innam tusschen de zevende en de twaalfde eeuw, vertoont ons, hoewel zij

dikwijls blijkbaar teruggaat tot bronnen, die van vóór het Christendom

dagteekenen, behalve een sterk geloof in toovenarij en een gehechtheid

aan het volgen van bepaalde ceremonieele en ridderlijke gebruiken,

practisch niets dat gelijkt op een godsdienstig of zelfs ethisch

stelsel. Wij weten, dat een aantal hoofden en barden gedurende langen

tijd weerstand boden aan het nieuwe geloof, en dat dit lange verzet

aanleiding gaf tot een beslissing bij den slag bij Moyrath in de zesde

eeuw, maar geen echo van eenigen geestesstrijd, geen vergelijken

van de ééne leer met de andere, zooals wij bij voorbeeld vinden

in de mededeelingen omtrent den strijd van Celsus tegen Origenes,

heeft ons uit die periode van verandering en strijd bereikt. De

litteratuur van het oude Ierland bevatte, zooals wij zullen zien, een

aantal oude mythen, en daarin komen sporen voor den dag van wezens,

die op een bepaald oogenblik goden of natuurlijke krachten moeten

geweest zijn, maar alles is beroofd van godsdienstige beteekenis, en

veranderd in verdichting en uitingen van schoonheid. En toch was er,

zooals Caesar ons mededeelt, een zeer goed ontwikkeld godsdienstig

stelsel onder de Galliërs, maar wij leeren ook op zijn autoriteit,

dat de Britsche eilanden het vertegenwoordigende middelpunt van dit

stelsel waren; zij waren, om het zoo uit te drukken, het Rome van

den Keltischen godsdienst.

Wat de aard en het wezen van dien godsdienst was, moeten wij thans

nagaan als een inleiding tot de mythen en legenden, die in meer of

minder verwijderden zin daaruit zijn ontstaan.

De volksgodsdienst der Kelten.

Maar wij moeten allereerst er de aandacht op vestigen, dat de

godsdienst der Kelten volstrekt niet zulk een eenvoudige zaak was,

en niet wat kort kan worden samengevat tot wat wij "Druïdisme"

noemen. Behalve de officiëele godsdienst was er een geheel van

populaire vormen en bijgeloovige gebruiken, die uit een diepere en

oudere bron afkomstig waren dan het Druïdisme, en die bestemd waren

dit langen tijd te overleven, ja zelfs nog thans zijn zij nog lang

niet uitgestorven.

Het megalithische volk.

De godsdiensten van primitieve volken zetelen meestal in of ontleenen

hun oorsprong aan plechtigheden en gebruiken, die in verband staan met

het begraven van dooden. De oudste volken, die Keltisch grondgebied

bewonen, in het westen van Europa, waarvan wij eenige vaststaande

kennis bezitten, zijn een ras zonder naam of bekende geschiedenis,

maar toch kunnen wij uit hun grafmonumenten, waarvan er nog zooveel

bestaan, heel wat omtrent hen te weten komen. Het waren de zoogenaamde

megalithische volken [32], de oprichters van dolmens, cromlechs en

in kamers verdeelde tumuli, waarvan er in Frankrijk alleen meer dan

drieduizend zijn geteld. Dolmens worden gevonden van Scandinavië tot

naar het zuiden, in de westelijke landen van Europa tot aan de Straat

van Gibraltar en Spanje, en langs de kust der Middellandsche Zee. Zij

komen voor op sommige der westelijke eilanden der Middellandsche Zee

en worden ook in Griekenland gevonden, waar zelfs nu nog, in Mycene

een oude dolmen staat, naast de prachtige grafkamer der Atriden. Men

mag in ruwe trekken zeggen, dat, als wij een lijn trekken van de

monding van de Rhône naar het noorden tot aan den Varanger Fjord,

alle dolmens in Europa, met uitzondering van enkele exemplaren in de

Middellandsche Zee, ten westen van die lijn gelegen zijn. Ten oosten

van die lijn vinden wij er geen, totdat wij in Azië komen. Maar zij

worden weer gevonden aan de overzijde van de Straat van Gibraltar, en

wel langs de geheele kust van Noord-Afrika, en van daar in oostelijke

richting door Arabië en Indië, tot zelfs in Japan.

Dolmens, cromlechs en tumuli.

Een Dolmen is een soort van kamer, bestaande uit recht opstaande

ongehouwen steenen, die meestal gedekt zijn door één enkelen

grooten steen. Gewoonlijk hebben zij in ontwerp den vorm van een

wig, en dikwijls kunnen sporen van een voorhof of vestibule worden

waargenomen. De oorspronkelijke bedoeling van den dolmen was, een

huis of woonplaats voor den doode voor te stellen. Een cromlech

(in het gewone spraakgebruik dikwijls met een dolmen verward) is

eigenlijk een in een cirkelvormigen kring geplaatste verzameling van

rechtop staande steenen, meestal met een dolmen in het midden. Men is

van meening, dat de meeste, zoo niet al de nu blootgestelde dolmens

oorspronkelijk gedekt waren met een groote aardhoogte of met kleinere

steenen. Dikwijls, zooals in de hier gegeven teekening, zijn groote

lanen of wegen gevormd van rechtop geplaatste, op zich zelf staande

steenen, en deze hadden ongetwijfeld de één of andere bedoeling,

die in verband stond met de godsdienstige gebruiken, welke op die

plaats in zwang waren. De latere megalithische monumenten, zooals te

Stonehenge, mogen al van gehouwen steen vervaardigd zijn, maar in ieder

geval vertoonen de ruwheid van constructie, de afwezigheid van eenige

beeldhouwkunst (met uitzondering van de teekeningen of symbolen die op

de oppervlakte gehouwen zijn), de blijkbare bedoeling om een machtigen

indruk te maken door de ruwe kracht van ontzaglijke monolithische

massa's, en niet minder geven enkele bepaalde bijkomende kenmerkende

eigenschappen in hun plan, die later zullen beschreven worden, aan

deze megalithische monumenten een merkwaardige familiegelijkenis,

en onderscheiden hen van de in kamers verdeelde graftomben der oude

Grieken, Egyptenaren en andere meer gevorderde rassen. De eigenlijke

dolmens maakten ten slotte plaats voor groote in kamers verdeelde

aardhoogten of tumuli, zooals te New Grange, die wij ook rekenen als

te behooren aan het megalithische volk. Zij zijn een natuurlijke

ontwikkeling van den dolmen. De oudste dolmenbouwers waren op den

neolithischen trap van beschaving, hun wapens waren van gepolijsten

steen. Maar in de tumuli werd niet alleen steen, maar ook brons,

en zelfs ijzer gevonden--in het begin, zooals duidelijk blijkt,

van buiten ingevoerd, maar later in dat gebied vervaardigd.

Oorsprong van de megalithische bevolking.

Omtrent de taal, die oorspronkelijk door dat volk werd gesproken,

kunnen wij alleen iets afleiden uit de sporen, die daarvan zijn

overgebleven in die van hun veroveraars, de Kelten. Maar een kaart van

de verspreiding hunner monumenten wekt onweerstaanbaar de gedachte

op, dat de bouwmeesters van die monumenten van Noord-Afrikaanschen

oorsprong waren; dat zij oorspronkelijk niet gewoon waren over

groote uitgestrektheden de zee over te trekken; dat zij in westelijke

richting trokken langs Noord-Afrika, dat zij naar Europa overstaken

daar waar bij Gibraltar de Middellandsche Zee zich vernauwt tot een

straat van slechts enkele mijlen breedte, en dat zij zich van daar

uit verspreidden over de westelijke landen van Europa, met inbegrip

der Britsche eilanden, terwijl zij in oostelijke richting door Arabië

tot in Azië doordrongen. Wij moeten echter in het oog houden, dat,

terwijl het megalithische volk oorspronkelijk zonder twijfel een

afzonderlijk ras was, het ten slotte niet een ras, maar een bepaalde

cultuur vertegenwoordigde. De menschelijke overblijfselen, die in die

graven zijn gevonden, met hun groote verschillen in den vorm van den

schedel, enz. zijn daarvan het duidelijke bewijs. [33] Deze en andere

overblijfselen wijzen er op, dat de dolmenbouwers in het algemeen een

hoogstaand en goed ontwikkeld type waren, op de hoogte van landbouw,

veeteelt en ook eenigszins van zeevaart. De monumenten zelf, die

dikwijls indrukwekkende afmetingen hebben en het bewijs leveren van

veel nadenkens en goed georganiseerde samenwerking bij hun bouw,

wijzen ontwijfelbaar aan, dat in die periode een priesterdom bestond,

dat belast was met de zorg voor begrafenisplechtigheden, en dat

geschikt was groote menschenmassa's te beheerschen. Hun dooden werden

in den regel niet begraven, maar in hun geheel verbrand; de grootere

monumenten wezen ongetwijfeld de graven aan van aanzienlijke personen,

terwijl het gemeene volk begraven werd in graftomben, waarvan geen

sporen meer bestaan.

De Kelten der vlakten.

De Jubainville houdt in zijn beschrijving van de oudste geschiedenis

der Kelten alleen rekening met twee hoofdgroepen--de Kelten en de

megalithische bevolking. Maar Bertrand maakt in zijn verdienstelijk

werk "La Religion des Gaulois" onderscheid tusschen twee elementen

onder de Kelten zelf. Behalve de megalithische bevolking zijn er nog

twee groepen van Kelten, die van de vlakten en die van de bergen. De

Kelten uit de vlakten waren volgens zijn opvatting afkomstig van

den Donau en kwamen waarschijnlijk reeds omstreeks 1200 v.C. in

Gallië. Zij waren de stichters der paalwoningen in Zwitserland,

in de vallei van den Donau en in Ierland. Zij kenden het gebruik

van metalen en bewerkten goud, tin, brons, en tegen het einde van

die periode ook ijzer. In afwijking van de megalithische bevolking,

spraken zij een Keltische taal, [34] hoewel het schijnt, dat Bertrand

hun volkomen rasovereenkomst met de echte Kelten betwijfelt. Zij waren

misschien langzamerhand Kelten geworden, in plaats van oorspronkelijk

echte Kelten te zijn. Zij waren niet oorlogszuchtig; het was een rustig

volk van veehoeders, landbouwers en ambachtslieden. Zij begroeven hun

dooden niet, maar verbrandden ze. In een groote nederzetting van hen,

te Golasecca, in Gallia Cisalpina, zijn 6000 graven gevonden. Bij al

deze was het lijk verbrand; er was dan ook geen enkele begrafenis,

waar het lijk niet vooraf verbrand was.

Dat volk trok (zooals Bertrand beweert), niet als veroveraars Gallië

binnen, maar door zich geleidelijk daar te nestelen, en de leege

plaatsen in te nemen, waar zij die in valleien en vlakten vonden. Zij

kwamen over de Alpenpassen, en hun plaats van vertrek was het land

van den Boven-Donau, dat zooals Herodotus zegt "onder de Kelten

oprijst." Zij vermengden zich vreedzaam met de megalithische bevolking,

waaronder zij zich nederzetten, en brachten niet tot ontwikkeling

eenige van die reeds in aanzien gekomen politieke instellingen,

die alleen door den oorlog groeien, maar waarschijnlijk droegen

zij krachtig bij tot de ontwikkeling van het Druïdische stelsel van

godsdienst en van de bardenpoëzie.

De Kelten uit de berglanden.

Wij hebben eindelijk nog een derde groep, en wel de echte Keltische

groep, die het spoor van de tweede op den voet volgde. Het was in het

begin der zesde eeuw, dat deze het eerst ten tooneele verscheen op den

linkeroever van den Rijn. Terwijl Bertrand de tweede groep Keltisch

noemt, noemt hij de laatste Galatisch, en vereenzelvigt hij die met

de Galaten der Grieken en met de Galliërs en de Belgen der Romeinen.

De tweede groep waren, zooals wij zeiden, Kelten uit de vlakten. De

derde groep waren Kelten uit de bergstreken. De eerste woonplaats,

die wij van hen kennen, waren de bergketenen van den Balkan en de

Karpathen. Hun organisatie was die van een militaire aristocratie--zij

speelden de baas over de onder hen staande bevolking, op wier kosten

zij leefden door schatting of plundering. Zij zijn de oorlogszuchtige

Kelten der oude geschiedenis--de plunderaars van Rome en van Delphi, de

huurlingen, die voor soldij en uit lust voor den oorlog streden in de

rijen der Carthagers en later der Romeinen. Zij hadden een minachting

voor landbouw en industrie, hun vrouwen beploegden de akkers, en

onder hun heerschappij werd de lagere bevolking bijna tot slavernij

teruggebracht; "plebs paene servorum habetur loco," zooals Caesar ons

verhaalt. Alleen Ierland ontkwam eeniger mate aan de onderdrukking

dier militaire aristocratie, en aan de scherpe scheidingslijn, die

door deze tusschen de beide klassen werd getrokken, maar toch wordt

zelfs daar een weerspiegeling gevonden van den toestand, zooals die

in Gallië bestond, zelfs daar vinden wij vrije en onvrije stammen, en

onderdrukking en onteerende afpersingen van de zijde der heerschende

klasse.

En toch, al had die heerschende klasse enkele der ondeugden,

die onbeteugelde kracht eigen zijn, zij had eveneens vele edele

en humane eigenschappen. Zij waren ontzaglijk dapper, wonderlijk

ridderlijk, uiterst gevoelig voor poëzie en muziek, en hadden zin

voor bespiegelende gedachten. Posidonius vond, dat het bardendom

onder hen bloeide in de eerste eeuw v.C., en omstreeks twee honderd

jaar vroeger beschrijft Hecataeus van Abdera de met zorg uitgevoerde,

met muziek gepaarde godsdienstplechtigheden, door de Kelten op een

eiland in het westen--waarschijnlijk Groot-Brittannië--gevierd ter

eere van hun god Apollo [35]. Als meest Arische der Ariërs, hadden zij

de stof in zich voor een groote en vooruitstrevende natie; maar het

Druïdische stelsel--niet wat zijn wijsbegeerte en wetenschap betreft,

maar wel zijn priesterlijk-politieke organisatie--was hun verderf,

en hun noodlottige zwakheid was, dat zij zich daaraan onderwierpen.

De beschaving dier Kelten uit de berglanden verschilde zeer kenmerkend

van die der Kelten uit de vlakten. Zij waren uit het ijzeren, niet

uit het bronzen tijdperk; hun dooden werden niet verbrand (wat zij

als een schande beschouwden), maar begraven.

De landstreken, door hen gewelddadig in bezit genomen, waren

Zwitserland, Bourgondië, de Palts en noordelijk Frankrijk, gedeelten

van Brittannië in het westen, en Galatië en Illyrië in het oosten,

maar kleinere groepen van hen moeten wijd en zijd over het geheele

Keltische grondgebied zijn binnengedrongen, en een overheerschend

standpunt hebben ingenomen overal waar zij kwamen.

Er waren, zooals Caesar zegt, drie volken, die Gallië bewoonden, toen

hij met zijn verovering begon: "zij verschillen onderling in taal,

gebruiken en wetten". Hij noemde die volken respectievelijk de Belgen,

de Kelten en de Aquitaniërs. Hij stelt in ruwe trekken hun woonplaats

vast, die der Belgen in het noorden en oosten, die der Kelten in het

midden, die der Aquitaniërs in het westen en het zuiden. De Belgen

zijn de Galaten van Bertrand, terwijl de Aquitaniërs de megalithische

bevolking uitmaken. Zij waren uit den aard der zaak allen meer of

minder onder den invloed der Kelten gebracht, en de verschillen in

taal, die Caesar opmerkte, behoeven niet groot geweest te zijn; toch

is het de aandacht waard,--en dat is volkomen in overeenstemming met de

opvattingen van Bertrand,--dat Strabo van de Aquitaniërs mededeelt, dat

zij duidelijk afweken van de overige bewoners, en overeenkomst hadden

met de Iberiërs. De taal der overige Gallische volken, zoo voegt hij

er uitdrukkelijk bij, was niets anders dan dialecten van dezelfde taal.

De godsdienst der toovenarij.

Die drievoudige verdeeling weerspiegelt zich min of meer in

alle Keltische landen en moet steeds in het oog gehouden worden,

zoo dikwijls wij spreken van Keltische denkbeelden en Keltischen

godsdienst en trachten na te gaan, in hoeverre de Keltische volken

tot de Europeesche beschaving hebben bijgedragen. De mythen- en

legendenlitteratuur en de kunst der Kelten hebben waarschijnlijk

hoofdzakelijk haar oorsprong ontleend aan dat gedeelte, dat wordt

vertegenwoordigd door de Kelten uit de vlakten, zooals Bertrand die

noemt. Maar die letterkunde van gezangen en mythen werd voortgebracht

door de klasse der barden ten genoege en tot leering van een

trotsche, ridderlijke en oorlogszuchtige aristocratie, en moest

zich dan onvermijdelijk gevormd hebben naar de denkbeelden van die

aristocratie. Maar zij moest eveneens gekleurd zijn door den diep

ingrijpenden invloed der godsdienstige denkbeelden en gebruiken,

die door de megalithische bevolking werden gevolgd--denkbeelden,

die nu langzaam verbleeken in het opkomende daglicht der

wetenschap. Die denkbeelden kunnen worden samengevat in het ééne

woord "toovenarij." Wij moeten thans den aard van dien godsdienst

der magie in het kort bespreken, immers hij was een machtig element

bij de vorming van de meeste van die mythen en legenden, die wij

later moeten behandelen. En, zooals professor Bury opmerkte in zijn

inaugureele redevoering te Cambridge in 1903:

"Wanneer wij de allermoeilijkste van alle onderzoekingen, het

ethische vraagstuk, de rol door het ras gespeeld in de ontwikkeling

der volken en de gevolgen van rassenvermenging willen ter hand nemen,

dan moeten wij wel in het oog houden, dat de Keltische wereld één der

voornaamste toegangswegen beheerscht, die leiden naar die geheimzinnige

prae-Arische voorwereld, waarvan wij moderne Europeanen misschien

wel veel meer hebben geërfd, dan wij zouden vermoeden."

De eigenlijke wortel van het woord "magie" is onbekend, maar het is

onmiddellijk afgeleid van de Magi, of priesters van Chaldea en Medië

in prae-Arische en prae-Semitische tijden, die de voornaamste dragers

waren van dat stelsel van denkbeelden, dat zoo eigenaardig vermengd

is met bijgeloof, wijsbegeerte en wetenschappelijke waarneming. De

fundamenteele opvatting der magie is die van de geestelijke

levenskracht der geheele natuur. Die geestelijke levenskracht werd

niet, zooals bij het polytheïsme, van de natuur gescheiden gedacht

in afzonderlijke goddelijke persoonlijkheden. Zij was opgesloten in

en innerlijk vastgehecht aan de natuur; zij was duister, onbepaald en

bekleed met al het ontzagwekkende van een pracht, waarvan de grenzen en

de aard in een ondoorgrondelijke geheimzinnigheid gehuld zijn. In haar

meer verwijderden oorsprong was zij, zooals een aantal feiten schijnen

aan te toonen, verbonden met de doodenvereering, immers de dood werd

beschouwd als de terugkeer tot de natuur, en als een bekleeding met

onbestemde en niet te controleeren machten van een geestelijke kracht,

die vroeger belichaamd was in den concreten, begrensden, handelbaren,

en daarom minder angstwekkenden vorm van een levende menschelijke

persoonlijkheid. Toch waren die machten niet geheel buiten controle. De

begeerte naar controleering, zoowel als het zoeken naar de middelen,

om dit tot stand te brengen, ontleende het aanzijn aan de eerste ruwe

toepassingen der geneeskunde. Geneesmiddelen van den één of anderen

aard behoorden tot één der eerste behoeften van den mensch. En de

kracht van zekere aan de natuur ontleende stoffen, hetzij uit het

delfstoffen-, hetzij uit het plantenrijk, om te werken zoowel op het

lichaam als op den geest, en wel op een wijze, die dikwijls schrik

en ontsteltenis veroorzaakte, werd uit den aard der zaak opgevat als

een duidelijk bewijs van wat wij de "magische" opvatting van het

heelal zouden kunnen noemen. [36] De eerste toovenaars waren zij,

die een bepaalde kennis hadden verkregen van geneeskundige vergiftige

kruiden; maar daar de één of andere kracht werd toegeschreven aan ieder

voorwerp en ieder verschijnsel in de natuur, moest er een soort van

magische wetenschap ontstaan, gedeeltelijk de vrucht van het echte

onderzoek, gedeeltelijk van dichterlijke verbeelding, gedeeltelijk

van priesterbedrog, welke magische wetenschap vastgelegd werd in

godsdienstige gebruiken en formules, gebonden aan bepaalde plaatsen

en voorwerpen en door symbolen voorgesteld. Dit geheele onderwerp is

door Plinius behandeld in een merkwaardig stuk, dat wij om het groote

belang uitvoerig aanhalen:

Plinius over den godsdienst der magie.

"De magie is één der weinige zaken, die de moeite loonen ze eenigszins

uitgebreid te bespreken, al ware het alleen hierom, omdat zij, hoewel

de meest bedriegelijke van alle kunsten, overal en ten alle tijde

groot vertrouwen heeft ingeboezemd. En het is ook niet te verwonderen,

dat zij een grooten invloed heeft gekregen, want zij heeft drie

kunsten in zich vereenigd, die de grootste heerschappij hebben

verkregen over den geest van den mensch. Terwijl zij in de eerste

plaats uit de geneeskunde is ontstaan--een feit dat door niemand

kan worden betwijfeld--en onder den schijn van bezorgdheid voor onze

gezondheid, is zij in den geest doorgedrongen, en heeft zij den vorm

aangenomen van een ander geneesmiddel, dat heiliger en inniger is. In

de tweede plaats heeft zij, als draagster van de meest verleidelijke

en vleiende beloften, den godsdienst als beweegreden aangenomen,

over welk onderwerp de menschheid zelfs in onze dagen nog zeer in het

duister verkeert. En om op dit alles de kroon te zetten, heeft zij haar

toevlucht genomen tot de sterrenwichelarij, en iedereen verlangt er

vurig naar, de toekomst te leeren kennen en is er van overtuigd, dat

die kennis zonder eenigen twijfel van den hemel is te verkrijgen. Daar

zij dus den geest der menschen in die driedubbele boei gekluisterd

houdt, heeft zij haar heerschappij uitgestrekt over een aantal volken,

en de Koningen der Koningen in het oosten gehoorzamen er aan.

"Zij is ongetwijfeld in het oosten uitgevonden--in Perzië en door

Zoroaster [37]. Alle gezaghebbenden zijn het daarover eens. Maar

is er niet meer dan één Zoroaster geweest?... Ik heb opgemerkt,

dat men reeds in oude tijden, ja zelfs bijna altijd, menschen heeft

gevonden, die in die wetenschap het toppunt van letterkundigen roem

hebben gevonden--ten minste Pythagoras, Empedocles, Democritus en

Plato zijn de zeeën overgetrokken, inderdaad meer als ballingen dan

als reizigers, om zich daarvan op de hoogte te stellen. En als zij

daarna in hun geboorteland terugkeerden, verhieven zij zich op hun

kennis der magie en handhaafden zij haar geheime leer.... Bij de

Latijnsche volken vindt men reeds vroeg sporen daarvan, zooals bij

voorbeeld in onze Wetten der Twaalf Tafelen [38] en andere monumenten,

zooals ik in een vroeger boek heb gezegd. Inderdaad was het eerst

in het jaar 657 na de stichting van Rome, onder het consulaat van

Cornelius Lentulus Crassus, dat het door een _senatus consultum_

verboden was menschelijke wezens te offeren, waaruit duidelijk blijkt,

dat tot op dien tijd afschuwelijke offers werden gebracht. De Galliërs

zijn onder de bekoring er van gekomen, en dat wel zelfs tot op onze

dagen, immers was het keizer Tiberius, die de Druïden afschafte en

de geheele bende van profeten en medicijnmeesters. Maar wat voor nut

heeft het, verbodsbepalingen uit te vaardigen tegen een kunst, die

den oceaan is overgetrokken en zelfs tot aan de grenzen der Natuur

is doorgedrongen?" (_Hist. Nat._ XXX).

Plinius voegt daaraan toe, dat de eerste, van wien hij met zekerheid

kan uitmaken, dat hij over dat onderwerp heeft geschreven, Osthanes

is geweest, die Xerxes heeft vergezeld op zijn krijgstocht tegen

de Grieken, en die de "kiemen van zijn gedrochtelijke kunst" heeft

verbreid overal waar hij in Europa kwam.

De magie was--zoo meende Plinius--noch inheemsch in Griekenland, noch

in Italië, maar was in Brittannië zóózeer ingeworteld, en daar beoefend

met zóó uitgewerkte en met zorg beoefende ceremoniën, dat Plinius zegt,

dat men haast zou meenen, dat het de Britten waren, die haar aan de

Perzen, en niet de Perzen, die haar aan de Britten hadden onderwezen.

Sporen van magie in megalithische monumenten.

De indrukwekkende overblijfselen van hun godenvereering, die ons zijn

nagelaten door de megalithische bevolking, zijn vol aanwijzingen

omtrent hun godsdienst. Nemen wij als voorbeeld den merkwaardigen

tumulus van Mané-er-H'oeck, in Bretagne. Dat monument was in het jaar

1864 door René Galles onderzocht, die het als volkomen ongeschonden

beschrijft--de oppervlakte van den grond was nog onaangeroerd, en alles

was zooals de oprichters hem hadden achtergelaten [39]. Aan den ingang

der rechthoekige kamer was een gebeeldhouwde steenen plaat, waarop een

geheimzinnig teeken was gegraveerd, misschien wel de totem van een der

voormannen. Zoodra men de kamer binnentrad, vond men een prachtigen

oorhanger van groen jaspis, ter grootte van een ei. Op den grond in

het midden der kamer was een zeer merkwaardige groep, bestaande uit een

grooteren ring van jadiet, eenigszins ovaal van vorm met een prachtig

bovenstuk van een bijl, eveneens van jadiet, waarvan de punt op den

ring rustte. De bijl was een zeer bekend symbool van macht of van een

godheid en wordt dikwijls gevonden als snijwerk in rotsen, uit het

Bronzen Tijdperk, en ook op Egyptische hiëroglyphen, Minoïsch snijwerk,

enz. Op korten afstand daar vandaan lagen twee groote oorhangers van

jaspis, vervolgens een bovenstuk van een bijl van wit jadiet [40],

en ten slotte nog een oorhanger van jaspis. Al die voorwerpen waren

met een blijkbare bedoeling _op een rij_ gerangschikt, en vormden

een rechte lijn, die nauwkeurig samenviel met één der diagonalen

van de kamer, van het noordwesten naar het zuidoosten. In één der

hoeken van de kamer vond men 101 bovenstukken van bijlen in jadiet

en fibroliet. Er waren geen sporen van beenderen of asch, en evenmin

vond men er een grafvorm, het geheel was een cenotaaf. "Staan wij,"

zoo vraagt Bertrand, "hier niet tegenover een godsdienstplechtigheid,

die met de magie samenhangt?"

Chiromantie of handwaarzeggerij te Gavr'inis.

In verband met het groote grafmonument te Gavr'inis was een zeer

merkwaardige waarneming gedaan door Albert Maitre, inspecteur van het

Musée des Antiquités Nationales. Er werden daar--zooals gewoonlijk

bij andere megalithische monumenten in Ierland en Schotland--een

aantal steenen gevonden, die gegraveerd waren met een merkwaardig en

karakteristiek patroon in golvende en concentrische lijnen. Indien men

nu de merkwaardige lijnen op de vingers onder een lens beschouwt,

zal men vinden, dat deze volmaakt gelijken op die patronen

der megalithische graveerkunst. De ééne schijnt wel een volkomen

afdruk van de andere te zijn. Die lijnen op de menschenhand zijn zóó

duidelijk en eigenaardig, dat zij, zooals bekend is, zijn aangenomen

als een middel, om de identiteit van misdadigers vast te stellen. Kon

die groote gelijkenis het gevolg van toeval zijn? Er is nooit iets

gevonden, dat met die eigenaardige verzameling van gegraveerde lijnen

overeenkomt, behalve in verband met deze monumenten. Hebben wij hier

niet te doen met iets dat met chiromantie in betrekking staat--een

magische kunst, die in oude en zelfs in moderne tijden veel beoefend

werd? De hand als een symbool van macht was een zeer bekend magisch

zinnebeeld, en heeft zelfs in ruime mate haar intrede gedaan in

het Christelijke symbolisme--zooals bij voorbeeld de groote hand,

gegraveerd op het ondergedeelte van één der armen van het Kruis van

Muiredach te Monasterboice.

Uitgeholde steenen.

Een andere merkwaardigheid, die tot nu toe niet is verklaard en die

gevonden wordt bij een aantal van die monumenten van westelijk Europa

tot aan Indië, is de aanwezigheid van een klein gat, dat door één

der steenen is geboord, die de kamer vormen. Was het een opening,

die bestemd was voor den geest der dooden? Of diende zij om hun

offers te brengen? Ofwel was het de weg, waarlangs men meende, dat

openbaringen uit de geestenwereld naar een priester of toovenaar werden

overgebracht? Of dienden zij voor ieder van die doeleinden? Uitgeholde

steenen, die geen deel uitmaakten van een dolmen, behooren uit den

aard der zaak tot de meest gewone overblijfselen der oude godsdienstige

gebruiken, en worden nog steeds vereerd en gebruikt bij plechtigheden,

die in verband staan met zwangerschap en dergelijke. Hier moeten wij

het zinnebeeld zonder eenigen twijfel verklaren als iets, dat met de

geslachten in verband staat.

Vereering van steenen.

Behalve de hemellichamen vinden wij, dat ook rivieren, boomen,

bergen en steenen bij dat primitieve volk het voorwerp van vereering

waren. De vereering van steenen in het bijzonder kwam algemeen voor;

zij is niet zoo gemakkelijk te verklaren als de vereering, bewezen

aan voorwerpen, die beweging en levenskracht bezitten. Misschien

kan een verklaring voor de vereering, verbonden met groote, op

zich zelf staande massa's van ongehouwen steen, gevonden worden in

haar gelijkenis met de kunstmatige dolmens en cromlechs [41]. Geen

enkele vorm van bijgeloof heeft zoolang standgehouden. Het blijkt,

dat in het jaar 452 n.C. de Synode van Arles diegenen bedreigde, die

"boomen, putten en steenen aanbaden," en die bedreiging werd herhaald

door Karel den Groote en door een aantal Synodes en Concilies tot op

onzen tijd. Toch blijkt uit een teekening, die wij hier weergeven, en

die enkele jaren geleden op de plaats zelf door Arthur G. Bell werd

vervaardigd, dat diezelfde wijze van aanbidding in Bretagne nog in

volle kracht is; wij zien hier, hoe de symbolen en de priesterlijke

organisatie der Christenheid thans in den dienst zijn gesteld van

dit onheugelijk oude heidendom. Volgens Bell neemt de geestelijkheid

met veel tegenzin deel aan die plechtigheden, maar wordt zij daartoe

gedwongen door de publieke opinie daar ter plaatse. Heilige bronnen,

waarvan het water volgens de openbare meening ziekten geneest, zijn

nog in grooten getale in Ierland aanwezig, en de vereering van het

water van Lourdes, kan, in weerwil dat de Kerk er haar goedkeuring

aan gehecht heeft, als een toepasselijk voorbeeld op het vasteland

worden beschouwd.

Teekens in den vorm van schotels en ringen.

Een ander merkwaardig zinnebeeld, waarvan de beteekenis tot nu

toe nog in het duister ligt, komt herhaaldelijk voor in verband met

megalithische monumenten. De hier opgenomen teekeningen geven daarvan

voorbeelden. Op de oppervlakte van den steen zijn holten gemaakt in

den vorm van schotels; deze zijn dikwijls omgeven met concentrische

ringen, en van den schotel loopen één of meer lijnen van het middelpunt

naar een punt buiten den omtrek der ringen. Somtijds is een stelsel

van die schotels door die lijnen vereenigd, maar meer komt het voor,

dat zij iets buiten den wijdsten van de ringen eindigen. Die vreemde

teekens worden niet alleen gevonden in Groot-Brittannië en Ierland en

in Bretagne, maar ook in verschillende plaatsen van Indië, waar zij

_mahadéos_ [42] heeten. Wij hebben ook een merkwaardig voorbeeld--want

dit schijnt het inderdaad te zijn--gevonden in Dupaix "Monumenten

van Nieuw Spanje." Het is weergegeven in "de Oudheden van Mexico,"

deel IV, van Lord Kingsborough. Op den cirkelvormigen top van een

cilindervormigen steen, bekend als de "Steen van het Zegevieren" is

in het midden een schotel, gegraveerd met negen concentrische cirkels

daar omheen, en een geleibuis of kanaal, getrokken van den schotel af

door al de cirkels heen tot aan den rand. Behalve dat het patroon hier

rijk versierd en nauwkeurig geteekend is, gelijkt het nauwkeurig op

een typisch Europeesch teeken. Men kan er nauwelijks aan twijfelen, dat

die teekens een beteekenis hebben, en dat zij overal waar zij gevonden

worden ook hetzelfde beteekenen, maar nog steeds blijft het voor de

oudheidkundigen een raadsel, die beteekenis te doorgronden. Misschien

is de gissing niet te gewaagd, dat het schetsen of plannen zijn van

een megalithisch graf. De binnenste holte stelt de eigenlijke plaats

van het graf voor. De cirkels zijn de opgerichte steenen, grachten en

wallen, die er dikwijls omheen liepen; en de lijn of gang, die van het

midden naar den rand is getrokken, stelt den onderaardschen toegang

van het graf voor. Dat die "gang" inderdaad den toegang bedoelt,

blijkt duidelijk uit de verschillende vormen, die wij aan Simpson

ontleenen. Daar het graf tevens een heilige plaats of tempel was,

is het natuurlijk, dat die voorgesteld wordt onder ander snijwerk

van gewijden aard; het zal wel een symbolische vorm zijn, om uit te

drukken, dat de plaats gewijde grond was. Wij kunnen onmogelijk zeggen,

in hoeverre deze opvatting op het Mexicaansche model van toepassing is.

De tumulus te New Grange.

Eén der belangrijkste en rijkst gebeeldhouwde der Europeesche

megalithische monumenten is de groote in kamers verdeelde tumulus te

New Grange aan den noordelijken oever van de Boyne, in Ierland. Die

tumulus, en de andere, die in de nabijheid gevonden worden, komen

in de oude Iersche mythische litteratuur in twee verschillende

karakters voor, waarvan de verbinding veelbeteekenend is. Zij worden

eensdeels beschouwd als de verblijfplaatsen der _Sidhe_, of feeën,

die waarschijnlijk de godheden der oude Ieren voorstellen, en zij

zijn eveneens volgens de overleveringen de begraafplaatsen der

Keltische opperkoningen van het heidensche Ierland. Het verhaal

der begrafenis van koning Cormac, die ondersteld werd omtrent den

Christelijken godsdienst te zijn ingelicht lang voordat deze werkelijk

in Ierland door St. Patrick was gepredikt, en die verbood, dat men hem

zou begraven op het koninklijke kerkhof aan de Boyne, omdat daaraan

heidensche overleveringen waren verbonden, wijst er op, dat die plaats

het middelpunt was van een heidenschen eeredienst, die meer in zich

sloot dan eenvoudig een begraven van koninklijke personen binnen zijn

gebied. Ongelukkiger wijze zijn die monumenten niet ongeschonden;

zij zijn in de negende eeuw geopend en geplunderd door de Denen [43],

maar er zijn nog bewijzen genoeg aanwezig, die aantoonen, dat zij

oorspronkelijk als begraafplaatsen dienden, en in verband stonden

met den eeredienst van een primitieven godsdienst. De belangrijkste

van deze, de tumulus van New Grange, is geheel en al onderzocht en

beschreven door George Coffey, den bewaarder der verzameling van

Keltische oudheden in het Nationale Museum te Dublin [44]. Aan den

buitenkant gelijkt hij op een groote aardhoogte of een heuvel, die nu

met struiken is begroeid. Zijn grootste middellijn is 280 Engelsche

voet en hij is ongeveer 44 voet hoog. Daarbuiten loopt een wijde kring

van steenen, die oorspronkelijk rechtop schijnen te hebben gestaan,

vijf en dertig in getal. Binnen dien kring bevindt zich een gracht en

een wal, en boven op dien wal was een cirkelvormige rand van groote

steenen gelegd, ter lengte van acht tot tien voet, op den kant gelegd,

die een groote aardhoogte begrensden, welke later gebleken is uit losse

steenen te bestaan, die nu, zooals wij gezien hebben, geheel begroeid

zijn met gras en struiken. Doch het groote belang van dat monument is

gelegen in het inwendige van die aardhoogte. Omstreeks het einde van

de zeventiende eeuw kwamen enkele werklieden, die van die aardhoogte

materiaal haalden voor den weg, toevallig aan den ingang die naar een

gaanderij naar binnen leidde, en die zich kenmerkte door het feit,

dat de grenssteen daaronder rijk gebeeldhouwd was met spiralen en

ruitvormige figuren. Die ingang is juist op het zuid-oosten gelegen. De

gaanderij is gevormd uit rechtopstaande platen van ongehouwen steen,

gedekt met dergelijke platen, en wisselt af van omstreeks 5 tot 6

Engelsche voet in hoogte; zij is 3 voet breed, en loopt over een

lengte van 62 voet tot recht binnen in de aardhoogte. Hier eindigt

zij in een kruisvormige kamer ter hoogte van 20 voet, waarvan de

zoldering, een soort koepel, gevormd is van groote, platte steenen,

die alle naar het midden gericht zijn, waar zij elkander bijna aan

den top ontmoeten, en waar een groote platte steen alles bedekt. In

ieder der drie inhammen van de kruisvormige kamer staat een groote

steenen bekken, of een ruwe sarcophaag, doch er is geen spoor van

eenige begrafenis daar overgebleven.

Symbolisch beeldhouwwerk te New Grange.

De steenen zijn alle ruw en onbewerkt, en waren voor het doel waarvoor

zij dienden gekozen uit de bedding der rivier en andere plaatsen uit

de onmiddellijke nabijheid. Op hun glad oppervlak, dat verkregen werd

door platen te hakken uit de oorspronkelijke steengroeven, worden

de beeldhouwwerken gevonden, die het eenige belangrijke uitmaken

van dat vreemde monument. Met uitzondering van den grooten steen

met spiraalvormig graveerwerk en een anderen aan den ingang van de

aardhoogte, schijnt dat beeldhouwwerk niet de bedoeling gehad te

hebben, als decoratief werk te dienen, behalve in een zeer ruwen en

primitieven zin. Er is volstrekt geen poging bij, om een bepaalde

oppervlakte te bedekken met een stelsel van versieringen, dat in

overeenstemming is met haar grootte en vorm. De patronen zijn als

het ware er op gekrabbeld op willekeurige wijze en op willekeurige

plaatsen. [45] Onder deze is overal de spiraal overheerschend. De

gelijkenis van enkele dier figuren met de onderstelde vingerafdrukken

op de steenen te Gavr'inis is zeer merkwaardig. Driedubbele en

dubbele spiralen worden er eveneens gevonden, zoowel als ruiten en

zigzaglijnen. In den westelijken inham vindt men een merkwaardige

ingesneden figuur, die gelijkt op een palmtak of een blad van een

varen. De teekening van dat voorwerp is naturalistisch, en het

is moeilijk die te verklaren, zooals Coffey geneigd is te doen,

als niets anders dan een stuk van een zoogenaamd patroon van een

"haringgraat." [46] Een dergelijk patroon van een palmblad, waarvan

echter de nerven loodrecht op de centrale as zijn gerangschikt,

vindt men in den naburigen grafheuvel van Dowth, te Loughcrew, en

verbonden met een zonnezinnebeeld, de Swastika, op een klein altaar

in de Pyreneën, voorgesteld door Bertrand.

Het schipsymbool te New Grange.

Een ander merkwaardige, en voor zoover Ierland betreft, zeer

ongewone teekening vindt men gebeeldhouwd, in den werkelijken inham

te New Grange. Door verschillende geleerden is zij verklaard als een

metselaarswerk, als een stuk Phoenicisch schrift, een groep cijfers,

en ten slotte (en waarschijnlijk terecht) door George Coffey als een

ruwe voorstelling van een schip met mannen aan boord en met volle

zeilen. Opmerkelijk is, dat juist daarboven een kleine cirkel is,

die blijkbaar een deel van het patroon vormt. Een tweede voorbeeld

vindt men in Dowth. De beteekenis van dat teeken is, zooals wij zullen

zien, zeer groot. Men heeft ontdekt, dat er op bepaalde steenen in

den grafheuvel van Locmariaker, in Bretagne [47] een aantal figuren

voorkomen, die daarmede veel overeenkomst hebben, waarvan één den

cirkel doet zien op een overeenkomstige plaats als te New Grange. De

bijl, een Egyptische hiëroglyph voor de godheid en een zeer bekend

magisch zinnebeeld, is eveneens op dien steen voorgesteld. Zoo vindt

men ook in een brochure van Dr. Oscar Montelius over het beelhouwwerk

op de rotsen van Zweden [48], een reproductie (die ook voorkomt in "Het

Viking-Tijdperk" van DuChaillu) van een ruwe teekening op een rots,

die ons een aantal schepen doet zien, met mannen aan boord, en met

den cirkel, waarin twee loodrecht op elkander geplaatste middellijnen

als kruis geteekend zijn--onmiskenbaar een zonnezinnebeeld--vlak boven

hen. Dat die schepen (die, evenals het Iersche voorbeeld, dikwijls zóó

ruw en oppervlakkig zijn voorgesteld dat het niets anders dan symbolen

zijn, die niemand als schepen zou herkennen, als de sleutel niet

gegeven was door andere, meer uitgewerkte teekeningen) zoo dikwijls in

verband met de zonneschijf geteekend zijn, louter als tijdverdrijf of

met een zuiver decoratief doel, schijnt ons hoogst onwaarschijnlijk

toe. In de dagen der megalithische bevolking zou een grafmonument,

het brandpunt van godsdienstige denkbeelden, waarschijnlijk niet bedekt

zijn met nuttelooze en nietsbeteekenende krabbels. "De mensch heeft,"

zooals Sir J. Simpson terecht heeft gezegd, "altijd heilige dingen en

dingen die met graven in betrekking staan, met elkander verbonden." En

die krabbels vertoonen, in het meerendeel der gevallen, geen zweem

van een decoratieve bedoeling. Maar als zij een symbolische bedoeling

hadden, waarvan waren zij dan een symbool?

Wij zijn hier naar onze meening tot een hoogere orde van denkbeelden

dan die van toovenarij gekomen. De opvatting, die ik zou willen

verdedigen, lijkt misschien nog al vermetel; toch is zij, zooals wij

zullen zien, volkomen in de lijn der resultaten voor bepaalde andere

onderzoekingen omtrent den oorsprong en het karakter der megalithische

beschaving. Als die opvatting algemeen wordt gehuldigd, zal zij

ongetwijfeld veel grooter vastheid geven aan onze denkbeelden omtrent

de betrekkingen van de megalithische Bevolking met Noord-Afrika, en

omtrent den waren oorsprong van het Druïdisme en de leerstellingen,

met dat stelsel verbonden. Wij meenen, dat wel als vaststaande

mag worden aangenomen, dat de zooveel voorkomende verbinding van

het schip met de zonneschijf bij afbeeldingen op rotsen in Zweden,

Ierland en Bretagne, niet volkomen toevallig kan zijn. Niemand, bij

voorbeeld, die zijn aandacht vestigt op het voorbeeld uit Halland,

hierboven weergegeven, kan er aan twijfelen, dat de beide voorwerpen

met een bepaalde bedoeling op één schets zijn verbonden.

Het schipsymbool in Egypte.

Dit symbool van het schip, met of zonder de teekening van het

zonnezinnebeeld, is van zeer ouden datum en komt veelvuldig voor bij

de kunst in Egypte, die in verband staat met alles wat het begraven

betreft. Het staat in verband met den dienst van Ra, die 4000 jaar vóór

Christus werd ingevoerd. Zijn beteekenis als een Egyptisch symbool is

welbekend. Het schip werd de Boot der Zon genoemd. Het was het schip,

waarin de Zonnegod zijn tochten deed; inzonderheid dien tocht, dien

hij in den nacht ondernam naar de kusten der Andere Wereld, waarbij

hij in zijn schuit de zielen der gelukzalige dooden overvoerde. De

zonnegod Ra wordt somtijds voorgesteld door een schijf, somtijds ook

door andere zinnebeelden, die zweefden boven het schip, of daarin

bevat waren. Ieder die in de gelegenheid is, een blik te slaan op

de beschilderde of gebeeldhouwde sarcophagen in het Britsch Museum,

zal een massa voorbeelden vinden. Somtijds zal hij voorstellingen

vinden van de levenwekkende stralen, die Ra op de boot en hare

bemanning neerzendt. Nu ziet men bij één der figuren van schepen op

Zweedsche rotsen te Backa, Bohuslän, zooals die ons worden gegeven

door Montelius, een schip vol met figuren onder een schijf met drie

neerdalende stralen, en tevens een tweede schip met een zon met twee

stralen daarboven. Wij voegen hieraan toe, dat in den tumulus van

Dowth, in de onmiddellijke nabijheid van dien van New Grange, en die

volkomen hetzelfde karakter heeft en uit dezelfde periode afkomstig is,

figuren met stralen en in vier sectoren verdeelde cirkels, blijkbaar

zinnebeelden der zon, in grooten getale voorkomen zooals eveneens

het geval is te Loughcrew en andere plaatsen in Ierland, en dat men

te Dowth eveneens nog een andere teekening van een schip heeft herkend.

In Egypte wordt de zonneboot somtijds voorgesteld met niets anders dan

het zinnebeeld der zon, somtijds bevat hij de voorstelling van een god

met ondergeschikte godheden, somtijds bevat hij een aantal passagiers,

die menschenzielen vertegenwoordigen, en somtijds ook één enkel lijk op

een lijkbaar. Het megalithische snijwerk bevat eveneens somtijds het

zinnebeeld der zon, andere keeren niet; de booten zijn somtijds met

figuren gevuld, andere keeren zijn zij leeg. Als een symbool eenmaal

is aangenomen en begrepen, is iedere overeengekomen of oppervlakkige

voorstelling daarvan voldoende. Wij meenen, dat de volledige vorm van

het megalithische symbool, die van een boot is met menschelijke figuren

daarin en het zinnebeeld der zon er boven. Die figuren moeten, indien

wij uitgaan van de onderstelling, dat de zooeven gegeven verklaring

der teekening juist is, blijkbaar worden opgevat als voorstellingen

der dooden op weg naar de andere wereld. Het kunnen geen godheden

zijn, immers voorstellingen der goddelijke machten onder menschelijke

gedaante waren bij het megalithische volk volkomen onbekend, zelfs

na de komst der Kelten--zij komen het eerst voor in Gallië onder

Romeinschen invloed. Maar als die figuren de dooden voorstellen,

dan hebben wij duidelijk den oorsprong der zoogenaamde "Keltische"

leer der onsterfelijkheid vóór ons. Zij worden zelfs daar gevonden,

waar nooit Kelten waren binnengedrongen. Toch wijzen zij op het

bestaan van die zelfde leer der andere wereld, die, van den tijd van

Caesar af, steeds verbonden was met het Keltische Druïdisme, en die

leer was typisch Egyptisch.

De "Navetas".

In verband met dit onderwerp wenschen wij de aandacht te vestigen op

de theorie van Borlase, dat de typische bedoeling van een Ierschen

dolmen was, een schip voor te stellen. In Minorca zijn er daarmede

overeenkomende bouwwerken, die daar door het volk _navetas_ (schepen)

genoemd worden, zóó duidelijk is de overeenkomst. "Maar", voegt hij

er aan toe, "reeds lang voordat de holen en _navetas_ van Minorca

mij bekend waren, had ik de meening gevormd, dat datgene waarvan ik

zoo dikwijls gesproken heb, als van den 'wigvorm', die zoo algemeen

wordt waargenomen in de plattegronden van dolmens, zijn oorsprong

ontleende aan een oorspronkelijke voorstelling van een schip. Wij

weten, dat werkelijke vaartuigen bij verschillende gelegenheden zijn

opgegraven uit graftumuli in Scandinavië. In begraafplaatsen uit het

IJzeren Tijdperk, zoowel in Scandinavië als aan de meer zuidelijk

gelegen kusten der Oostzee, was het schip de erkende vorm van een

begraafplaats" [49]. Indien de opvatting van Borlase juist is, hebben

wij daarin een zeer krachtige bevestiging der symbolische bedoeling,

die wij toeschrijven aan de voorstellingen der zon op de teekeningen

van een schip der megalithische bevolking.

Het schipsymbool in Babylonië.

Het schipsymbool kan teruggebracht worden tot omstreeks het jaar

4000 v.C. in Babylonië, waar iedere godheid haar eigen schip had (dat

van den god Sin werd het Schip van het Licht genoemd), terwijl haar

beeld in optocht werd gedragen op een draagbaar, die den vorm had

van een schip. Jastrow [50] meent, dat dit zijn oorsprong ontleent

aan een tijd, toen de heilige steden van Babylonië aan de Perzische

Golf gelegen waren, en toen godsdienstige processies dikwijls op het

water werden gehouden.

Het symbool der voeten.

Toch is er reden te meenen, dat enkele van die symbolen ouder waren

dan eenige bekende mythologie, en als het ware tot een mythologischen

grondslag waren gebracht, die verschillend was bij verschillende

volken, welke zich uit een thans onbekende bron daarvan meester

maakten. Een merkwaardig voorbeeld is dat van het symbool der Twee

Voeten. In Egypte vormden de Voeten van Osiris één der deelen, waarin

zijn lichaam in de bekende mythe werd gesneden. Zij waren een symbool

van inbezitneming of van bezoek. "Ik ben op aarde gekomen", zegt het

"Boek der Dooden" (Hoofdstuk XVII), "en heb met mijn twee voeten bezit

genomen. Ik ben Tmu". Dit symbool nu van de voeten of van de afdrukken

der voeten is wijd verspreid. Het wordt gevonden in Indië, als de

afdruk van den voet van Buddha [51], het wordt gebeeldhouwd op dolmens

in Bretagne [52] gevonden, en het komt voor op snijwerk in rotsen in

Scandinavië. [53] In Ierland wordt het opgevat als de voetafdrukken

van St. Patrick of St. Columba. En het vreemdst van alles is dit,

dat het onmiskenbaar in Mexico wordt gevonden [54]. Tyler verwijst

in zijn "Primitieve Beschaving" (II blz. 197) naar de plechtigheid

der Azteken op den Tweeden Feestdag van den Zonnegod, Tezcatlipoca,

wanneer zij maïs strooiden vóór zijn heiligdom, en zijn hoogepriester

bleef toezien, totdat hij de goddelijke voetstappen zag, en dan luide

verkondigde, "Onze Groote God is gekomen."

De _Ankh_ op megalithisch beeldhouwwerk.

Er zijn zeer krachtige bewijzen voor, dat er een betrekking bestaat

tusschen de megalitische bevolking en Noord-Afrika. Zoo blijkt het,

gelijk Sergi duidelijk maakt, dat een aantal teekens (waarschijnlijk

cijfers) gevonden op ivoren platen op het kerkhof te Naqada, en die

door Flinders Petrie ontdekt zijn, op Europeesche dolmens gevonden

worden. Verscheidene latere Egyptische hiëroglyphenteekens, met

inbegrip van den beroemden _Ankh_ of _crux ansata_, het symbool

der levenskracht of der opstanding worden eveneens op megalithisch

beeldhouwwerk gevonden [55]. Uit die overeenstemming trok Letourneau

de gevolgtrekking "dat de bouwers van onze megalithische monumenten

uit het zuiden afkomstig waren en verwant waren met de rassen van

Noord-Afrika." [56]

Bewijzen uit de taal.

Rhys en Brynmor Jones, die de zaak van het linguistische standpunt

hebben beschouwd, komen tot de gevolgtrekking, dat de Afrikaansche

oorsprong--ten minste bij benadering--van de oorspronkelijke bevolking

van Groot Brittannië en Ierland zeer waarschijnlijk is. Zij toonen

aan, dat de Keltische talen in haar woordvoeging het Hamitische en

voornamelijk het Egyptische type behouden hebben. [57]

Egyptische en "Keltische" denkbeelden omtrent onsterfelijkheid.

De tot nu toe vaststaande feiten geven ons, naar onze meening,

geen recht een theorie te ontwerpen over de werkelijke historische

betrekking der dolmenbouwers van westelijk Europa tot het volk,

dat den prachtigen godsdienst en de hooge beschaving van het oude

Egypte schiep. Maar indien wij alle bewijzen beschouwen, die in die

richting samenkomen, dan schijnt het duidelijk, dat er een zoodanige

betrekking was. Egypte was het classieke land van godsdienstig

symbolisme. Het heeft aan Europa het schoonste en meest populaire van

al zijn godsdienstige symbolen geschonken, dat der goddelijke moeder

en haar kind. [58] Wij gelooven, dat het eveneens aan de primitieve

bewoners van west-Europa het diepzinnige symbool gaf van de reizende

geesten, die naar de wereld van den dood geleid worden door den God

van het Licht.

De godsdienst van Egypte, en daarin stond die boven dien van eenig

volk, welks denkbeelden zich, zooals ons bekend is, in zoo oude

tijden hebben ontwikkeld, concentreerde zich op de leer van een

toekomstig leven. De prachtige en verbazende graftomben, de uitgewerkte

ceremonies, de indrukwekkende mythologie, de ontzaglijke verheffing

van de priesterkaste, al die kenmerken der Egyptische beschaving,

stonden in het nauwste verband met hun leer van de onsterfelijkheid

der ziel. Voor den Egyptenaar was de van het lichaam bevrijde ziel

geen schaduwbeeld, zooals de classieke volken meenden; het toekomstige

leven was niets anders dan een verlenging van het tegenwoordige; de

rechtvaardige mensch bevond zich, als hij zijn plaats daar ingenomen

had, onder zijn bloedverwanten, zijn vrienden, zijn ondergeschikten,

met het werk en de genietingen, die veel overeenkomst hadden met die op

aarde. Het lot van den booze was vernietiging; hij werd het slachtoffer

van het onzichtbare monster, dat de Verslinder der Dooden genoemd werd.

Toen nu de classieke volken voor het eerst belang begonnen te stellen

in de denkbeelden der Kelten, was de eerste zaak, die den grootsten

indruk op hen maakte, het Keltische geloof in de onsterfelijkheid,

dat naar de Galliërs zeiden, "door de Druïden was ingevoerd en

verspreid." De classieke volken geloofden in de onsterfelijkheid; maar

welk een beeld geeft Homerus, de bijbel der Grieken, van de verloren,

verlaagde, van hun menschelijke eigenschappen beroofde schepselen, die

de gescheiden zielen der menschen voorstelden! Nemen wij bij voorbeeld,

de beschrijving van de zielen der vrijers, die door Odysseus gedood

zijn, op het oogenblik dat Hermes ze naar de onderwereld leidt [59].

"Hermes de God, in Kyllene geboren, riep op nu de zielen

Van d'in 't gevecht gesneuvelde vrijers; en in de handen

Droeg bij den gouden, den prachtigen staf, waarmee hij

betoovert

D'oogen van hen die hij wil, en andren die slapen, weer opwekt.

Fladdrend volgden die zielen, geraakt door zijn staf,

Hermes leiding,

Evenals vleermuizen snorren, al fladdrend in 't diepste

der holen,

Doch wanneer één van hen neervalt, de andren vereenigd

zich houden.

Zoo gingen snorrend de zielen te zamen en Hermes de redder

Leidde hen voort langs de donkere paden, den weg naar den

Hades."

De classieke schrijvers gevoelden terecht, dat de Keltische

opvatting omtrent de onsterfelijkheid iets geheel anders was dan

dit begrip. Zij was zoowel meer verheven als meer realistisch; zij

hield in, dat de mensch na zijn dood in werkelijkheid, in al zijn

menschelijke betrekkingen blijft voortbestaan, zooals hij bij zijn

leven was. Met verbazing zagen zij, dat de Kelt geld wilde leenen op

een schuldbekentenis, die in het leven hiernamaals zou worden afgelost

[60]. Dit is een volkomen Egyptische opvatting. En ditzelfde trok de

bijzondere aandacht van Diodorus, toen hij schreef over de Keltische

opvatting omtrent de onsterfelijkheid--het kwam met niets overeen,

wat hij buiten Egypte hieromtrent had opgemerkt [61].

De leer der zielsverhuizing.

Een aantal oude schrijvers beweren, dat de Keltische opvatting

omtrent de onsterfelijkheid de oostersche denkbeelden omtrent de

zielsverhuizing belichaamde, en om daarvan een verklaring te geven

werd de hypothese uitgedacht, dat zij die leerstelling aan Pythagoras

ontleend hadden, die er in de classieke oudheid de vertegenwoordiger

van was. Zoo zegt Caesar: "Het voornaamste punt van hun (de Druïden)

leer is, dat de ziel niet te gronde gaat, maar dat deze van het ééne

lichaam in het andere overgaat." En Diodorus zegt: "Onder hen is de

leer van Pythagoras in zwang, volgens welke de zielen der menschen

onsterfelijk zijn en na een bepaalden tijd weer beginnen te leven, na

een nieuw lichaam te hebben aangenomen." Zeker is het nu, dat sporen

van die leer in de Iersche legenden voor den dag komen. Zoo wordt

verhaald, dat het Iersche opperhoofd, Morgan, die een historische

persoon is, en wiens dood gesteld wordt op het jaar 625 n.C., een

weddenschap had aangegaan omtrent de plaats, waar een zekere koning,

Fothad, was gesneuveld in een slag tegen den mythischen held Finn mac

Cumhal, in de derde eeuw. Hij tracht de juistheid van zijn bewering te

bewijzen door uit de andere wereld den geest op te roepen van Keelta,

die de persoon geweest was, die Fothad had verslagen, en die nauwkeurig

beschrijft, waar het graf kan worden gevonden, en wat in dat graf

aanwezig was. Hij begint zijn verhaal met aan Morgan te te zeggen

"Wij waren bij u", en daarna zich tot de aanwezigen wendend, gaat

hij verder: "Wij waren bij Finn, toen wij van Alba kwamen..." "Stil"

zegt Morgan, "het is verkeerd van u, een geheim bekend te maken." Het

geheim is, natuurlijk, dat Morgan een reïncarnatie van Finn was. [62]

Maar het blijkt toch, dat de Kelten die leer volstrekt niet op dezelfde

wijze opvatten als dit bij Pythagoras en de oostersche volken het geval

was. De zielsverhuizing was bij hen niet een noodzakelijk iets. Het

_kon_ gebeuren, maar in het algemeen gebeurde het niet; het nieuwe

lichaam, door de dooden aangenomen, bekleedde hen in een andere

wereld en niet in deze, en voor zoover wij uit oude mededeelingen

kunnen vernemen, schijnt er geen spoor van een gedachte aan zedelijke

vergelding aan dien vorm van een toekomstig leven verbonden te zijn

geweest. Het was niet zoozeer een geloofsartikel als een denkbeeld,

dat op de verbeelding werkte, en dat, zooals reeds Morgan zeide,

niet in het volle licht mocht worden gebracht.

Hoe dit ook moge worden opgevat, zeker is het, dat het geloof in de

onsterfelijkheid de basis was van het Keltische Druïdisme. [63] Caesar

bevestigt dit uitdrukkelijk, en zegt, dat dit leerstuk door de Druïden

is aangekweekt, meer om hun moed op te wekken dan om zuiver politieke

redenen. Een krachtig en innig geloof in een andere wereld, zooals

dit bij de Kelten gevonden werd, is zeker één der krachtigste middelen

in de handen van een priesterkaste, die de sleutels van die wereld in

handen heeft. En nu is het een feit, dat het Druïdisme bestond op de

Britsche eilanden, in Gallië, en feitelijk, voor zoover wij weten,

overal waar een Keltisch ras gevonden werd onder een bevolking van

dolmenbouwers. Er waren Kelten in het Cisalpijnsche Gallië, maar daar

waren geen dolmens en evenmin Druïden [64]. Wat absoluut vaststaat is,

dat toen de Kelten, in westelijk Europa kwamen, zij daar een volk

vonden met een krachtige priesterkaste, godsdienstige ceremoniën,

en indrukwekkende godsdienstige monumenten; een volk gedrenkt in

magie en mysticisme en den dienst der onderwereld. Als wij de feiten

met juistheid inzien, dan schijnt de gevolgtrekking deze te zijn,

dat het Druïdisme in zijn voornaamste trekken op de gevoelige en aan

verbeeldingskracht zoo rijke natuur der Kelten is opgelegd--de Kelten

met hun "buitengewone geschiktheid" denkbeelden op te nemen--door

de oudere bevolking van westelijk Europa, de megalithische

bevolking, terwijl zij in dit opzicht in een zekere door ons niet

in bijzonderheden te volgen betrekking stonden tot de godsdienstige

beschaving van het oude Egypte. Over dit vraagstuk hangt nog veel

duisters, en dit zal misschien wel altijd het geval blijven, maar

als er in die opvatting iets waars is, is de megalithische bevolking

eenige stappen verder gekomen uit de atmosfeer van geheimzinnigheid,

die haar heeft omringd, en blijkt het, dat zij een zeer belangrijke

rol heeft gespeeld in de godsdienstige ontwikkeling van westelijk

Europa, en in het geschikt maken van dat deel der wereld voor de snelle

uitbreiding van het bijzondere type van Christendom, dat daarin plaats

had. Bertrand wijst er in zijn zoo belangrijk hoofdstuk "L'Irlande

Celtique" [65] op, dat wij zeer snel nadat Ierland tot het Christendom

was bekeerd, het geheele land overdekt zien met kloosters, die zóó

volkomen georganiseerd waren, dat alles er op schijnt te wijzen, dat

het werkelijk Druïdische colleges waren, die _en masse_ van bestemming

waren veranderd. Caesar deelt ons mede, wat in Gallië de aard en de

inrichting van die colleges was. Zij waren zeer talrijk. In weerwil

van de ernstige studie en de strenge tucht, die daar werd geëischt,

stroomden er een aantal mannen heen, ter wille van de macht, die

door de Druïden werd uitgeoefend, en de burgerlijke vrijheden en

voorrechten, die hun leden van alle graden daar genoten. Kunsten en

wetenschappen werden daar beoefend, en duizenden versregels, waarin

de leerstellingen van het Druïdisme waren neergelegd, werden daar

uit het hoofd geleerd. Dit heeft veel overeenkomst met wat wij van

het Druïdisme in Ierland weten. Een dergelijke organisatie zou met

heel weinig moeite kunnen overgaan in het Christendom van het type,

zooals het in Ierland was gevestigd. Het geloof in magische gebruiken

zou blijven overleven--het oude Iersche Christendom was, zooals de

talrijke heilige geschriften duidelijk aantoonen, even diep gedrenkt

in magische denkbeelden als ooit met het Druïdische heidendom het

geval was geweest. Het geloof in de onsterfelijkheid zou evenals te

voren blijven bestaan als het voornaamste godsdienstige leerstuk. En

bovenal zou de heerschappij der priesterkaste over de wereldlijke

macht ongeschonden bewaard blijven, nog altijd zou waar zijn wat

Dion Chrysostomus van de Druïden heeft gezegd, dat zij het zijn,

die bevelen, en dat koningen op gouden tronen, die in schitterende

paleizen wonen, niets anders zijn dan hun zaakgelastigden en de

dienaren van hun gedachten [66].

Caesar over de beschaving der Druïden.

De godsdienstige, wijsgeerige en wetenschappelijke beschaving, waarover

de Druïden het toezicht hielden, wordt door Caesar met den grootsten

eerbied besproken. "Zij bespreken en behandelen met de jeugd," zoo

schrijft hij, "een aantal dingen over de sterren en haar bewegingen,

over de uitgebreidheid van het heelal en van onze aarde, over den aard

der dingen, over de macht en de majesteit der onsterfelijke goden"

(VI, 14). Wij zouden er heel wat voor over hebben, als wij eenige

bijzonderheden konden vernemen over het onderwijs, dat hier wordt

beschreven. Maar hoewel de Druïden goed op de hoogte waren van de

schrijfkunst, verboden zij toch uitdrukkelijk hun leerstellingen

op schrift te brengen; een bijzonder verstandige maatregel, want

niet alleen omringden zij hun onderwijs met die atmosfeer van

geheimzinnigheid, die een zoo machtige bekoring uitoefent over den

menschelijken geest, maar zij verzekerden er zich van, dat zij nooit

krachtig kon worden betwist.

Menschenoffers in Gallië.

In eigenaardige tegenspraak echter met de verheven woorden

van Caesar staat het afschuwelijke gebruik van het brengen van

menschenoffers, waarvan hij opmerkte, dat het algemeen onder de Kelten

voorkwam. Gevangenen en misdadigers, of, als deze ontbraken, zelfs

onschuldige slachtoffers, waarschijnlijk kinderen, werden in hoopjes

bij elkander opgestapeld in groote gevlochten manden, en daarin levend

verbrand om de gunst der goden te winnen. De gewoonte, menschenoffers

te brengen, is natuurlijk niet uitsluitend een Druïdisch gebruik--het

wordt in alle deelen der Oude en der Nieuwe wereld gevonden op een

zeker peil van beschaving, en was ongetwijfeld een overblijfsel uit den

tijd der megalithische bevolking. Het feit, dat het in Keltische landen

moet hebben voortgeleefd nadat een overigens tamelijk hooge staat van

beschaving en godsdienstige cultuur was bereikt, kan vergeleken worden

met een dergelijk verschijnsel in Mexico en in Carthago, en moet in

al die gevallen ongetwijfeld worden toegeschreven aan de onbeperkte

overheersching eener priesterkaste.

Menschenoffers in Ierland.

Bertrand tracht aan te toonen dat de Druïden buiten die practijken

stonden, waarvan hij, wat onbegrijpelijk moet geacht worden, zegt

"dat er geen spoor" van in Ierland te ontdekken valt, hoewel daar

het Druïdisme, zooals in andere streken van het Keltische gebied,

oppermachtig was. Er is echter weinig twijfel aan, dat ook in Ierland

menschenoffers in zwang waren. In een zeer oude verhandeling, den

"Dinnsenchus", die in het "Boek van Leinster" is bewaard gebleven,

vindt men, dat in de Moyslaught "de vlakte der aanbidding" een groot

gouden afgodsbeeld stond, Crom Cruach, (de bloedige Halve Maan). Aan

dat beeld plachten de Galliërs kinderen te offeren, als zij om schoon

weder en vruchtbaarheid baden--"zij vroegen dat beeld om melk en koren

in ruil voor hun kinderen--hoe groot was hun ontzetting en hoe luid

hun weeklagen!" [67]

En in Egypte.

In Egypte, waar het nationale karakter zeer optimistisch en

gemakzuchtig was, tuk op pretjes en weinig vatbaar voor fanatieke

opwinding, vinden wij geen berichten omtrent dergelijke plechtigheden

op de inscripties en schilderingen op de monumenten, hoewel deze

ons anders talrijke mededeelingen doen omtrent alle mogelijke

verschijnselen van het nationale leven en den godsdienst [68]. Manetho

immers, de Egyptische geschiedschrijver, die geschreven heeft in de

derde eeuw v.C., deelt ons mede, dat menschenoffers waren afgeschaft

door Amasis I, in het begin der XVIIIde Dynastie--omstreeks 1600

v.C. Maar het volkomen stilzwijgen hierover der andere historische

verhalen bewijst ons, dat, zelfs als wij Manetho mogen gelooven,

het gebruik in historische tijden uiterst zeldzaam moet geweest zijn,

en dat men er met tegenzin aan herinnerd werd.

De namen van Keltische godheden.

Wat waren de namen en de attributen van de Keltische

godheden? Hieromtrent verkeeren wij bijna geheel in het duister. De

megalithische bevolking stelde zich hare godheden niet voor onder

een concreten persoonlijken vorm. Steenen, rivieren, putten, boomen,

en andere natuurlijke voorwerpen waren voor hen de passende symbolen,

of waren half symbolen, half verpersoonlijkingen der bovennatuurlijke

krachten, die zij aanbaden. Maar de verbeeldingrijke geest der

Arische Kelten was daarmede niet tevreden. Caesar verhaalt ons

van het bestaan van persoonlijke goden met verschillende titels en

attributen; hij vergelijkt ze met verschillende gestalten uit het

Romeinsche Pantheon--Mercurius, Apollo, Mars en anderen. Lucanus

maakt van een drietal godheden melding, Aesus, Teutates en Taranus;

[69] en het is de vermelding waard, dat wij bij die namen tegenover

een echte Keltische, dat is Arische overlevering staan. Zoo wordt

Aesus door Belloguet afgeleid van den Arischen wortel _as_, die "zijn"

beteekent, en die de Perzen den naam Asura-masda (_l'Esprit Sage_),

de Umbriërs den naam Aesun, de Scandinaviërs den naam Asa (Goddelijk

Wezen) leverde. Teutates is afgeleid van een Keltischen wortel,

die "dapper", "oorlogszuchtig" beteekent, en drukt een godheid uit,

die met Mars overeenkomt. Taranus (Thor?) is volgens de Jubainville

de god van den Bliksem (in het Galisch, Cornisch, en Bretonsch is

_taran_ het woord voor "bliksemflits"). Opschriften met geloften aan

die goden zijn in Gallië en Brittannië gevonden. Andere opschriften en

beeldhouwwerken leggen er getuigenis van af, dat er in Gallië een groot

aantal godheden van minderen rang en ook plaatselijke godheden zijn,

die meestal voor ons niet meer dan een naam zijn, en zelfs nog niet

eens dat. In den vorm, waarin wij die hebben, dragen die begrippen

de duidelijke sporen van Romeinschen invloed. De beeldhouwwerken

zijn ruwe nabootsingen van den Romeinschen stijl der godsdienstige

kunst. Maar wij vinden daaronder ook figuren van een veel woester en

vreemder uiterlijk--goden met driedubbele gezichten, goden met vertakte

geweien op hun voorhoofd, slangen met ramskoppen en andere symbolen

van den ouderen godsdienst, die nu niet meer te begrijpen zijn. Zeer

opmerkelijk is het herhaaldelijk voorkomen van de houding van "Buddha"

met gekruiste beenen, die zoo veel voorkomt in de godsdienstige kunst

van het oosten en van Mexico, en daarbij de neiging, die in Egypte

zoo goed bekend is, om de goden in drietallen te groepeeren.

Caesar over de Keltische godheden.

Caesar, die den Gallischen godsdienst tracht in te passen in de lijst

der Romeinsche mythologie--wat volkomen hetzelfde was wat de Galliërs

zelf na de verovering deden--verhaalt, dat zij Mercurius als den

oppersten der goden beschouwden, en in hem den uitvinder zagen van

alle kunsten, den god van den handel, en den beschermer der wegen

en den gids der reizigers. Men mag vermoeden, dat hij zoowel voor de

Galliërs als voor de Romeinen in het bijzonder de gids was der dooden,

der reizigers naar de andere wereld. Een aantal bronzen standbeelden

van Mercurius, van Gallischen oorsprong, zijn nog steeds in wezen;

de Galliërs hebben dien naam overgenomen, zooals blijkt uit een

aantal plaatsnamen, aan hem ontleend [70]. Apollo werd beschouwd

als de godheid der geneesmiddelen en der geneeskunde, Minerva was

de leermeesteres van kunsten en ambachten, Jupiter heerschte over de

lucht en Mars had het bestuur van den oorlog. Caesar rangschikt hier

ongetwijfeld onder vijf typen en onder Romeinsche namen een groot

aantal Gallische godheden.

De god der benedenwereld.

Volgens Caesar was (naar de Romeinsche benaming) een zeer op den

voorgrond tredende godheid der Galliërs Dis of Pluto, de god der

benedenwereld, die door de dooden werd bewoond. Alle Galliërs maken

er aanspraak op, dat zij van hem zijn afgestamd, en op dien grond

begonnen zij, zooals Caesar verhaalt, de vier en twintig uur van den

dag te rekenen van het aanbreken van den avond af [71]. De naam van

die godheid is niet bekend. d'Arbois de Jubainville is van meening,

dat hij te zamen Æsus, Teutates, Taranus, en in de Iersche mythologie,

Balor en de Fomoriërs, de machten van de duisternis, den dood en

het kwaad voorstelt, en de Keltische mythologie wordt dus verklaard

als een gewijzigde vorm der overal voorkomende zonnemythe, die de

opvatting belichaamt van den eeuwigen strijd tusschen dag en nacht.

De God van het licht.

De god van het Licht komt in Gallië en in Ierland voor als Lugh, of

Lugus, die zijn sporen heeft achtergelaten in een aantal plaatsnamen,

zooals _Lug-dunum_ (Leiden), Lyon, enz. Lugh komt in de Iersche

legenden voor met duidelijk te onderscheiden zonneattributen. Als

hij zijn leger aantreft vóór den grooten strijd tegen de Fomoriërs,

krijgen zij, zoo zegt de sage, een gevoel, alsof zij het opkomen van

de zon waarnemen. Maar toch is hij eveneens, zooals wij zullen zien,

een god der onderwereld, die van moederszijde (Ethlinn, de dochter

van Balor) tot de machten der Duisternis behoort.

De Keltische opvatting van den dood.

Het is een feit, dat de Keltische opvatting omtrent het rijk van

den dood in ieder opzicht afweek van die der Grieken en Romeinen,

en, zooals wij reeds bespraken, overeenkomst had met die van den

Egyptischen godsdienst. De andere wereld was geen plaats van somberheid

en van lijden, maar van licht en van bevrijding. De Zon was evenzeer

de godheid van die wereld als van deze. Er waren daar ongetwijfeld

ellende, pijn en somberheid, en ook is het zeker, dat die beginselen

door de Iersche Kelten belichaamd waren in hun mythen van Balor en de

Fomoriërs, waarover wij zoo aanstonds zullen hooren; maar dat zij in

het bijzonder verbonden waren met het denkbeeld van den dood, is naar

mijn meening, een onjuiste onderstelling die berust op misleidende

vergelijkingen met de denkbeelden der classieke volken. In dit opzicht

hebben de Kelten eer Noord-Afrikaansche of ook Aziatische opvattingen

gevolgd, dan die van de Ariërs uit Europa. Alleen als wij er ons

voldoende rekenschap van geven, dat de Kelten, zooals wij die in de

geschiedenis kennen, van het instorten der Middel-Europeesche Keltische

opperheerschappij af een merkwaardige vermenging vertoonden van Arische

met niet-Arische karaktertrekken, zullen wij tot een juist begrip komen

van wat zij tot de geschiedenis van Europa hebben bijgedragen en van

den invloed, dien zij op de Europeesche cultuur hebben uitgeoefend.

De vijf factoren bij de oude Keltische beschaving.

Resumeeren wij nu de gevolgtrekkingen, waarop wij gewezen hebben,

dan kunnen wij, naar wij meenen, vijf verschillende factoren

onderscheiden, die ingewerkt hebben op de godsdienstige cultuur

der Keltische landen, zooals wij die waarnemen vóór de inwerking

van den invloed der classieke volken en van het Christendom. In de

eerste plaats hebben wij een aantal populaire vormen van bijgeloof

en magische gebruiken voor ons, met inbegrip van menschenoffers. Deze

waren meer of minder gewijzigd naar gelang van de plaats, daar zij nauw

in verband stonden met locale trekken en eigenschappen, die beschouwd

werden als de belichaming of de dragers van goddelijke of duivelsche

macht. Ten tweede bestond er zeker een wel doordachte en wijsgeerige

geloofsleer, die tot middelpunt van aanbidding de Zon had, als het

zinnebeeld der goddelijke macht en bestendigheid, en tot middelpunt

van leerstelling de onsterfelijkheid der ziel. Ten derde had men

de vereering van gepersonifieerde godheden, Æsus, Teutates, Lugh en

anderen, die men zich dacht als vertegenwoordigers van natuurkrachten

of als bewakers der maatschappelijke wetten. Ten vierde stonden de

Romeinen zeer onder den indruk van het feit, dat er onder de Druïden

een geheel van leerstellingen van schijnbaar wetenschappelijken aard

bestond over natuurverschijnselen en den bouw van het heelal, van

welke leerstellingen wij in bijzonderheden feitelijk ongelukkiger

wijze niets weten. En ten slotte hebben wij onze aandacht te

vestigen op de ontzaglijke beteekenis van een priesterorganisatie,

die het geheele stelsel van godsdienstige en wereldlijke kennis en

litteratuur in handen had [72], die met zorg die wetenschap beperkte

tot een bevoorrechte kaste, en die ten gevolge van zijn verstandelijk

overwicht en van de atmosfeer van godsdienstig ontzag, waarmede zij

was omgeven, de hoogste macht op maatschappelijk, staatkundig en

godsdienstig gebied werd in ieder Keltisch land. Wij hebben van die

elementen als van verschillende zaken gewag gemaakt, en wij kunnen

ze dan ook inderdaad in gedachten van elkander onderscheiden, maar

in de practijk waren zij op niet te ontwarren wijze samengeweven, en

de organisatie der Druïden doortrok en regelde alles. Kunnen wij nu,

zoo vragen wij, daaronder onderscheiden wat van Keltischen, en wat

van prae-Keltischen en waarschijnlijk niet-Arischen oorsprong is? Dit

is een lastiger taak; toch meenen wij, lettende op alle analogieën en

waarschijnlijkheden, dat wij niet ver van de waarheid afzijn, indien

wij aan de megalithische bevolking de eigenaardige leerstellingen, de

godsdienstige gebruiken en de priesterorganisatie van het Druïdendom

toeschrijven, en aan het Keltische element de gepersonifieerde

godheden, met den dorst naar wetenschap en bespiegeling; terwijl het

bijgeloof der groote menigte niets anders was dan de plaatselijke

vorm, die aangenomen was als gevolg van opvattingen, die even ruim

verspreid waren als het menschelijke ras.

De Kelten uit onzen tijd.

Met het oog op het onloochenbaar gemengde karakter der volken,

die in onze dagen "Keltisch" genoemd worden, heeft men dikwijls

beweerd, dat die uitdrukking niet in werkelijk verband staat met

eenig ethnologisch feit. De Kelten, die met Caesar in Gallië en

in Ierland met de Engelschen streden, bestaan, zoo zegt men, niet

meer--zij zijn op duizenden slagvelden gesneuveld van Alesia tot

aan de Boyne, en een oudere rassenlaag is in hun plaats naar de

oppervlakte gekomen. Volgens die opvatting kunnen de echte Kelten

alleen teruggevonden worden in de groote, rossige Hooglanders van

Perthshire en het noordwesten van Schotland, en in enkele families

van het vroeger heerschende ras, die nog in Ierland en in Wales zijn

overgebleven. Naar onze meening moet worden toegegeven, dat in al die

opvattingen heel wat waarheid steekt. Toch moet niet worden vergeten,

dat de afstammelingen der megalithische bevolking in onzen tijd, wat

hun physieke eigenschappen betreft, diep gedrenkt zijn met Keltisch

bloed, en wat hun geestelijke eigenschappen betreft met Keltische

overleveringen en idealen. En evenmin moet men, bij het bespreken

van die vraagstukken omtrent den aard van het ras en den oorsprong

daarvan, ooit beweren, dat het karakter van een volk kan worden

ontleed, zooals men een scheikundige verbinding ontleedt, waarbij

men eens vooral de samenstellende deelen vaststelt en hun toekomstig

gedrag en lot bepaalt. Raseigenschappen, hoe machtig en bestendig

die mogen zijn, zijn geen dood iets, in een ijzeren vorm gegoten, en

daardoor ongeschikt voor verandering en groei. Zij zijn een deel van de

levende krachten der wereld; zij zijn vervormbaar en levensvatbaar;

zij hebben verborgen mogelijkheden met een rijkdom van oorzaken,

zooals een gelukkige kruising met een afwijkenden, maar ook weer niet

te zeer afwijkenden stam, of--om een ander gebied te betreden--zooals

het aannemen van een nieuw godsdienstig of maatschappelijk ideaal

die op ieder oogenblik kan openen en in werking kan brengen.

Van één zaak zijn wij persoonlijk overtuigd--en wel dat aan

het vraagstuk van de ethische, maatschappelijke en geestelijke

ontwikkeling van het volk, dat men den "Keltischen zoom" in Europa

zou kunnen noemen moet gewerkt worden langs Keltische lijnen; door het

in stand houden der Keltische overlevering, de Keltische litteratuur,

de Keltische taal--in één woord, de aanmoediging van al die Keltische

eigenaardigheden, waarvan dat gemengde ras nu de eenige bewuste

erfgenaam en bewaker is. Daaraan zal het ras gehoor geven, daardoor

zal het diep bewogen worden; en de oogst heeft nooit iemand in den

steek gelaten, die met moed en geloovig vertrouwen den ploeg door dit

rijke veld heeft getrokken. Aan den anderen kant moet dit werk, zal

het met vrucht verricht worden, niet in een pedanten, kleingeestigen,

onverdraagzamen geest geschieden; men moet zich niet angstvallig

vastklampen aan de uitwendige vormen van het verledene, eenvoudig

omdat de Keltische geest daarin eertijds uiting heeft gevonden. Laat

men in het oog houden, dat in het begin der Middeleeuwen Kelten uit

Ierland de meest bekende ontdekkingsreizigers waren, de meest bekende

baanbrekers op het gebied van godsdienst, wetenschap en bespiegelende

gedachten in Europa [73]. Moderne onderzoekers hebben hun lichtende

voetsporen getrokken over de helft van het heidensche vasteland,

en de Iersche scholen waren overstroomd met leerlingen, die nergens

anders de gelegenheid hadden onderwezen te worden. Toen speelde de

Keltische geest zijn ware rol in het werelddrama, en nooit heeft hij

een grootere rol gespeeld. Wat die mannen ons hebben nagelaten, moet

in eere gehouden worden, maar niet als een in een museum opgeborgen

merkwaardigheid; niets zou meer in strijd zijn met hun vrijen,

vermetelen, avontuurlijken geest dan het erfdeel te laten versteenen

in de handen van hen, die aanspraak maken op de erfenis van hun naam

en hun faam.

De mythische literatuur.

Na de schets, in dit en in het voorafgaande hoofdstuk gegeven

van de oudste geschiedenis der Kelten en van de krachten, die

haar hebben gevormd, zullen wij nu overgaan tot het bespreken

van de mythen- en legendenlitteratuur, waarin hun geest zoo echt

mogelijk leeft en schittert. Wij zullen hier alle litteratuur, die

niet speciaal Keltisch is, buiten beschouwing laten. Wij hebben ons

hier niet bezig te houden met al datgene, wat door andere volken is

voortgebracht--zooals in de Arthurlegende--op het gebied van mythen

en vertellingen. Niemand kan meer zeggen, hoeveel Keltisch daarin is,

en hoeveel niet. En in dergelijke zaken is het meestal de definitieve

inkleeding, die werkelijk van belang en van waarde is. Wat wij dus

geven, wordt gegeven zonder toevoegingen of omwerkingen. Natuurlijk

moeten verhalen dikwijls verkort worden, maar er zal niets in zijn,

dat niet onmiddellijk uit den Keltischen geest is voortgekomen, en dat

niet thans nog in de één of andere verscheidenheid der Keltische taal,

zij het Galisch of Cymrisch, bestaat.

Keltische Mythen en Legenden · 第 11 / 29 题