HOOFDSTUK I: DE KELTEN IN DE OUDE GESCHIEDENIS.

Oudste mededeelingen.

In de kronieken van de classieke volken van omstreeks vijfhonderd

jaar vóór de Christelijke jaartelling vindt men herhaaldelijk gewag

gemaakt van een volk, dat met die naties in betrekking stond,

somtijds in vrede, somtijds in den oorlog, en dat blijkbaar een

krachtige en invloedrijke plaats innam in het onbekende gebied van

Midden-Europa. Dit volk wordt door de Grieken de Hyperboreërs of

Kelten genoemd; de laatste uitdrukking wordt het eerst gevonden bij

den aardrijkskundige Hecataeus, ongeveer 500 v.C. [4]

Herodotus spreekt omstreeks een halve eeuw later van de Kelten, als

van een volksstam die "aan gene zijde van de Zuilen van Hercules

woont"--d.i. in Spanje, en verhaalt eveneens, dat de Donau in hun

land ontspringt.

Aristoteles wist, dat zij "voorbij Spanje" woonden, dat zij Rome hadden

ingenomen, en dat zij uitmuntten in krijgshaftige eigenschappen. Van

tijd tot tijd vinden wij ook andere dan aardrijkskundige mededeelingen

zelfs bij oude schrijvers. Hellanicus van Lesbos, een geschiedschrijver

uit de vijfde eeuw v.C., beschrijft de Kelten als handhavers van

rechtvaardigheid en als mannen, die de deugd liefhadden. Ephorus

(omstreeks 350 v.C.) geeft drie dichtregels over de Kelten, waarin hij

zegt, dat zij "dezelfde gewoonten hadden als de Grieken" (het is niet

duidelijk, wat hij daarmee bedoelt), en dat zij op vriendschappelijken

voet met dezen verkeerden, die dan ook gastvriendschap met hen

sloten. Plato echter rangschikt in de "Wetten" de Kelten onder de

volken, die zich aan dronkenschap overgeven en strijdlustig zijn,

en men schrijft hun groote barbaarschheid toe bij gelegenheid van

hun inval in Griekenland en de plundering van Delphi van het jaar 273

v.C. Hun aanval op Rome en de plundering dier stad omstreeks een eeuw

vroeger is één der mijlpalen in de oude geschiedenis.

De geschiedenis van dat volk gedurende den tijd, toen het de

overheerschende macht in Midden-Europa voerde, moet men gissen of

weder opbouwen uit verspreide aanwijzingen en mededeelingen van op zich

zelf staande gebeurtenissen in hun optreden tegenover Griekenland en

Rome, zooals de dierkundige dikwijls een voorwereldlijk dier weder

opbouwt uit enkele fossiele beenderen. Geen kronieken zijn van hen

tot op onzen tijd overgeleverd, geen bouwkundige overblijfselen zijn

tot op onze dagen in wezen gebleven; slechts enkele munten en enkele

versierselen en bronzen wapenen, met email opgelegd of waarop fijne

en schoone patronen zijn gegraveerd of gedreven--alleen deze en de

namen, die dikwijls in wonderlijk gewijzigde vormen verbonden zijn

gebleven aan de plaatsen, waar zij woonden, van de Zwarte Zee tot

aan de Britsche Eilanden, zijn zoowat al de zichtbare sporen, die

ons door dien eertijds zoo machtigen volksstam van zijn beschaving

en heerschappij zijn nagelaten. Toch kan daaruit en uit die verhalen

van classieke schrijvers veel met zekerheid worden afgeleid, en nog

meer kan met tamelijk veel waarschijnlijkheid worden gegist. De groote

kenner der Keltische geschiedenis en oudheden, die voor enkele jaren

is overleden, d'Arbois de Jubainville, heeft uit de beschikbare feiten

een overtuigende schets gegeven der Keltische geschiedenis gedurende

den tijd, die voorafgegaan is aan dien, waarop zij in het volle

geschiedkundige licht zijn gekomen tijdens de veroveringen van Caesar

[5], en van die schets geven wij hier de voornaamste trekken weer.

Het echte Keltische ras.

Om te beginnen, moeten wij het denkbeeld op zijde zetten, dat het

Keltenland ooit door één enkel zuiver en homogeen ras is bewoond

geweest. De echte Kelten waren, als wij op dit punt de met zorg

bestudeerde en goed gedocumenteerde gevolgtrekkingen mogen aannemen

van Dr. T. Rice Holmes [6] welk betoog wordt bevestigd door de

eensluidende mededeelingen der oudheid, een rijzig, lichtharig ras,

oorlogslievend en heerschzuchtig [7], dat oorspronkelijk (zoover

wij het nog kunnen nagaan) hun woonplaats gehad heeft ergens bij de

bronnen van den Donau, en die, zoowel door verovering als door op

vredelievende wijze door te dringen, hun heerschappij uitstrekten

over Midden-Europa, Gallië, Spanje en de Britsche Eilanden. Zij

roeiden de oorspronkelijke praehistorische bewoners van die

streken--palaeolithische en neolithische rassen, dolmen-bouwers en

bewerkers van brons--niet uit, maar zij legden hun wel hun taal, hun

industrie en hun overleveringen op, waartegenover zij ongetwijfeld van

hun kant veel van hen overnamen, vooral, zooals wij zullen zien, op het

gebied van den godsdienst. Onder de rassen vormden de echte Kelten een

aristocratische en overheerschende kaste. In die hoedanigheid stonden

zij, zoowel in Gallië en in Spanje als in Brittannië en in Ierland,

aan de spits van het gewapend verzet tegen vreemde invallen. Zij

vingen den krachtigsten stoot op van oorlogen, verbeurdverklaringen

en verbanning. Het ontbrak hun nooit aan moed, maar zij waren niet

krachtig of niet eensgezind genoeg om de overhand te krijgen, en zij

kwamen in veel grootere verhouding om dan de andere bewoners, die

zij zelf hadden ten onder gebracht. Maar ook verdwenen zij, door hun

bloed met dat van die andere bewoners te vermengen, waardoor zij den

stempel van een aantal van hun eigen edele en mannelijke eigenschappen

op hen drukten. Dit is de reden, dat de karakteristieke eigenschappen

van die volken, die in onzen tijd Kelten genoemd werden en die de

Keltische overleveringen en de Keltische taal voortplantten, in enkele

opzichten zoozeer verschillen van die der Kelten uit de classieke

geschiedenis en die der Kelten, die de litteratuur en de kunst van het

oude Griekenland hebben voortgebracht, terwijl zij in andere opzichten

daarmede zoo treffend overeenkomen. Om slechts één lichamelijk kenmerk

te kiezen, de bewoners der meer Keltische districten van de Britsche

eilanden kenmerken zich tegenwoordig door hun donkere gelaatskleur,

hun haren enz. Zij zijn niet bijzonder donker, maar toch donkerder

dan het overige gedeelte der bewoners van het koninkrijk. [8] Maar

de echte Kelten der twaalfde eeuw zijn door Giraldus Cambrensis als

een licht gekleurd ras beschreven.

De gouden eeuw der Kelten.

Maar wij loopen op ons onderwerp vooruit en moeten terugkeeren tot

het tijdperk van den oorsprong der Keltische geschiedenis. Evenals

de sterrenkundigen het bestaan eener onbekende planeet hebben

ontdekt door de storingen, door deze op de reeds waargenomen planeten

uitgeoefend, zoo kunnen wij in de vijfde en vierde eeuw vóór Christus

de aanwezigheid van een groote macht en van krachtige bewegingen

onderscheiden, die geschiedden achter een sluier, die nooit meer zal

worden opgelicht. Dit was de Gouden Eeuw der Kelten op het vasteland

van Europa. Gedurende dat tijdperk voerden de Kelten drie groote en

voorspoedige oorlogen, die geen geringen invloed hadden op den loop der

geschiedenis van Zuid-Europa. Omstreeks 500 v.C. veroverden zij Spanje

op de Carthagers. Een eeuw later zien wij hen bezig met de verovering

van Noord-Italië op de Etruskers. Zij vestigden zich in grooten

getale op het gebied, dat later bekend werd als Gallia Cisalpina,

waar een aantal namen, zooals _Mediolanum_ (Milaan), _Addua_ (Adda),

_Virodunum_ (Verduno), en misschien _Cremona_ (_creamh_, knoflook)

[9], er getuigenis van afleggen, dat zij dit gebied hebben bezet. Zij

hebben nog een grooter herinnering achtergelaten in den voornaamsten

der Latijnsche dichters, wiens naam, Vergilius, schijnt te wijzen

op zijn Keltische afstamming [10]. Tegen het einde der vierde eeuw

overstroomden zij Pannonia, toen zij de Illyriërs ten onder brachten.

Bondgenootschappen met de Grieken.

Al die oorlogen werden ondernomen in bondgenootschap met de Grieken,

met wie de Kelten in die periode op den meest vriendschappelijken voet

verkeerden. Door den oorlog met de Carthagers werd het monopolie, dat

deze bezaten op het gebied van den handel in tin met Brittannië en in

zilver met de Spaansche mijnwerkers, vernietigd, en de weg over land

door Frankrijk heen naar Brittannië, ten behoeve waarvoor de Phoceërs

in het jaar 600 v.C. de haven van Marseille hadden gesticht, werd voor

goed aan den Griekschen handel verzekerd. Grieken en Kelten waren in

dat tijdperk verbonden tegen Phoeniciërs en Perzen. De nederlaag,

Hamilcar te Himera, in Sicilië, door Gelon toegebracht, viel in

hetzelfde jaar als die van Xerxes te Salamis. Het Carthaagsche leger

in dien veldtocht bestond uit huurlingen van een half dozijn volken,

maar in de rangen der Carthagers werd geen enkele Kelt gevonden, en de

vijandschap der Kelten was een voorname oorzaak, dat de Carthagers de

Perzen geen hulp boden ter vernietiging van hun gemeenschappelijken

vijand. Deze feiten bewijzen, dat de Kelten een belangrijke rol

speelden, om te beletten, dat het Grieksche type van beschaving werd

overweldigd door de dwingelandij van Oostersche volken, en dat het

in Europa het onschatbare zaad van vrijheid en menschelijke cultuur

in het leven hield.

Alexander de Groote.

Wij zien de Kelten weer naar voren treden als een hoogst belangrijken

factor, toen Hellas van haar kant onder Alexander den Groote haar

tegenaanval tegen het Oosten begon.

In de vierde eeuw v.C. werd Macedonië door Thracische en Illyrische

benden aangevallen en bijna vernietigd. Koning Amyntas II werd

verslagen en in ballingschap gedreven. Zijn zoon Perdiccas II werd in

den slag gedood. Toen Philippus, een jongere broeder van Perdiccas,

den onbeteekenenden en waggelenden troon besteeg, dien hij en

zijn opvolgers tot den zetel van een machtig rijk zouden maken,

werd hij krachtig gesteund in zijn pogingen de Illyriërs het hoofd

te bieden door de veroveringen der Kelten in de valleien van den

Donau en de Po. In de dagen van Alexander werd het bondgenootschap

voortgezet en misschien meer op wettelijken grondslag gevestigd. Toen

Alexander op het punt stond, Azië te veroveren (334 v.C.) sloot hij

eerst een verdrag met de Kelten "die aan de Jonische Golf woonden",

ten einde zijn Grieksch grondgebied tijdens zijn afwezigheid tegen

een aanval te beveiligen. Die gebeurtenis is door Ptolemaeus Soter

beschreven in zijn geschiedenis van de oorlogen van Alexander

[11]. Het verhaal is zóó levendig, dat het den stempel draagt van

een authentieke geschiedenis, en een andere merkwaardige getuigenis

van de waarheid van het verhaal is door de Jubainville aan het licht

gebracht. Toen de Keltische afgevaardigden, die beschreven worden als

mannen, hooghartig in hun optreden en van grooten lichaamsbouw, na hun

zending te hebben volbracht, met den koning dronken, vroeg hij hun,

naar het verhaal zegt, wat wel datgene was, waarvoor zij het meest

bevreesd waren. De afgevaardigden antwoordden: "Wij vreezen niemand:

er is slechts één ding, waarvoor wij bang zijn, en wel, dat de hemel

op ons zou kunnen neervallen; maar wij stellen niets zoo zeer op prijs

als de vriendschap van iemand zooals gij." Alexander nam afscheid

van hen, en fluisterde, na zich tot zijn edelen te hebben gewend,

"Wat zijn die Kelten toch vreeselijke pochers." Toch was het antwoord,

met al zijn Keltische bravour en pralerij, niet zonder waardigheid

en hoffelijkheid. De uitdrukking omtrent het neervallen van den

hemel schijnt een blik te schenken op het eene of andere primitieve

geloof of de eene of andere mythe, waarvan de beteekenis niet meer

te doorgronden is. [12] De nationale eed, waarmede de Kelten zich

verbonden, aan hun verdrag met Alexander trouw te blijven, is zeer

merkwaardig. "Als wij dit verdrag niet gestand doen," zoo zeiden zij,

"moge dan de hemel op ons neervallen en ons verbrijzelen, moge de

aarde zich openen en ons verzwelgen, moge de zee openbarsten en

ons overweldigen." De Jubainville vestigt met nadruk de aandacht

op een plaats uit de "Táin Bo Cuailgne," in het Boek van Leinster,

[13] waar de helden uit Ulster hun koning, die hen in den strijd

wenschte te verlaten, ten einde een aanval af te weren op een ander

gedeelte van het slagveld, mededeelen: De hemel is boven ons, en

de aarde onder ons, en de zee is om ons heen gelegen. Tenzij de

hemel met zijn menigte sterren neervalt op den grond, waarop wij

gekampeerd zijn, of tenzij de aarde door een aardbeving wordt van

een gereten, of tenzij de golven der blauwe zee over de bosschen

der levende wereld komen, zullen wij niet wijken. [14] Het overleven

van dit eigenaardige eedsformulier gedurende meer dan duizend jaar,

en het weder te voorschijn komen in een mythisch Iersch verdichtsel,

nadat er het eerst van gehoord is onder de Kelten van Midden-Europa,

is ongetwijfeld zeer merkwaardig, en is met andere feiten, die wij

later zullen vermelden, een krachtig bewijs voor de eenheid en de

onverwoestbaarheid der Keltische beschaving. [15]

De plundering van Rome.

Wij hebben reeds melding gemaakt van twee der groote oorlogen, door

de op het vasteland wonende Kelten gevoerd; wij komen thans tot den

derden, dien tegen de Etruskers, die hen ten slotte in botsing bracht

met de grootste macht van het heidensche Europa, en aanleiding gaf

tot hun grootste wapenfeit, de plundering van Rome. Omstreeks het

jaar 400 v.C. schijnt het Keltische rijk het toppunt van zijn macht

te hebben bereikt. Onder een koning, bij Livius Ambicatus genoemd,

die waarschijnlijk het hoofd van een overheerschenden stam was in een

militairen bond, zooals in onze dagen de Duitsche Keizer, schijnen de

Kelten in sterke mate te zijn samengesmeed tot een politieke eenheid,

en een op eenzelfde doel gerichte politiek te hebben gevolgd. Daar

zij aangetrokken waren door het vruchtbare land van Noord-Italië,

daalden zij af door de passen der Alpen, en wisten zij zich daar,

na hevige gevechten met de Etruscische inwoners, te handhaven. In

die dagen drongen de Romeinen van beneden af op de Etruskers aan,

en Romeinen en Kelten werkten volkomen met elkander in overleg

en voor dat doel verbonden met elkander samen. Maar de Romeinen,

die waarschijnlijk een groote minachting hadden voor de Noordelijke

barbaarsche krijgslieden, hadden de onbezonnenheid oneerlijk spel

met hen te spelen bij het beleg van Clusium (301 v.C.) welke plaats

de Romeinen beschouwden als één der bolwerken van Latium tegen het

noorden. De Kelten herkenden Romeinen, die bij hen gekomen waren in het

onschendbare karakter van afgevaardigden, als strijders onder de rijen

van den vijand. De gebeurtenissen, die toen volgden, zijn, in den vorm,

waarin zij tot ons zijn gekomen, zeer vermengd met legenden, maar er

zijn toch enkele trekken onder van dramatische kracht en levendigheid,

waarin het ware karakter der Kelten duidelijk herkenbaar naar voren

treedt. Zooals ons wordt verhaald, wendden zij zich tot Rome, om

genoegdoening te krijgen voor het verraad der afgezanten, de drie

zonen van Fabius Ambustus, den opperpriester. De Romeinen weigerden

aan dien eisch gehoor te geven, en kozen juist de Fabii tot militaire

tribunen voor het volgende jaar. Daarop braken de Kelten het beleg

van Clusium op en trokken regelrecht op Rome af. Zij dachten er niet

aan, op goed geluk te plunderen of te verwoesten, zij vielen geen

enkele stad of vesting aan. "Wij zijn op weg naar Rome," zoo riepen

zij tot de wachten op de muren der provinciesteden, die verwonderd en

beangst den ontzaglijken troep, die onafgebroken naar het zuiden trok,

nastaarden. Eindelijk bereikten zij de Allia, enkele mijlen van Rome

af, waar de geheele beschikbare troepenmacht der stad in slagorde

stond geschaard om hen tegemoet te trekken. De slag werd geleverd

den 18den Juli 390, dien ongelukkigen _dies Alliensis_, die lange

jaren in den Romeinschen kalender de herinnering levendig hield aan de

diepste vernedering, die de Republiek ooit heeft ondergaan. De Kelten

omsingelden het Romeinsche leger en vernietigden het in één enkelen

geweldigen aanval. Drie dagen later waren zij in Rome, en omstreeks

een jaar bleven zij meester van de stad of van haar puinhoopen,

totdat een groote geldboete was betaald en de trouweloosheid bij

Clusium ten volle was gewroken. Omstreeks een eeuw lang nadat het

vredesverdrag gesloten was, bleef de vrede tusschen de Kelten en

de Romeinen gehandhaafd, en het verbreken van dien vrede, toen

enkele Keltische stammen zich met hun ouden vijand, de Etruskers,

verbonden tijdens den derden Samnietischen oorlog, viel samen met

het ineenstorten van de Keltische macht. [16] Wij moeten thans nog

twee vragen bespreken voordat wij het geschiedkundige gedeelte van

deze Inleiding kunnen afsluiten. In de eerste plaats, wat zijn de

bewijzen dat de Keltische macht zich gedurende die periode zoover over

Midden-Europa heeft verspreid? In de tweede plaats, waar waren toen

de Germaansche volksstammen, en wat was hun verhouding tot de Kelten?

Keltische plaatsnamen in Europa.

Het zou ons te ver tot philologische vraagstukken terugvoeren, die

alleen de wetenschappelijke beoefenaar der Keltische wetenschappen

ten volle kan waardeeren, als wij deze vragen volledig zouden willen

beantwoorden. Men vindt de bewijzen volledig ontwikkeld in het werk van

de Jubainville, waarnaar wij reeds herhaaldelijk hebben verwezen. De

studie der Europeesche plaatsnamen vormt den grondslag zijner

bewijsvoering. Neem bij voorbeeld den Keltischen naam _Noviomagus_,

samengesteld uit twee Keltische woorden, waarvan het bijvoeglijk

naamwoord "nieuw" beteekent en _magos_ (in het Iersch _magh_) een

veld of vlakte. [17] Er waren in de oudheid negen plaatsen met dien

naam bekend. Zes waren in Frankrijk gelegen, daaronder de plaatsen,

nu Noyon, in Oise gelegen, Nyon in de Vogezen, Nyons, in Drôme. Buiten

Frankrijk waren er drie, en wel Nijmegen, in de Nederlanden, Neumagen,

in het Rijnland en één in Spier, in het Palatinaat.

Het woord _dunum_, dat nog zoo veelvuldig in onzen tijd in

plaatsnamen kan worden herkend (Dundalk, Dunrobius enz.) en dat

vesting of kasteel beteekent, is een tweede typisch Keltisch element

in Europeesche plaatsnamen. Het kwam zeer dikwijls in Frankrijk

voor--b.v. _Lugdunum_ (Lyon), _Virodunum_ (Verdun). Men vindt het

ook in Zwitserland--b.v. _Minno-dumun_ (Moudon), _Eburo-dunum_

(Yverdon)--en in Nederland, waar de naam Leiden kan teruggevoerd

worden tot het Keltische _Lug-dunum_. In Groot-Brittannië werd de

Keltische uitdrukking dikwijls eenvoudig vertaald door _castra_;

zoo werd _Camulo dunum_ Colchester, _Brano-dunum_ Brancaster. In

Spanje en Portugal worden door classieke schrijvers acht namen,

die op _dunum_ eindigen, vermeld. In Duitschland kunnen de moderne

namen Kempton, Karnberg, Liegnitz, teruggevoerd worden tot de

Keltische vormen _Cambo-dunum_, _Carro-dunum_, _Lugi-dunum_, ook

vinden wij een _Singi-dunum_, nu Belgrado in Servië, _Novi-dunum_,

nu Isakstcha, in Rumenië, een _Carro-dunum_ in Zuid-Rusland, bij

den Dniester, en een ander in Croatië, thans Pitsmeza. _Sego-dunum_,

nu Rodez, in Frankrijk, wordt ook in Beieren gevonden (Wurzburg) en

in Engeland _(Sege-dunum)_, nu Wallsend, in Northumberland, en het

eerste gedeelte, _sego_, vindt men terug in Segorbe _(Sego-briga)_,

in Spanje. _Briga_ is een Keltisch woord, de oorsprong van ons _burg_,

en komt in beteekenis overeen met _dunum_.

Nog een ander voorbeeld: het woord _magos_, een vlakte, dat veel

voorkomt als deel van Iersche plaatsnamen, wordt herhaaldelijk in

Frankrijk gevonden, en ook buiten Frankrijk; in landen, die niet meer

Keltisch zijn, komt het voor den dag in Zwitserland (_Uro-magus_, nu

Promasens) in het Rijnland (_Broco-magus_, _Brumath_), in Nederland,

zooals wij reeds opmerkten (Nijmegen), verschillende malen in

Lombardije, en in Oostenrijk.

Wij hebben met die enkele voorbeelden het onderwerp volstrekt niet

uitgeput, maar zij dienen alleen om een denkbeeld te geven hoezeer

de Kelten over Europa verbreid waren, en om aan te toonen, dat over

dat uitgestrekte gebied de taal der Kelten overal dezelfde was. [18]

Oude Keltische kunst.

De overblijfselen van oude Keltische kunstwerken geven alle hetzelfde

beeld. In het jaar 1846 werd een groote vóór-Romeinsche necropolis

(doodenstad) ontdekt te Hallstatt, bij Salzburg, in Oostenrijk. Het

bevat overblijfselen, die naar de meening van Dr. Arthur Evans

afkomstig zijn uit den tijd van 750 tot 400 v.C. Die overblijfselen

wijzen in sommige gevallen op een hoogen trap van ontwikkeling en

beschaving en een uitgebreiden handel. Men vindt daar barnsteen uit

de Oostzee, Phoenicisch glas en goudblad van Oostersche bewerking. Er

worden ijzeren zwaarden gevonden, waarvan de gevesten en scheeden

rijkelijk versierd zijn met goud, ivoor en barnsteen.

De Keltische beschaving, zooals die zich openbaart in de overblijfselen

te Hallstatt, ontwikkelden zich later in wat men noemt de beschaving

uit de La-Tène periode. La Tène was een nederzetting aan het

noordoostelijke uiteinde van het meer van Neuchâtel, en daar zijn een

aantal voorwerpen van het hoogste belang gevonden, sedert die plaats

in 1858 voor het eerst werd nagezocht. Die oudheden vertegenwoordigen

volgens Dr. Evans het hoogtepunt der Gallische beschaving en

dagteekenen van ongeveer de derde eeuw vóór Christus. Het type der

kunst, die daar is gevonden, moet beoordeeld worden in het licht van

een opmerking door Romilly Allan voor eenige jaren gemaakt in zijn

"Keltische Kunst" (blz. 13).

"De groote moeilijkheid voor het begrijpen der ontwikkeling van de

Keltische kunst is gelegen in het feit, dat de Kelten, hoewel zij nooit

nieuwe denkbeelden schijnen te hebben uitgevonden, een buitengewone

vatbaarheid bleken te hebben, om denkbeelden aan te grijpen en over te

nemen van de verschillende volken, met wie zij hetzij door oorlogen,

hetzij door handelsbetrekkingen in aanraking kwamen. En zoodra de

Kelt een denkbeeld van zijn naburen had overgenomen, was hij in staat

daaraan een zóó duidelijk Keltische kleur te geven, dat het spoedig

iets werd, dat volkomen afweek van wat het oorspronkelijk geweest was,

en dan ook bijna niet meer te herkennen was."

Wat nu de Kelten ontleenden aan de kunstbeschaving, die op het

vasteland haar hoogtepunt bereikte in de overblijfselen van La Tène,

waren bepaalde, oorspronkelijk aan de natuur ontleende motieven van

Grieksche versierselen en wel in de eerste plaats de palmette- en de

meander-motieven. Maar een eigenaardige karaktertrek van de Kelten

was het, dat zij in hun kunst er tegen waakten, de natuurlijke vormen

der planten- en dierenwereld na te bootsen of zelfs maar in de verte

te naderen. Zij brachten alles terug tot zuivere versiering. Wat zij

bij hun versieringen beoogden, was de afwisseling van breede kromme en

golvende lijnen met dicht ineen gedrongen spiralen of krullen, en met

die eenvoudige grondmotieven, en met overneming van enkele motieven,

ontleend aan Grieksche kunst, bouwden zij een prachtig en fijn stelsel

van versiering op, rijk aan afwisseling, dat zij toepasten op wapenen,

sieraden en huishoudelijke voorwerpen van den meest verschillenden

aard, in goud, brons, hout en steen, en voor zoover wij in staat zijn

daarover te oordeelen, ook op geweven stoffen. Eén prachtige wijze

van versiering van metaalwerk schijnt geheel haar oorsprong gehad te

hebben in het Keltische gebied. Emailleeren was bij de classieke volken

onbekend totdat zij het van de Kelten hadden geleerd. Tot zelfs in de

derde eeuw na Christus was het voor de classieke wereld een vreemde

bewerking, zooals wij vernemen uit een mededeeling van Philostratus:

"Zij zeggen, dat de barbaren, die in den oceaan gelegen zijn, (Britten)

die kleuren gieten over verhit koper, dat deze zich daarop vasthechten,

zoo hard worden als steen, en de patronen bewaren, die daarop zijn

aangebracht."

Dr. J. Anderson schrijft in de "Verhandelingen van het Genootschap

van Oudheidkundigen van Schotland:"

"De Galliërs, zoowel als de Britten--van denzelfden Keltischen

stam--oefenden het emailleeren uit vóór de Romeinsche verovering. De

werkplaatsen voor het emailleeren te Bibracte, met haar fornuizen,

smeltkroezen, mallen en bruineersteenen, en met het ruwe email op de

verschillende trappen van bewerking, zijn voor enkele jaren opgegraven

uit de puinhoopen der stad, die door Caesar en zijn legioenen verwoest

was. Maar het email van Bibracte is niets meer dan het werk van

knoeiers op kunstgebied, vergeleken met het Britsche werk. De zetel

der kunst was in Brittannië gevestigd, en de stijl der patronen,

zoowel als de wijze, waarop zij in verband stonden met de voorwerpen,

waarop de versiering was aangebracht, wezen er met absolute zekerheid

op, dat zij haar hoogsten trap van inheemsche ontwikkeling had bereikt

voordat zij in aanraking kwam met de Romeinsche beschaving." [19]

Het Nationale Museum te Dublin bevat een aantal prachtige voorbeelden

van Iersche decoratieve kunst in goud, brons en email, en de "krachtige

Keltische kleur" waarvan Romilly Allen spreekt, is even duidelijk

daar waar te nemen als bij de overblijfselen van Hallstatt of La Tène.

Alles wijst dus op een gemeenschappelijke cultuur, op een volkomen

gelijkheid in het karakter van het ras, dat men in het geheele

uitgestrekte grondgebied vindt, en dat bij de oude wereld bekend

stond als het gebied der Kelten.

Kelten en Germanen.

Maar, zooals wij te voren hebben opgemerkt, dit gebied was niet

uitsluitend door de Kelten bewoond. In het bijzonder moeten wij

trachten de vraag te beantwoorden, wie de Germanen, de Teuto-Gothische

stammen waren, die ten slotte de plaats innamen der Kelten, als

een uit het noorden afkomstige bedreiging der classieke beschaving;

en tevens moeten wij nagaan, waar deze hun zetel hadden.

Zij worden genoemd door Pytheas, den voortreffelijken Griekschen

reiziger en aardrijkskundige (omstreeks 300 v.C.), maar zij spelen

geen rol in de geschiedenis, totdat zij onder den naam van Cimbren en

Teutonen in Italië afdaalden, waar zij op het einde der tweede eeuw

v.C. door Marius werden overwonnen. De oude Grieksche aardrijkskundigen

van vóór den tijd van Pytheas weten niets van hen af, en schrijven

het geheele gebied, dat thans als Germaansch bekend staat, aan

verschillende Keltische stammen toe.

De verklaring, door de Jubainville gegeven, en die door hem is gegrond

op verschillende philologische overwegingen, is deze, dat de Germanen

een onderworpen volk waren, te vergelijken met die "onvrije stammen,"

die in Gallië en in het oude Ierland werden gevonden. Zij leefden

onder de heerschappij der Kelten, en hadden geen onafhankelijk

politiek bestaan. De Jubainville is van oordeel, dat alle woorden,

die samenhangen met wet en regeering en met den oorlog, die zoowel

voorkomen in de Keltische als in de Teutonische talen, door de Teutonen

aan de Kelten waren ontleend. De voornaamste daaronder zijn de woorden,

voorgesteld door het moderne Duitsche woord _Reich_ (Hollandsch,

_rijk_), _Amt_ (Hollandsch, ambt) en het Gothische _reiks_, Koning,

welke woorden alle ontwijfelbaar van Keltischen oorsprong zijn. De

Jubainville telt eveneens onder de woorden, aan het Keltisch ontleend,

_Bann_, een bevel, _Frei_, vrij; _Geisel_, een gijzelaar, _Erbe_,

een erfenis; _Werth_, waarde; _Weih_, gewijd, _Magus_, een slaaf

(Gothisch); _Wini_, een vrouw (Oud-Hoogduitsch); _Skalks_, _Schalk_,

een slaaf (Gothisch); _Hartha_, slag (Oud-Duitsch); _Helith_, _Held_,

een held, van denzelfden stam als het woord Kelt; _Heer_, een leger

(in het Keltisch _choris_); _Sieg_, overwinning; _Beute_, buit;

_Burg_, een kasteel; en nog een aantal andere woorden.

De etymologische geschiedenis van sommige van die woorden is

bijzonder merkwaardig. _Amt_, bij voorbeeld, dat woord, dat van

zoo groote beteekenis is in het moderne Germaansche staatsbestuur,

kan teruggevoerd worden tot een oud Keltisch woord _ambhactos_,

dat is samengesteld uit de woorden _ambi_, omtrent en _actos_

een verleden deelwoord, afgeleid van den Keltischen stam _AG_, dat

handelen beteekent. Nu is _ambi_ afgeleid van het oorspronkelijke

Indo-Europeesche _mbhi_, waar de _m_ aan het begin een soort van

klinker is, die later in het Sanskrit is voorgesteld door _a_. Die

klinker _m_ werd een _n_ in die Germaansche woorden, die onmiddellijk

zijn afgeleid van de oorspronkelijke Indo-Europeesche taal. Maar

het woord, dat nu door _amt_ wordt voorgesteld, komt in zijn oudsten

Germaanschen vorm voor als _ambaht_, waaruit dus duidelijk blijkt,

dat het afstamt van het Keltische _ambhactos_.

Zoo wordt het woord _frei_ in zijn oudsten Germaanschen vorm

gevonden als _frijo-s_, dat afkomstig is van het oorspronkelijke

Indo-Europeesche _prijo-s_. Het woord beteekent hier echter niet

vrij; het beteekent bewind (Sanskrit _priya-s_). Wij zien echter,

hoe in de Keltische taal _prijos_ zijn _p_ aan het begin verliest,

in het oude Keltisch was de moeilijkheid, die letter uit te spreken

een eigenaardig kenmerk; tevens veranderde de _j_, volgens een vasten

regel, in _dd_, en zoo komt in de moderne volkstaal van Wales het woord

voor onder den vorm _rhydd_--vrij. De Indo-Europeesche beteekenis

is in de Germaansche talen blijven bestaan in den naam van de godin

der liefde, _Freia_, en in de woorden _Freund_, vriend, _Friede_,

vrede. De beteekenis van het woord op het gebied van het burgerlijk

recht kan tot een Keltischen oorsprong worden teruggebracht, en

schijnt in dien zin aan het Keltisch ontleend te zijn.

Het Germaansche _Beute_, buit, roof, heeft een bijzonder leerzame

geschiedenis. Er bestond een Gallisch woord _bodi_, dat gevonden

wordt in samenstellingen, zooals de plaatsnaam Segobodium (Seveux),

en verschillende namen van personen en stammen, zooals Boudicca, beter

bij ons bekend als de "Britsche strijdlustige koningin", Boadicea. Het

woord beteekende oudtijds "overwinning." Maar de vrucht der overwinning

is de buit, en in dien stoffelijken zin werd het woord overgenomen

in het Duitsch, in het Fransch (_butin_), in het Noorsch (_byte_),

en in de volkstaal van Wales (_budd_). Daarentegen heeft het woord

zijn hoogere, meer verheven beteekenis gehouden in het Iersch. In

de Iersche vertaling van Kronijken XXIX, 11, waar de Vulgata in het

oorspronkelijke luidt: "Tua est, Domine, magnificentia et potentia

et gloria et victoria", wordt het woord _victoria_ in het Iersch

vertaald door _búaidh_, en zooals de Jubainville terecht opmerkt,

"ce n'est pas de butin qu'il s'agit." Hij vervolgt zijn betoog aldus:

"_Búaidh_ heeft in het Iersch, dank zij een krachtige en voortdurende

beschaving, de verheven beteekenis gehouden, die het in de taal der

Gallische aristocratie had. De stoffelijke beteekenis van het woord

werd alleen opgemerkt door de lagere klassen der bevolking, en het

is de overlevering van die lagere klassen, die in de Germaansche,

Fransche en Cymrische talen is bewaard gebleven." [20]

Er waren echter twee dingen, die de Kelten òf niet wilden òf niet

konden opdringen aan de overwonnen Germaansche stammen--hun taal en hun

godsdienst. In die twee groote factoren van raseenheid en trots liggen

de zaden van den opstand der Germanen en ten slotte van het omverwerpen

der Keltische overmacht. De namen der Germaansche godheden verschillen

van die der Keltische, ook hun begrafenisgebruiken, waarmede de diepste

godsdienstige opvattingen der oorspronkelijke rassen samenhangen, zijn

geheel andere. De Kelten, of ten minste het overheerschende gedeelte

van hen, begroeven hun dooden, en beschouwden het gebruik van vuur als

een vernedering, die alleen mocht worden opgelegd aan misdadigers,

of aan slaven of gevangenen bij die vreeselijke menschenoffers, die

de grootste smet zijn op hun oorspronkelijke cultuur. De Germanen

daarentegen begroeven hun beroemde dooden op brandstapels, evenals de

oude Grieken--en als geen brandstapel kon worden opgericht voor het

geheele lichaam, dan werden de edelste deelen, zooals hoofd en armen,

verbrand, terwijl het overige gedeelte werd begraven.

Ondergang van het Keltische rijk.

Wij zullen wel nooit met juistheid te weten komen, wat geschiedde ten

tijde van den Germaanschen opstand; doch zeker is het, dat ongeveer na

het jaar 300 v.C. de Kelten allen mogelijken politieken samenhang en

alle gemeenschappelijk streven hadden verloren, die zij ooit hadden

bezeten. Als waren zij door de uitbarsting van de eene of andere

onderaardsche kracht uiteengescheurd, stortten hun stammen als stroomen

lava neer naar het zuiden, oosten en westen van hun oorspronkelijke

woonplaats. Enkelen baanden zich een weg naar Noord-Griekenland, waar

zij het schandelijk vergrijp pleegden, dat hun vroegere vrienden en

bondgenooten zoozeer ergerde, en wel de plundering van den tempel van

Delphi (273 v.C.). Anderen hernieuwden, doch met slechter resultaat,

den ouden strijd met Rome, en kwamen in groote menigte te Sentinum (295

v.C.) en bij het meer Vadimo (283 v.C.) om. Eén afdeeling drong tot

Klein-Azië door, en stichtte den Keltischen staat Galatia, waar, zooals

de Heilige Hieronymus verhaalt, nog in de vierde eeuw na Christus

een Keltisch dialect werd gesproken. Anderen namen als huurtroepen

dienst onder Carthago. Een woelige oorlog van Kelten tegen verstrooide

Germaansche stammen, of tegen andere Kelten, die vroegere golvingen

van veranderingen in woonplaats en van verovering vertegenwoordigden,

werd over geheel Midden-Europa, Gallië en Brittannië gevoerd. Toen

deze tot rust kwam, bleven Gallië en de Britsche eilanden feitelijk de

eenige overblijfselen der Keltische oppermacht, de eenige landen, die

nog onder Keltische wetten en onder Keltische leiding stonden. Tegen

het begin der Christelijke jaartelling waren Gallië en Brittannië

onder het juk van Rome gekomen, en was het slechts de vraag, hoe lang

het nog zou duren, voordat zij in ieder opzicht in zeden en karakter

geheel Romeinsch zouden geworden zijn.

De eigenaardige historische gesteldheid van Ierland.

Ierland was het eenige land, dat nooit door de Romeinsche

legioenen bezocht, laat staan onderworpen was, en dat in naam zijn

onafhankelijkheid tegen alle bezoekers wist te handhaven tot aan het

einde der twaalfde eeuw, doch practisch zelfs nog een goede driehonderd

jaar later.

Ierland is hierom dan ook van een zoo eigenaardige beteekenis, en

boezemt ons dan ook hierom zooveel belang in, dat het een zuiver

inheemsche Keltische beschaving, Keltische instellingen, kunst en

letterkunde en den oudsten nog in leven gebleven vorm der Keltische

taal [21] over de kloof draagt, die de oude wereld van de moderne

scheidt, de heidensche van de Christelijke, en die haar brengt onder

het volle licht der moderne geschiedenis en der moderne waarneming.

Het Keltische karakter.

De zedelijke zoowel als de lichamelijke karaktertrekken door de

classieke schrijvers aan de Keltische volken toegeschreven, vertoonen

een merkwaardige helderheid en bestendigheid. Veel wat omtrent hen

wordt verhaald, zou, zooals wel te verwachten was, kunnen worden

gezegd van ieder nog primitief en ongeletterd volk, maar er blijft

toch zóóveel over, dat hen onder de verschillende menschenrassen

onderscheidt, dat indien die oude mededeelingen omtrent de Kelten

zouden worden voorgelezen zonder dat de naam van het ras genoemd werd,

waarop zij sloegen, iedereen, die alleen door zijn kennis der nieuwe

geschiedenis daarmede bekend was, zonder een oogenblik te aarzelen

de Keltische volken zou noemen als die, waarvan in de beschrijving

werd melding gemaakt.

Sommige van die mededeelingen zijn reeds door ons aangehaald, en wij

behoeven de bewijzen niet te herhalen, die ontleend zijn aan Plato,

Ephorus of Arrianus. Maar wel mogen wij hier een opmerking aanhalen,

die M. Porcius Cato over de Galliërs maakt. "Er zijn twee dingen," zoo

zegt hij, "waaraan de Galliërs bijzonder gehecht zijn--de krijgskunst

en de scherpzinnige wijze van uitdrukking" ("rem militarem et argute

loqui").

De beschrijving van Caesar.

Caesar heeft ons een nauwkeurige en critische beschrijving van hen

gegeven, zooals hij ze in Gallië heeft leeren kennen. Zij waren, zooals

hij zegt, bijzonder strijdlustig, maar spoedig door tegenspoed uit het

veld geslagen. Zij waren zeer bijgeloovig, en onderwierpen zich aan de

beslissing der Druïden in alle publieke en private aangelegenheden, en

beschouwden het als de grootste straf, als zij in den ban werden gedaan

en hun geweigerd werd aan de godsdienstige ceremoniën deel te nemen.

"Zij die op dien grond in den ban zijn gedaan (omdat zij geweigerd

hadden zich te onderwerpen aan een beslissing der Druïden) worden

onder de laagsten en de goddeloozen gerekend; iedereen ontvlucht

hun gezelschap en vermijdt het zich met hen in een mondgesprek te

begeven, uit vrees, door die nauwere aanraking te worden besmet; zij

mogen geen rechtsgeding aanhangig maken; en geen enkele betrekking

wordt hun toevertrouwd. De Druïden zijn meestal vrij van militairen

dienst en dragen niet, zooals de anderen, in de belasting bij... Door

dergelijke belooningen aangemoedigd, komen een aantal van hen uit eigen

beweging in hun scholen, en worden door hun vrienden en bloedverwanten

daarheen gezonden. Men vertelt, dat zij daar een aantal verzen uit

het hoofd leeren; enkelen zetten hun opvoeding gedurende twintig

jaar voort; en evenmin wordt het voor geoorloofd beschouwd die dingen

(de leerstellingen der Druïden) op schrift te brengen, hoewel zij in

bijna alle openbare handelingen en private mededeelingen de Grieksche

letterteekens gebruiken."

De Galliërs waren fel op nieuwtjes en vielen kooplieden en reizigers

lastig met hun ijdel gesnap [22], zij kwamen gemakkelijk onder den

invloed van anderen, waren hartstochtelijk en ongeduldig, verzot op

afwisseling en besluiteloos bij hun beraadslagingen. Tevens waren zij

merkwaardig slim en verstandig, zeer snel in het gebruik maken van

iederen kunstgreep, dien zij konden aanwenden en volgden alles na,

wat zij geschikt achtten. De vindingrijkheid, waarmede zij de gevaren

der nieuwerwetsche belegeringswerktuigen der Romeinsche legers wisten

te vermijden, wordt door Caesar in het bijzonder vermeld. Hij spreekt

met grooten eerbied van hun moed, en schrijft hun doodsverachting,

ten minste voor een groot deel, toe aan hun innig geloof in de

onsterfelijkheid der ziel [23]. Een volk, dat in vroeger dagen

herhaaldelijk Romeinsche legers had vernietigd, Rome had geplunderd, en

meer dan eens zelfs Caesar geplaatst had in een toestand waarin hij aan

de grootste zorgen en gevaren was blootgesteld, bestond blijkbaar niet

uit zwakkelingen, wat ook zijn godsdienstige opvattingen en gebruiken

mochten zijn. Caesar gaat niet mank aan overgevoelige bewondering van

zijn vijanden, maar één episode bij het beleg van Avaricum dwingt

hem er toe, de dapperheid der verdedigers aan de onsterfelijkheid

over te geven. Een Romeinsche houten stellage of _agger_ was door

de Romeinen opgericht om boven de muren uit te steken die bleken

weerstand te kunnen bieden aan de aanvallen van den stormram. De

Galliërs slaagden er in, dien toestel in brand te steken. Het was

nu van het hoogste gewicht, de belegeraars te beletten de vlammen te

blusschen, en een Galliër klom op een gedeelte van den muur boven den

_agger_ en wierp daarop stukken vet en pik neer, die hem van binnen

uit werden toegereikt. Hij werd spoedig neergeveld door een werptuig

van een Romeinschen catapult. Onmiddellijk stapte een ander over hem

heen toen hij daar neerlag, en vervolgde de taak van zijn makker. Ook

hij viel neer, maar een derde nam dadelijk zijn plaats in, zoo ook een

vierde; en die post werd niet verlaten voordat de soldaten ten slotte

de vlammen hadden gedoofd en de verdedigers hadden gedwongen naar de

stad terug te keeren, die eindelijk den volgenden dag werd ingenomen.

Strabo over de Kelten.

De aardrijkskundige en reiziger Strabo, die in het jaar 24

n.C. stierf en dus iets later leefde dan Caesar, weet ons heel wat

omtrent de Kelten te vertellen. Hij merkt op, dat hun land (in dit

geval Gallië) dicht bewoond is en hun akkers goed bewerkt, geen

natuurlijke hulpbronnen worden daar ongebruikt gelaten. De vrouwen

zijn vruchtbaar en bijzonder goede moeders. Hij beschrijft de mannen

als oorlogszuchtig, hartstochtelijk, verzot op twistgesprekken,

gemakkelijk op te hitsen, maar daarbij edelmoedig en onergdenkend,

zoodat zij gemakkelijk door krijgslisten kunnen worden overwonnen. Zij

bleken begeerig te zijn naar ontwikkeling en beschaving, en Grieksche

letters en Grieksche wetenschap waren snel van Massilia uit onder

hen verspreid; in hun steden werd openbare opvoeding ingesteld. Zij

vochten beter te paard dan te voet, en in de dagen van Strabo vormden

zij de bloem der Romeinsche ruiterij. Zij woonden in groote huizen

gemaakt van boogvormige planken met muren van vlechtwerk--zonder

twijfel bepleisterd met klei en kalk, zooals in Ierland--en

dicht met stroo gedekt. Steden van groote beteekenis werden in

Gallië gevonden, en Caesar maakt gewag van de sterkte der muren,

die gebouwd waren van steen en hout. Caesar en Strabo zijn het er

beiden over eens, dat er een zeer scherpe scheiding was tusschen de

edelen en den ontwikkelden of priesterstand aan den éénen kant en

het gemeene volk aan den anderen kant, daar de laatsten in strikte

onderworpenheid gehouden werden. De maatschappelijke verdeeling komt

in ruwe trekken ongetwijfeld overeen met het onderscheid in ras

tusschen de echte Kelten en de oorspronkelijke bewoners, die door

hen waren onderworpen. Terwijl Caesar ons verhaalt, dat de Druïden

de onsterfelijkheid der ziel verkondigden, voegt Strabo er aan toe,

dat zij geloofden in de onvernietigbaarheid--wat in sommige opzichten

de goddelijkheid insluit--van het stoffelijk heelal.

De Keltische krijgsman hield van uiterlijke praal. Alles wat aan het

leven glans en een indruk van tooneelmatigheid schonk, werkte op zijn

verbeelding. Zijn wapenen waren rijk versierd, zijn paardentuigen

waren in brons en email bewerkt, even prachtig ontworpen als eenig

overblijfsel der Myceensche of Cretensische kunst, zijn kleeding was

met goud geborduurd. Het tooneel van de overgave van Vercingetorix,

toen zijn heldhaftige strijd tegen Rome bij den val van Alesia tot een

einde was gekomen, is de vermelding waard als een typisch Keltisch

mengsel van ridderlijkheid en van wat de zeer bezadigde Romeinen

als een kinderachtige pralerij toescheen [24]. Toen hij zag, dat de

zaak verloren was, riep hij een vergadering der stammen bijeen en

deelde de verzamelde aanvoerders, aan wier hoofd hij gestaan had in

een roemrijken, hoewel rampspoedigen oorlog, mede, dat hij bereid was

zich op te offeren voor zijn nog steeds getrouwe volgelingen--hetzij

zij als zij dat wilden, zijn hoofd aan Ceasar zouden zenden, hetzij hij

zich vrijwillig overgaf met het doel gunstiger voorwaarden te bedingen

voor zijn landgenooten. Het laatste voorstel werd aangenomen. Daarop

wapende Vercingetorix zich met zijn schitterendste wapenen, bekleedde

zijn paard met zijn rijkste tuig en, na driemaal om het Romeinsene kamp

te zijn heen gereden, hield hij voor Caesar stand en legde hij het

zwaard, dat het eenige overgebleven verdedigingsmiddel der Gallische

onafhankelijkheid was, voor diens voeten. Caesar zond hem naar Rome,

waar hij zes jaren lang gevangen werd gehouden, totdat hij ten slotte

ter dood werd gebracht, toen Caesar zijn triomftocht hield.

Polybius.

Een karakteristiek tooneel uit den slag bij Clastidium (222 v.C.) wordt

door Polybius beschreven. De Gaesaten [25], zoo verhaalt hij, die

aan het front van het Keltische leger stonden, kleedden zich voor den

strijd naakt uit, en het gezicht van die krijgslieden, met hun groote

gestalte en hun blanke huid, waarop de gouden halsketenen en armbanden

schitterden, die door al de Kelten zoozeer als versierselen op prijs

werden gesteld, vervulden de Romeinsche soldaten met eerbiedige vrees

en ontzag. Maar toen de slag geëindigd was, gingen die versierselen

bij wagenvrachten naar Rome, om het Kapitool te versieren; en de

slotopmerking van Polybius over het karakter der Kelten is, dat zij

"ik zeg niet gewoonlijk, maar steeds en voortdurend, in alles wat zij

beproefden door hun hartstochten werden medegesleept, en zich nooit

aan de wetten der rede onderwierpen." Zooals men kan verwachten,

was de kuischheid, waarvoor de Germanen bekend stonden, nooit, tot

in de allerlaatste tijden, een Keltische karaktertrek.

Diodorus.

Diodorus Siculus, een tijdgenoot van Julius Caesar en Augustus, die

in Gallië had gereisd, bevestigt in hoofdzaken de mededeelingen van

Caesar en Strabo, maar voegt er enkele merkwaardige bijzonderheden

aan toe. Hij vestigt in het bijzonder de aandacht op de voorliefde der

Galliërs voor goud. Zelfs harnassen werden van goud vervaardigd. Dit is

ook een zeer opmerkelijke karaktertrek der Kelten in Ierland, immers

men heeft daar een verbazend aantal praehistorische overblijfselen

van goud gevonden, terwijl het vaststaat, dat er nog veel meer

hebben bestaan, die thans zijn verloren gegaan. De tempels en heilige

plaatsen, zoo zeggen Posidonius en Diodorus, waren vol van onbeschermde

gouden offers, die nooit door iemand werden aangeraakt. Hij maakt

melding van den grooten eerbied aan de barden bewezen, en vestigt

evenals Cato de aandacht op de wijze van uitdrukking, door de

welopgevoede Galliërs gebezigd: "Zij zijn geen praatziek volk,

en zijn er verzot op, zich uit te drukken in raadselen, zoodat de

hoorder het grootste gedeelte van wat zij willen zeggen, maar moet

raden." Dit komt volmaakt overeen met de deftige en beschaafde taal

van het oude Ierland, die in hooge mate kort en zinnebeeldig is. De

Druïde werd beschouwd als de voorgeschreven tusschenpersoon tusschen

God en mensch--niemand zou een godsdienstige plechtigheid verrichten

zonder zijn bijstand.

Ammianus Marcellinus.

Ammianus Marcellinus, die veel later leefde, en wel in de tweede helft

der vierde eeuw na Christus, had eveneens Gallië bezocht, dat toen

reeds, zooals duidelijk is, den invloed van Rome sterk had ondervonden.

Doch ook hij verhaalt ons, evenals vroegere schrijvers, van de

groote gestalte, de schoonheid en het aanmatigende optreden van

den Gallischen krijgsman. Hij voegt er aan toe, dat het volk, in

het bijzonder in Aquitanië, merkwaardig helder en zindelijk was in

zijn uiterlijk--niemand werd in lompen of haveloos aangetroffen. Hij

beschrijft ons de Gallische vrouw als buitengewoon lang, blauwoogig

en bijzonder schoon; maar onder zijn bewondering is tamelijk veel

eerbiedige vrees gemengd, immers hij voegt er aan toe, dat terwijl het

al gevaarlijk genoeg was tegen een Gallischen man te moeten strijden,

de zaak hopeloos stond, als zijn vrouw met haar vervaarlijk groote,

sneeuwwitte armen, die konden neerkomen als catapulten, haar man te

hulp kwam. Onweerstaanbaar wordt men herinnerd aan de galerij van

krachtige, onafhankelijke, vurige en heftige vrouwen, zooals Maev,

Grania, Findabair, Deirdre en de historische figuur van Boadicea,

die in de mythen en in de geschiedenis der Britsche eilanden naar

voren treden.

Rice Holmes over de Galliërs.

Het volgende uittreksel uit het werk van Rice Holmes "Caesars

Verovering van Gallië" moge hier een plaats vinden als een uitnemend

overzicht van het maatschappelijk beeld van dat gedeelte van het

gebied der Kelten korten tijd vóór de Christelijke jaartelling,

en dit komt overeen met alles, wat omtrent de inheemsche Iersche

beschaving bekend is:

"De Gallische volken waren ver boven den toestand van wilden gestegen;

en de Kelten uit het binnenland, van wie velen reeds onder Romeinschen

invloed waren gekomen, hadden een zekeren graad van beschaving

verkregen, ja zelfs van weelde. Hun broeken, waaraan de provincie haar

naam van Gallia Bracata ontleende, en hun veelkleurige geruite wollen

rokken wekten de verbazing op van hun veroveraars. De aanvoerders

droegen gouden ringen, armbanden en halsketenen; en als die groote,

blondharige krijgslieden te paard ten strijde trokken, met hun helmen,

vervaardigd in de gedaante van den kop van een of ander woest dier,

waarboven waaiende pluimen uitstaken, en met hun metalen wapenrusting,

hun lange schilden en hun groote rammelende zwaarden, maakten zij

een schitterende vertooning. Ommuurde steden of groote dorpen, de

versterkte plaatsen der verschillende stammen, waren op een groot

aantal heuvels duidelijk zichtbaar. De vlakten waren bedekt met een

groot aantal open gehuchten. De huizen, van hout en vlechtwerk gebouwd,

waren ruim en goed met riet bedekt. De akkers waren in den zomer

geel van het koren. Er waren van stad tot stad wegen aangelegd. De

rivieren waren overspannen door stevige bruggen; en schuiten, met

koopwaren beladen, dreven op de rivieren. Schepen, wel lomp van vorm,

maar grooter dan eenig schip, dat op de Middellandsche Zee werd gezien,

trotseerden de stormen in de Golf van Biscaye en brachten ladingen over

tusschen de havens van Bretagne en de kust van Brittannië. Er werd tol

geheven van de goederen, die over de groote waterwegen werden gevoerd;

en aan het verpachten van die rechten ontleenden de edelen een groot

deel van hun rijkdom. Iedere stam had zijn eigen muntstelsel; en de

kennis der schrijfkunst in Grieksche en Romeinsche letterteekens

was niet tot de priesters beperkt. De Aeduers waren op de hoogte

van het pletten van koper en van tin. De mijnwerkers van Aquitanië,

van Auvergne en van Berry waren beroemd om hun bekwaamheid. In één

woord, in alles wat bijdroeg tot den uitwendigen voorspoed, hadden

de volkeren van Gallië ontzaglijke vorderingen gemaakt sedert hun

stamgenooten voor het eerst met Rome waren in aanraking gekomen." [26]

Zwakheid der Keltische politiek.

Maar toch had die aangeboren Keltische beschaving, die in menig

opzicht zoo aantrekkelijk was en zooveel beloften inhield, blijkbaar

het ééne of andere gebrek of eenige ongeschiktheid, die de Keltische

volken belette zich te handhaven tegen de oude beschaving der

Grieksch-Romeinsche wereld, of tegen de ruwe jeugdige kracht der

Teutoonsche rassen. Wij zullen trachten na te gaan, wat dit was.

De classieke staat.

Op den bodem van het welslagen der classieke volken lag het begrip

der burgerlijke gemeenschap, de [Greek: pholis], de _res publica_, als

een soort van goddelijk bestaan, de bron van zegen voor de menschen,

om haar ouderdom eerbiedwaardig, maar die toch voortdurend verjongd

wordt bij ieder volgend geslacht; een macht, waaraan iedereen gaarne

gehoorzaamt omdat hij weet, dat, al worden zijn trouwe diensten niet

in de geschiedboeken geboekstaafd en overgeleverd, deze toch zijn

eigen kortstondig bestaan zullen overleven en het bestaan van zijn

vaderland of vaderstad ten eeuwigen dage zullen verheffen. Met dien

geest bezield wees Socrates zijn vrienden, die er op aandrongen, dat

hij zijn doodvonnis zou ontgaan door gebruik te maken van de middelen

die zij hem aanboden om te ontsnappen, terecht, omdat zij hem aanzetten

tot een goddelooze schending der wetten van zijn vaderland. Immers,

zoo zeide hij, iemands vaderland is heiliger en eerbiedwaardiger dan

vader of moeder, en hij moet kalm aan de wetten gehoorzamen waaraan

hij zich heeft onderworpen, om daaronder zijn geheele leven door te

brengen, daar hij zich anders den gerechten toorn op den hals haalt van

de groote Broeders der aardsche Wetten, de Wetten der Onderwereld,

aan wie hij ten slotte rekenschap moet geven van zijn gedrag op

aarde. In meerdere of mindere mate maakte die verheven opvatting

van den Staat den practischen godsdienst uit van iedereen onder de

classieke naties der oudheid, en gaf zij aan den Staat zijn samenhang,

zijn geschiktheid zich te handhaven en zich verder te ontwikkelen.

Teutoonsche trouw.

Bij de Teutonen werd de kracht van samenhang nog versterkt door een

andere oorzaak, die bestemd was zich te vermengen met den burgerzin

en, daarmede vereenigd--ja zelfs dien dikwijls overheerschend--den

voornaamsten politieken factor te vormen bij de ontwikkeling der

Europeesche volken. Dit was het gevoel, dat de Germanen bestempelden

met den naam van _Treue_, de persoonlijke trouw aan een aanvoerder,

die zich in zeer oude tijden uitstrekte tot een koninklijke dynastie,

een gevoel dat diep geworteld was in het Teutoonsche karakter, en

dat nooit door eenige andere menschlijke drijfveer is overtroffen

als bron van heldhaftige zelfopoffering.

De godsdienst der Kelten.

Geen menschelijke invloeden worden ooit zuiver en onvermengd

aangetroffen. Het gevoel van persoonlijke trouw was bij de classieke

volken niet onbekend. Het gevoel van burgerzin en vaderlandsliefde

schoot, hoewel het bij Teutoonsche rassen slechts langzaam opgroeide,

daar eindelijk wortel. Geen van beide eigenschappen, trouw en

burgerzin, waren bij de Kelten onbekend, maar er was nog een andere

factor, die in hun geval bij hen die eigenschappen overschaduwde en in

den groei belemmerde, en voor de politieke bezieling en de macht tot

vestiging van een eenheid zooveel mogelijk bouwstoffen leverde, die de

classieke volken aan hun vaderlandsliefde en de Teutonen aan hun trouw

ontleenden. Die factor was de godsdienst; of misschien zou het juister

en nauwkeuriger zijn te spreken van Priesterdienst--dat is godsdienst,

in dogma's vastgelegd en door een priesterkaste toegediend. Zooals wij

bij Caesar hebben gezien, wiens opmerkingen volkomen zijn bevestigd

door Strabo en door hetgeen in Iersche legenden wordt gevonden [27],

waren de Druïden de werkelijk souvereine macht in het gebied der

Kelten. Alle zaken, openbare zoowel als private, waren aan hun gezag

onderworpen, en de straffen die zij konden opleggen, zoo dikwijls een

leek zich van hen onafhankelijk trachtte te maken, waren, al berustten

zij, wat haar practische beteekenis en uitwerking betrof, evenals

in de middeleeuwen de door de Katholieke kerk opgelegde banvloeken,

alleen op het bijgeloof der menigte, voldoende, om den meest trotschen

geest te buigen. Hier lag de ware zwakheid der Keltische politiek. Er

is misschien geen wet, die duidelijker is geschreven in de lessen der

geschiedenis, dan dat volken, die geregeerd worden door priesters,

welke hun gezag ontleenen aan de goedkeuring van een bovennatuurlijken

wil, daardoor ongeschikt worden voor waren nationalen vooruitgang,

en wel des te meer, naarmate zij meer onder dien invloed staan. De

ongedwongen, gezonde strooming van het wereldlijke leven en de

wereldlijke gedachte, is uit den aard der zaak onvereenigbaar met

priesterheerschappij. Wat ook de beleden godsdienst moge zijn,

zooals Druïdendom, Islamisme, Jodendom, Christendom of Fetichisme,

een priesterkaste, die gezag eischt in wereldsche zaken op grond van

bovenaardsche bevelen, is onvermijdelijk de vijand van dien geest van

criticisme, van dien invloed van nieuwe denkbeelden, van die toeneming

van wereldlijke gedachten, van menschelijk en verstandelijk gezag,

die de grondvoorwaarden zijn van nationale ontwikkeling.

De vervloeking van Tara.

Een bijzondere en zeer treffende bevestiging van die waarheid wordt

geleverd door de geschiedenis der oude Keltische wereld. In de

zesde eeuw na Christus, ruim honderd jaar na de prediking van het

Christendom door St. Patrick, regeerde een koning, Dermot MacKerval

[28] in Ierland. Hij was de Ard Righ, of Opperkoning van dat land,

waarvan het bestuur gevestigd was te Tara, in Meath, en wiens ambt

met zijn overmacht in naam en volgens de wet over de vijf provinciale

koningen, een beeld gaf van den aandrang, die het Iersche volk dreef

naar een ware nationale eenheid. De eerste voorwaarde voor zulk

een eenheid was blijkbaar de vestiging van een krachtig centraal

gezag. Een dergelijk gezag werd, zooals wij zeiden, in theorie door

den opperkoning vertegenwoordigd. Het geschiedde nu, dat één van

zijn beambten bij het uitoefenen van zijn plicht vermoord werd door

een aanvoerder, Hugh Guairy genaamd. Guairy was de broeder van een

bisschop, die een zoogbroeder was van St. Ruadan van Lorrha, en toen

koning Dermot het bevel zond den moordenaar gevangen te nemen, werd

hij door de geestelijkheid verborgen gehouden. Dermot liet echter naar

hem zoeken, rukte hem weg van onder het dak van St. Ruadan en liet

hem naar Tara brengen, om daar terecht te staan. Onmiddellijk maakten

de geestelijken van Ierland gemeene zaak tegen den leekenkoning,

die het gewaagd had een misdadiger, die onder de bescherming der

geestelijkheid stond, te doen terecht staan. Zij kwamen te Tara samen,

vastten tegenover den koning [29], en vervloekten hem en den zetel

van zijn bestuur plechtig. Daarop vertelt ons de kroniekschrijver,

dat de vrouw van Dermot een profetischen droom had.

"Op de grasvlakte van Tara was een groote, breed gebladerde boom,

waaraan elf slaven aan het hakken waren; maar iedere spaander, dien zij

er van afhakten, keerde weder op zijn plaats terug en bleef daar vast

op zitten, totdat er ten slotte één man kwam, die den boom slechts

één slag toebracht, en dien daarbij velde [30]."

De schoone boom was de Iersche monarchie, de twaalf houthakkers

waren de twaalf Heiligen of Apostels van Ierland, en de eenige, die

hem velde, was St. Ruadan. Het pleidooi van den koning voor zijn

land, waarvan hij zag, dat het lot in de weegschaal stond, wordt

met aandoenlijke kracht en met een helder inzicht door den Ierschen

kroniekschrijver geboekstaafd [31].

"Helaas," zeide hij, "wat een onbillijken strijd hebt gij tegen mij

aangevangen; het is toch zeker, dat ik het welzijn van Ierland op

het oog heb, en dat het mijn doel is de tucht daar te handhaven en

de koninklijke rechten, terwijl gij streeft naar de verwarring van

Ierland en naar moord en doodslag."

Maar Ruadan zeide: "Moge Tara voor eeuwig verlaten zijn;" en het ontzag

voor de priesterlijke vervloeking had de overhand. De misdadiger werd

overgeleverd, Tara werd verlaten, en met uitzondering van een korten

tijd, toen een krachtige overweldiger, Brian Boru, door geweld de

macht in handen kreeg, kende Ierland in werkelijkheid geen wereldlijk

bestuur, totdat die het land werd opgelegd door een veroveraar. De

laatste woorden der geschiedkundige verhandeling waaruit wij aanhalen,

zijn de wanhoopskreten van Dermot, waaraan wij ontleenen:

"Wee hem, die met de geestelijkheid der kerken den strijd aanbindt."

Wij hebben die gebeurtenis eenigszins uitvoerig beschreven, omdat zij

een factor typeert, waarvan wij den grooten invloed op de geschiedenis

der Keltische volken kunnen volgen gedurende een reeks van hachelijke

gebeurtenissen van den tijd van Julius Caesar tot op onzen tijd. Wij

zullen later zien, hoe en waaruit die zich ontwikkelde; genoeg zij het

daarop de aandacht te vestigen. Het is een factor, die de nationale

ontwikkeling der Kelten in den weg stond, in de beteekenis, die wij

daaraan hechten bij de classieke of Teutoonsche volkeren.

Wat Europa aan de Kelten te danken heeft.

Het zou echter een groote dwaling zijn, als wij op dien grond meenden,

dat de Kelten niet een kracht van groote beteekenis in Europa waren

geweest. Zij hebben in belangrijke mate bijgedragen tot de cultuur

van de westelijke wereld. Gedurende vier eeuwen--omstreeks 500 tot

900 n.C.--was Ierland het toevluchtsoord der wetenschap en de bron van

letterkundige en philosofische cultuur voor half Europa. De bouw der

verzen in de Keltische poëzie heeft waarschijnlijk de grootste rol

gespeeld bij het bepalen van den bouw van alle moderne verzen. De

mythen en legenden der Gallische en Cymrische volken wekten de

verbeelding op van een aantal dichters van het Vasteland. Trouwens

de Kelten schiepen niet zelf eenig litterarisch werk van duurzamen

bouw, evenmin als zij een duurzamen of indrukwekkenden nationalen

staatsvorm schiepen. Hun denken en hun voelen was in wezen lyrisch

en volstrekt niet abstract. Ieder voorwerp of levensbeeld maakte

een levendigen indruk op hen en bewoog hen diep; zij waren uiterst

gevoelig, en in hooge mate voor indrukken vatbaar, maar zagen de

dingen niet in hun breedere en meer ver reikende betrekkingen. Zij

hadden weinig geschiktheid voor het organiseeren van instellingen,

voor het dienen van beginselen; maar zij waren, en dat zijn zij nog

ten huidigen dage, onmisbare en nooit in den steek latende verdedigers

der menschelijkheid tegenover de tyrannie van beginselen, de koelheid

en de onvruchtbaarheid van instellingen. De instellingen van het

koningschap, van burgerzin en vaderlandsliefde, zijn zeer vatbaar om

tot onvruchtbare beginselen te worden versteend, en dan de ziel in

boeien te leggen in plaats van die te bezielen. Maar de Kelten hadden

zich steeds krachtig verzet tegen alles, wat niet den adem des levens

in zich had, en tegen elken niet in den geest gegrondvesten en slechts

zuiver uitwendigen vorm van overheersching.

Het is maar al te waar, dat zij te zeer er naar streefden, de schoone

vruchten van het leven te genieten, zonder de lange en geduldige

voorbereiding voor den oogst, maar zij hebben een onmetelijken dienst

bewezen en zullen dit ook doen aan de moderne wereld, door met kracht

het beginsel op den voorgrond te stellen, dat de ware vruchten van het

leven een onstoffelijke werkelijkheid zijn, die nooit zonder smart of

verlies verduisterd of vergeten kan worden te midden van het groote

samenstel eener stoffelijke beschaving.

Keltische Mythen en Legenden · 第 10 / 29 题