AANTEEKENINGEN

[1] Wiskundigen zouden zeggen, dat het aantal zuiver blanken bij de

nde generatie gemiddeld het 1/(22n)de of 1/(22n)de deel der individuen

dier generatie zal bevatten.

[2] Hierbij is eigenlijk verondersteld, dat de voortplanting door

hermafroditen geschiedt, want anders zal een toevallig niet slechter

dan hare ouders georganiseerd wijfje, meestal paren met een door

de werking van het toeval slechter dan zijne ouders georganiseerd

mannetje.

[3] Als secundaire verbetering kan aangemerkt worden, het krachtig

verdedigen van een privilegie, wanneer vroegere bezitters er van

hetzelve uit zwakheid in minachting gebragt hebben; als primaire

verbetering het niet beleid opgeven van zulk een privilegie, zoo dit

in strijd is met het publieke welzijn.

[4] Zie blz. 64 van het vervolg van het hierboven gemelde werk.

[5] Even als bij het voorbeeld van blz. 15, voor het verstoren der

juiste rangschikking, bestaat er hier meer kans dat die accidentele

oorzaken het uiteenloopen grooter, dan dat zij het minder zullen

doen worden.

[6] Uit het feit, dat uit eene diersoort er vele tamme rassen

voortspruiten, kan geen gevolg getrokken worden voor hetgeen in den

wilden staat plaats heeft. Wanneer toch eene diersoort getemd wordt,

ondergaat zij eene soort van revolutie en hervormen de menschen haar

door kunstkeus en entrainement in zooveel verschillende tamme rassen,

als zij noodig hebben, om, nadat hun doel bereikt is, hiermede op

te houden.

[7] Zoo kunnen bijv. de thans bestaande leeuwen van de grootste

en meest ontwikkelde tijgers van het tertiaire tijdvak en de thans

bestaande tijgers van wat lager staande katachtige dieren van dit

tijdvak afstammen.

[8] Hierop moet vooral gelet worden, wanneer men, om de vruchten van

het onderwijs na te gaan, deze bij bewoners van groote steden met

die bij bewoners van achterafhoeken vergelijkt.

[9] Hiertoe behooren de nadeelen door de stormen aan de scheepvaart

toegebragt, het verwoesten van steenen gebouwen door aardbevingen,

het woeden van besmettelijke ziekten in groote steden, de verspreiding

der smetstoffen door het verkeer enz.

[10] Dit maakt ook dat middelen, ter eigen bevoordeeling, of ter

bereiking van eenig doel, geoorloofd bij lageren stand van beschaving,

bij hoogeren stand hiervan onzedelijk worden.

[11] Dit is ook het geval, wanneer er bijv. eene gemaalbelasting

op de arbeiders gelegd wordt. Hun drang tot loonverhooging zal dan

eerst bij een verhoogd loon gelijk zijn aan die tot loonverlaging

der werkgevers. Worden nu de belastingen dezer laatste verligt

ten bedrage dier gemaalbelasting, zoo zullen zij evenveel werk als

vroeger verschaffen en laatstgemelde belasting de arbeiders met kleine

huishoudens in een evenveel ruimeren, als die met zware huishoudens

in een bekrompener toestand brengen.

[12] Accidentele omstandigheden zooals bijv. het ongelijk aantal

kinderen bij elk huisgezin, verstoren gedurig die juiste verdeeling

van het kapitaal, doch voor elk der groote klassen der maatschappij

moet zij ongeveer de geschikste zijn, tenzij er groote gebeurtenissen

op industrieel gebied hebben plaats gehad. Ten gevolge hiervan bezit

bijv. thans de handenarbeid verrigtende klasse een wat te klein deel

van het maatschappelijke kapitaal, maar haren drang tot loonverhooging

is dan ook grooter dan dien tot verlaging der werkgevers. Zij tracht

buiten deze om werk te vinden, arbeidersvereenigingen daartestellen

enz.

[13] Het kwaad, door zulke kortstondige accidentele veranderingen

teweeg gebragt, kan vergeleken worden met de zwarigheden

ondervonden door een fabriekant, wiens klandisie onregelmatig toe- en

afneemt. Wegens de werking der traagheid, zal hij toch zijne fabriek

niet steeds bij tijds daarna kunnen inrigten. Al het kwaad, zoowel

het zedelijke als het stoffelijke, heeft nu denzelfden oorsprong als

de zwarigheden in tijden van overgang ondervonden wordende.

[14] Zoo kan iemand, ter bevordering zijner gezondheid, veel beweging

nemen, zonder dat daarvan elk dier bewegingen met andere zaken in

verband, de bevordering der gezondheid tot doel heeft en hierdoor

geregtvaardigd wordt.

[15] Gemiddeld zullen (zie blz. 52) de regeringsvormen wat ten

achteren zijn met betrekking tot de eischen der maatschappij,

en desniettemin de individuen, omdat deze, wegens de werking der

traagheid, gebrekkig aan de maatschappelijke eischen voldoen, zelfs

aan die hunner regeringsvormen niet geheel voldoen.

[16] Krankzinnigheid is aldus eene zijwaartsche afwijking der gewone

geestelijke ontwikkeling; terwijl slechtheid eene achterwaartsche

afwijking der zedelijke ontwikkeling is.

[17] Die wijsgeer verklaarde dit echter door ongelijke daling van de

verschillende deelen der menschennatuur na Adams val.

[18] Wij ontkennen echter niet, dat daar, wegens de, (zie blz. 72),

de geestontwikkeling verlagende werking van het ligchaam, zekere

inspanning noodig is, om de geestelijke ontwikkeling niet te doen

verminderen, gebrek aan oefening, deels door den toestand van hun

ligchaam te weeg gebragt, zulk eene vermindering, ofschoon, minder

dan men waant, bij grijsaards te weeg kan brengen.

[19] Daar de directe werking van het ligchaam op den geest de

ontwikkeling hiervan tracht te verminderen, zoo kan het zelfs zijn,

dat, zelfs bij afnemende eischen der beschaving, die werking van dat

ligchaam de geestontwikkeling nog te laag voor die eischen tracht

te houden.

[20] Men spreekt veel van onzalige twisten over eenige belangrijke

zaak. Is onverschilligheid er voor dan beter? Het kwaad bestaat in

de verkeerde wijze waarop men twist, namelijk dat men de ooren sluit

voor de argumenten der tegenpartij, en aldus van den strijd weinig

partij trekt.

[21] Over de werking dier Natuurwet is in de beide op het titelblad

van dit geschrift gemelde werken in het breede gehandeld.

[22] Van daar dat, bij gelijke beschaving en behoeften de productie

in vruchtbare, warme landen grooter is dan in koude streken. In deze

stijgt de beschaving eerst trager dan in gene, omdat het verspreid

zijn der bewoners der koude landen, derzelver zamenwerking tegengaat,

doch later heeft het omgekeerde plaats, omdat in die koude landen de

behoeften grooter zijn.

[23] Naar gelang de geestontwikkeling grooter is, zal er absoluut meer

inspanning gevorderd worden, om haar bij de achtervolgende generatiën

constant te houden, zie hierover blz. 83.

[24] Die indirecte werking van het ligchaam op den geest, zooals

bijv. door het spraakvermogen, bestaat slechts dan wanneer de graad

van ontwikkeling van den geest hooger dan die van het ligchaam is, en

wel in sterkere mate, naar gelang beide meer in hoogte verschillen. Zij

maakt die verheffing van den geest boven het ligchaam gemakkelijker en

daar zij afneemt, wanneer gene dit ligchaam in graad van ontwikkeling

nadert, belet zij niet dit den geest (zoo hierbij geene verheffende

werking bestaat), naar zich toe te halen.

Die indirecte werking van het ligchaam kan vergeleken worden met iets

bij de derde winding van de in noot blz. 94 gemelde veer, waardoor

naarmate de windingen verder van elkander gelegen zijn, de persoon,

die de veer spant, meer kracht kan uitoefenen.

Ook de onbewerktuigde aarde oefent eene dergelijke indirecte werking

uit door het veld van bewuste aanschouwing en door de hulpmiddelen,

ten bate van kunst en wetenschap, er door opgeleverd.

[25] Deze verschillende zaken kan men vergelijken met massa bezittende

windingen van eene met de as horizontaal gestelde spiraalveer. Is deze

ontspannen, zoo liggen al de windingen tegen elkander, maar trekt

men aan de voorste winding (met de eischen van het maatschappelijke

en zedelijke leven vergelijkbaar), zoo zullen de andere windingen,

wegens de werking der traagheid bij derzelver massas, betrekkelijk

de voorste eenigzins ten achteren zijn. Bevestigt men daarentegen

de achterste winding (vergelijkbaar met de onbewerktuigde aarde)

ergens aan vast, zoo zullen de windingen verder van elkander komen,

naarmate men sterker aan de voorste trekt en veroorlooft men deze om

wat achterwaarts te gaan, de windingen digter bij elkander komen om

dezelfde volgorde te behouden, zie blz. 91.

[26] Een leeuw, eene prooi verslindende, kan bijv. een schoon tafereel

opleveren, doch niet een mensch met vraatzucht etende, omdat dit in

disharmonie is met zijne zielswerking.

[27] Ons zoo veranderlijk bestaan doet ons behagen scheppen in

verscheidenheid, mits deze de innerlijke harmonie niet verstoort,

hetgeen bijv. wel het geval zou zijn, zoo men bij eene kolonnade de

kolommen om de andere van de Dorische en van de Ionische orde maakte.

[28]

[29] In die gevallen maakt men zich niet voor alles geschikter, of

gaat men niet in elk opzigt vooruit, maar slechts voor of in hetgeen

in elk dier gevallen een overheerschende invloed uitoefent. In het

laatste bestaat er bijv. vooruitgang in oppervlakkige beschaving,

maar niet in zedelijke ontwikkeling.

[30] De drang tot vooruitgang baart emancipatie, die tot geschiktmaking

het kinderlijk en ondergeschikt houden.

[31] Men houde hierbij in het oog, dat bij zekeren trap van

geestontwikkeling der massas, de begrippen dezer omtrent de denking

op buitenzinnelijk gebied zoo bekrompen is, dat zij hunne Goden

niet alleen menschelijke denkvormen toeschrijven, maar zelfs

onder menschelijke gedaante, ter vervulling van missien, hier op

aarde doen verkeeren. Het meer algemeene van zulke begrippen wordt

door constante oorzaken, maar de bijzonderheden er van door het

toeval teweeg gebragt. Eene constante oorzaak maakt dat, naarmate de

geestontwikkeling der menschen grooter is, aan zulke missien een meer

verheven aard wordt toegekend.

[32] Wegens de vroeger gemelde oorzaak zal het eerste, vooral bij de

hoog boven den bodem verheven deelen der stammen de overhand hebben.

[33] Die laatste stelling paart zich toch aan die, dat ons willen

niet door den bestaanden toestand bepaald wordt, zie blz. 69.

[34] Later zullen wij aantoonen, dat zulke menschen ook naar den

geest aardsche producten zouden moeten zijn, daar zij slechts in zulk

een geval gedwongen zouden worden om hunne wetenschap te bepalen tot

hetgeen waarvan de juistheid hier op aarde volkomen te verifieren is.

[35] De poëzy wordt alsdan door de phylosophie vervangen. Gene is naar

ons inzien de vrucht der beschouwing door middel der verbeelding van

het betrekkelijke verhevene en tevens schoone bij wezens en zaken,

en, zoowel wanneer men deze van hunne vulgaire zijde beschouwd,

als wanneer bij die beschouwing de verbeelding door de redenering

vervangen wordt, is het met de poëzy gedaan.

Waar slechts de verbeelding op het gebied van het buitenzinnelijke

treedt, moeten godsdienst en poëzij innig met elkander verbonden zijn,

doch men behoeft het niet te betreuren dat, nadat later de redenering

zich op dit gebied begeven heeft, de schoone en geurige bloem door

de saprijke vrucht wordt vervangen.

[36] Zie over de werking der traagheid bij het voorwaarts getrokkene,

wanneer het voorwaarts trekkende stationnair geworden is, blz. 89

en 93.

[37] Zoo iets zou echter slechts bij de in de Noot van blz. 116

gemelde wezens mogelijk zijn.

[38] Zie hierover blz. 233 van ons werk get: Vervolg op het werk get.:

door de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz.

[39] Naarmate dit besef van hulpbetoon sneller toeneemt, zal (zie

blz. 89 en 118) dit ten achterblijven sterker zijn.

[40] Hoe weinig grond het met het Joodsche Messiasrijk verwante

aardsche idéaal der humanisten, namelijk de menschheid op den hoogsten

trap van beschaving, heeft, is op blz. 83 aangetoond.

[41] Bij ons menschen dient, zie blz. 138, de geestelijke ontwikkeling

de practisch nuttige aanwending ervan te overtreffen, ten einde hierop

uit te oefenen eene opwaarts trekkende werking, opwegende tegen de

tegengestelde werking er op door de aarde door tusschenkomst onzer

ligchamen uitgeoefend. Deze laatste werking tracht, zie blz. 90,

onze met die practisch nuttige aanwending zamenhangende behoeften

die der dieren te doen naderen.

[42] Hierbij moet men volstrekt niet aannemen, dat die bewegingen,

naar gelang hunner plaats, een of ander denkbeeld bepalen, maar

eerder, dat door elke beweging elk der denkbeelden meer of minder en

dus gedeeltelijk bepaald wordt omgekeerd.

[43] Er bestaat voorts naar ons inzien een groot onderscheid tusschen

gewoonte en instinct. Men is bijv. gewoon om eene daad te doen,

wanneer de primitief door redenering verkregen denkbeelden, het

verrigten dier daad moetende vergezellen, zoo diep ingeworteld zijn,

dat zij met weinig inspanning voor den geest, of buiten den latenten

toestand kunnen gehouden worden; terwijl men iets uit instinkt verrigt,

wanneer men door de denking buiten de onze, of die van andere menschen

of dieren, er toe gedreven wordt.

[44] Zie blz. 69 van ons werk get. Over de werking der Natuurwetten

op zedelijk gebied enz.

[45] Zie hierover ons geschrift get: Over den aard en de toekomst

der beweegkracht blz. 4 en 16.

[46] Zie hierboven ons werk get: "Vervolg van het werk get: Over de

werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 123 en 524.

[47] Zie hierover het in de voorgaande noot gemelde werk, blz. 322.

[48] Deze baanverkleining zal ook ontstaan, doordat van een

uitzettenden bol de verschillende deelen door een anderen bol niet even

sterk aangetrokken wordende en aldus ongelijke snelheden bezittende,

tegen elkander zullen wrijven zie blz. 154.

[49] De kleinste dier beide bollen zal alsdan, wegens de ongelijke

snelheid van derzelver verschillende deelen, betrekkelijk meer

uitzetten en warmte binden dan den grootsten, zie noot blz. 156.

[50] Vooral op lage breedten ontstaat er namenlijk door de werking

der verticale ontbondene der centrifugale krachten eene circulatie

overeenkomende met die der passaatwinden en anders vooral op hooge

breedten door de werking der horizontale ontbondene der centrifugale

kracht eene tegengestelde circulatie. De oorzaak hiervan is door ons

elders verklaard.

[51] Even als de hemelbollen vergrooten door omzetting van deelen

der algemeene oerstof in hunne eigen soorten van bijzondere stof,

zoo vergrooten geesten door omzetting van bijdragen tot de algemeene

denkbeelden bij deelen van den oergeest in bijdragen tot hunne eigen

bijzondere denkbeelden, zie blz. 144.

[52] Dit zou ook het geval zijn, zoo menschen zoodanig aan zeker lot

verbonden waren, dat bijv. de accidentele weêrverschijnselen zich er

naar zouden regelen.

[53] De beoefenaars der wiskunde is het bekend, dat de ruimte

besloten tusschen eene kromme, derzelver assijmptoot en eene zekere

ordinaat dier kromme eindig kan zijn, ofschoon de lengte dier ruimte

oneindig is.

[54] Ook zal, naarmate die toeneming in geestontwikkeling trager

is, de aanleg gedurende een zelfde aanwas in ontwikkeling sterker

toegenomen zijn.

[55] Op dién aanleg kan de praeëxistentie een invloed uitoefenen,

vergelijkbaar met den op blz. 185 gemelden invloed van het

ligchaamsleven der reeks onzer antiduliviaansche voorouders op de deugd

van de type van ons ligchaam. Hetgeen op blz. 186 gezegd is van het

algemeene van dit type gaat door voor den aanleg voor het verkrijgen

van denkbeelden, innig in veel andere bevat, vooral voor deze

gronddenkbeelden moet de praeëxistentie den aanleg bevorderd hebben.

[56] Men denke hierbij aan de geluidsgolven, binnen vloeistoffen of

vaste ligchamen, de in onze monden gevormde phrasen, getrouw naar

een anders ooren overbrengende.

[57] Zie ons geschrift get.: Over den aard en toekomst der

beweegkracht, blz. 43.

[58] Men denke hier aan de ligchamen waarop de electriciteit bij

verkiezing overspringt.

[59] Dit is te vergelijken met de uitwerking van overspanning der

spieren. Deze worden er door onbruikbaar, niettegenstaande zij door

het gebruik zich ontwikkelen, zie blz. 168.

[60] De oorzaak van geschiktmaking moet de stofwisseling bij de

ligchamen der individuen in het eerste geval versterken en in het

tweede verzwakken, zie blz. 49.

[61] De oppervlakte van het land zal een en ander slechts begrenzen,

zoo de vulcanische werkingen de voor de gewassen benoodigde zouten

uit de vloeibare aardkern brengen.

[62] Van daar het hechten van grijsaards aan oude gebruiken, en dat

het ten bate hunner vooruitgang noodig is, dat de menschen gedwongen

in nieuwe toestanden worden gebragt.

[63] Dat men iemand dient te begrijpen om hem lief te hebben, blijkt

hieruit, dat het bezit van kleine zwakheden, waardoor zij voor anderen

begrijpelijker worden, menschen beminnenswaardiger maakt, en dat men

bij onbekende weldoeners deelneming voor zich moet veronderstellen,

om hen te kunnen beminnen.

[64] Die vreugde zou vergelijkbaar zijn met die van een vader, zich

verheugende, dat zijn zoon zich zoo gedraagt als diens welbegrepen en

ruim opgevat belang zulks vordert, en zij zal gewis zeer matig zijn,

zoo die zoon zuinig is met eene geldsom bestemd om toch binnenkort

verloren te raken. Wel is waar kan die vaderlijke vreugde den

zoon aanmoedigen om zich goed te gedragen, doch hetzelfde resultaat

verkregen worden, zoo die zoon inniger het belang van goede gedragingen

gaan beseffen.

[65] Zoo kunnen de behoeften van het vervoer den aanleg van een

groot werk vereischen, maar deze te bezwarend zijn voor de financien,

omdat deze, wegens de werking der traagheid, niet op de hoogte der

eischen van den tijd zijn. Aldus kunnen de bestaande vervoermiddelen

ten achteren zijn betrekkelijk de eischen van het vervoer, en de

financien dit zijn betrekkelijk die vervoermiddelen.

[66] Zouden niet velen onder ons, die, wegens het gevestigde prestige

van den naam van Socrates, diens gedragingen thans verheerlijken, zoo

zij zijne tijdgenooten geweest waren, dien wijze naar het vaderlijke

atelier hebben verwezen?

[67] Zie ons werk, get. Vervolg van het werk, get. Over de werking

der Natuurwetten op zedelijk gebied, enz. blz. 322.

[68] De zedelijke ontwikkeling, noodig om wezens geschikt te maken voor

den strijd, staat bijv. lager dan die noodig om hen voor zamenwerking

geschikt te doen zijn. Bij overigens gelijke omstandigheden zal een

zedelijk mensch meer denkbeelden bezitten over hetgeen hij aan zijne

medemenschen en aan zijn eigen toekomst verschuldigd is, dan een

onzedelijk mensch.

[69] Wij willen hiermede niets afdingen op de absolute waarde

dier beide stellingen, welke, door waarheden op het gebied van

het volstrekt hoogste ideaal te bevatten, de hoogste eertitels der

menschheid zijn. Tusschen de absolute deugd en de geschiktheid of

betrekkelijke deugd moet, zie blz. 82, onderscheid gemaakt worden.

[70] Men neme in acht dat zoo (zie blz. 187) de ziel een zelfstandig

iets is, wij slechts naar het ligchaam op deze aarde voorouders hebben.

[71] Die werking dier oorzaak is bijv. vergelijkbaar met de

elasticiteit van eenig kleed. Zoo dit een kind goed gepast heeft,

zal het een volwassen mensch knellen, zoo deze het niet zoo lang

gedragen heeft, dat het al den tijd tot uitrekking gehad heeft.

[72] Zie hierover ons geschrift get.: Vervolg van het werk Over de

werking der Natuurwetten enz., blz. 500.

[73] Het is klaar, dat het kennen der geschiedenis, dat met de op

blz. 178 gemelde eerste soort van bewuste aanschouwing te vergelijken

is, daarvoor niet voldoende is.

[74] Bij de planeten zal de invloed der aantrekking der komeet niet

uitgewischt worden, omdat zie blz. 154, geene oorzaak anders dan de

traagheid het planetenstelsel in stand tracht te houden, zie blz. 163.

[75] Verscheidenheid in ruimte moet ontstaan zijn door verandering der

zaken ten gevolge van accidentele oorzaken. Komen deze nu niet meer

voor, zoo zal de werking der wet van geschiktmaking (zie blz. 270 en

275), die verscheidenheid in ruimte doen verdwijnen

[76] De zedelijke waarde van armen zal gemiddeld in zooverre absoluut

minder zijn dan die van rijken als zij in geestelijke ontwikkeling

voor deze onderdoen. Overigens kan men evenmin zeggen, dat in alle

opzigten armoede de oorzaak als het gevolg van slecht gedrag is.

[77] Op blz. 61 hebben wij verschillende voorbeelden der werking

der wet van geschiktmaking op economisch gebied gegeven. Hiernevens

nog eenige. Zoo omstandigheden het uitoefenen van eenig beroep

onvoordeeliger maken, zal, door het verlaten er van, of door

overmaat van sterften boven geboorten, (zie begin blz. 50) het

aantal beoefenaars er van verminderen, en dit de overblijvende in

gunstiger omstandigheden stellen, dan zoo hun aantal grooter is. Die

overblijvende beoefenaars zullen aldus even veel geld kunnen verdienen

na het ontstaan dier voor dit beroep ongunstige omstandigheden,

dan het grootere aantal beoefenaars er van voor het ontstaan dier

omstandigheden. Men kan hieruit nagaan, hoe de werking der wet

van geschiktmaking beroepen, bij derzelver beoefenaars evenveel

beelding vorderende, even winstgevend, en die winsten bij beroepen,

bij derzelver beoefenaars niet evenveel beelding vorderende, in reden

der behoeften dier beoefenaars tracht te doen worden.

Voorts zal de werking der wet van geschiktmaking bij vergroote

productie de behoeften en de voeding der arbeiders zoodanig vergrooten,

dat deze het eindelijk betrekkelijk niet ruimer dan vroeger bij minder

verdiensten zullen hebben. Eene werking dier wet is ook de beperking

der prijsverhooging van iets tengevolge van grootere vraag dan bod. Die

prijsverhooging zal toch de koopers moeijelijker en de verkoopers

gemakkelijker maken, en hierdoor het weder gelijk worden van vraag

en bod en aldus ook het tot staan komen van den prijs bevorderd worden.

Werkingen der wet der veranderlijkheid op economisch gebied zijn

alle die welke die bovengemelde werkingen verstoren; voorts alle

toevallige winsten of verliezen, handelscrisissen, beurspanieken

enz. Werkingen dier wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige

versterking plaats heeft, zijn de bankroeten veroorzaakt door vorige

bankroeten; het overleggen van meer geld door handelaars, naarmate

hun bedrijfskapitaal grooter is; het op schadelijke wijze leenen van

geld naarmate de schuld grooter is enz.

[78] Te gelijk hiermede zou ook de behoefte aan veiligheid, alsmede

de kennis om zich deze te verschaffen afnemen. Bij elken stand van

beschaving trachten al de gevolgen hiervan harmonisch met elkander

te worden. Zoo zullen bijv. volken in het bezit van spoorwegen en van

langdurige tijdperken van vrede, zich mijnongelukken en het bekostigen

van moorddadige vuurwapens moeten getroosten.

[79] Hieruit volgt dat moraal onafhankelijk van een ideaal

langzamerhand tot dierenmoraal zou dalen.

[80] Het ideaal, dat beoogt het door den graad van beschaving bepaalde

genoegen der maatschappij, is te vergelijken met eene zware maar

niet wrijvende massa, die slechts hierdoor aan eene zie blz. 138,

achterwaarts trekkende kracht wederstaat. Het ideaal, dat daarentegen

den geestelijken vooruitgang der individuen beoogt, is te vergelijken

met zulk eene massa, maar waarop tevens eene kracht werkt, die aan

de zooeven gemelde achterwaarts trekkende wederstaat. Voor zoo verre

der menschen ideaal niet het eerste der beide gemelde is, strekt

betrachting van deugd niet om gemiddeld het gelukkigste te zijn, en

om gemiddeld het beste in zijn doen te gelukken, en hangt de waarde

der zedelijke daden niet af van het voordeel dat de maatschappij er

van trekt, zie blz. 218.

[81] Iets dergelijks moet ook plaats hebben bij den invloed door de

onveranderlijke atomistische bewegingen van den ether op hemelbollen

uitgeoefend zie blz. 170.

[82] De kinderlijke voorstelling van dit een en ander is die der

hemel en aardgeesten.

[83] Met de hersens is dit eveneens het geval. Wanneer de directe

werking der indrukken, door de hersens bij den geest voortgebragt,

bij de denking van dezen (zie blz. 144 bepaalt door een geheel van

zintuigelijke onwaarneembare atomistische bewegingen) overheerschende

is; is de geest min of meer passief. Tot dien toestand, waarbij de

denking van eene lagere gehalte is, trachten de hersens den geest nu

te brengen, en niet het minste wanneer het ligchaam gezond is, omdat

dit dan in een gemiddelden toestand verkeert, en aldus zie bl. 78 en

102 niet in dien waarbij het de minste terugtrekkende werking op den

geest uitoefent zie Noot blz. 79.

[84] In dit geval verkeeren bijv. de door ongeschikt geworden

instellingen voortgebragte en deze slopende revolutien. In den aanvang

geschiedt dit op eene meer schroomvallige wijze dan later, omdat er

tusschen de intensiteit dier revolutien en de bedoelingen, die men er

mede heeft, alsmede den bijval die zij vinden, wederkeerige versterking

plaats heeft. Voor zooverre zulke revolutien nieuwe zaken daarstellen

moeten zij, zooals op blz. 287 met betrekking tot de hervorming gezegd

is, beschouwd worden.

[85] Hierbij stellen wij dat in elk dier gevallen de zedelijke eischen

van het leven even groot zijn, zoodat zie blz. 82 de absolute graad

van deugd gelijk aan den betrekkelijk graad hiervan is. Van de voor

die eischen te groote zelfzucht en zucht tot genot in het heden,

zijn de slechte hartstogten wel verschillende uitingen, edoch bij

veel lagere trappen van beschaving kunnen de zelfzucht en de zucht

tot genot in het heden zich of in het geheel niet op de wijze van

sommige dier slechte hartstogten, of slechts gebrekkig op de wijze

van andere derzelve uiten.

[86] Zie hierover ons werk get. Over de werking der wet Natuurwetten

op zedelijk gebied enz. blz. 361 en het vervolg van dit werk blz. 74.

[87] Een gevolg kan een verschijnsel vernietigen, op het oogenblik

dat dit geschiedt is, zelf door de werking der wet van geschiktmaking

vernietigd zijn, en intusschen een nieuw verschijnsel van den aard

als het eerste opgewekt hebben. Dit bijv. is het geval bij het gaan

dan in deze en dan in gene rigting, twee verschijnsels welke door

een tusschenliggend verbonden zijn.

[88] Liggen er n × 2n ballen binnen die bus en n ballen binnen elk

deel er van, waar binnen die verhoudingen op allerlei wijze varieren,

zoo zal, bij het voorkomen van al de gevallen, slechts eene dier 2n

deelen enkel witte en een ander enkel zwarte ballen bevatten. Nu zal

de grootheid n niet aanzienlijk behoeven te zijn, om het aantal deelen

2n uiterst groot en de betrekkelijke grootte dier deelen aldus zeer

gering te doen worden.

[89] Die ongelijkheid in digtheid van groepering binnen eene rij

van zulke aan elkander grenzende deelen kan echter in stand gehouden

worden, zoo binnen het deel, bij het eene einde der rij, er nieuwe

poeijerdeelen in gebragt en, bij het deel bij het andere einde,

er poeijerdeelen weggenomen worden. De digtheid van groepering

der poeijerdeelen zal alsdan langs dien weg van het eene naar het

andere einde afnemen, en, onder het bezit van allerlei onregelmatige

snelheden, die poeijerdeelen zich langzaam van het eene naar het

andere einde dier rij verplaatsen. Iets hiermede overeenstemmende

heeft bijv. plaats bij de in de poolzeeën drijvende ijsbergen. De

gletschers voeren er nieuwe in zee aan, zij smelten onder weg, en

de accidentele en onregelmatige stroomen binnen de poolzeeën, het

effect van hierboven gemelde snelheden doende, zullen die ijsbergen

gemiddeld naar lagere breedten voeren, zoo hier naar toe de digtheid

van groepering der ijsbergen afneemt.

De zwaarte der stof of slibbedeelen, door wind of stroomend water

opgeheven, zal hetzelfde effect uitoefenen als die aan en afvoer van

bovengemelde poeijerdeelen. Stroomende vloeistoffen zijn steeds in

beroering en, bij zekere afneming der sterkte van groepering dier

stofjes of slibbedeelen naar boven, kan de werking dier beroering

er overal gemiddeld even veel meer op dan nederwaarts voeren als de

zwaartekracht er nederwaarts voert.

Niet alleen zal bij sterke stroomen die digtheid van groepering

naar boven minder afnemen, maar zij zal dan tevens bij den bodem

grooter zijn, zoo hierop eene onbepaald aantal ophefbare stofjes of

slibbedeelen gelegen is.

[90] Die verschillende kansen van voorkoming bezittende afwijkingen

zijn te vergelijken met de trekkingen uit bussen, ballen van

verschillende kleur bevattende. De onregelmatigheid bij eene reeks van

trekkingen zal alsdan minder worden, zoo niet enkele keeren ballen van

eene kleur, in de bus schaars voorkomende, getrokken worden. Zie ons

werk get. Vervolg op het werk get.: Over de werking der Natuurwetten

op zedelijk gebied enz. blz. 453.

[91] Merken wij hier op dat bij het geval van blz. 3 van ons werk get.:

Vervolg op het werk get. Over de werking der Natuurwetten op zedelijk

gebied enz., zoo de drang tot onregelmatigheid, op blz. 309 gemeld,

niet bestond, hoe lang ook schuddende, de groepering n binnen geen

eindigen tijd zou ontstaan moeten, evenmin als bij het werpen met

eene dobbelsteen, waarvan het eene vlak met lood bezwaard is (hetgeen

overeenstemt met de meerdere kans van voorkoming der groepering

n.) Door zachter te gaan schudden, wanneer de groepering n zich vormt,

ontstaat er nu iets overeenkomende met het minder in aantal worden

der vlakken dier dobbelsteen.

[92] Zie ons werk get. Vervolg van het werk get. Over de werking der

Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 73 en 536.

[93] Dit is met inachtneming van den tijd noodig voor eene ons

onbewuste voortplanting van het effect der handelingen der menschen

met de golvingen binnen vloeistoffen vergelijkbaar.

[94] Dit zou bijv. het geval bij ons zonnestelsel zijn, zoo de vaste

sterren er veel digter bij gelegen waren.

[95] Men denke hierbij aan de voortplanting van toonen.

[96] Dit niet te verwarren met gelijksoortige absolute

regelmatigheden. Hoe verder deze toch in tijd of ruimte van elkander

gelegen zijn, hoe minder groote totale regelmatigheid zij, in verband

met elkander beschouwd, zullen teweegbrengen zie blz. 311.

[97] In plaats van op de onregelmatigste wijze dan te winnen en

dan te verliezen, kan een speler verliezen, door het krijgen van

slechte spellen, door onoplettendheid en door onkunde. In alle drie

gevallen zal dit steeds na een verliezen door den overheerschenden

invloed van enkele omstandigheden geschieden, doch in het eerste deze

omstandigheden ieder oogenblik kunnen verdwijnen en dit eindelijk

moeten doen, terwijl zij sterker zullen bestaan, naar gelang dit

krijgen van slechte spellen langer aanhoudt. Het tweede geval ligt

alsware tusschen de beide andere in, en kan dan meer op het eerste

dan meer op het derde geval gelijken.

[98] De door de wet der veranderlijkheid opgewekte gevolgen bij

dergelijke verschijnsels, welke, even als in de Noot van blz. 300

gezegd is, werken, kunnen die verschijnsels echter uitputten. De

beweging van zulk een vaartuig, heeft bijv. tot gevolg het loopen er

van tegen den een of anderen oever.

[99] Dit is het geval omdat, zoo het gevolg eenparig kon toenemen,

de werking der wet van geschiktmaking, trachtende de vergrooting der

oorzaak tegen te gaan, versnellende zou toenemen, en aldus eenmaal die

tegenstand veel grooter dan de opwekkende werking van het gevolg zou

worden. Bij den aanvang van zulk eene wederkeerige versterking, bezit

de oorzaak zekere grootte, en neemt het gevolg van af nul toe. Wil

dit aldus de oorzaak vergrooten, zoo dient hierbij de tegenstand der

werking der wet van geschiktmaking in het eerst trager dan de die

oorzaak vergrootende werking van het gevolg toe te nemen.

[100] Zoo kan bij het voorbeeld van blz. 258 opgelegde straf somtijds

geene uitwerking doen, of wel zie noot blz. 300 de straf verminderd

worden, naarmate de gestrafte het peil van gemiddelde zedelijkheid

nadert, en zij, wanneer dit peil bereikt is, ophouden.

[101] Die uitputting werkt als gevolg van den strijd, zooals in noot

blz. 300 gezegd is.

[102] Zie verder hierover ons werk, get. Vervolg op het werk, get. Over

de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz., zie blz. 152. De

werking der wet van geschiktmaking bij de gloeijing der brandstof

bestaat in de afkoeling hiervan, zooals deze in het luchtledige zou

plaats hebben, en neemt, zie 2e Noot blz. 337, meer versnellende,

dat is, eerst minder en later sterker dan de chemische verbinding en

uitbranding toe.

[103] Dit verschijnsel na verzwakking nul en daarna negatief wordende,

zoo zal alsdan die steeds positief blijvende oorzaak weder grooter

worden, en de wederkeerige verzwakking overgaan in wederkeerige

versterking. Even als bij het geval van blz. 258 verkrijgt men aldus

ook hierbij schommelingen.

[104] Vandaar dat naar ons inzien de hemelruimte geene eigene

temperatuur bezit, maar allerhande temperaturen op de stralen,

tusschen de ligchamen gelegen, er aan gegeven, zoodat een etherdeel,

op verscheidene van zulke stralen gelegen, ook verschillende

temperaturen bezit, zie ons werk get.: Over den aard en de toekomst

der beweegkracht, zie blz. 18.

[105] De kristallisatie toont dit ook aan.

[106] Hoe kleiner de zwaartekracht bij het oppervlak van eenigen

hemelbol, en hoe grooter de temperatuur hiervan is, hoe eerder eenige

anorganische stof er op in den gasvorm en niet chemisch met andere

stoffen verbonden, zal voorkomen.

[107] Men zij hierbij indachtig dat, voor zoo verre de afwijkingen

van den harmonischen toestand niet vernietigd worden in reden der

sterkte dier afwijkingen, de op blz. 259 en 300 gemelde werking der

wet der veranderlijkheid zich aan die der wet van geschiktmaking paart.

[108] Op hooge noorderbreedte zou die constante benedenwind, zie Noot

blz. 165, zuidwest zijn, zie hierover ons werk, het "Vervolg op het

werk get.: Over de werkingen der Natuurwetten op zedelijk gebied"

enz. blz. 104.

[109] Voor zooverre bij het harmonische ongeschiktheid bestaat voor

hetgeen waarmede het in verband komt, bestaat er een drang om het

te wijzigen ten bate van het goede, zie blz. 353, edoch er bestaat

tevens een drang om dit verband zoodanig te wijzigen, dat het goede

harmonisch wordt.

[110] Het toeval kan, zie blz. 334, wel regelmatigheid, maar

geene harmonie teweeg brengen. De assimilatie der stoffen met de

bestanddeelen der aarde is bijv. niet het product van het toeval,

zie Noot blz. 169. Ook kan dit onregelmatigheid voortbrengen, doch

het behoeft het niet steeds te doen, zooals de werking van blz. 321.

[111] Slechts op die voorwaarde kunnen toch die indrukken geschiktheid

baren in den tijd bij een individu, of in de ruimte bij vele

zamenlevende individuen. Vandaar dat, wanneer die indrukken valsch

worden, zooals bij het ijlen, er een ongeschikten toestand ontstaat.

Bedenkingen tegen de Leer van Darwin Gevolgd door beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen. · 第 13 / 13 题