ligter toch geheel verstoorbaar de dan meer geprononceerde oorzaak
er van, namelijk een van bovengemelde accidentele overheerschende
omstandigheden, zal worden. De kansrekening, waarbij er geen door de
werking der wet der geschiktmaking niet geheel uitgewischten invloed
der vorige rekkingen op de volgende aangenomen wordt, toont aan dat,
naarmate er meer trekkingen gedaan worden, de kans, dat men evenveel
zwarte als witte ballen zal trekken, grooter wordt. Dit ontstaat
doordat bij dit geval een grooter aantal verschikkingen tusschen de
witte en zwarte ballen mogelijk is dan bij de andere gevallen, en in
zooverre zal dit geval elk dier andere in onregelmatigheid overtreffen,
en wel te meer hoe grooter het aantal trekkingen is. Behoudens de
voorwaarde, dat de periodieke afwisseling der getrokken witte en zwarte
ballen er niet onregelmatiger bij is, zal elk dier andere gevallen zich
aldus niet zoo dikwijls als het eerste, zie blz. 308, kunnen herhalen.
De regelmatige groepering van witte en zwarte ballen binnen eene bus,
zal, bij het schudden onder den invloed van allerlei veranderlijke
omstandigheden, verstoord worden, terwijl hierdoor eene primitieve
onregelmatige groepering derzelver karakter van onregelmatigheid
niet tot buiten zekeren grens kan verliezen, mits die witte
en zwarte ballen niet voor die schuddende bewegingen identiek
zijn. Regelmatige groepering der ballen binnen de bus oefent nu op
het schudden dezer een dergelijken invloed uit als de overschietende
sporen van vorige regelmatige trekkingen op de volgende, en terwijl
bij zulke regelmatigheden in den tijd langer geleden voorvallen van
minder invloed zijn op de regelmatigheid bij de volgende, zoo zal bij
regelmatigheid in de ruimte, die bij verder gelegen plaatsen minder
beletten ergens regelmatigheid te doen ontstaan, naarmate die plaatsen
hier verder van verwijderd zijn. Binnen eene bus, er zekere verhouding
tusschen het aantal er in bevatte witte en zwarte ballen bestaande,
zoo zal binnen vakken dier bus, een groot aantal ballen bevattende,
bij eene zeer regelmatige wijze van groepering dezer, desniettemin
ongeveer dezelfde verhouding tusschen de witte en zwarte ballen bestaan
dan binnen de gansche bus. Wegens het groote aantal der ballen binnen
elk dier vakken, zal toch regelmatigheid bij een derzelve alsware in
de ruimte ver van die binnen de aangrenzende vakken verwijderd zijn,
en er aldus weinig invloed op uitoefenen [88].
Buitendien zullen bij onregelmatige schudding der bus, uit zulke
vakken, waar binnen de verhouding voor de witte ballen gunstiger is
dan binnen de aangrenzende vakken, er meer witte ballen uitgaan dan
er weder binnen komen.
Om dit anders te doen uitvallen, zouden meer dezelfde witte ballen,
uit zulk een vak door schudding gegaan zijnde, er weder door schudding
in terug moeten komen, en aldus deze, onder den invloed van vele
omstandigheden zijnde, eene regelmatigheid teweeg brengen veel
grooter zijnde dan die teweeggebragt door het bestaan van ongeveer
dezelfde verhouding tusschen de witte en zwarte ballen binnen elk
dier vakken. Zoo deze integendeel weinig ballen bevatten, zal het
omgekeerde het geval zijn, zoodat binnen die betrekkelijk kleine
vakken de verhoudingen tusschen de witte en zwarte ballen op eene zeer
onregelmatige wijze zullen varieren. Binnen veel ballen bevattende
bussen zullen voorts die betrekkelijk kleine vakken, waarbij de
verhouding tusschen de witte en zwarte ballen zeer varieert, iets
grooter zijn dan binnen kleine minder ballen inhoudende bussen.
Geschud wordende verschillende vochten bevattende vaten kunnen met
bussen, ontzettend veel uiterst kleine ballen van verschillende kleur
bevattende, vergeleken worden. Elk der nog te onderscheiden kubieke
ruimten binnen zulk een mengsel zal een uiterst groot aantal moleculen
van die verschillende vochten bevatten, en aldus binnen elk dier zoo
kleine ruimten de verhouding tusschen de verschillende vochten uiterst
nabij dezelfde moeten blijven als binnen het gansche vat, zoo hier
binnen de vermenging de verschillende vakken zoo onregelmatig mogelijk
is. Binnen ruimten, betrekkelijk weinig vochtdeelen bevattende,
zal alsdan wel is waar die verhouding varieren, edoch die ruimten,
zoo klein zijn, dat zij zelfs met het sterkst gewapende oog niet te
onderscheiden zijn.
Stelt men dat zekere beslotene ruimte, een uiterst groot aantal
poeijerdeelen met allerlei onregelmatige snelheden begiftigd, bevat,
zoo zal elk onderdeel dier ruimte, dat gemiddeld een zeer groot
aantal dier poeijerdeelen zou inhouden, er steeds nabij evenveel
en evenveel als de andere even groote onderdeelen bevatten. Om
dit toch anders te doen worden, en bijv. binnen een dier deelen
betrekkelijk belangrijk meer poeijerdeelen te doen komen, zouden
deze om de grenzen van dit deel gelijktijdig hier naar toe gerigte
snelheden moeten verkrijgen, hetgeen iets zeer regelmatigs zou zijn,
en onmogelijk wordt, zoo die snelheden onder den invloed zijn van een
menigte van omstandigheden. Zoo daarentegen binnen zulk een onderdeel
er belangrijk meer van die poeijerdeelen dan binnen omliggende gelegen
zijn, zal de overmaat dier poeijerdeelen door allerlei snelheden, door
die in de eene rigting eerder, door die in andere rigtingen later,
uit zulk een onderdeel gebragt worden [89].
Worden aan zulke poeijerdeelen snelheden medegedeeld onder den invloed
eener enkele overheerschende omstandigheid, dan kan daarentegen
derzelver digtheid van groepering binnen elk dier onderdeelen zeer
gaan verschillen. Dit heeft bijv. plaats, zoo men met de hand strijkt
over een deel eener laag poeijer. Alsdan komen zeer vele digt bij
en onder elkander gelegen poeijerdeelen onder den invloed dier bij
alle op dezelfde wijze werkende omstandigheid, die klaarblijkelijk
voor die poeijerdeeltjes niet als de gezamentlijke werking van
uiterst vele omstandigheden gelden kan, daar in dit geval deze bij
elk der poeijerdeelen op eene andere wijze werken zou. Dit laatste
is bijv. het geval, zoo elk dier deeltjes beweegt tengevolge der
gezamentlijke aantrekking van al de overigen.
De gezamentlijke werking van al de omstandigheden is alsdan voor elk
der poeijerdeelen verschillend en bezit dientengevolge een karakter
van algemeenheid. Dit is insgelijks het geval bij het op blz. 158
gemelde sterrenstelsel. Voor de hemelbollen hiervan bestaat er zekere
kans om digt bij elkander bij hun perihelium, en ver van elkander
bij hun aphelium te liggen, zullende die eerste kans veel kleiner
dan de tweede zijn. Hieruit volgt dat bij ruimten, zeer veel van
die sterren bevattende, de verhouding tusschen de sterren, digt bij
hun perihelium en digt bij hun aphelium gelegen, wegens den invloed
van eene menigte van omstandigheden, op het meeste slechts weinig
zal kunnen varieren, doch dat bij verzamelingen van slechts weinig
sterren, die verhoudingen sterk zullen verschillen, zoo de ligging
dier hemelbollen met betrekking tot elkander zeer onregelmatig is. Het
aanzienlijk verschillen dier verhouding bij die elk zeer veel sterren
bevattende ruimten zou vereischen, of dat binnen deze meer sterren
dan gemiddeld bij hun perihelium, of bij hun aphelium gelegen zijn,
doch in beide gevallen zou er iets bijzonders moeten plaats hebben,
in het eerste, dat veel sterren bij paren bijna tegelijk in hun
perihelium komen, in het tweede, dat zij bij hun aphelium tegelijk
van alle kanten even sterk aangetrokken worden, eene onmogelijke
regelmatigheid wegens de veranderlijke aantrekking van elk dier
sterren door eene ontzaggelijke menigte van andere.
Hoe sterker nu bij verschijnsels de werking van zeer vele variërende
omstandigheden blijft, hoe moeijelijker enkele omstandigheden
overheerschende zullen werken, en dit zou bij het gemelde
sterrenstelsel steeds in hooge mate het geval zijn, zoo niet de
hemelbollen zie blz. 161, tengevolge der wrijving tegen elkander bij
botsing, zulke korte banen konden verkrijgen, dat zij onder de zeer
overheerschende aantrekking van een hunner gedurende langen tijd
kunnen blijven.
Zoo de op blz. 313 gemelde poeijerdeelen langs flaauw gebogene kromme
lijnen bewegen, zal er iets regelmatigs bij hunne snelheden bestaan. Op
het meeste onregelmatig zullen deze zijn, zoo zij over betrekkelijk
de grootte dier poeijerdeeltjes zeer kleine distantien allerlei
rigtingen verkrijgen, of anders gezegd, zoo die poeijerdeeltjes
in uiterst onregelmatige trillende beweging zijn, en elk derzelve
dezelfde buren, met betrekking waarvan het op de onregelmatigste
wijze dan nadert dan zich verwijdert, behoudt, dat is wanneer die
poeijerdeeltjes moleculen zijn van eene vloeistof, waarbij overmaten
van afstooting het digt bij een en overmaten van aantrekking het ver
van een komen der moleculen tegengaande, deze, nadat zij zeer kort
zich in eene rigting bewogen hebben, geheel van rigting veranderen.
Stelt men verder dat die deelen oneindig klein en oneindig digt
bij elkander gelegen zijn, zoodat elke kleinst eindige ruimte een
oneindig aantal er van bevat, zoo zal, zoo binnen elk dier ruimten
de toestand dier gasdeelen volmaakt identiek is met die binnen de
andere gelijk en gelijkvormige ruimten, de onregelmatige toestand dier
gasdeelen niet minder worden, omdat, naar aanleiding van blz. 311,
de regelmatigheid van iets niet vergroot door gelijkvormigheid met
iets anders betrekkelijk oneindig ver er van gelegen, of anders gezegd,
dat tusschen beiden een oneindig aantal zaken, hier gasdeelen, gelegen
zijn. In zulk een toestand moet nu naar ons inzien zie blz. 171 de
ether, voor zooverre deze niet onder den invloed der hemelbollen is,
verkeeren, en aldus die toestand niet slechts zie blz. 174 uiterst
zamengesteld en onveranderlijk, maar tevens onregelmatig zijn, zoodat
de werking der wet van geschiktmaking, door de veropenbaringen der
zelfstandigheid door beweging zie blz. 257 meer tot de natuur van
den ether te doen naderen, hen niet slechts minder veranderlijk,
maar tevens minder regelmatig doet worden. Bij verdamping, overgang
van gewone snelheden in zie blz. 251 gedurig geheel van rigting
veranderende warmtetrillingen, bij verbrekingen van toestanden
van onvast moleculair evenwigt (zooals bijv. bij vochten beneden
het vriespunt afgekoeld) bij de scheiding van vaste ligchamen in
verstuivende poeijerdeelen heeft dit insgelijks plaats.
Het bestaan binnen den ether van hemelbollen, waarbij de digtheid
van groepering der atomen veel grooter is dan bij den ether, is
eene regelmatigheid ontstaan door de overheerschende werking der
aantrekkingskracht dier bollen zie blz. 159 in begin van vorming,
en waarbij er dan eene werking der wet der veranderlijkheid, waarbij
oorzaak en gevolg zich wederkeerig versterken, bestaat.
Die aantrekkingskracht is hierbij geweest eene op zeer veel stofdeelen
op dezelfde wijze werkende omstandigheid, en op dergelijke wijze is
al het regelmatige en aldus bijzondere, dat bij de veropenbaring
der zelfstandigheid door beweging bestaat, ontstaan. De werking
der wet der veranderlijkheid begint dit te doen, doch heeft zij dit
regelmatige en bijzondere voortgebragt, zoo kan de werking der wet van
geschiktmaking verschillende bijzondere en regelmatige zaken zoodanig
wijzigen, dat zij in harmonie met elkander worden, of anders gezegd
bij elkander passen. Accidentele omstandigheden, werkingen zijnde der
wet der veranderlijkheid, storen nu gedurig de door overheerschende
en gedurende zekeren tijd in werking niet veranderende omstandigheden
in stand gehouden regelmatige zaken, doch bestaat hier harmonie bij,
zoo zal de werking der wet van geschiktmaking die alsdan afwijkingen
voortbrengende storingen trachten te verzwakken. Buitendien tracht
zij deze op eene onregelmatige wijze te doen voorkomen, zoodat, als
die afwijkingen in grootte verschillen, en voor elk dier afwijkingen
van verschillende grootte zekere kans tot ontstaan bestaat, bij zeer
veel van die afwijkingen de werking der wet van geschiktmaking de
afwijkingen van elke grootte tracht te doen voorkomen in verhouding
van dergelijke kans van voorkoming. In harmonie met de lengte der
beenen van menschen verkrijgen deze bijv. op egaal terrein eene voor
hen gemakkelijkste lengte van pas. Accidentele afwijkingen zullen
echter maken, dat onwillekeurig, dat is zonder dat eene overheerschende
omstandigheid tengevolge van zeker voornemen hiertoe leidt, die passen
naar beide zijden van dien gemakkelijksten pas afwijken. Hoe grooter
nu die afwijkingen ter eene of andere zijde zijn, hoe moeijelijker
zij zullen voorkomen, en nu zal de werking der wet van geschiktmaking
maken, dat bij zeer veel passen de groote en kleine passen niet
regelmatig, maar onregelmatig afwisselen. en dat de passen, het minste
in grootte met den gemakkelijksten verschillende, meer dan die,
er meer mede verschillen, zullen voorkomen [90]. Buitendien tracht
de werking der wet van geschiktmaking, zonder de harmonie tusschen
bijzondere en regelmatige zaken te schaden, hen meer algemeen,
onveranderlijk en onregelmatig te doen worden.
Hoe onveranderlijkheid en onregelmatigheid zamen kunnen gaan blijkt wel
bij mengsels van vochten. Giet men bijv. voorzigtig wat wijn binnen
water, zoo kan men maken dat beide vochten zich niet dadelijk egaal
vermengen, en gedurende de verspreiding van den wijn binnen het water,
wordt dan de aanblik van het gevulde glas gedurig anders. Schudt men
dit echter op eene onregelmatige wijze, zoo wordt het mengsel overal
egaal en de aanblik er van blijft steeds denzelfden.
Het is voorts onjuist dat onregelmatigheid steeds gemis aan doel
of geschiktheid zou aantoonen. Dat dit voor ons vaak het geval is,
komt hier vandaan, dat wij het onregelmatige beschouwen uit een
bijzonder en beperkt oogpunt, evenals bijv. een denkbeeldig wezen zeer
onregelmatige vermenging van vochtdeelen van verschillende soort binnen
ruimten slechts betrekkelijk weinig vochtdeelen bevattende. Zoo wij
daarentegen het onregelmatige konden beschouwen uit een zeer algemeen
oogpunt, bijv. op eene wijze, te vergelijken met die waarop wij de
egale mengsels van verschillende vochten beschouwen, zoo zou dit
begrip van wanorde en doelloosheid, door het onregelmatige verwekt,
geheel bij ons verdwijnen.
Wij hebben ons naar vele regelmatige toestanden, door gedurende voor
ons lange tijden standvastige omstandigheden overheerscht, geschikt,
en daarom schijnt ons het onregelmatige, dat bij de opvolgende
gebeurtenissen op allerlei onvoorziene wijzen variatien teweeg brengt,
ongeschikt. Dit echter verandert geheel, wanneer men groepen, elk
uit zeer veel gelijksoortige gebeurtenissen bestaande, beschouwt,
en aldus de gebeurtenissen uit een alsware in tijd en ruimte meer
verheven standpunt waarneemt. Regelmatigheid doet alsdan die groepen
verschillen en onregelmatigheid hen gelijk worden.
Al onze statistieke berekeningen, waarbij men gebeurtenissen
zooals geboorten, misdaden, ziekten enz. bij groepen van millioenen
individuen beschouwt, zijn dan ook gegrond op de standvastigheid,
welke de uiterst onregelmatige opvolging van zulke gebeurtenissen
bij groote groepen er van teweeg brengt.
Was dit niet het geval, zoo namelijk de werking der wet van
geschiktmaking het voorkomen van dergelijke gebeurtenissen niet onder
den invloed bragt van zeer vele accidentele omstandigheden, maar zij
daarentegen steeds onder den invloed van enkele omstandigheden stonden,
en de uitwerking hiervan, wegens derzelver verband dan met deze dan met
gene andere omstandigheid, sterk veranderde, zoo zou het dan meer en
dan minder voorkomen van dergelijke gebeurtenissen bij groote groepen
van individuen, ons even onverklaarbaar voorkomen als het zich bevinden
van eene groote overmaat van witte ballen bij veel blindelingsche
trekkingen uit eene bus evenveel witte als zwarte ballen bevattende. Is
daarentegen binnen die bus de overmaat der er in bevatte witte ballen
even groot als bij de reeks van trekkingen, zoo zullen deze onder den
invloed van velerlei accidentele omstandigheden kunnen zijn, en bij
die achtereenvolgende trekkingen de onregelmatigheid aldus zeer groot
kunnen zijn. Nu bestaat er verschil tusschen de omstandigheid dat
die bus eene groote menigte van witte ballen bevat, en die waardoor
uit eerstgemelde bus bij eene reeks van trekkingen er veel meer
witte ballen dan zwarte uit de bus te voorschijn komen. Die eerste
omstandigheid, bekend of niet, werkt namelijk steeds op dezelfde wijze,
terwijl de tweede, naarmate zij zus of zoo met andere omstandigheden
in verband staat, op geheel andere wijzen werkt. Zij is vergelijkbaar
met de voorkeur die men, bij het ziende trekken, kan bezitten voor de
eene of andere regelmatige afwisseling der witte en zwarte ballen bij
de trekkingen. Die voorkeur kan zus of zoo zijn, tengevolge van eene
onnaspeurlijke aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen. Nu kan de
aanbieding der bus, eene overmaat van witte ballen bevattende, ook
wel aldus ontstaan, maar zal, hoe ook ontstaan zijnde, desniettemin
steeds eene omstandigheid zijn, leidende tot het blindelings trekken
van meer witte dan zwarte ballen. Hoe velerlei omstandigheden bij de
blindelingsche trekking van ballen er ook van invloed zijn, zij blijft
steeds denzelfden invloed uitoefenen, terwijl daarentegen onbewuste
voorkeur voor de eene of andere regelmatige wijze van trekking onder
den invloed van allerlei omstandigheden, evenzeer moet veranderen als
de gedragingen van menschen, welke de speelballen zijn van allerlei
inblazingen [91].
Bij ons menschen kunnen het karakter, het verstand, de positie
enz. vergeleken worden met die verhoudingen tusschen de witte
en zwarte ballen binnen gemelde bus, en de onder den invloed van
velerlei accidentele omstandigheden zijnde reeks van denkbeelden met
de aan allerlei invloeden blootgestelde bewegingen der handen bij de
blindelingsche trekkingen.
Ook epidemische ziekten zijn van die steeds denzelfden invloed
uitoefenende omstandigheden. Zij kunnen toch niet, zus of zoo met
andere omstandigheden in verband zijnde, het aantal sterfgevallen
bij een groot getal individuen vergrooten of verkleinen.
Hoe grooter het aantal veranderlijke omstandigheden, op eenig
verschijnsel van invloed, is, hoe kleiner de kans voor regelmatigheid
bij dit verschijnsel zal zijn. Het aantal dier veranderlijke
omstandigheden steeds grooter blijvende dan de grootst eindige
grootheid, zoo zou, zoo de invloed van elk die omstandigheden even
groot was, die regelmatigheid bij het verschijnsel (dat uit eene reeks
van met elkander in verband zijnde gelijksoortige gebeurtenissen
kan bestaan) nul zijn. Dit is nu het geval niet, want op zulk een
verschijnsel kunnen van invloed zijn vooreerst enkele omstandigheden,
voorts een grooter aantal op eene zwakkere wijze, nog een grooter
aantal op eene nog zwakkere wijze enz., zoodat die invloeden van
al de veranderlijke omstandigheden kunnen uitgedrukt worden door
zekere breedte bezittende bundels van ordinaten eener kromme lijn
met de bolle zijde naar de abcissen as gekeerd, deze op eene grootst
eindige distantie rakende, en met die as der abcissen en een ordinaat
een eindigen inhoud omsluitende. Die inhoud stelt dan voor het totaal
der invloeden van al die omstandigheden op het verschijnsel, en het is
nu klaar dat voor zooverre die invloeden uiterst groot in aantal, maar
uiterst gering zijn (bij dien inhoud voorgesteld door het uiterst lage,
maar uiterst lange deel er van, het effect er van zal trachten het
verschijnsel zoo onregelmatig mogelijk te doen zijn. Nu kunnen wel de
sterkere invloeden der overige eindig in aantal zijnde omstandigheden
(voorgesteld door het kortere maar hooge deel van gemelden inhoud) dit
verschijnsel regelmatig trachten te doen worden, maar klaarblijkelijk
die regelmatigheid min of meer gestoord worden. Zoo zullen bijv. de
zuiver elliptische banen der planeten om de zon niet slechts door
de werkingen der andere planeten, maar tevens, en dat wel op eene
voor ons onwaarneembare, maar uiterst onregelmatige wijze, door het
onnoemelijk getal der zich verplaatsende sterren gestoord worden.
Die storing der regelmatigheid zal bijv. ook bestaan wanneer men
blindelings maar te gelijk eene menigte van ballen uit de op blz. 308
gemelde bus trekt, en zij dan maken dat de gelijktijdig getrokken
ballen niet boven zeker aantal tot de witte ballen der bus zullen
behooren.
Bij het achtereenvolgens trekken van die ballen, zou men bij elke
trekking iets dergelijks als in het zoo even gemelde geval verkrijgen,
zoo de indrukken van een aantal vroegere trekkingen, gelijk aan dat
van de ballen die men bij dit vorige geval tegelijk uit de bus trekt,
onverflaauwd bleef bestaan. Dit is nu wel is waar niet het geval,
edoch de verflaauwde indrukken der vorige trekkingen, gepaard met
de volgende, zullen een geval vormen, gelegen tusschen het vorige
en dat waarbij de vorige trekkingen van geen invloed op de volgende
zijn, zoodat het zekere minimum van storing der regelmatigheid er bij
kleiner dan in het eerste geval en grooter dan in het laatste, waarin
dit minimum nul is, zal worden voor zooverre men de verschijnselen
beschouwt met betrekking tot derzelver sterkte, kan men hen verdeelen
in verschillende categorien, zoodat van die tot elk dezer categorien
behoorende, het eene of andere dier verschijnsels in ruimte en tijd
en plaats heeft. Zoo kan bijv. een dier categorien bevatten winden
van verschillende sterkte. Overal in den atmospheer en gedurende
al den tijd van het bestaan dezes zal de lucht circa in rust, of
in meer of minder heftige beweging zijn. Ter wederzijde van meest
voorkomende windsnelheden, door vrij standvastige omstandigheden
voor elke plaats bepaald, bestaan er nu afwijkingen, met betrekking
tot wier opvolging op eene zelfde, of wel gelijktijdige voorkoming op
verschillende plaatsen, hetzelfde te zeggen valt als zie blz. 317 voor
de afwijkingen van eene gemakkelijkste lengte van pas. De nagelaten
sporen der snelheden van den wind gedurende de vorige tijden op
eenige plaats en de menigte der omstandigheden op de windsnelheden
van invloed zijnde, moeten bijv. regelmatige afwisseling van zwakke
en sterke winden storen.
Het lang na elkander voorkomen van hetzij zeer zwakke, hetzij zeer
sterke winden, wordt reeds tegengegaan door de hunne oorzaken
vernietigende gevolgen er van. In het eerste geval zal toch de
dampkring door verdamping meer vochtig worden dan opdroogen door de
condensatie van omhoog gevoerde dampen, daar waar de met den wind
gepaarde rijzingen van lucht bestaan, en die meerdere vochtigheid der
lucht aanleiding gevende tot een grooter verschil in vochtigheid er
van op de eene en andere plaats, en aldus tot een grooter verschil
in ijlheid der lucht, de rijzingen en dalingen der lucht en aldus
ook den wind bevorderen [92].
In het andere geval heeft het omgekeerde plaats, doch die gevolgen
kunnen niet beletten, dat bijv. stormen in den winter om de dertig
dagen voorvallen in plaats van dit meer ongelijk te doen. Die
regelmatigheid kan slechts belet worden door de op blz. 321 gemelde
invloeden van eene overgroote menigte van veranderende omstandigheden.
Eene andere dier op blz. 323 gemelde categorien bevat de gedragingen
der menschen jegens anderen. Deze kunnen toch weldadig, welwillend,
onverschillig, onwelwillend en misdadig zijn. Eene derde categorie
bevat de toestanden van gebouwen met betrekking tot brand, en men heeft
hierbij, hevig branden, flaauw branden, de nabijheid van brandende
gebouwen, of het bevatten van brand veroorzakende voorwerpen. Ook
hierbij zullen de afwijkingen van den gemiddelden toestand, naarmate
zij grooter zijn, in toeneming sterker belet worden door de werking der
wet van geschiktmaking en door de op blz. 258 en 300 gemelde werking
der wet der veranderlijkheid, zooals bijv. bij de meer afdoende
pogingen tot blussching van hevige dan van flaauwe branden.
De werking dier beide wetten bestaat ook bij de positieve en negatieve
afwijkingen in menigvuldigheid van verschijnsels van zekere gemiddelde
menigvuldigheid van voorkoming. Bij al deze gevallen zal niet slechts
de op blz. 321 gemelde werking het regelmatig er van voorkomen, maar
tevens, zooals zoo even gezegd is, het veel of weinig voorkomen er
van tegengewerkt worden, en dit laatste met alsware grootere kracht
dan het eerste geschieden. De werking van de wet van geschiktmaking
gaat bijv. sterker tegen het zeer rijk worden van meer menschen dan
gewoonlijk, dan het herhaald door hen trekken van hooge prijzen uit
eene loterij, want er bestaan vele verschijnsels wier menigvuldigheid
van voorkoming, enkel wegens de er door teweeg gebragte regelmatigheid,
door de op blz. 321 gemelde werking der wet van geschiktmaking
tegengaan wordt, en dit is bijv. met de zooeven gemelde herhaalde
trekking van prijzen het geval. Periodiciteit, bijv. het achtervolgens
dan dikwijls en dan zeldzaam voorkomen van verschijnsels wordt, als
zijnde eene soort van regelmatigheid, door accidentele overheerschende
omstandigheden voortgebragt, doch, wanneer de op blz. 267 gemelde
werking der wet der veranderlijkheid dit dikwijls voorkomen tegengaat,
door het, zooals op blz. 258 gezegd is, negatief worden van het eerste
verschijnsel, zal op dien overvloed schaarste, daarna weder overvloed
enz. volgen, en er aldus van lieverlede verzwakkende schommelingen en
periodiciteit ontstaat. Deze zal alsdan door de op blz. 321 gemelde
werking evenzeer gestoord worden als de uitwerking der zie blz. 309 de
herhaling derzelfde zaak voortbrengende overheerschende omstandigheden.
Bij het schieten naar eene schijf, zullen bijv. de sterkste afwijkingen
ter regterzijde slechts, wegens de alsdan niet onregelmatige
afwisseling er van met gemiddeld veelvuldiger voorkomende kleinere
regtsche afwijkingen, belet worden in aantal veel grooter dan gemiddeld
voor te komen, zoo de schutter niet het denkbeeld verkrijgt, dat hij
dikwijls zoo sterk mis schietende als voor hem mogelijk is, zich gaat
inspannen om juister te schieten. In dit geval beperkt de werking der
wet van geschiktmaking niet slechts het misschieten bij elk schot,
maar tevens de herhaling er van.
Dit is insgelijks het geval bij de meeste feiten waarmede de statistiek
zich bezig houdt, zooals bijv. misdaden, sterfgevallen enz. doch
dit is niet de eenigste reden waarom onder zeer veel individuen
die voorvallen binnen even groote tijden circa even veelvuldig
voorkomen. Daartoe draagt ook bij een ons onbewust verband waarin
zij, door tusschenkomst eener menigte van verschijnsels, tot elkander
staan, waardoor zij, wegens de op blz. 321 gemelde reden in tijd en
ruimte onregelmatig moeten voorkomen, omdat er anders, hetzij bij
gelijktijdig voorvallende verschijnsels, hetzij bij de achtergeblevene
sporen van vroegere verschijnsels met betrekking tot de huidige,
te veel regelmatigheid zou ontstaan.
Vandaar dat er niet, althans niet buiten zekere grenzen, gelijktijdig
in eenig land, zooals men zegt bij toeval, zeer veel meer diefstallen
dan gemiddeld gepleegd worden, en dat evenmin kort nadien dit
aantal veel kleiner dan gemiddeld wordt, zonder dat de justitie en
particulieren intusschen waakzamer geworden zijn en het straffen der
diefstallen verscherpt is. Die diefstallen zijn te vergelijken met
het trekken van bijv. gele ballen uit eene bus, ballen van allerlei
andere kleuren bevattende, op eene onbewuste wijze voor het gevoel
onderscheiden, en wier trekking met het voorvallen van de verschillende
andere feiten, welke in de plaats van diefstallen kunnen plaats
hebben, vergelijkbaar is; terwijl de verspreiding en de verhouding dier
ballen van verschillende kleur binnen de bus, vergelijkbaar is met den
stand van zaken aanleiding gevende tot die gelijktijdig voorvallende
feiten van verschillende soort. Bij elke trekking, een groot aantal
ballen bevattende, zullen de getrokken gele ballen niet buiten zekere
grenzen in verhouding tot al die gelijktijdig getrokken wordende
ballen kunnen afwijken van derzelver verhouding tot het totale aantal
ballen binnen de bus, omdat er anders bij elk dier trekkingen eene te
groote regelmatigheid zou ontstaan. Evenzoo bij de gelijktijdig maar
op verschillende plaatsen gepleegde diefstallen. Niet slechts heeft de
stand van zaken op elke plaats invloed op de aldaar gepleegde daden,
maar tevens in zwakkere mate ook die op andere plaatsen. Niet alleen
hebben de andere daden, ter plaatse waar de diefstal geschiedt tegelijk
hiermede plaats hebbende, maar tevens die en aldus ook de diefstallen
op andere plaatsen gepleegd, invloed op eerstgemelden diefstal [93].
Op blz. 311 hebben wij gezegd dat, wanneer in de ruimte alsware
tusschen gelijksoortige gebeurtenissen er eene menigte andere gelegen
zijn, zij, door met betrekking tot elkander regelmatig of onregelmatig
in te vallen, zeer weinig bijbrengen tot de regelmatigheid van
het geheel, en als onafhankelijk van elkander ontstaan beschouwd
kunnen worden. Men behoeft aldus het gelijktijdig voorvallen van
bijv. diefstallen slechts te beschouwen over zulk een ruimte, dat er
aldaar gemiddeld zeer veel ongeveer gelijktijdig geschieden. Is nu
dit aantal buitengewoon veel grooter dan gemiddeld, zoo bestaat er
eene regelmatigheid welke de vrucht moet zijn van eenige accidentele
overheerschende omstandigheden tegelijk bij al die plaatsen, waar die
diefstallen begaan worden, van invloed zijnde. Die regelmatigheid
moet toch eene oorzaak bezitten, daar op blz. 321 aangetoond, is,
dat die oorzaak niet in het totaal der zeer geringe invloeden van
een uiterst groot aantal omstandigheden kan bestaan, wordt aldus het
bestaan dier eerste oorzaak ontkent door iemand die regelmatigheid aan
het toeval toeschrijft, zoo bekent hij tevens dat de laatste oorzaak
alleen bestaat, en deze kan slechts, zooals op blz. 321 gezegd is,
onregelmatigheid en geene zoogenaamde toevallige regelmatigheid
voortbrengen.
Hieruit blijkt tevens dat bijv. diefstallen op verschillende plaatsen,
zooals men zegt, onafhankelijk van elkander gepleegd, invloeden op
elkander uitoefenen, die te zamen met velerlei andere even weinig
waarneembare invloeden niet verwaarloosd mogen worden, want zij
behooren, of tot die menigte van zeer geringe invloeden waardoor,
zooals op blz. 321 gezegd is, onregelmatigheid ontstaat, of zij
worden teweeg gebragt door de enkele overheerschende omstandigheden
bij die verschillende plaatsen tegelijk werkende, waardoor er bij het
voorkomen dier diefstallen regelmatigheid kan ontstaan. Alsdan kan
men niet met juistheid zeggen, dat de diefstallen onafhankelijk van
elkander gepleegd worden, zoodat, wanneer bijv., bij gemis aan afspraak
van dieven op velerlei plaatsen, of van dergelijke omstandigheden,
men bij de gewone wijze van spreken mag zeggen, dat die diefstallen
niet anders dan onafhankelijk van elkander kunnen gepleegd zijn,
zoo zij onder den invloed derzelfde enkele op verschillende plaatsen
tegelijk werkende overheerschende omstandigheden ontstaan zijn, deze al
zeer zwak moeten zijn, en de er door teweeg gebragte regelmatigheid,
door de op blz. 321 gemelde werking, noodzakelijk zeer sterk gestoord
moet worden.
Wanneer de omstandigheden, van invloed op gelijksoortige verschijnsels,
wier wijze van herhaling in tijd of ruimte men wenscht na te gaan,
ook onderling meer op elkander van invloed zijn, zal de regelmatigheid
bij die voorkoming dier verschijnsels binnen naauwere grenzen besloten
blijven. Enkele dier omstandigheden zullen dan toch moeijelijker
een eenigen tijd aanhoudenden overheerschenden invloed in denzelfden
geest kunnen blijven uitoefenen, omdat alsdan de grootere invloed van
andere omstandigheden er op dit gedurig meer verhindert. [94] Dit zal
insgelijks het geval zijn, zoo die invloed van eenvoudigen aard is,
omdat dan elk dier omstandigheden meer geinfluenceerd wordt door elk
der andere op eene wijze in verhouding der aanraking tusschen beide,
en eerstgemelde omstandigheden gedurig met andere, of op eene andere
wijze met dezelfde omstandigheid in aanraking komen. Zijn daarentegen
die invloeden van meer zamengestelden aard, zoo kan eene omstandigheid
meer ongevoelig blijven voor vele andere waarmede zij in directe
aanraking komt, en daarentegen sterk den invloed ondervinden van enkele
omstandigheden, in tijd of ruimte er betrekkelijk ver van verwijderd.
Dit is in sterke mate het geval bij de omstandigheden daargesteld door
de wijze van denking die men willen noemt. Iemand wil, tengevolge
eener voor geheele wijziging zeer vatbare gril, bijv. witte ballen
uit eene bus nemen, en, ofschoon dan zwarte ballen meer bij de
hand kunnen liggen, neemt hij toch moeijelijker te bereiken witte
ballen. Zoo zullen, wanneer de dieven nemen wat het gemakkelijkste
en met het minste gevaar te stelen is, de gedurende elke week
gepleegde diefstallen onder eene groote bevolking, wegens gebrekkige
onregelmatigheid van voorkoming minder veranderen, dan zoo die
diefstallen gepleegd worden nadat derzelver daders berekeningen
gemaakt hebben. Tusschen twee havens varende stoomschepen, wier
machines steeds met evenveel kracht werken, en die aan allerlei
winden en accidentele stroomen blootgesteld zijn, zullen langs de
distantie tusschen die twee havens steeds op eene vrij onregelmatige
wijze verspreid moeten zijn. Hangt daarentegen de kracht waarmede de
machines dier vaartuigen werken af van den wil hunner gezagvoerders,
zoo zal die verspreiding regelmatiger kunnen zijn, al bestaat er
geene dit bevorderende afspraak tusschen die gezagvoerders.
Gesteld dat de werking van den wil dier gezagvoerders niet bestaat,
zoo zullen bij gemelde vaartuigen, bij zekere regelmatige verspreiding
van sommige hunner, de winden, de stroomen, golven enz. invloeden,
waarbij de indruk dier regelmatigheid bestaat, op de andere vaartuigen
overbrengen. [95] Gezamentlijk met de voorgaande, bestaan nu bij
die overige vaartuigen een uiterst groot aantal andere invloeden
van water en lucht, welke, zooals op blz. 321 gezegd is, door hun
aantal en hunne veranderlijkheid iets onregelmatigs zullen trachten
teweeg te brengen. Zoo aldus de min of meer regelmatige ligging dier
overige vaartuigen, in verband met die der eerstgemelde beschouwd,
eene sterkere regelmatigheid, dan door de ligging van eerstgemelde
vaartuigen wordt voortgebragt, daarstelt, dienen de van deze op die
andere vaartuigen overgebragte regelmatige invloeden sterker te zijn,
en zich hierbij te paren aan dergelijke invloeden bij die overige
vaartuigen. Dit kan naar ons inzien, niet anders geschieden, dan zoo
die min of meer regelmatige invloeden bij elk vaartuig aanwezig en van
de andere er naar toe overgebragt, door enkele voor al de vaartuigen
in denzelfden geest werkende omstandigheden worden voortgebragt.
Onder de omstandigheden, op de ligging dier vaartuigen van invloed
zijnde, behoort echter ook de behandeling er van door derzelver
bemanning. Al wordt nu die behandeling geheel bepaald door de
betrekking dier vaartuigen met de winden, golven en stroomen,
zoo zal veel hiervan op die bepaling dier behandeling van zeer
weinig en enkele zaken, hier en nu anders dan elders en later, van
veel invloed kunnen zijn. Die behandeling kan aldus staan onder den
overheerschenden invloed van enkele, volstrekt niet steeds op dezelfde
wijze van invloed zijnde, accidentele omstandigheden, en daar zij
sterken invloed uitoefent op de ligging dier vaartuigen, deze alsdan
gemiddeld meer onder den invloed van enkele en gemiddeld minder onder
den invloed van zeer vele veranderlijke omstandigheden komen. Dit
nu is wel is waar geene bestendige oorzaak van meer regelmatige
onderlinge ligging dier vaartuigen, maar wel eene oorzaak, waardoor
de invloeden van zeer vele veranderlijke omstandigheden er op zwakker
kunnen worden. Het is aldus mogelijk dat alsdan de op blz. 321 gemelde
werking, waardoor de regelmatigheid tegengegaan wordt, zwakker wordt.
Eene overheerschende omstandigheid kan ergens, zooals op blz. 309
gezegd is, regelmatigheid voortbrengen, en eene andere overheerschende
omstandigheid elders eene andere regelmatigheid veroorzaken, zonder
dat beide soorten van regelmatigheid, wegens het verband waarin zij
tot elkander staan, iets regelmatigs vormen. Is dit daarentegen wel het
geval, en zelfs zoo op beide plaatsen er geene regelmatigheid bestaat,
maar onregelmatigheden, welke, door bijv. min of meer identiek te zijn,
wegens derzelver onderling verband eene regelmatigheid daarstellen, zoo
moet deze door voor beide plaatsen gemeenschappelijke overheerschende
omstandigheden teweeg gebragt worden. Anders toch zou de wegens dit
onderlinge verband ontstaande regelmatigheid zonder oorzaak zijn, en
aldus de ook met betrekking tot dit onderlinge verband onregelmatigheid
voortbrengende werking der wet van geschiktmaking alleen heerschen.
Naar mate echter die twee plaatsen in de ruimte, of wanneer
het tijdstippen geldt waarop die, wegens hun onderling verband,
regelmatigheid voortbrengende gebeurtenissen plaats hebben, deze
in den tijd verder van elkander gelegen zijn, dat is, wanneer
er tusschenbeide alsware meer gebeurtenissen liggen, zullen de
omstandigheden, regelmatigheid wegens onderling verband voortbrengende,
bij dezelfde sterkte dier regelmatigheid, zwakker kunnen zijn. De
werking der wet van geschiktmaking zal dan toch, door tusschenkomst
der invloeden van eene zeer groote menigte van omstandigheden, bij
de tweede plaats de regelmatigheid met betrekking tot hetgeen, op
de eerste plaats geschied is, slechts kunnen storen, voor zoo verre
hetgeen aldaar geschied is, bij die tweede plaats van invloed is. Is
nu die verzwakking, bij grootere betrekkelijke verwijdering in tijd of
ruimte, sterker dan die der omstandigheden, bij beide plaatsen, of op
beide tijdstippen, eene, zooals hierboven gezegd is, door onderling
verband ontstaande regelmatigheid voortbrengende, zoo zal deze bij
groote verwijdering in ruimte of tijd grooter kunnen worden [96].
Zoo bijv. thans ergens in Europa iemand, de kleur der ballen
onderscheidende, eene reeks hiervan uit eene bus trekt, en over eene
eeuw iemand anders in Amerika dit ook doet, zal de eerste reeks van
trekkingen zekere invloeden hoe gering ook op de andere uitoefenen,
en de regelmatigheid bij de verhouding tusschen beide reeksen van
trekkingen tot zekeren graad hoe gering ook door op blz. 321 gemelde
werking der wet van geschiktmaking verstoord worden.
Zoo er nu slechts in beide gevallen sprake kan zijn om de witte of
zwarte ballen, met betrekking tot derzelver afwisseling, slechts op
een bepaald aantal verschillende wijzen uit die bus te trekken, kan de
zucht naar varieteit maken, dat in beide gevallen de trekkers dit op
al die wijzen doen, en dat aldus in beide gevallen, in tijd en ruimte
zoover van elkander gelegen, er identieke reeksen van trekkingen plaats
hebben. De omstandigheid, welke dan in die beide gevallen tegelijk
werkt, is de zucht om uit bussen, witte en zwarte ballen bevattende,
met onderscheiding der kleuren, deze bij de getrokken ballen op een
zeker aantal verschillende wijzen te doen afwisselen.
Zoo daarentegen in beide gevallen slechts eene reeks van trekkingen
en wel blindelings gedaan wordt, en dat in beide gevallen de witte
en zwarte ballen op de onregelmatigste, maar in elk dier gevallen
op volmaakt dezelfde wijze afwisselen, zoo dient de invloed van
eene voor beide gevallen gemeenschappelijke omstandigheid hiervan
de oorzaak te zijn, en zal deze die overeenstemming tusschen de
beide reeksen van trekkingen moeijelijker te weeg kunnen brengen,
naarmate die reeksen elk uit meer trekkingen bestaan. Die voor beide
reeksen gemeenschappelijke omstandigheid kan in dit geval niet in
eene voorbedachtelijke imitatie in het tweede geval van hetgeen in
het eerste heeft plaats gehad bestaan, en dient dan wel derzelver
invloed van de trekking in Europa, tot die eene eeuw later in Amerika
op eene gelijksoortige wijze overgebragt te hebben als de sporen dier
geheele eerste trekking. De oorzaak, die overeenstemming tusschen
beide reeksen van trekkingen voortbrengende en die deze verstorende,
moeten aldus beide in dit geval uiterst zwak zijn, en zullen dit nog
meer worden, zoo tusschen de reeksen van trekkingen in beide gevallen
er nog meer liggen, omdat de invloeden der eerste trekking hierdoor
meer verloren gaan dan door andere zaken.
De werking der wet van geschiktmaking wischt namelijk vooral zaken
uit door andere er mede gelijksoortige later voorvallende zaken,
zie blz. 182, want die uitwissching of liever omzetting geschiedt
niet van zelf, hiertegen verzet zich de werking der wet der traagheid.
Men moet echter zeer voorzichtig zijn bij de ontkenning dat bij
gevallen, in tijd en ruimte ver van elkander gelegen, er geene
onderlinge regelmatigheid tusschen hen kan ontstaan dan op dezelfde
wijze waarop die gevallen zelve van invloed op elkander zijn. Die
regelmatigheid tusschen twee gevallen kan toch, even als de absolute
regelmatigheid bij een geval, dikwijls ontstaan op wijzen wel in
zekeren zin gelijksoortig met die wij kennen en aldus niet door het
toeval, maar op wijzen buiten onzen kring van kennis of, wegens hare
zwakte, buiten onzen kring van waarneming gelegen.
De invloeden der daden der bewoners dezer aarde op die der bewoners
van de planeet Venus moeten bijv. uiterst gering zijn, en toch zouden
al de bewoners der dagzijde dezer aarde onbewust bijna te gelijk iets
gelijksoortigs kunnen doen, en, zoo de bewoners der dagzijde van Venus,
tengevolge der op blz. 232 gemelde werking der wet van geschiktmaking,
gevoelig zijn voor de warmte der zon, ook zij iets dergelijks doen. Een
onwaarneembare vermindering der warmte der zon, tengevolge van het
ontstaan eener zonnevlek, zou toch de oorzaak hiervan kunnen zijn.
Bij het geval van blz. 312 bestaat er voor al de waarneembare
ruimtedeelen van het mengsel eene omstandigheid, welke zekere
onderlinge regelmatigheid tusschen hetgeen bij die ruimtedeelen
bestaat, namelijk de gelijkheid tusschen de verhouding
der verschillende vochten, bij elk hunner teweeg brengt. Die
omstandigheid is namelijk dat door roering voor alle de quantiteit
van het bijgeschonken vocht dezelfde wordt gemaakt.
Wij besluiten uit dit een en ander, dat de regelmatigheid bij gevallen
en de onderlinge regelmatigheid tusschen verschillende gevallen binnen
enge grenzen beperkt is, tenzij bijzondere oorzaken, kennelijk van
anderen aard dan de invloeden tusschen de deelen dier gevallen, of
tusschen deze laatste onderling, haar voortbrengen, en dat voorts
de uitwerkingen en het belangrijke van zulke regelmatigheden niet
buiten zekere grenzen kunnen afwijken van de sterkte dier bijzondere
oorzaken. Deze werking der wet van geschiktmaking komt ons menschen
zeer te pas, want, omringd van min of minder regelmatige bijzondere
zaken, is het voor ons noodig de oorzaken er van te kennen en hierop
te kunnen rekenen, en desniettemin doet onze fantaisie ons somtijds
gelooven dat er regelmatige zaken bestaan, waar wij weten dat de
oorzaken er van niet aanwezig kunnen zijn.
Dat regelmatigheid in tijd of ruimte door enkele op verschillende
tijdstippen, of op verschillende plaatsen overheerschende
omstandigheden voortgebragt moet worden, volgt alsware uit het bestaan
van regelmatigheid in de herhaling of periodieke herhaling derzelfde
zaken. Voorts kan eene gebrekkige regelmatigheid zamengesteld worden
uit eene volmaakte regelmatigheid on eene volslagene onregelmatigheid.
Bij het voorbeeld der op blz. 327 gemelde diefstallen heeft men,
al vallen deze in tijd of ruimte zoo onregelmatig mogelijk voor,
wel is waar eene herhaling derzelfde zaak, doch hiervoor te gelijk
eene in tijd en ruimte overheerschende omstandigheid, namelijk die in
eene maatschappij tot diefstallen aanleiding gevende. Bestaat er nu
buiten deze regelmatigheid eene tweede, namelijk die, welke met een
volstrekt onregelmatig voorkomen dier diefstallen zamengesteld, vormt
eene gebrekkige regelmatigheid van voorkoming er van, zoo bestaat die
tweede regelmatigheid in eene periodieke herhaling derzelfde zaak, en
moet zij de vrucht van andere overheerschende omstandigheden zijn. [97]
Trouwens verschijnsels, onder den invloed staande van verschillende
omstandigheden, tracht men, ten einde de invloeden elk dezer te vinden,
alsware te ontleden in verschillende regelmatige verschijnsels, en wel
in meer, naarmate die omstandigheden meer in aantal zijn. Dan echter
wordt de regelmatigheid van het resulterende verschijnsel van meer
zamengestelden aard en meer onregelmatig, en moet het zulks volstrekt
worden als die er op van invloed zijnde veranderlijke omstandigheden
in aantal onnoemelijk zijn, en dat geene derzelver overheerscht, want
in dit laatste geval kan het verschijnsel eene op uiterst zamengestelde
wijze gestoorde eenvoudige regelmatigheid vertoonen, zie Noot blz. 328.
Op blz. 278 hebben wij aangetoond dat zaken geene plotselinge
veranderingen er van in grootte kunnen ondergaan, zoodat veranderingen
er van in grootte aangeduid zullen kunnen worden door de ordinaten
van nergens niet afgeronde hoeken bezittende kromme lijnen. Zoo
aldus zaken, aan een steeds grooter wordenden drang tot vergrooting
onderworpen raken, zal derzelver grootte gedurende de achtervolgende
tijdstippen door de ordinaten eener van af zeker punt oploopende en met
de bolle zijde naar de abcissenas gekeerde kromme voorgesteld kunnen
worden. Vergroot die drang later niet meer, en wordt hij daarna steeds
kleiner, om eindelijk nul te worden, zoo zal die kromme een buigpunt
verkrijgen, vervolgens steeds flaauwer oploopen en met de holle zijde
naar de abcissenas gekeerd zijn, en eindelijk hiermede paralel loopen.
Wanneer oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, en
aldus de drang tot vergrooting bij het gevolg steeds versnellende
grooter zou worden, zoo de werking der wet van geschiktmaking zie
blz. 262 de vergrooting der oorzaak niet tegenging, zal dit gevolg
wel is waar aan een na zekeren tijd steeds trager, maar nog steeds
toenemenden drang tot vergrooting blootgesteld zijn, maar, daar de
werking der wet van geschiktmaking ook de vergrooting van dit gevolg
tracht tegen te gaan, en, even als bij de oorzaak, in sterkere mate,
naarmate het grooter is, het zijn, of er bij beide eene eerst toe en
later afnemende vergrootende werking bestaat. De werking der wet van
geschiktmaking kan nu wel de vergrooting van eenig verschijnsel zeer
moeijelijk maar niet onmogelijk maken, en verkeert daaromtrent steeds
in het geval van als bij eene van derzelver werkingen, namelijk den
tegenstand van het water tegen drijvende vaartuigen. [98] Hoe snel ook
deze bewegen, de vergrooting der voortstuwende kracht kan desniettemin
eene ofschoon uiterst geringe vergrooting der snelheid van het vaartuig
teweeg brengen. Vandaar dat alsdan de op blz. 336 gemelde ojiefvormige
kromme, wier ordinaten de achtervolgende grootten van het bovengemelde
gevolg verschijnsel aangeven, eerst bij eene oneindig groote abcis en
eene eindig groote ordinaat met de abcissenas paralel zal loopen. [99]
Gesteld dat nu de stoommachine van dit vaartuig sterker gestookt wordt,
naarmate de snelheid hiervan meer bedraagt, zoo zal de werking der
wet van geschiktmaking de versterking van het vuur steeds meer gaan
belemmeren, en klaarblijkelijk zulk een vaartuig eerst versnellende,
maar later vertragende in snelheid toenemen, zonder dat ooit de aanwas
in snelheid geheel ophoudt.
Dit zal insgelijks het geval zijn, zoo het gevolg, hierbij de snelheid
van het vaartuig, de oorzaak, hierbij het stoken der machine, niet
versterkt. Ook dan zal het gevolg, ofschoon niet noemenswaardig nimmer
geheel ophouden met in grootte toe te nemen, doch dit wel bij de
oorzaak het geval zijn. Deze zal eerst versnellende daarna vertragende
en na zekeren eindigen tijd in het geheel niet meer toenemen aldus
even als de ordinaten der op blz. 336 gemelde ojiefvormige kromme.
Op blz. 307 hebben wij gezegd, dat een gevolg, door zekere oorzaak
opgewekt, deze kan versterken, onveranderd laten, vernietigen en daarna
zelfs negatief maken [100]. Een ongeschikte toestand van zaken kan
bijv. opwekken, het er over oordeelen en dien ten gevolge handelingen
van menschen. Zijn alsdan die handelingen oordeelkundig, zoo zullen zij
het derde te weeg brengen, of wel het vierde, wanneer zie blz. 259 en
267 die ongeschikte toestand gerekend wordt te bestaan met betrekking
tot een gemiddelden toestand en een uitslag naar de andere zijde
hiervan een nog wenschelijker toestand te weeg kan brengen.
Handelingen, ten gevolge van slecht oordeelen begaan brengen
daarentegen het eerste of tweede voort, namelijk zij laten den
ongeschikten toestand onveranderd, of versterken dien.
Dit geschiedt daarentegen door handelingen, ten gevolge van goed
oordeelen begaan, zoo die toestand geschikt is, en geperpetueerd dient
te worden, terwijl in dit geval handelingen, ten gevolge van slecht
oordeelen begaan, het derde, of somtijds ook het vierde voortbrengen.
Wanneer er twee partijen tegen elkander strijden, kan elk dezer
een voor haar al of niet werkelijken ongeschikten toestand trachten
weg te nemen, en het gevolg namelijk den strijd voor de overwonnene
partij bij dien ongeschikten toestand het eerste of tweede en voor
de overwinnende partij het derde of vierde voortbrengen. Die door
die ongeschikte toestanden opgewekten strijd wordt op zijne beurt
door uitputting van een of van de beide partijen vernietigd, en de
partij, die de ongeschiktheid van hare toestand het beste beoordeelt,
zal gemiddeld de zege behalen, zie blz. 288 [101]. Dit is ook van
toepassing op den strijd tusschen het hoogere en lagere, zooals
bijv. tusschen beschaafde en onbeschaafde volken, tusschen aanhangers
van lagere en hoogere godsdiensten, zie blz. 287. Neemt men hierbij
den gemiddelden vooruitgang van het menschdom niet in aanmerking,
zoo zal de meerdere geschiktheid van dit hoogere of van dit lagere
gemiddeld aan dit of gene de zege verschaffen.
Het ten gevolge van den drang tot vooruitgang zich verwijderen van het
lagere, zie blz. 287, is eene werking van de wet der veranderlijkheid,
waarbij het gevolg deszelfs oorzaak min of meer versterkt; doch de
pogingen om zich tegen de achterwaarts trekkende werking van het lagere
te verzetten, en om het verkregen hoogere te behouden, zijn werkingen
der wet van geschiktmaking en van de wet der veranderlijkheid,
waarbij het gevolg deszelfs oorzaak (in dit geval de afwijking van
het lagere van het verkregen hoogere) te vernietigen. De werking der
wet van geschiktmaking tracht steeds ook, zonder dat er strijd in den
algemeensten zin plaats heeft, van lieverlede ongeschiktheden te doen
verdwijnen bijv. door bij de partij, wier uiterlijke magt derzelver
hulpbronnen overtreft, zijnde die gemiddeld aangevallen wordt, die
ongelijkheid weg te nemen, zie blz. 289.
De gevolgen van verschijnsels zullen op deze de beide eerste,
of de beide laatste der op blz. 338 gemelde uitwerkingen hebben,
al naar gelang zij, zie blz. 296 in contact komen en den invloed
ondervinden van andere verschijnsels, zoo of tegengesteld zijnde,
zooals bijv. het komen der op blz. 338 gemelde handelingen onder den
invloed van personen met of zonder oordeel en overleg. De op blz. 307
gemelde gevolgen, dient men, zie blz. 70, steeds met derzelver oorzaken
gelijkslachtig te stellen, en aldus in de stoffelijke en geestelijke
wereld alsware een uiterst groot aantal zich somtijds vertakkende,
somtijds ophoudende reeksen van gelijkslachtige, uit elkander
voortspruitende verschijnsels aan te nemen. Van ongelijkslachtige
oorzaken en gevolgen kan er eigenlijk geen sprake zijn, doch wel kan
het contact met andere er niet gelijkslachtig mede zijnde zaken, deze
laatste wijzigen, waardoor de gelijkslachtige gevolgen hiervan anders
worden, zie blz. 296 en 299. Vandaar is het op blz. 302 gezegde, dat
ligchaamsbewegingen gevolgen van geestelijken aard kunnen opwekken,
niet naauwkeurig. Van die bewegingen wijzigt het contact geestelijke
werkingen, waardoor deze andere gevolgen, er mede gelijkslachtig en
aldus insgelijks van geestelijken aard, opwekken. Zoo zal bijv. van
de menschelijke daad, bestaande in het werpen van brandstof in eenen
vuurhaard, het contact met de mededeeling der gloeijing van deelen
brandstof aan andere deelen, deze mededeeling wijzigen, en hierdoor het
hiervan gelijkslachtige gevolg, namelijk de vrijmaking van de latente
warmte binnen de zuurstof der lucht bevat door gloeijende brandstof,
anders namelijk sterker worden.
De warmteontwikkeling bij het vuur is een gevolg van die vrijmaking
dier zuurstofwarmte door gloeijende deelen brandstof, en zou steeds in
sterkte toenemen, zoo de werking der wet van geschiktmaking, in reden
der sterkte der warmte bij het vuur, die warmte er niet van afvoerde.
De er mede gelijkslachtige oorzaak van het vrijmaken der zuurstofwarmte
door gloeijende brandstof, is de mededeeling dier gloeijing van
het eene stuk brandstof aan het andere, en deze oorzaak wordt door
derzelver gevolg versterkt, zoodat dit in sterkte versnellende
zou toenemen, ware het niet, dat zekere werking der wet van
geschiktmaking, in de uitbranding der brandstof bestaande, zelfs bij
eene onbeperkte hoeveelheid hiervan, die sterkte eindelijk vertragende
deed toenemen. De werking der wet der veranderlijkheid doet echter de
mededeeling der gloeijing der brandstof als gevolg opwekken het niet
meer voorhanden zijn hiervan, terwijl de vrijmaking der zuurstofwarmte
door de gloeijende deelen brandstof als gevolg opwekt het blusschen
van het vuur, en beide die gevolgen zullen nu werken, zooals in noot
blz. 300 gezegd is, namelijk derzelver oorzaken vernietigen [102].
Het werpen van brandstof in het vuur behoort daarentegen tot eene
andere reeks van gelijkslachtige oorzaken en gevolgen. Tot oorzaak
heeft dit werpen voorafgaande handelingen van den stoker, en tot gevolg
zekere het stoken opvolgende handelingen, en wel zal op het stoken het
contact van het vuur van invloed kunnen zijn, maar enkel als eene er
mede ongelijkslachtige zaak. Die hevigheid van het vuur moet toch niet
noodwendig het stoken sterker of zwakker doen worden, zie blz. 297.
De werkingen der wet van geschiktmaking hebben wij niet onder de
gevolgen van hiermede gelijkslachtige oorzaken begrepen, omdat
die werkingen steeds evenredig blijven met de sterkte der zaken,
waardoor zij opgewekt worden, terwijl daarentegen de in werkingen
der wet der veranderlijkheid bestaande gevolgen door de er mede
gelijkslachtige oorzaken versterkt worden. Eveneens tracht het
contact, tusschen ongelijkslachtige, of (zie het voorbeeld van 260)
tusschen gelijkslachtige verschijnsels, als oorzaak de er door
teweeg gebragte wijzigingen bij die verschijnsels door zijn duur
te versterken. Deze somtijds niet ontstaande wijzigingen, werkingen
der wet der veranderlijkheid, kunnen beschouwd worden als gevolgen
van dit contact en door terugwerking kunnen zij dit verzwakken of
versterken. Zoo kan bijv. de verwarming van het ligchaam, door het
contact met een vuur, tot gevolg hebben, dat dit ligchaam tot het
vuur nadert, of er zich van verwijdert, en aldus dat dit contact
grooter of kleiner wordt. De vergrooting dier wijzigingen, ten
gevolge, der opwekkende werking van het contact, wordt, even als
op blz. 262 gezegd is, vertragende gemaakt door de werking der wet
van geschiktmaking. Dit is bijv. het geval, wanneer het gezigt van
eenig voorwerp het denken er over versterkt. Allerlei andere opkomende
gedachten maken dan, dat zie blz. 117 en 183 die over dit voorwerp na
zekeren tijd in sterkte slechts vertragende kan toenemen. Voorts kan
de werking der wet der veranderlijkheid maken, dat zulk een gewijzigd
wordend verschijnsel in contact komt met een ander, en dat dit laatste
contact eene tegengestelde wijziging er bij opwekt, zooals bijv. bij
het voorbeeld, zie blz. 341, van het contact van het vuur met iemand,
die dit tracht te blusschen. Somtijds kan dan zulk een verschijnsel
wijzigingen dan in deze en dan in tegenovergestelde rigting ondergaan,
doordat die eerste positieve wijziging alsware het contact noopt
negatief te worden, zie blz. 258.
Accidentele omstandigheden ten gevolge van wijzigingen, tot oorzaken
het contact van allerlei andere zaken hebbende, zullen echter
dergelijke verflaauwende schommelingen verstoren.
Wanneer gevolgen derzelver oorzaken onveranderd laten, of wel
versterken, kunnen zij zelve door een gevolg van henzelve vernietigd
worden, zonder dat hierdoor die oorzaak aangedaan wordt. Dit is
bijv. het geval, wanneer eenige blijvende zaak de menschen leidt
tot handelingen, waarmede zij na zekeren tijd wegens eenige rede
ophouden. Zoo een gevolg deszelfs oorzaak vernietigt, zonder deze
negatief te doen worden, zal, zoo bij dit gevolg de slijtende
werking der wet van geschiktmaking niet bestaat, het in grootte
steeds vertragende toenemen. Wederkeerige verzwakking, zie blz. 261,
kan ontstaan tusschen twee verschijnsels, waarvan het eene tijdens
het begin dier wederkeerige verzwakking bestaat en negatief of
tegenovergesteld zijnde, als gevolg door het andere zou opgewekt
worden onder wederkeerige versterking van gevolg en oorzaak.
Het verschijnsel, dat bij die wederkeerige versterking de oorzaak is,
ontstaat bij de wederkeerige verzwakking later dan het andere, en wel
op eene wijze tegengesteld aan die, waarop het bij de wederkeerige
versterking vernietigd wordt. Dit bijv. geschiedt bij nadering en
botsing van twee hemelligchamen bij derzelver aantrekking door de
opgewekte afstooting, zie blz. 283, terwijl bij de wederverwijdering
dier beide hemelligchamen de aantrekking weder ontstaat door de
verdwijning der afstooting. Dit is nu wel is waar een gevolg der
sterkte van verwijdering dier beide ligchamen, doch het is klaar, dat
deze niet op dezelfde wijze die aantrekking opwekt als verzwakt. Bij
wederkeerige versterking eene oorzaak, door derzelver gevolg versterkt,
en door eene andere werking van dit gevolg, onder medewerking hiervan
met iets anders, vernietigd wordende, zoo zal bij de wederkeerige
verzwakking eerstgemeld gevolg negatief zijnde en als verschijnsel
bestaande, slechts door medewerking met iets anders die oorzaak
opwekken. [103]
De werking der wet van geschiktmaking zal bij zulk eene wederkeerige
verzwakking het bovengemelde bestaande verschijnsel en het later
opgewekte sneller doen verzwakken, zoo die zelfde werking in het
omgekeerde geval de vergrooting, zoo van de oorzaak als van het deze
versterkende gevolg verzwakt.
Eene goede omgeving, waakzaamheid en voorzigtigheid kunnen iemands
gedrag beter doen worden, en de goede uitkomsten van zulke maatregelen
nopen hen te versterken. Later kan echter dit verbeterde gedrag,
zamenwerkende met bijv. slechte raadgevingen, die maatregelen overbodig
doen achten, en tot vernietiging er van leiden. Het tegenovergestelde
verschijnsel van het gevolg dier maatregelen is nu slecht gedrag, en
dit als verschijnsel bestaande, kan gepaard met goede raadgevingen,
opwekken waakzaamheid, voorzigtige behandeling, het brengen in goede
omgeving, enz. Deze zullen klaarblijkelijk op dit slechte gedrag (ook
buitendien door de slijtende werking der wet van geschiktmaking van
lieverlede vernietigd wordende) eene verzwakkende werking uitoefenen,
edoch ook die maatregelen kunnen door den duur van dit slecht gedrag,
door eene wegens niet genoegzaam resultaat ontstane moedeloosheid,
verzwakt worden, terwijl zij buitendien als iets bijzonders aan zekere
slijting onderhevig zijn.
De op blz. 165 gemelde wijzigingen der onregelmatige
aantrekkingstrillingen van den ether door het bestaan binnen deze van
bijzondere ligchamen, zullen die aantrekkingstrillingen regelmatig
doen worden.
Bij de onregelmatige afstootings- of warmtetrillingen van den ether
heeft dit insgelijks plaats door het bestaan van bijzondere ligchamen,
omdat die trillingen op de van deze ligchamen uitgaande stralen zulk
eene wijziging ondergaan, dat zij deels worden transversale trillingen,
waarbij het aantal trillingen per seconde even groot is als bij dat
der warmtetrillingen dier bijzondere ligchamen. Wanneer die stralen
tusschen twee ligchamen, waarvan het eene warmte opslurpt, loopen,
zal het aantal dier transversale ethertrillingen gelegen zijn tusschen
die bij de warmtetrillingen dier beide ligchamen bestaande. [104]
Ook bij deze laatste soort van trillingen bestaat er in zooverre
regelmatigheid, dat de temperaturen, gemeten door het aantal der
trillingen per seconde, van het eene punt naar het andere min of
meer egaal af of toenemen. Dit belet echter niet dat het overgaan
in dergelijke warmtetrillingen van bijv. geluidsgolven eene de
onregelmatigheid bevorderende werking der wet van geschiktmaking is. De
aantrekking van massas digter dan en onderscheiden van den ether,
aldus van iets bijzonders, perst om zich heen gassen te zamen, doet
deze condenseren, onder vermindering der banen der warmtetrillingen
en verhooging van het aantal dezer per seconde, of anders gezegd
onder overgang van latente warmte in vrije warmte. Bij nog sterkere
zamenpersing, waarbij de afgifte van vrij geworden warmte voortgaat,
kunnen die vochten stollen, en daar nu de onregelmatigheid bevorderende
werking der wet van geschiktmaking vochten en ook vaste ligchamen
(voor zooverre deze niet verrotten) doet verdampen, en aldus een
omgekeerden overgang der stof te weeg brengt, moeten de vochten in
het algemeen in een meer bijzonderen toestand dan de gassen en in
minder bijzonderen toestand dan de vaste ligchamen verkeeren.
Terwijl dan ook bij de vloeistoffen, wier deelen zeer verschuifbaar
zijn, binnen gelijke kubieke ruimten, betrekkelijk weinig moleculen
bevattende, het aantal dezer zeer zal verschillen, en daarentegen
binnen gelijke kubieke ruimten, zeer veel moleculen bevattende, dit
aantal betrekkelijk zeer weinig verschilt, zie blz. 311, moet bij
de vaste ligchamen en vooral bij de elastieke, het tegenovergestelde
plaats hebben.
Wordt bijv. een elastiek vast ligchaam verticaal ingedrukt, zoo zet
het zich in horizontale rigting uit, en moeten in die rigting de
aantrekkingen tusschen de zich van elkander verwijderende moleculen
grooter dan derzelver afstootingen worden, en het omgekeerde in
de verticale rigting plaats hebben. Anders toch zou het ligchaam,
na het ophouden der indrukking, deszelfs primitieve gedaante niet
weder kunnen hernemen.
Dit nu zal slechts mogelijk zijn, zoo er tijdens de indrukking geene
blijvende verschuiving van moleculen plaats heeft, dat weder slechts
mogelijk is, zoo de aan elkander grenzende uiterst kleine kubieke
ruimten, elk niet veel moleculen bevattende, er ongeveer evenveel
inhouden. Dat de kubieke ruimten, elk zeer veel moleculen bevattende,
er bij de vaste ligchamen niet evenveel inhouden, hetgeen vooral bij
de zeer merkbaar poreuse onder hen het geval is, belet daarentegen
dit niet blijvende zijn der onderlinge verschuiving der moleculen
niet, mits de moleculen massas, tusschen die porien gelegen, dik
genoeg zijn om niet te breken. Bij de stolling van vochten moet
er aldus iets plaats hebben, als op blz. 313 gezegd is, namelijk,
door het gelijktijdig dringen van veel moleculen naar eene plaats
en het zich gelijktijdig verwijderen van andere plaatsen, er eene
grootere regelmatigheid ontstaat [105]. Eene soort van veerkracht
als die der vaste ligchamen bezitten de vloeistoffen niet, dan voor
zooverre zij kleverig zijn, en derzelver moleculen aldus niet volmaakt
verschuifbaar zijn. Het niet bevatten van evenveel moleculen door
evengroote ruimten, er elk niet veel van inhoudende, moet voorts bij de
vochten in verband gebragt worden met de moleculaire warmtetrillingen,
bij hen, wegens het bevatten van meer latente warmte, grooter zijnde
dan bij de vaste ligchamen.
Bij chemische verbinding heeft er, even als bij stolling en
condensatie, overgang van gebondene in vrije warmte plaats, terwijl bij
chemische verbinding gemiddeld, ofschoon niet steeds, de stoffen van
den gasvorm tot den toestand van vochten of vaste ligchamen gebragt
worden. In het algemeen kan dus chemische verbinding beschouwd
worden als eene werking der wet der veranderlijkheid in strijd met
de onregelmatigheid verwekkende werking der wet der geschiktmaking,
zie blz. 251. Het is echter eene primaire werking dier laatste wet,
welke, door de stoffen chemisch te ontleden, de ontbondene meer dan
de verbinding op de natuur van den ether doet gelijken. Waar er toch
chemische verbindingen bestaan, kunnen, terwijl die primaire werking
hen tracht te ontleden, secondaire werkingen dier wet, zie blz. 24,
er andere stoffen mede in harmonie brengen, door deze chemisch met
elkander te verbinden. Een dergelijke secundaire werking is bijv. de
verbinding der metalen met de zuurstof, waardoor er met de natuur
van de aardkern en van de anorganische aardkorst, alsware in harmonie
zijnde chemische verbindingen ontstaan. De scheikundige verwantschap
tusschen stoffen is toch niet zoo zeer iets aan deze eigen, dan
wel het gevolg der omstandigheden waarin zij zich bevinden. De
vochtigheid, de warmte enz. hebben er grooten invloed op, en men
kan zich even goed zie blz. 159 een hemelbol van meer etherachtige
en chemisch minder zamengestelde natuur dan onze aarde denken,
alwaar ijzeroxyde zonder kunstmiddelen, door opneming en binding der
warmte van omgevende ligchamen en verbreking der moleculen door de
vergrootende warmteafstooting, in ijzer en zuurstof overgaat, alsdat op
deze aarde bijv. de planten in water en koolzuur ontleed worden. [106]
Zoo kan het weren van bederf, eene tertiaire werking der wet van
geschiktmaking, namelijk eene met betrekking tot de organische stoffen
zelve zijn; terwijl dit bederf zelf eene secondaire werking dier wet
is, wegens de disharmonie tusschen de levende organismen en de aarde,
zie blz. 94. Tusschen die twee werkingen der wet van geschiktmaking
bestaat er nu een strijd, maar waarbij zoo, zie blz. 195, geene
werking der wet der veranderlijkheid gedurig nieuwe levende organismen
vormde, de tertiaire werking even goed het onderspit zou delven,
als de verdediging van een staat, noch op de nationaliteit, noch
op de behoeften der ingezetenen gebaseerd, of zie blz. 256 later
geschikt kunnende worden, voor de ondermijning van het bestaan van
zulk een staat. De drang der vaste stoffen en vochten om te verdampen,
zie blz. 316, ontstaat ten gevolge eener primaire werking der wet
van geschiktmaking, en secundaire werkingen hiervan met betrekking
tot de aarde kunnen een tegenovergesteld effect uitoefenen. Die
secundaire werkingen kunnen bijv. gerekend worden hier op aarde
alles in harmonie te brengen met den toestand van hare kern en korst,
zoo de aarde zeer ver van de zon gelegen was, en tot zulke werkingen
behooren dan de gedurige uitstraling door de aarde van opgeslurpte
zonnewarmte, het vervoer van warmte van den evenaar naar de polen,
enz. De nabijheid der aarde van de zon is toch, zie blz. 161, eene
bijzonderheid, die de werking van blz. 163 zal trachten op te heffen,
doch er bestaan tertiaire werkingen der wet van geschiktmaking
trachtende alles op deze aarde te brengen in harmonie met haren
gemiddelden toestand met betrekking tot de zon. Alle afwijkingen
hiervan, zoo periodieke als accidentele, zal die tertiaire werking
der wet van geschiktmaking trachten te vernietigen. Hierdoor wordt
er bijv. van de dag- en zomerzijde der aarde warmte gevoerd naar de
nacht- en winterzijde, en hierdoor zullen, wanneer de zonnewarmte
veel water heeft doen verdampen, die dampen later condenseren, iets
dat niet zou plaats hebben, zoo de aantrekkingskracht der aarde die
dampen niet zamenperste, en hen daardoor belette ten gevolge der op
blz. 345 gemelde primaire werking der wet van geschiktmaking steeds
meer uit te zetten [107].
Electriciteit kan kwalijk als in harmonie met de verdeeling der warmte
beschouwd worden, omdat de beide electriciteiten neiging bezitten om
elkander te vernietigen onder overgang der elektrieke beweegkracht in
warmte zie blz. 251, welke laatste zich dan evenzoo, ten gevolge der
werking der wet van geschiktmaking, verspreid, als zekere hoeveelheid
wijn, binnen water gestort, zulks doet.
Eene primaire werking van gemelde wet put de snelheid van den wind
uit, doch, met betrekking tot de wentelende en aan de zonnewarmte
blootgestelde aarde, zal eene secundaire werking dier wet slechts alle
afwijkingen van zekere constante hoofdwinden trachten te vernietigen
[108]. Evenzoo is het met de zeestroomen gelegen, en men kan aannemen,
dat eene tertiaire werking der wet van geschiktmaking alle afwijkingen
van constante stroomen met betrekking tot door vaste landen en
eilanden afgebroken en ongelijk diepe zeeen vernietigt, terwijl zie
blz. 254 eene secundaire werking dier wet, zooals bijv. het afvallen
en afschuiven van aardsche voorwerpen, de aardkorst overal met eene
zee van gelijke diepte tracht te bedekken.
Dat de werking der wet van geschiktmaking zaken in harmonie met
volgens zekere regels veranderende toestanden tracht te brengen,
ofschoon alsdan die harmonie steeds onvolmaakt blijft, hiervan is
reeds op blz. 233 gesproken. Meer primaire werkingen dier wet zullen
echter die regelmatige veranderingen trachten te vernietigen.
Het kenteeken van harmonie bij zaken is het gemis er bij van oorzaken
van verandering anders dan die, wegens het zijn dier zaken binnen de
veranderlijke wereld, voortspruiten, en onder laatstgemelde oorzaken
moeten ook geteld worden die welke de zaken, waarmede gene in verband
staan, wijzigen. Gesteld toch, dat er harmonie bij eene zaak bestaat,
zoo zal, bij verandering van het verband er van met andere zaken,
die harmonie verbroken worden, zooals bijv. die bij de constante
zeestroomen bij verandering der kusten.
Men kan zich voorts ook voorstellen, dat er harmonie bestaat bij
eene bijzondere zaak afhangende van eene meer algemeene. Verandering
bij deze laatste kan dan zelfs maken, dat er van die bijzondere
zaak later geene questie meer kan zijn, zooals bijv. van het goed
verdeelen van levensmiddelen binnen ingeslotene vestingen na het
ontzet dezer. In de werkelijkheid bestaat er slechts een volmaakt
harmonischen toestand, namelijk de onveranderlijke en algemeenste
veropenbaring der zelfstandigheid door denking en beweging. Bij alle
andere meer of minder bijzondere zaken bestaan er echter alsware
door het zijn er van geboren werkingen, welke die zaken zoodanig
trachten te wijzigen, dat deze in een nieuwen, wegens de gedurige
werking van allerlei accidentele oorzaken, nimmer volmaakt bereikt
wordenden toestand gekomen zijnde, die er uit voortgesproten werkingen
zouden ophouden te bestaan. Deze zijn nu die wij de werkingen der
wet van geschiktmaking genaamd hebben. Toestanden, uit met elkander
in verband zijnde zaken bestaande, worden er door meer harmonisch
gemaakt door wijziging dier verschillende zaken, en wel zoo, dat die
het moeijelijkste kunnen gewijzigd worden, of wel het meeste op die
toestanden van invloed zijn, door de werking der wet van geschiktmaking
het minste gewijzigd worden, zie blz. 265 en 289.
Wanneer oorzaken gevolgen verwekken, welke hen vernietigen, moeten
die gevolgen de toestanden, waarvan die oorzaken eenige der met
elkander in verband zijnde zaken vormen, meer harmonisch maken, zoo
tevens die gevolgen door het bestaan dier toestanden geboren worden,
omdat alsdan die oorzaken het karakter van afwijking bezitten. Zoo
bijv. omdat het peil der moraliteit bij eene maatschappij grooter is
dan die van een slecht mensch, er deel van uitmakende, deze zoodanig
wordt behandeld, dat de slechtheid van zijn karakter vernietigd wordt,
zal die maatschappij in zedelijkheid meer harmonisch worden, daar
dan toch derzelver leden elkander minder door omgang en voorbeeld in
moraliteit zullen doen veranderen.
Zoo echter derzelver oorzaken vernietigende gevolgen niet tevens
door de zoo even gemelde toestanden geboren worden, behoeven zij de
harmonie bij het een of ander niet te bevorderen, en zelfs kunnen
dergelijke gevolgen, door in het algemeen verandering te weeg
te brengen, de harmonie bij met elkander in verband zijnde zaken
verstoren. Terwijl toch die oorzaken hier als ware buiten liggen,
kunnen derzelver gevolgen er in grijpen, zie blz. 342. Hetzelfde valt
op te merken omtrent gevolgen derzelver oorzaken versterkende, doch,
wegens eene bijzondere rede, zullen dergelijke gevolgen de harmonie bij
toestanden verstoren, wanneer zij zaken, die, met andere in verband,
zulke toestanden vormen, op eene wijze tegengesteld aan die, welke uit
dien toestand voortspruit, wijzigen, namelijk wanneer afwijkingen er
door versterkt worden. Zoo men bijv. iemand, boven zijne medemenschen
in deugd uitstekende, zoodanig beloont, dat hij nog meer boven deze
gaat uitsteken, is dit niet tevens het gevolg van de betrekking,
waarin zijne zedelijkheid staat tot die zijner medemenschen, maar
wel van het niet voldoen dezer aan de eischen van hun zedelijk en
maatschappelijk bestaan. Door zulke verheffingen van individuen wordt
echter niet de harmonie bij een toestand van zaken bevordert, want op
blz. 277 hebben wij gezegd, dat door dit meer harmonisch worden van
zulk een toestand, de door het wezen er van geboren werkingen, door
zwakker te worden, hen minder zullen trachten te wijzigen. Nu is wel
is waar de zedelijkheid der menschen in verband met de eischen van hun
zedelijk bestaan, maar tevens met de werking der zinnelijkheid, en de
terugtrekkende werking hiervan zal sterker zijn, naarmate de menschen
meer aan de eischen van hun zedelijk bestaan voldoen. Eene uit hun
wezen, en hetgeen hiermede in verband staat, voortspruitende werking
tracht alsdan, in plaats van eene flaauwere, eene sterkere wijziging
tot stand te brengen. Op blz. 270 hebben wij wel is waar gezegd, dat
bij menschen, aan de eischen van hun maatschappelijk bestaan voldoende,
de bij hun geest bestaande ongeschiktheid op een minimum zou zijn, doch
hierbij is hun verband met de zinnelijkheid, met het dierlijke egoïsme,
zie noot blz. 139, niet in aanmerking genomen. Bij toestanden van met
elkander in verband zijnde zaken, waarbij de eene dezer dien toestand
zus en andere hem op eene tegengestelde wijze tracht te wijzigen,
en waarbij aldus het gemis aan eene er uit voortspruitende werking,
hem trachtende te wijzigen, ontstaat, doordat dergelijke werkingen
elkander opheffen, bestaat er buitendien slechts in zeker opzigt
harmonie. Voor harmonie in alle opzigten zoude geen dier zaken zulk
eene den toestand wijzigende werking moeten trachten uit te oefenen.
Men dient wel het goede van het harmonische te onderscheiden. Het kan
bijv. gebeuren, dat iets goeds, in zamenwerking met andere oorzaken,
een gevolg verwekt dat het vernietigt, doch daar zie blz. 351 het
harmonische iets is, dat uit zich zelf geene aanleiding tot verandering
er van geeft, kan het een dergelijk gevolg niet verwekken. Goede
zaken kunnen, zie blz. 338, bestendigd worden door de uitwerking van
er door opgewekte gevolgen, terwijl daarentegen harmonische zaken,
door de werking der traagheid in stand gehouden wordende, zoo zij
geene storing door er niet uit voortspruitende zaken ondervinden,
dergelijke gevolgen niet kunnen opwekken.
Bij het harmonisch maken van met elkander in verband zijnde zaken,
kan er slechts sprake zijn van hetgeen die harmonie verstoort te
vernietigen, en zoo nu die storing bestaat in gemis aan iets, zal dit
gemis, als oorzaak werkende, een gevolg opwekken, dat het vernietigt en
aldus aanvult. Zoo nu dit gemis opwekt een gevolg dat deszelfs oorzaak
niet vernietigt, zal dit gevolg niet tevens door de afwijkingen van
den harmonischen toestand bij zoo even gemelde zaken geboren worden.
Het schoone, dat wij op blz. 97 gezegd hebben te zijn de innerlijke
harmonie bij zaken, moet meer uit zich zelf geene aanleiding geven
tot veranderingen er bij dan het goede, of de geschiktheid van iets
voor hetgeen waarmede het in verband komt, zie blz. 271. In ons werk
getiteld: "Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz.",
blz. 501, hebben wij de stelling ontwikkeld, dat het schoone bij
den gemiddelden toestanden van zaken bestaat, en nu zijn het juist
de afwijkingen van zulke gemiddelde toestanden, zooals die der juist
geproportioneerde menschelijke gestalte, die uit zich zelf natuur en
kunst nopen om hen te doen verdwijnen.
Geschiktheid van iets voor verschillende, bijv. zie blz. 231, ten
gevolge van ongelijke verandering, op verschillende hoogten gekomen,
en aldus met betrekking tot elkander onharmonische zaken, kan binnen
eene in tijd en ruimte veranderlijke wereld slechts onvolkomen
zijn, en uit dien hoofde zullen de toestanden, waarbij dergelijke
geschiktheid bestaat, uit zich zelve aanleiding tot verandering er
van geven. Wetten kunnen bijv. gewijzigd worden, ten einde er dan
deze en dan gene belangen mede te bevredigen, al zijn zij zoo goed
mogelijk. Moet het wetboek verbeterd worden, zoo wijst het zich niet
van zelf aan hoe slechts de afwijkingen van dit wetboek van een dat
goed is, behoeven vernietigd te worden, en leemten er in wijzen niet
even bepaald de aanvulling aan, als bij eenig menschenligchaam het
gemis der neus aanwijst, dat er eene neus bij zou behooren, om het op
het door geene afwijkingen mismaakte menschelijke ligchaam te doen
gelijken. Zulk eene leemte in een wetboek kan zeer wel, als oorzaak
werkende, als gevolg handelingen bij wetgevers hebben, welke, na
vergelijking der voor- en nadeelen er van, haar laten bestaan en zelfs
versterken. Om aan reeds bestaande eischen bij het oude wetboek, aldus,
zonder dat de behoeften der maatschappij veranderd zijn, te voldoen,
kan men oude wetten in zekeren zin beginnen te wijzigen, en het gevolg
of de bearbeiding dier wetten leiden tot versterking der wijziging.
Veranderen de eischen der omstandigheden, zoo verandert ook het
goede, terwijl het harmonische zulks blijft, al verliest het ook
zijn objectief bestaan. In dit laatste geval verkeert bijv. eene
despotieke regeering met een tal van verspieders, een huurleger,
geheime regtspleging enz. in de beschaafde wereld, alwaar vooral
de middelpartijen, ten koste van harmonie en consequentie, goede
regeringen wenschen daar te stellen.
Men make voorts onderscheid tusschen disharmonie, wegens door
accidentele oorzaken ontstane afwijkingen bij eene zaak, terwijl deze
overigens gelijksoortig blijft met die zaak, zoo die afwijkingen
niet bestaan, en disharmonie, wegens het met elkander in verband
zijn van ongelijksoortige zaken. De eerste soort van disharmonie
wordt bijv. voortgebragt door de ongelijkheden van de aardkorst,
door de ongelijke verdeeling der warmte, de ongelijkheid in rijkdom
der menschen, enz. De tweede soort van disharmonie bestaat bijv. bij
het verband tusschen de planten en de onbewerktuigde aarde, bij
dat tusschen ziel en ligchaam, en verschilt hierin met de eerste,
dat, terwijl hierbij de vernietiging der afwijkingen, ter vorming
van een geschikten toestand, slechts van eene zijde geschiedt,
zij bij die tweede soort van twee zijden en alsware zie blz. 348
tegen elkander in plaats heeft. De planten, waarbij er, tusschen
derzelver contact met andere zaken als oorzaak en derzelver grootte
als gevolg, wederkeerige versterking plaats heeft, trachten, ten
bate van haren toestand, de onbewerktuigde stof organisch te maken,
terwijl de aarde, ter bevordering van derzelver harmonischen toestand,
het tegenovergestelde poogt te doen, en hierdoor onder anderen de
vergrooting der planten, zie blz. 336, limiteert. Nu moge bij beide die
met elkander in strijd zijnde geschiktmakende werkingen gedeeltelijk
uit dezelfde soorten van veropenbaring der zelfstandigheid door
beweging, zooals aantrekking, warmte, electriciteit enz. bestaan,
ofschoon er wel bij de organische werkingen zullen bestaan, die bij
de onbewerktuigde aarde gemist worden, het blijft niettemin waar, dat
men hier niet met eene de planten voortbrengende aarde te doen heeft,
omdat alsdan dier planten bestaan in den harmonischen toestand dier
aarde in derzelver betrekking tot de zon alsware bevat zou zijn.
Wel is waar schikken de planten zich hiernaar, maar slechts ten
bate van haar eigen toestand, even als vijanden zich naar elkander
schikken, ten einde elk voor zich op de doeltreffendste wijze voordeel
te verschaffen. [109], zie blz. 339. In wereld der verscheidenheid gaat
dit een en ander ook door voor andere met elkander in verband zijnde
zaken, elk strevende naar een eigen harmonischen toestand, doch die
wereld der verscheidenheid moet tevens die der veranderlijkheid zijn,
zoodat de streving naar al die verschillende harmonische toestanden
van meer of minder algemeenen aard gedurig tegengewerkt wordt. Onder
die veranderingen, en wel zie blz. 69, als gevolg van de accidentele
veranderingen in het algemeen beschouwd, bevindt zich nu ook die,
waarbij de ontwikkeling van het op blz. 194 gemelde eigenlijke wezen,
dier naar eene eigene harmonie strevende zaken, vergroot wordt, totdat
die kernen, wanneer derzelver ontwikkeling de palen der eindigheid
bereikt heeft, volkomen zamensmelten en harmonisch worden met de
onveranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en
door denking.
Wanneer de handelingen van wezens een doel hebben, strekken zij om
bij het een of ander geschiktheid te weeg te brengen, al zij het
dat hierdoor bij andere zaken, zelfs die van meer verheven aard,
de ongeschiktheid vergroot wordt, en daar de wezens die doelen,
zie blz. 267 niet op de meest directe wijze trachten te bereiken,
kan het gebeuren, dat zij daarvoor niet den juisten weg inslaan. De
rest hunner handelingen zijn, of zooals men zegt toevallig, of wel
gedwongen, waarin men hen alsware als verbonden aan de handelingen
van anderen kan rekenen. Voor de handelingen, niet uit de denking
der eindige wezens voortvloeijende, geldt hetzelfde, uitgezonderd
het bereiken van doelen op niet volstrekt directe wijze, en aldus
de mogelijkheid om niet op den juisten weg te zijn om die doelen
te bereiken. [110] Zoowel de handelingen, die niet, als die wel
voortvloeijen uit de denking der zie blz. 144 afgescheidene wezens,
zijn aldus deels toevallig, en ware dit het geval niet, zoo zou
de verscheidenheid, het gedurig ontstaan van nieuwe toestanden,
waarvoor geschiktheid moet gevormd worden en de hierdoor ontstaande
ontwikkeling der wezens gemist worden. Op blz. 299 hebben wij gezegd,
dat de verschijnsels bevatten bijzonderheden, deze bijzonderheden
andere nog sterker dan de voorgaande van het algemeene afwijkende
enz. Elk dezer verschijnsels bestaat nu uit met elkander in contact
zijnde, elkander wijzigende en gevolgen opwekkende handelingen van
de afgescheiden eindige wezens, of wel van het Oerwezen, voor zoo
verre dit zie blz. 170 eene veranderlijke natuur bezit. Elke oorzaak
is een verschijnsel, elk gevolg insgelijks, elke werking der wet van
geschiktmaking vormt, hetzij afzonderlijk, hetzij, zooals bij het geval
van blz. 259, vereenigt met derzelver oorzaken uitputtende gevolgen,
verschijnsels, het in stand blijven van zaken, ten gevolge der wet
der traagheid, doet dit insgelijks. Elk dier verschijnsels bevat nu
meer bijzondere verschijnsels, in elk dier gevallen kunnende vormen
oorzaken, gevolgen werkingen der wet van geschiktmaking en werkingen
der wet der traagheid, hiervoor gaat weder hetzelfde door enz., totdat
men komt tot de meest bijzondere verschijnsels op blz. 300 aangegeven.
Iemands goed gedrag, eene oorzaak het beloonen tot gevolg hebbende,
kan bijv. beschouwd worden als een verschijnsel bevattende bijzondere
daden, zijnde oorzaken of gevolgen van andere daden, of wel, even als
op blz. 342 gezegd is, wijzigingen voortbrengende contacten tusschen
toestanden, of het wennen dan aan deze dan aan gene toestanden, of
het gedurende eenigen tijd blijven in toestanden, niet alleen wegens
geschiktheid er voor, maar tevens omdat men er verkeert.
Het zich voegen van een landverhuizer naar een vreemd klimaat en een
vreemden maatschappelijken toestand, kan ook beschouwd worden als een
verschijnsel, een menigte meer bijzondere verschijnsels bevattende,
en hierbij weder al de gevallen bij de bijzondere verschijnsels van
het voorgaande geval voorkomen. Het volhouden bij eenmaal aangenomen
meeningen, waardoor nieuwe en grootere wetenschappelijke gehalte
bezittende denkbeelden, vaak zoo traag bij het publiek ingang vinden,
zie blz. 212, deels eene werking der traagheid, kan alsmede aangemerkt
worden als een verschijnsel bevattende vele bijzondere verschijnsels
zijnde oorzaken of gevolgen van andere dergelijke verschijnsels,
benevens werkingen der wet der geschiktmaking en der traagheid.
De werkingen der anorganische aarde, der levende organische natuur en
der kunst oefenen invloeden op elkander uit, even als dit bijv. doen
de daden der verschillende soorten van werklieden, zooals smeden,
metselaars en timmerlieden. Evenzeer als nu deze allen bijv. een last
kunnen ophalen, en nogthans elkanders werk niet kunnen doen, evenzeer
kunnen de anorganische aarde, de organische natuur en de kunst,
eene zelfde werking verrigten, (bijv. eene van osmotischen aard)
en desniettemin niet dezelfde producten leveren. Zoo kan bijv. de
kunst evenmin een boomblad daarstellen, als de levende organische
natuur een uurwerk kan maken zie blz. 195.
De werking der wet der traagheid, benevens de standvastigheid te weeg
brengende werking der wet van geschiktmaking moeten de indrukken van
dezelfde zaken bij de wezens dezelfde houden, tenzij zie blz. 333
oorzaken, van den aard als die men kan leeren kennen, die indrukken
veranderen, zooals bijv. het anders zien der voorwerpen bij het scheel
zien enz. [111]
De werking der wet van geschiktmaking leidt de wezens om door opmerking
en oordeel met juistheid te leeren kennen wat waar, schoon, goed en
verheven is, omdat zij zie blz. 178 het vooruitloopen der controlerende
aanschouwing en der kritiek door de meeningen der menschen tracht te
verminderen, en de beoordeeling van veranderde of nieuwe toestanden
van zaken van lieverlede juist tracht te doen worden.
Die werking overwint van lieverlede de traagheid, zoowel bij gewoonten
als bij meeningen, die geen grond van bestaan meer bezitten, zoodat
haar bestaan het sceptieke gezegde, dat de menschen geene gronden
voor hunne handelingen kunnen bezitten, en veroordeeld zijn om de
gewoonten te volgen, valsch maakt.
Overdrijving van deugden bestaat zie blz. 271 in het te veel
verzuimen van het eigenbelang in het heden ten bate van toekomstige
en vreemde belangen. Verbastering van deugden daarentegen in het
tegenovergestelde, of wel in het gemis aan paring van intellectuele
ontwikkeling met zedelijke ontwikkeling zie blz. 293. Men bedenke
hierbij dat, wegens de invloeden van ligchaam en omgeving op den
geest der wezens (bij de menschen kleiner dan bij de dieren) zij in
de opvatting van hun genoegen in het heden zeer verschillen; de een
doet bijv. dat genoegen in veiligheid en rust, de ander in het begaan
van roekelooze daden, de derde in verkwisting, de vierde in doellooze
verzameling van goederen bestaan.
Somtijds ontstaan er evenwigtstoestanden, wanneer eene blijvende
oorzaak een gevolg opwekt, en dit weder een ander gevolg, dat het
vorige tracht te vernietigen en negatief te maken. Is toch dit eerste
gevolg nul geworden, zoo zal het tweede niet meer versterkt worden,
en het eerste even sterk negatief trachten te doen worden, als de
oorzaak het in de positieve rigting tracht te vergrooten.
Zoo zal bijv. de aantrekking der aarde een bij twee punten
ondersteunden zwaren balk met toenemende sterkte trachten te vervormen;
terwijl de overmaten van moleculaire aantrekking en afstooting binnen
dien balk, hiervan de doorbuiging zullen trachten te vernietigen, en
ten gevolge der veerkracht negatief te doen worden. Bij zekere sterkte
van doorbuiging kan nu de drang tot vergrooting hiervan door deszelfs
oorzaak, de aantrekking der aarde, opgewogen worden door den drang tot
verkleining er van door het gevolg dier doorbuiging. Bestendig meer
vraag naar eenige waar, heeft tot gevolg verhooging van den prijs er
van, terwijl deze vergrooting van het bod opwekt. Zijn nu de prijzen
weder even hoog als vroeger geworden, zoo zal dan die meerdere vraag
hen evenzeer trachten op te voeren, als dit tweede gevolg hen tracht
te verlagen.
Bij dergelijke gevallen bestaan er twee in tegengestelde rigting
werkende verschijnsels, welke uit zich zelf aanleiding tot verandering
zou kunnen geven. Men heeft aldus dan wel zie blz. 12 een toestand van
evenwigt, maar niet van harmonie. De steunpunten van bovengemelden balk
kunnen bijv. zijn menschen, die zulk een zwaren last slechts gedurende
korten tijd kunnen torschen, en zooeven gemelde vraag behoeft niet
steeds door een voortdurend grooter verbruik van eene waar te ontstaan.
Wij hebben op blz. 352 gezegd dat, naarmate afwijkingen van harmonische
toestanden kleiner worden, de werking der wet van geschiktmaking hen
trager zal vernietigen. Dit geschiedt bijv. wanneer al de deelen
van brandstoffen tegelijk branden, daar alsdan de omvang van het
vuur gaandeweg zal verminderen. Zooals op blz. 358 gezegd is,
kan echter zulk eene werking bevatten bijzondere verschijnsels,
zijnde werkingen der wet der veranderlijkheid, waarbij de gevolgen
de oorzaken versterken of vernietigen. Zoo kan bijv. bij het in het
algemeen verbranden van organische stoffen, derzelver reductie tot
anorganische stoffen versterkt worden door mededeeling der gloeijing,
zie blz. 341, doch ook verzwakt worden door ontstaand gebrek aan
nabij gelegen brandstof.
Een zamengesteld doel, zie blz. 257, een gevolg zijnde der
verscheidenheid in de ruimte, zoo kan bij zaken, er voor bestemd, zie
blz. 306, geene volmaakte geschiktheid ontstaan, doch de geschiktheid
bij die zaken kan dan verder gedreven worden, dan zoo het doel
veranderlijk is, en die zaken, zie blz. 230, niet voor verandering
vatbaar zijn.
Een zamengesteld doel bestaat bijv. bij het zie blz. 305 te gelijk
trachten te voldoen aan den welstand der menschen op deze aarde en
aan derzelver geestelijke ontwikkeling zie blz. 270. Hoe het eerste
geschaad wordt ten bate van het laatste, blijkt bijv. somtijds bij
het strijden en niet toegeven ter wille der eer.
Accidentele afwijkingen van een bijzonderen harmonischen toestand
wekken, terwijl de werking der wet van geschiktmaking hen tracht
te vernietigen, als gevolgen, zie blz. 265, afwijkingen van een
anderen aard bij dien toestand op; de laatste afwijkingen weder andere
enz. Het bijzondere van zulk een toestand maakt namelijk het opwekken
van dergelijke gevolgen mogelijk, zoodat, hoe algemeener karakter
die toestand bezit, hoe zwakker die reeks van uit elkander volgende
afwijkingen zal zijn.
Bestond er geene slijtende werking der wet van geschiktmaking,
zoo zouden, wanneer de gevolgen derzelver oorzaken trachten te
vernietigen, die vernietiging gemiddeld opwegen tegen de opwekkende
werking dier oorzaken bij derzelver gevolgen, en aldus de leden van
bovengemelde reeks gemiddeld gelijk aan elkander zijn zie blz. 265. De
latere moeten daarentegen grooter worden, zoo de gevolgen derzelver
oorzaken onveranderd laten of versterken, zoodat, wanneer het een en
het ander plaats heeft, en zooeven gemelde slijtende werking bestaat,
de latere leden der reeks noch steeds grooter, noch steeds kleiner dan
de vorige zullen worden. Nu bestaan er op elk oogenblik eene menigte
van afwijkingen van zulk een bijzonderen harmonischen toestand, en
elk dier afwijkingen brengt eene dergelijke reeks voort. Daar echter
van elk dezer de leden van invloed zijn op die der andere reeksen, zoo
zullen bij de latere leden dier reeksen die invloeden van lieverlede
in de plaats treden van de invloeden der eerste leden dier reeksen, en
die laatste invloeden aldus zwakker worden, hoe verder de latere leden
dier reeksen van de eerste gelegen zijn. De uitwissching dier invloeden
kan ook als eene werking der wet van geschiktmaking beschouwd worden.