De wet der veranderlijkheid werkt echter het ontstaan van zulk

een toestand onophoudelijk tegen en wel sterker bij de hemelbollen

qualitatief meer van den onveranderlijken Ether, en bij de geesten

evenzoo meer van den onveranderlijken Oergeest verschillende. Deze

wet werkt op verschillende wijzen. Zij doet bijv. uit verschijnsels

andere verschijnsels voortspruiten waardoor de eerste tegengewerkt of

bevordert worden. In het eerste geval is echter dit tweede verschijnsel

traag, zoodat het nog bestaat, wanneer het eerste zulks niet meer doet,

en dan een verschijnsel tegengesteld aan het eerste te voorschijn

brengt. Dit alsware negatieve eerste verschijnsel vernietigt wel

het tweede, doch zelf traag zijnde, zoo bestaat het nog, wanneer

dit tweede verschijnsel zulks niet meer doet, en brengt dan een

verschijnsel tegengesteld aan dit tweede voort. Deze vernietiging

van verschijnsels hebben wij op blz. 660 van ons werk get: Over

de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. de uitputtende

werking genaamd. Zoo in dat werk, als in het vervolg er op, hebben

wij eene menigte voorbeelden aangegeven van schommelingen door die

werking der wet der veranderlijkheid bij verschijnsels van zeer

verschillenden aard te weeg gebragt. Een voorbeeld er van is het

volgende. Iemand gedraagt zich slecht, men begint hem te straffen,

en, op het oogenblik dat hij zich het slechtste gedraagt, neemt het

bestraffen het sterkste toe, om een maximum te worden, wanneer die

persoon zich even goed als gemiddeld de menschen gedraagt. Daarna

begint hij zich beter dan deze te gedragen, en, op het oogenblik dat

hij zich het beste gedraagt, neemt het bestraffen het sterkste af

en gaat het over in beloonen. Hierdoor wordt die persoon bedorven,

hij begint zich minder goed te gedragen, en, op het oogenblik dat

hij zich weder even goed als gemiddeld de menschen gedraagt, is het

beloonen op een maximum geklommen enz.

Zulke schommelingen zouden nu slechts kunnen ontstaan door de

gecombineerde werkingen der natuurwetten der traagheid en der

veranderlijkheid. Bij dit voorbeeld toch trachten, zoowel zij die

straffen en loonen, als hij die gestraft en beloond wordt, zoo zeer

geene afwijkingen, te vernietigen, dan, tengevolge van bestaande

afwijkingen van handelingen te veranderen. Wanneer bij deze de

afwijking op het grootste is, veranderen gene op het meeste hunne

manier van handelen, omdat alsdan de wet der veranderlijkheid hen

daartoe dringt; terwijl, wanneer de afwijkingen bij de handelingen

van gene op het grootste zijn, de gestraft of beloond wordende,

eveneens wegens dezelfde oorzaak, zijne wijze van doen op het meeste

wijzigt. Zulke schommelingen zullen echter zoo sterk niet plaats

kunnen hebben, omdat de wet der geschiktmaking vereenigt met de

beide bovengemelde natuurwetten werkt. Werkte zij alleen met de wet

der traagheid, zoo zou de intensiteit der straffen steeds evenredig

blijven met die van het wangedrag, die straffen aldus ophouden,

wanneer hij, die deze straffen ondergaan heeft, zich weder gedraagt

als gemiddeld de menschen, en er geene schommelingen ontstaan.

Evenzoo zal dit met het loonen plaats hebben, zoo de werking der wet

van geschiktmaking alleen het vernietigen van afwijkingen tot doel

heeft, en aldus het loonen een bedervenden invloed uitoefent. Heeft

daarentegen de werking dier wet tot doel om de menschen, accidenteel

beter geworden, aldus te houden, zoo zal zij hen hoogere eischen

dan vroeger stellen, en hen in eene hoogere omgeving dan vroeger

plaatsen. Deze laatste werking der wet van geschiktmaking niet

in aanmerking nemende, zoo zal, bij de vereenigde werking der

drie natuurwetten, in het begin het straffen sneller toenemen dan

bij het geval op blz. 258 behandeld, het reeds trager dan vroeger

toenemen, wanneer het wangedrag op een maximum is, en het reeds weder

verminderd zijn, wanneer de gestraft wordende persoon zich weder als

gemiddeld de andere menschen gedraagt. Op dit oogenblik geschiedt het

straffen aldus minder streng dan in het vorige geval, en zal aldus

die persoon, tengevolge der werking der wet der veranderlijkheid,

minder in gedrag boven de andere menschen gaan uitsteken. De werking

der wet der geschiktwording zal hem leiden om ook, zonder dat hij

gestraft of beloond wordt, in zedelijkheid met gemiddeld de andere

menschen gelijk te worden, eene reden waardoor de schommelingen

bij de afwijkingen van zijn gedrag zwakker zullen worden, hetgeen

wederom de schommelingen bij de wijzen, waarop hij behandeld wordt,

verzwakt. Het gaat hierbij als bij een slinger, hoe minder deze van

den verticaal afwijkt, met hoe minder snelheid hij den verticaal

zal voorbijgaan, en met hoe minder snelheid hij dit laatste doet,

hoe kleiner die afwijkingen zullen worden.

Bij de veranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid door denking

en door beweging baren zie blz. 240 bijzondere verschijnsels;,

andere verschijnsels, deze weder andere verschijnsels, terwijl

tevens verschijnsels, noch oorzaak noch gevolg van elkander zijnde,

op elkander kunnen werken. In dit laatste geval kan het zijn, dat

het eene dier verschijnsels het andere tracht te verzwakken en dit

het eerste te versterken, of dat zij beide in aard aan elkander gelijk

trachten te worden. In dit geval zal de wet der geschiktmaking trachten

hen in het eerste geval quantitatief en in het tweede qualitatief

aan elkander gelijk te doen worden, maar de wet der veranderlijkheid

hen alsdan gevolgen geven, op dezelfde wijze op hen werkende als de

snelheden van een slinger op de afwijkingen van den verticalen stand

van dezen, zoodat zij met betrekking tot elkander schommelingen

zullen ondergaan. Het verkeer van een arm met een rijk mensch zal

bijv. genen meer behoeften geven, en dit behendigheid en vlijt,

maar tevens oneerlijkheid bij hem kunnen opwekken, terwijl door dit

verkeer de rijke zekere verzadiging zal ondervinden, waardoor hij

zorgeloos en lui, maar tevens grootmoedig zal worden. Wanneer nu,

tengevolge dier bij hen door dit verkeer opgewekte eigenschappen,

beide dier personen even rijk geworden zijn, zullen, zoo van de wet

van geschiktmaking de op blz. 259 gemelde werking niet bestond, die

eigenschappen op een maximum zijn en de vroeger arme rijker worden,

dan den vroeger rijken [76].

Verschijnsels kunnen tot gevolg hebben andere verschijnsels wier

grootte zij tengevolge der werking der veranderlijkheid trachten

te doen toenemen, terwijl die gevolgen van geen noemenswaardigen

invloed zijn op derzelver oorzaak. Door de nabijheid der aarde

van de zon zou bijv. gene steeds warmer worden, zoo de op blz. 249

gemelde werking der wet van geschiktmaking, zich in dit geval als

warmteuitstraling veropenbarende, er aan geen grens stelde. Die

verwarming der aarde zal echter derzelver afstand van de zon niet

veranderen; doch op blz. 156 gemelde werking hierbij die der wet

van geschiktmaking zijn, in zooverre zij maakt dat snelheden, zie

blz. 165 in aantrekkingstrillingen overgaan. In zoo verre die werking

warmtetrillingen bij de hemelbollen in gewone snelheden doet overgaan,

is zij daarentegen eene werking der wet der veranderlijkheid. Trouwens,

zoo zij, door de hemelbollen zeer ver van elkander te brengen,

tegengaat dat deze met groote snelheden betrekkelijk elkander bewegen

en invloeden op elkander uitoefenen, zooals bijv. de zon op de

aarde, belet zij dat die hemelbollen zich blijvend vereenigen tot een

eenigen bol, die, door het opnemen der wrijvingswarmte door overgang

voor uiterst vele en groote gewone snelheden in warmtetrillingen,

voortgebragt, uiterst ijl en uitgezet zou worden, en aldus een zeer

algemeen karakter zou verkrijgen.

Ook kan het zijn dat twee verschijnsels, noch oorzaak noch gevolg van

elkander zijnde, op elkander gaan werken, en dat het eene hierdoor

niet noemenswaardig verandert, terwijl het andere versterkt of

verzwakt wordt. Het onderwijs, door een schoolmeester gegeven, komt

bijv. in aanraking met den geest van een leerling, en tracht diens

kennis te vergrooten. Door de werking der wet der veranderlijkheid

zou die schoolmeester dien leerling gansche bibliotheken van buiten

kunnen doen leeren maar, onder de gedaante van vergeten, beperkt de

werking der wet van geschiktmaking de toename der geleerdheid van

den leerling. Neemt men den geest opheffende werking der inspanning,

welke zich de schoolmeester geeft, niet in aanmerking, zoo zal deze

door den directen invloed op hem van dit door hem gegeven onderwijs,

niet meer of minder geleerd worden, en de op blz. 255 gemelde werking

der wet van geschiktmaking hem niet even kundig als zijn leerling

trachten te maken, omdat hij zich niet op eene lijn met dezen stelt,

en niet vermeent aan dezelfde voorwaarden als dezen te moeten voldoen.

Ook kan het zijn dat een verschijnsel een ander tot gevolg heeft

en de intensiteit hiervan tracht te vergrooten, terwijl dit gevolg

iets dergelijks bij deszelfs oorzaak tracht te weeg te brengen,

of dat twee verschijnsels zulke invloeden op elkander uitoefenen,

dat zij elkander wederkeerig versterken of verzwakken. Op blz. 309

van het Vervolg van ons werk get.: Over de werking der Natuurwetten

op zedelijk gebied enz. hebben wij daarvan verscheidene voorbeelden

gegeven. De werking der wet van geschiktmaking werkt dan echter de

vergrooting van elk dier verschijnsels tegen, zoodat zij eindelijk, na

zekeren trap van grootte bereikt te hebben, niet meer noemenswaardig

veranderen. Zoo zal wel het vliegen der vogels de vergrooting van

derzelver vleugels bevorderen, en het bezit van grootere vleugels die

vogels sterker doen vliegen, edoch, zoowel eene bovenmatige grootte

hunner vleugels, als het uiterst snel doorklieven der lucht, voor de

vogels iets ongeschikt moeten worden.

Zoo versterken moedeloosheid en geledene verliezen elkander wel,

doch de werking der wet van geschiktmaking zal den ontmoedigden tot

bezinning doen komen, en hem tevens zijn werkkring doen beperken,

waardoor deze zie blz. 42 meer in harmonie met de overgeschotene

hulpmiddelen komt, en het lijden van nog meer verliezen moeijelijker

wordt, ofschoon de moedeloosheid dan nog als gevoel van zwakte kan

blijven bestaan.

Op blz. 152 hebben wij gesproken van eene wederkeerige versterking

van den aanleg voor iets en den graad waarin men het er in brengt. De

werking der wet van geschiktmaking schijnt echter de vergrooting

van zulk een aanleg, naarmate deze graad grooter is, sterker te

bemoeijelijken, terwijl de werking dier wet, waardoor de verschillende

soorten van geestontwikkeling zich bij den mensch op dezelfde hoogte

trachten te stellen, voor zooverre de levensomstandigheden dit niet

tegengaan, benevens de terugtrekkende werking van het ligchaam

en der beperktheid der controlerende zintuigelijke aanschouwing,

de vergrooting van eene soort van geestontwikkeling bij den mensch

tegengaan. Wanneer echter die wederkeerige versterking van aanleg en

graad van geestontwikkeling in iets zwakker is, zal de werking der wet

van geschiktmaking eerst later beide beletten verder noemenswaardig

in grootte toe te nemen. Die geestontwikkeling zal dan toch meer

tijd gehad hebben om zich geschikt voor andere zaken te maken, om de

bovengemelde haar alsware achteruittrekkende zaken te ontvlieden,

en bijv. met een hooger georganiseerd ligchaam en eene ruimere

controlerende aanschouwing in aanraking te komen.

Bij die wederkeerige versterking komt het ons voor dat de aanleg

zwakker toenemen moet, naarmate hij van meer algemeenen aard en meer

met de op blz. 185 gemelde grondslagen van de ligchaamsorganisatie

vergelijkbaar is. Vooral voor de vergrooting van deze soort van

aanleg (evenals de meer bijzondere soorten er van in eigenschappen

van denkbeelden bestaande) zal langere duur der toeneming der

geestontwikkeling gunstiger werken dan de sterkte dier toeneming,

hetgeen ook doorgaat voor de verandering der algemeene karaktertrekken

bij wederkeerige versterking dier verandering en van zekere rigting

van denkbeelden. Wederkeerige versterking tusschen een eindigen aanleg

en eene geestontwikkeling gelijk nul kan binnen geen eindigen tijd

bestaan, ten eerste omdat, zonder geestontwikkeling, dat is zonder

denkbeelden, er geen aanleg kan bestaan zie blz. 247, ten andere

omdat nul, met alle eindige grootheden vermenigvuldigd, steeds nul tot

product geeft. Buitendien zal er eene opheffende werking noodig zijn om

de geestontwikkeling te vergrooten. Aanleg is hiervoor niet voldoende,

deze maakt slechts de taak dier opheffende werking gemakkelijker. Deze

is zelfs ook noodig om de vogels te leiden om te vliegen, want men

kan het bezit van vleugels door de vogels eenigzins vergelijken met

die van zintuigsorganen door de menschen. De vergelijking van het

edelere gebruik dat wij, met het lagere gebruik dat de dieren van

die organen maken, toont aan dat voor het waarnemen en opmerken het

bezit van zulke organen niet voldoende is.

Deze beide voorbeelden zijn dan ook niet die van eenvoudige

wederkeerige versterking van twee verschijnsels, maar van zoo iets

gepaard met de versterking van het eene dier verschijnsels door een

ander dat er niet door aangedaan wordt (zie later). De werking der

wet van geschiktmaking zou de versterking van dit eerste verschijnsel

namelijk die van de geestontwikkeling zeer beperken, zoo die werking

steeds gevormd werd door de terugtrekkende werking van de ligchamen en

de beperktheid der aardsche zintuigelijke indrukken. Verplaatst zich

echter het peil, waarnaar de terugtrekking geschiedt, naar hooger,

zoo vervalt de beperking der toeneming der geestontwikkeling door de

werking der wet van geschiktmaking. De bijzondere verschijnsels met

betrekking tot de gemiddelde toestanden, brengen voort bijzondere

verschijnsels met betrekking tot iets van een anderen algemeenen

aard, of afwijkingen van eene andere soort van gemiddelde, (zooals

bijv. de afwijkingen van een gemiddeld gedrag, afwijkingen van

eene gemiddelde behandeling). Deze doen op hunne beurt hetzelfde,

en zoo ontstaan er eene menigte van bijzondere verschijnsels of

afwijkingen van gemiddelden van verschillenden aard, die elkander

versterken of verzwakken. Doordat bij dit laatste er echter,

zooals blz. 258 gezegd is, eene versterking in tegenovergestelden

zin plaats heeft, wanneer het gevolgverschijnsel verzwakt, terwijl

wederkeerige verzwakking niet kan plaats hebben, wanneer een der

verschijnsels opgewekt wordt, zoo zal het ontstaan van bijzondere

verschijnsels en afwijkingen, door andere bijzondere verschijnsels

en afwijkingen van iets anders voortgebragt, als ware het totale

bedrag der bijzondere verschijnsels en afwijkingen van verschillenden

aard vergrooten. Wel zal nu de werking der wet van geschiktmaking

de bijzondere verschijnsels en afwijkingen trachten te vernietigen

en dit in zekere mate doen, doch daar andere bestaande bijzondere

verschijnsels en afwijkingen als gevolgen baren nieuwe bijzondere

verschijnsels en afwijkingen van de soort der vroeger, door de

werking der wet van geschiktmaking grootendeels vernietigd, de werking

dier wet tegengewerkt worden door die der wet der veranderlijkheid

en in den ganschen veranderlijken wereld dan de eene en dan de

andere werking de overhand bekomen. Ofschoon die der wet der

veranderlijkheid verschijnselen in aard hier mede verschillende

gevolgen doet voortbrengen, zoo hebben oorzaken steeds er mede

gelijkslachtige hetzij hen verzwakkende, hetzij hen versterkende

gevolgen. Iets dergelijks ontwaart men ook bij de werking der

wet van geschiktmaking. Bij de verschijnsels geschiedt deze op er

mede gelijkslachtige wijze, zooals vernietiging van snelheden door

omzetting dezer in trillingen, die van het hinderlijke der slavernij

door verdierlijking der slaven enz. Dit ontstaat doordat, zooals op

blz. 249 gezegd is, vaste, maar alsware meer bijzondere wetten bepalen

in welke verhouding de aard der werkingen der beide algemeene wetten

staat tot de verschijnsels waarbij zij plaats hebben. Vandaar dat al

de wetenschappen, die de oorzaken en het verband der verschijnselen

nagaan, zooals de Natuurkunde, de Staathuishoudkunde, de Ethica, de

Wijsgeerige geschiedenis, de Volkenkunde enz., ten doel hebben om te

vinden, welke bijzondere natuurwetten uitsluitend op ieders gebied

heerschen zouden, zoo er geen verband tusschen de verschijnsels, tot

het gebied dier verschillende wetenschappen behoorende, bestond [77].

Der menschen handelingen kunnen slechts dan geheel werkingen der wet

van geschiktmaking zijn, wanneer zij de directe gevolgen zijn van

ongeschikte toestanden van zaken, en dit nu is niet het geval, wanneer

die handelingen de gevolgen van redeneringen zijn. Zoo bijv. iemand,

met losbollen verkeerende, er ook een wordt, geschiedt dit door de

besmettelijke, zie blz. 255, afwijkingen wegnemende werking van zijne

omgeving en niet door redenering, evenmin zoo iemand met de oogen

knipt, wanneer hierop te sterk licht valt.

Wanneer de menschen op eene beredeneerde wijze ongeschiktheden

(bijv. ziekten) trachten te doen verdwijnen, zijn de daarvoor

door hen aangewende middelen steeds de zeer indirecte gevolgen

dier ongeschiktheden. Was dit anders, wees bijv. maagpijn op eene

instinctieve en directe wijze de daartegen aan te wenden middelen

aan, zoo zouden deze zeker doelmatig zijn, want het zich aldus

genezende wezen zou zich daarvoor niet boven de zintuigelijke ervaring

behoeven te verheffen, en geene andere verandering in het ligchaam

dan het wegnemen der kwaal zou plaats hebben. Bij de behandeling

van zieken door artsen geschiedt dit nu ook wel zoo in zekere mate,

doch buitendien worden er, deels door dwalingen, veranderingen bij

de ligchamen der patienten te weeg gebragt. Die behandeling bestaat

aldus uit de vereenigde werking der wet van geschiktmaking en van

die der veranderlijkheid.

In andere gevallen is hetgeen de menschen tengevolge van redenering

doen in betrekkelijk sterkere mate ofschoon niet geheel de werking

der wet van geschiktmaking. Het kleeden bijv. verkeert in dit geval,

want de gewaarwordingen van onze ligchamen duiden ons aan, dat wij

bijv. geen lappen laken onder onze voeten moeten bevestigen en geen

rok van zoolleer maken, terwijl ook de vorm der kleederen door die

van onze ligchamen in zekere mate direct aangegeven wordt.

Bij al ons redeneren hebben wij steeds ten doel bij iets geschiktheid

voort te brengen, al zij het dat er door zie blz. 256, te gelijk

ongeschiktheid bij andere zaken ontstaat, zoodat dit redeneren evenmin

alleen eene werking der wet der veranderlijkheid als, wegens de reden

van blz. 260, eene der wet der geschiktmaking is. Omdat het echter

deels eene werking van eerstgemelde wet is, zal het slechts in eene

veranderlijke wereld, dat is in zulk eene waarin er een drang tot

vooruitgang kan bestaan, kunnen plaats hebben. Het verkeer in eene

veranderlijke wereld is echter niet voldoende om vooruitgang bij

de wezens voort te brengen, hiervoor moet bij deze een drang er toe

bestaan, even als zie blz. 263, voor de toeneming der intellectuele

ontwikkeling bij wezens in het bezit van zekeren aanleg.

Een wezen kan een lager en gebrekkiger georganiseerd ligchaam dan

zijns gelijken bezitten en hierdoor zie blz. 90, aan eene grootere

terugtrekkende werking dan dezen blootgesteld zijn. Het kan zich

echter ook eene grootere geestinspanning dan de andere wezens geven,

ten einde in dit gebrek te voorzien, en die grootere geestinspanning

de vergrooting zijner geestelijke ontwikkeling bevorderen. Wanneer

dit wezen aan die bevordering groote behoefte gevoeld, zal het in

dit laatste geval verkeeren, en dit vergelijkbaar zijn met het op

blz. 240, gemelde geval, waarin een volk door kunstmiddelen moet

voorzien in hetgeen de natuur elders zelve geeft.

Het is naar ons inzien het duistere besef van die onbepaalde

vergrooting der geestontwikkeling der menschen, dat doet zeggen dat

hun leven onschatbaar is, niettegenstaande de waarde van het aardsche

leven van enkele menschen negatief is, en van de meeste hunner niet

boven die eener matige geldsom gaat.

De statistiek leert toch hoe, door het verzuimen van zekere

veiligheidsmaatregelen, er gemiddeld jaarlijks een zeker aantal

menschen omkomen, en toch kan men die maatregelen niet invoeren

wanneer zij te veel geld kosten. Bij al zijn werken en drijven stelt

de mensch zijn ligchaam aan meer of minder gevaren bloot. Productie

van welken aard ook kost aldus bloed, zelfs wanneer die productie

dient tot het verschaffen van middelen ter beveiliging van der

menschen leven. Het bewerkte hout en ijzer dat bijv. op de schepen

hiervoor dient, kost aan een aantal houthakkers en mijnwerkers het

leven. Men zou aldus moeten oplossen het vraagstuk "van welken aard

de productie moet zijn om een minimum van menschenlevens te kosten,"

een vraagstuk dat, wegens de gedurige variatien der omstandigheden,

slechts zeer in het ruwe op te lossen is, en waarbij men de productie

door te groote voorzigtigheid niet moet verminderen, omdat hierdoor,

ten bate der geschiktheid met betrekking tot de veiligheid, de van

de productie afhangende beschaving te veel benadeeld zou worden. [78]

Terwijl bij met den onveranderlijken oergeest volmaakt zamengesmolten

wezens, wat geschikt is in het eene opzigt ook geschikt moet zijn in

een ander opzigt, wat voor den een geschikt is, ook voor den ander

geschikt moet zijn, en wat gewenscht is voor het heden ook in de

toekomst gewenscht moet zijn, is dit bij veranderlijke wezens geenszins

het geval. Deze kunnen dan ook slechts trachten de bij hen bestaande

totale ongeschiktheid, waaronder zoowel die voor toekomstige hoogere

toestanden, als die voor het heden, zoowel die met betrekking tot

hunne zamenwerking met anderen, als die met betrekking tot hun eigen,

tot een minimum te maken, iets dat zij, zoo zij aan de eischen van

hun maatschappelijken toestand voldeden, gemiddeld zouden trachten

te doen, doch welke pogingen door allerlei veranderingen van toestand

te weeg brengende accidentele oorzaken aanhoudend tegengewerkt zouden

worden. Van zulk een minimum van ongeschiktheid in allerlei opzigten,

dus ook voor de toekomst, verwijdert men zich echter wanneer men de

geschiktheid voor het een geheel opoffert ten bate van die voor het

ander. Die eerste soort van ongeschiktheid wordt alsdan meer vermindert

dan de tweede vergroot, omdat, naarmate er geschiktheid bij iets meer

vermindert, de verdere vermindering er van bezwaarlijker wordt, omdat

zij zich alsware dan bepaalt tot hetgeen waarbij zij moeijelijker

uitteroeijen is.

Dit kan vergeleken worden met de uitwerking der geregtelijke

straffen. Deze gaan in zekere mate de misdaden tegen, maar straft men

zelfs de ligtste diefstallen met den marteldood, zoo zouden er nog

in voor de dieven zeer aanlokkende gevallen er nu en dan diefstallen

gepleegd worden, en de maatschappij minder winnen door de vermindering

der diefstallen, dan verliezen door de pijnlijke uitwerking dier

verschrikkelijke straffen.

Wij menschen trachten wel in zekere mate de ongeschiktheid bij

ons genoegen in het heden, die bij ons toekomstig bestaan, die

bij andere menschen en die bij het toekomstige bestaan van andere

menschen weg te nemen, doch doen dit niet bij elk dier soorten van

ongeschiktheid in zulk eene verhouding als behoort, om bij allen

te zamen de ongeschiktheid tot een minimum te maken, en wel, omdat

de toestand daaromtrent niet alleen bij de in beschaving gestegene

menschheid veranderd is, maar tevens bij elk individu gedurende

zijn leven verandert. Bij de dieren toch lijdt de geschiktheid voor

de toekomst en die van andere individuen veel minder dan bij ons

menschen door de verwaarlozing er van ten bate der geschiktheid van

het individu in het heden, en daar, sedert dat wij maatschappelijke

pligten te vervullen hebben, onze verheffing boven den staat der

dieren niet sedert zeer langen tijd uiterst langzaam heeft plaats

gegrepen, handelen wij, tengevolge der werking der traagheid en

van de in de Noot van blz. 139 gemelde terugtrekkende werking,

met betrekking tot het te keer gaan der ongeschiktheid bij elk dier

zaken, te veel als dieren, dat is wij voldoen niet aan de eischen

van ons maatschappelijk bestaan. Desniettemin verzuimen wij niet

geheel om bij elk dier zaken de ongeschiktheid tegen te gaan, en

zelfs niet bij ons en anderen toekomstig buiten aardsch bestaan. Dit

wordt bewezen, doordat der menschen ideaal hooger reikt dan om de

hen bewuste kwalen der menschheid weg te nemen, en om deze in den

geschiktsten toestand met betrekking tot het aardsche leven in de tot

den thans bestaanden stand van beschaving gestegene maatschappij te

stellen. Om dit laatste in voldoende mate te doen, hiervoor zijn de

menschen, wegens bovengemelde oorzaak, te zinnelijk, te egoïstisch

en te zorgeloos, kunnen zij gedurende hun kortstondig aardsch bestaan

te weinig de behoeften hunner medemenschen leeren kennen, en mangelt

het hen aldus zoowel aan intellectuele als aan morele ontwikkeling,

doch dit neemt niet weg, dat de (zie blz. 78), zoo onharmonische

mensch somtijds zorgt om geschiktheid te vergrooten voor iets hooger

dan het genoegen der aardsche maatschappij in het heden, en dat hij

hiervoor dit genoegen vermindert, en zich zelf lijden oplegt. Dit

is bijv. het geval zoo iemand zooals Beijling, om zijn gegeven woord

niet te breken, niet slechts zijn eigen leven opoffert, maar tevens

zijne vrienden in droefheid dompelt. Dit is het geval zoo iemand,

overstelpt door rampen of behebt met ongeneeselijke en smartelijke

kwalen, zich liever in de harde maar leerrijke school van den

tegenspoed laat, dan zich van den last van het leven te bevrijden,

en vooral is dit het geval bij uitingen van het godsdienstig gevoel,

en maakt dat zij, die zich offers opleggen om anderen in het heden

genoegen te doen, ons niet voorkomen aan de roeping van den mensch ten

volle te voldoen. Dergelijke daden maken het de menschheid evenmin

in het heden genoegelijker als de bekende raad van Aristides in het

belang van Athene was, en toch kan het doel hierbij niet slechts

zijn om goede voorbeelden te geven, daar dit geheel van de middelen

der publiciteit afhangt, en buitendien verzinsels daar even goed als

werkelijk bedreven daden voor kunnen dienen.

Die vergrooting der zedelijke ontwikkeling kan somtijds geschieden door

het bedrijven van daden, de maatschappij geen voordeel verschaffende,

zooals bijv. bij het bedwingen van de neiging voor genot in het heden

door het nakomen van een verbod van iets dat werkelijk schadeloos

is. De waarde van zulk eene daad, met betrekking tot den bedrijver er

van, zal dan echter verminderen, zoo deze geen ijver genoeg betoont

om de doelmatigheid er van te onderzoeken.

De nakomelingschap heeft aan Napoleon I de terdoodbrenging van den

hertog van Enghien, benevens zijn trouweloosheid jegens het Spaansche

hof meer euvel geduid, dan al de door hem geprovoceerde oorlogen. Dit

nu kan slechts geschied zijn, omdat die nakomelingschap het voorbeeld

van moord en trouwbreuk voor latere heerschers verderfelijker achtte

dan dat van oorlog voeren, niettegenstaande, wanneer die oorlogen

stroomen bloed doen vloeijen en duizende huisgezinnen in rouw dompelen,

zij ontegenzeggelijk het genoegen der maatschappij meer schaden,

dan enkele moorden zulks doen. Deze strekken echter tot zedelijke

verlaging, de oorlogen daarentegen in verscheidene opzigten tot

geestelijke verhooging der strijders en van de navolgers dezer.

Zoo wij ons buitendien geen hooger ideaal voorstelden dan het genoegen

der maatschappij in het heden, zou bij het niet voldoen aan de eischen

van dit ideaal, dit omlaag getrokken worden, dat is de beschaving zou

afnemen, en dit genoegen der maatschappij meer op het dierlijke gaan

gelijken. Zoo, wegens de in de Noot blz. 139 gemelde terugtrekkende

werking, als wegens den zeer geringen graad der geestontwikkeling

der menschen tijdens derzelver geboorte, zouden deze, wanneer zij

volwassen zijn, wegens het kleiner zijn van het hunne geestontwikkeling

optrekkenden ideaal, op een lageren trap van geestontwikkeling komen,

en aldus de graad van ontwikkeling van het genoegen der maatschappij

steeds teruggaan [79]. Het is hiermede gelegen als met de grootte van

wandelingen, zoo deze, hoe klein ook, inspanning vorderen, en zij noch

voor de gezondheid, noch voor het genoegen gedaan worden. Al heeft

iemand door dwang de gewoonte verkregen om eene wandeling van zekere

grootte te maken, die grootte zal van lieverlede verminderen, nadat

die dwang opgeheven is. Is aldus ons ideaal het publieke genoegen

bij de thans bestaande beschaving der maatschappij, zoo hangt het

in de lucht, en zal de noodzakelijkheid dier beschaving voor ons

deze evenmin voor teruggang beveiligen, als de gewoonte aan het

doen van eene groote wandeling, deze zal behoeden voor verkleining,

zoo geene andere oorzaak dit tegen gaat. Slechts zal die verkleining

alsdan trager zijn. Wel is waar bezitten wij zie blz. 28 een drang tot

vooruitgang, en misschien leidt deze de dieren, om zich (zie blz. 152)

eene inspanning te geven grooter dan hun aangenaam is, maar bij ons

menschen, die bewustheid hebben van de toekomst en van hoogere trappen

van bestaan, is deze instinctive drang hiervoor niet voldoende, wij

behooren hiertoe hetzij door anderen gedwongen te worden, of wel een

door onze zucht tot gemak niet omlaag trekbaar doel voor oogen te

houden. Is dit doel bij de menschheid geheel aardsch, zoo moet het,

wil de trap van beschaving niet verminderen, minstens zijn om dezen

trap te verhoogen. Is echter de trap van beschaving op aarde zoo

hoog geklommen als de in de Noot van blz. 139 gemelde terugtrekkende

werking benevens de traagheid der op een zeer laag standpunt van

geestelijke ontwikkeling geboren wordende menschen gedoogt, welk

ideaal moeten deze zich dan ter bereiking voorstellen, om op dit

maximum van op deze aarde mogelijke beschaving te blijven? [80] Een

aardsch ideaal kan dit klaarblijkelijk niet zijn, en ook voor ons,

die dit maximum niet bereikt hebben, kan die optrekkende werking

niet geheel gevonden worden, zoo men de oogen slechts op de aarde

gevestigd houdt. Wij achten ons te weinig in de menschheid op te gaan,

(iets dat wel van zamenwerking met medemenschen onderscheiden moet

worden) en ons gevoel van zelfstandigheid is te sterk, om ons ideaal

vast te knoopen aan het lot der aan allerlei wisselvalligheden

overgeleverde nakomelingschap. Wij bezitten eene meer of minder

gebrekkige voorstelling, dat voor een deel ons ideaal zoodanig moet

zijn, dat het op heffende werkt, hoe hoog ook men binnen de palen

der eindigheid gestegen zij, en aldus slechts bij den oneindigen

onveranderlijken en aldus volmaakten Oergeest kan bestaan.

De idealen van zelfs leden van onbeschaafde maatschappijen bevatten

dan ook bestanddeelen in sommige opzigten ongelijkslachtig zijnde met,

ofschoon niet minder verheven dan hetgeen tot het genoegen strekt

der wisselende leden van beschaafde maatschappijen.

Reeds de onbeschaafde mensch begeeft zich met zijne verbeelding en ook

eenigzins met zijne rede op buitenzinnelijk gebied, en vervalt alsdan

in dwalingen. Dit is een noodwendig gevolg van het ver vooruitloopen

der controlerende zintuigelijke aanschouwing tengevolge der natuurwet

van de veranderlijkheid, doch even noodwendig is het dat die dwalingen

verkeerde opvattingen zijn van iets dat werkelijk bestaat. De natuurwet

der geschiktmaking verbiedt toch dat wij menschen een vermogen behouden

om bespiegelingen te maken over het niet, evenals zij niet zou gedogen

dat de vogels vleugels behielden, zoo er geene lucht bestond om er in

te vliegen. Hetzelfde kan gezegd worden van de zucht der menschen om

zich in eene hoogere en naauwere betrekking met het buitenzinnelijke

en verhevene op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door

denking te stellen. Die zucht is de oorzaak der zoogenaamde inspiratie,

die der veronderstelde persoonlijke tegenwoordigheid van God op gewijde

plaatsen, die der gewaande lichamelijke vereenzelviging met hem. De

menschen hebben, onder de vereenigde werking der wet van geschiktmaking

en die der veranderlijkheid, die zucht naar het hooge op eene voor

hunne bekrompenheid van begrip geschikte wijze trachten te bevredigen,

en zijn hierdoor tot dwaalbegrippen tot bijgeloovigheden vervallen,

doch het bestaan dier zucht bij hen bewijst dat deze eenmaal bij elk

hunner op eene objectief ware wijze bevredigd zal worden.

Het is aldus niet de zucht naar het hoogere op buitenzinnelijk gebied,

of het godsdienstig gevoel in het algemeen, waardoor de toeneming

der menschelijke kennis vertraagd wordt, maar het is de zinnelijke

bevrediging dier zucht die zulks doet. Vandaar, dat, voorbij het

standpunt van beschaving waarop de mensen en wijsgeerig beginnen te

worden, zie blz. 118, er eene botsing ontstaat tusschen de verlichten

der natien, namelijk de wijsgeeren en de voorgangers van het gros

dier natiën in de zinnelijke bevrediging van het godsdienstig gevoel,

en dat de eerste op de laatste eene opheffende werking uitoefenen. Die

disharmonie, moge in het eene tijdvak sterker, in het andere zwakker

zijn, overal zal zij bestaan waar, tengevolge der werking der wet van

geschiktmaking, zinnelijke wezens zich door zinnelijke voorstellingen

trachten te bevredigen, en te gelijk, tengevolge der werking der wet

der veranderlijkheid, door middel hunner rede zich tot het abstracte

verheffen. Het wegens welk motief ook niet dringen in het abstracte

maakt niet alleen dat de menschen bijgeloovig, maar tevens dat zij

ongeloovig zijn. Op het eene oogenblik vormt de mensch verheven

bespiegelingen, en zweeft hij boven de wolken in de wereld van het

abstracte, op het andere oogenblik trekt zijne zinnelijkheid hem naar

den bodem terug, en laat in zijn boezem een grond van wantrouwen voor

zijne naar hij meent voor de rede onwederlegbare bespiegelingen.

Is het aldus te verwonderen, dat zij die gezeten zijn in het vaartuig

hunner kerk, wiens deelen zij de planken der behoudenis wanen te zijn,

omdat zij er tusschen op min of meer zinnelijke wijze het edelste

hunner gevoelens voldoen, dit vaartuig niet durven te verlaten en te

wandelen op de baren van het abstracte, uit vrees van te zinken naar

de diepte van het ongeloof? Uit vrees van mismaakte dwergen te worden,

blijven zij liever kinderen.

De werking der traagheid moet de wezens beletten eensklaps van

natuur te veranderen en hunne persoonlijke eigenaardigheden te

verliezen, zoodat zij niet op de wijze zooals Bouddha gesteld

beeft, maar zelfs, slechts na eene verzwakking van hun karakter van

bijzonderheid en veranderlijkheid gedurende de grootst eindige tijden,

in het onveranderlijke oerwezen, door met dit qualitatief identiek

te worden, opgenomen kunnen worden. De wet der geschiktmaking, welke

dit tracht te doen, zal zwakker werken, naarmate er aan die volmaakte

eenzelvigheid minder ontbreekt, zoodat er evenmin een eindigen tijd zal

bestaan, waarin die werking alle te kort komingen aan die eenzelvigheid

opgeheven zal hebben, alsdat er eene eindige abcis zal bestaan, waarbij

bij eene kromme alle verwijdering van den assymptoot dezer verdwenen

is. Dat de drang tot verandering van zaken, naarmate zij den toestand,

waarin die drang hen wil brengen, meer genaderd zijn, kleiner wordt,

is een gevolg der werking der wet der traagheid, die zulk een drang

slechts veroorlooft binnen een eindigen tijd in grootte te veranderen,

en aldus ook te verdwijnen. Er zullen aldus zeer korte, maar toch nog

eindig groote tijden bestaan, dat die drang uiterst gering zijnde,

voor het voortbrengen eener nadering der eene zaak tot de andere,

die vroeger binnen korten tijd geschiedde, uiterst langen tijd noodig

zal hebben. Bij bovengemelde kromme is de grootte der hoeken, welke

de tangenten met de as der abcissen maken, met de grootte van dien

drang te vergelijken. Is de vergelijking dier kromme nu zoodanig, dat

die hoeken wel naar nul streven, maar niet negatief kunnen worden,

en beneden zekere grootte alle soorten van grootte bezitten, zoo

moet zulk eene kromme een assymptoot paralel met de as der abcissen

bezitten. Evenmin als een veranderlijk wezen binnen een eindigen

tijd het karakter der onveranderlijkheid kan verkrijgen, kan het,

een zelfstandig iets zijnde, binnen zulk een tijd volmaakt vernietigd

worden. Ware eene vernietiging er van mogelijk zoo zou hierbij juist

het omgekeerde als bij de op blz. 184 gemelde aangroeijing van zulk

een wezen van af nul tot een eindig bedrag gedurende eene eeuwigheid

moeten plaats hebben. Een wezen, in dit laatste geval verkeerende,

moet eene eeuwigheid nadat het eene eindigen grootte bereikt heeft,

oneindig groot zijn, en de stelling der preëxistentie tot noodwendig

gevolg hebben, dat de geestontwikkeling der wezens de palen der

eindigheid moet overschreden hebben, wanneer zij met den Oergeest

volmaakt zamensmelten. De wet van geschiktmaking werkt, door de wezens

een onveranderlijken aard te willen geven, de vergrooting dier wezens

tegen. De wet der veranderlijkheid werkt op eene tegenovergestelde

wijze, en moet gedurende het laatste oneindig lange tijdvak, dat de

eindige wezens, voor met den Oergeest zamen te smelten, in grootte

toenemen, in werking betrekkelijk de wet van geschiktmaking verzwakken.

Bij eene eindige betrekking tusschen de werkingen dier beide

wetten in het voordeel der eerstgemelde, voor zooverre deze zie

blz. 284 geene terugtrekkende werking uitoefent, zullen, bij den

aanvang reeds bestaande wezens gedurende een eindigen tijd eene

eindige betrekkelijke, vergrooting ondergaan. Alsdan zal echter die

betrekkelijke vergrooting dier wezens gedurende eene eeuwigheid,

van af een eindig getal tot nul afnemende zulks te traag doen om

binnen die eeuwigheid slechts eene eindige absolute vergrooting

voort te brengen. Hiervoor zou die verhouding, op het oogenblik

van den aanvang dier eeuwigheid, oneindig groot moeten zijn en bij

een wezen in grootte nul bestaan. Die grootte is vergelijkbaar

met die der ordinaat nul bij den top van assymptoten bezittende

kromme lijnen. Van dergelijke krommen moeten de met bovengemelde

betrekkelijke vergrooting vergelijkbare tangenten der hoeken der

raaklijnen van oneindig tot op nul afnemen.

De op blz. 276 gemelde zucht tot opheffing van den geest naar

den onveranderlijken oneindigen Oergeest, vereischt dat diens

onveranderlijke denkbeelden een invloed hoe indirect ook op onze

veranderlijke denkbeelden uitoefenen, want anders zou het zijn,

of dit onveranderlijke wezen voor ons geen objectief bestaan had,

en aldus, zooals op blz. 275 gezegd is, die zucht bij de menschen

niet kunnen bestaan. Die onveranderlijke denkbeelden van den Oergeest

kunnen echter niet direct op de onze van invloed zijn, omdat deze

dan ook een directen invloed op die onveranderlijke denkbeelden

zonden uitoefenen, en hen niet volmaakt onveranderlijk zouden kunnen

laten. Die invloed moet aldus geschieden door eene grootst eindige

reeks van zie blz. 175, veranderlijke denkbeelden van den Oergeest,

en wel zoo dat de leden dier reeks naar de zijde waar deze zich aan

de onveranderlijke denkbeelden hecht, meer en meer hun karakter van

veranderlijkheid verliezen en in uitgebreidheid toenemen [81].

Die uitgebreidheid bij die onveranderlijke denkbeelden oneindig zijnde,

zoo kan hun invloed op onze denkbeelden vergeleken worden met dien van

een oneindig grooten hemelbol op een eindig grooten bol, waarvan hij

oneindig ver verwijderd, en aldus, zie blz. 165, door eene oneindige

massa van aantrekkingstrillingen bezittenden ether gescheiden is. De

invloed dier reeks van denkbeelden van den Oergeest op onze denkbeelden

moet echter niet beschouwd worden als inspiratie, maar zie blz. 122 als

de oorzaak waardoor wij ons door middel der rede en verbeelding boven

zintuigelijke indrukken verheffen. De veranderlijke denkbeelden van den

Oergeest, bepaalt door de atomistische bewegingen der aarde, oefenen,

door tusschenkomst van dergelijke veranderlijke denkbeelden, bepaalt

door atomistische bewegingen der deelen van ons ligchaam, geestelijke

invloeden uit op door de zintuigelijk onwaarneembare atomistische

bewegingen bepaalde denking van onzen geest [82]. Gedroeg deze zich

hier tegenover geheel passief, zoo zou hij een aardsch product zijn,

en werkelijk tracht die invloed hem daartoe door eene werking der

wet van geschiktmaking te verlagen. Onze geest gedraagt zich echter

ook actief, ofschoon niet steeds even sterk, het minste in den slaap,

in staat van dronkenschap, van waanzin, enz., wanneer hij zich weinig

inspant; het meeste bij het denken over abstracte onderwerpen, over

het algemeene en bij het in den niet latenten toestand. houden van

denkbeelden, zoo dit sterke inspanning vereischt. Voor het bezit dier

activiteit heeft echter onze geest noodig primo om eene menigte van

verscheiden en veranderlijke indrukken te ontvangen, zonder welke

hij niet werkdadig kan zijn, zie blz. 93, en secundo om invloed te

kunnen uitoefenen op voorwerpen, die zich alsdan tegenover hem passief

gedragen. Zoo gedragen zich de beenen passief, wanneer wij tengevolge

van onzen wil (eene soort van denking) gaan, en zouden zij zich slechts

actief gedragen, zoo zij ons konden dwingen om te loopen [83]. Onze

geest zou slechts aan de op blz. 94 gemelde werking, trachtende hem

een aardsch product te doen worden, blootgesteld zijnde, dit werkelijk

naar ons inzien worden, zoo de werking der wet der veranderlijkheid

hem niet binnen de wereldsche verscheidenheid en veranderlijkheid door

de op blz. 279 gemelde reeks aan eene opheffende werking blootstelde,

en daardoor tevens maakte dat die eerste werking haar doel niet kan

bereiken, en aldus verlagende op den geest blijft werken.

Men kan zich voorts voorstellen wezens zich niet verheffende boven

de zintuigelijke indrukken, die zij op een hemelbol verkrijgen,

en die, in zeker opzigt qualitatief niet van elkander verschillende,

dit quantitatief wel doen. Zoo zouden bijv. op deze aarde waterdieren,

zich niet boven hunne zintuigelijke indrukken verheffende, niet slechts

minder hoog in geestontwikkeling staan dan de werkelijk bestaande

waterdieren, maar tevens als imaginaire landdieren, welke zich ook

niet boven hunne zintuigelijke indrukken verheffen.

Om te beseffen hoe de aardsche zintuigelijke aanschouwing, door

beneden de denking der aardbewoners te blijven, de vergrooting

der geestontwikkeling dier wezens belemmert, en, zoo onze planeet

(zie blz. 154) niet zelve in eene phase van vooruitgang was, hij de

nakomelingschap slechts tot een zeker maximum zou veroorloven te gaan,

neme men in acht, dat al der menschen wetenschappelijke kennis bestaat

uit zintuigelijke waarnemingen, wiskunde en logica. Van het eerste

is natuurlijk het maximum op deze aarde beperkt, en met de wiskunde

en logica is dit, door eene indirecte uitwerking van dit te laag

staan der zintuiglijke aanschouwing met betrekking tot onze denking,

insgelijks het geval.

Zoowel bij de logica als bij de wiskunde wordt den aard en grootte

van het onbekende, uit het bekende afgeleid, zoodat, waar zie

blz. 174 de rijkdom en volkomenheid der aanschouwing de geesten ten

volle verzadigen, wiskunde en logica overbodig zijn. Zoowel bij de

logische als bij de wiskundige redenering (wier juistheid eigenlijk

onafhankelijk is van de objectieve waarheid van de stellingen

waarvan men uitgaat) gebruikt men beelden en voorstellingen aan de

zintuigelijke aanschouwing ontleend. De beperktheid hiervan moet nu de

vlugt van onze voorstellingen beperken door hierop eene terugtrekkende

werking uit te oefenen, en hierdoor aan de intellectuele ontwikkeling

der aardbewoners met betrekking tot de wiskunde en logica grenzen

stellen, zelfs al waren die bewoners in het bezit eener aardsche

onsterfelijkheid en aldus van een onbepaald langen tijd om te leeren,

zonder dat hun geest een aardsch product was, twee zaken die, zie

blz. 224, naar ons inzien, onvereenigbaar zijn.

Men zij voorts indachtig dat de werktuigen, zooals telescopen,

microscopen, passers, barometers enz. waardoor onze aardsche

zintuigelijke aanschouwing uitgebreider geworden is, niet zouden

bestaan, zoo het vooruitloopen er hiervan door onze denking er

zie blz. 178 niet opheffende opgewerkt had, doch die uitbreiding

is begrensd.

Bij de theorie snelt men door middel van wiskundige en logische

redeneringen de zintuigelijke aanschouwing meer vooruit, dan bij de

praktijk. Meer dan hierbij komt men bij de theorie tot resultaten

van een meer algemeenen aard. Bij haar staat meer dan bij de praktijk

vooruitgang en minder dan bij deze geschiktheid op den voorgrond.

Wanneer een ligchaam valt, bestaat er een verschijnsel, namelijk de

aantrekking waaraan dit ligchaam is blootgesteld, dat opwekt een ander

aldus in grootte toenemend verschijnsel, namelijk de nadering van dit

ligchaam tot andere ligchamen. Wederkeerige versterking tusschen die

aantrekking en die sterkte van nadering heeft er hierbij (evenals

in zeker opzigt zie blz. 12 tusschen den aanleg en de toeneming

der geestelijke ontwikkeling) slechts zeer weinig plaats, omdat, in

tegenstelling van bij onderlinge nadering van twee hemelligchamen,

de aantrekking bij aardsche ligchamen gedurende den val van deze

zeer weinig vergroot. Die nadering van dit ligchaam tot andere, een

gevolg der aantrekking, brengt voort elastieke botsing, dat is een

overgang dier aantrekking in afstooting, en aldus eene vernietiging

en omkeering van deszelfs oorzaak voort. Op het oogenblik dat die

afstooting begint, zal de nadering op een maximum zijn; terwijl, op

het oogenblik dat de afstooting op een maximum is, de nadering nul

geworden zal zijn. Deze wordt daarna negatief, dat is zij gaat over

in verwijdering, die op het grootste wordt op het oogenblik dat de

afstooting weder in aantrekking overgaat. Afneming hierbij dier heen

en teruggaande snelheden door wrijving of onveerkrachtige botsing,

is eene werking der wet van geschiktmaking, omdat er dan zie blz. 251

snelheden in warmtetrillingen overgaan. Bestaat die verwijdering

bij hemelligchamen, zoo zal er na de botsing tusschen de sterkte der

verwijdering en de aantrekking eene wederkeerige verzwakking bestaan.

Zoo die hemelligchamen, in plaats van tegen elkander te botsen, zeer

langwerpige ellipsen om een gemeenschappelijk brandpunt beschrijven,

zullen de naderingen op eene andere wijze de hen voortbrengende

aantrekkingen vernietigen. Zij keeren in dit geval de rigting waarin

de aantrekking geschiedt om, zoodat alsdan de aantrekkingen niet

negatief worden, door in afstootingen over te gaan, maar door in

tegenovergestelde rigting te geschieden. In dien laatsten zin zijn

die aantrekkingen bij de perihelia op het sterkste negatief, en aldaar

is de sterkte der nadering nul geworden, om later negatief te worden,

dat is in verwijdering over te gaan. Bij de aphelia zijn bij dit geval

de positieve aantrekkingen gering wegens bovengemelde wederkeerige

verzwakking tijdens de verwijdering der beide ligchamen. Bij het

eerste voorbeeld is daarentegen de aantrekking der aarde minus de

afstooting der beide ligchamen op het grootste, wanneer het botsende

ligchaam weder begint terugtevallen, en aldus de sterkte der nadering

er bij nul is.

Wanneer de werking der wet der veranderlijkheid zoodanig is, dat het

gevolg deszelfs voortbrengend verschijnsel tracht te vernietigen en

negatief te maken, is die werking in denzelfden geest als de werking

der wet van geschiktmaking terwijl, wanneer het gevolg deszelfs

voortbrengend verschijnsel tracht te versterken, de werking der

wet der veranderlijkheid in tegengestelden geest als die der wet

van geschiktmaking is. In het eerste geval bestaat er echter dit

verschil tusschen de werking der wet der veranderlijkheid en die

der wet van geschiktmaking, dat de werking dier laatste wet alsware

een nevenverschijnsel te weeg brengt, in sterkte toe en afnemende

met het verschijnsel waarop die werking vernietigende werkt, zooals

bijv. de met wrijving gepaard gaande snelheden; terwijl daarentegen

bij de werking der wet der veranderlijkheid, zooals in het eerste

geval, het vernietigd wordende verschijnsel door zijne grootte het

vernietigende opwekt. Deze laatste werking, gepaard met die der wet

van geschiktmaking, waardoor, bijv. zooals op blz. 259 aangegeven is,

de gewijzigde werking van blz. 257 ontstaat, zou op maatschappelijk

gebied steeds iets heilzaams wrochten, zoo de maatschappij in geen

staat van vooruitgang verkeerde, en zal aldus iets heilzaam teweeg

brengen in de gevallen waarmede de vooruitgang niet te maken heeft,

zooals bijv. het vernietigen van afwijkingen ten eene of andere

zijde van een welgemaakt ligchaam. In zulke gevallen is toch de

gemiddelde toestand den besten, de vernietiging van afwijkingen

hiervan wenschelijk en het ontstaan van zulke afwijkingen door

de wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking

tusschen oorzaak en gevolg plaats heeft, schadelijk. Bij zaken

in staat van vooruitgang is daarentegen, wegens de werking der

traagheid zie blz. 52, die gemiddelde toestand niet den besten, het

ontstaan van afwijkingen er van naar boven is aldus wenschelijk en

de vernietiging dier afwijkingen schadelijk. Zoo aldus die werking

der wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking

tusschen oorzaak en gevolg ontstaat alsdan dergelijke afwijkingen

te weeg brengt, zal de werking er van heilzaam en de tegengestelde

werking der wet der veranderlijkheid schadelijk zijn, daar in het

eerste geval men iets goeds met betrekking tot wat ook, tracht te

vergrooten en in het laatste dit goede tracht te vernietigen. Zoo

is het bijv. goed dat de belooningen, zij die zich goed gedragen,

tot nog beter aansporen. De begrenzing van dergelijke afwijkingen,

tengevolge der op blz. 261 gemelde werking der wet der geschiktmaking,

is dan echter en wel meer, naarmate zij digter bij zekere grootte is,

iets heilzaams. Zoo is het bijv. goed om door belooningen de vlijt van

leerlingen op te wekken, edoch de toeneming dier vlijt moet gematigd

worden, omdat zij anders de gezondheid dier leerlingen zou schaden,

en evenzeer moet de vergrooting der belooningen gematigd worden,

omdat deze anders onregtvaardig zouden worden.

Het ontstaan van alsware beneden of achterwaartsche afwijkingen

van achterlijke gemiddelde toestanden door de werking der wet der

veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking plaats heeft,

is daarentegen schadelijk omdat alsdan iets kwaads vergroot wordt;

terwijl de omgekeerde werking dier wet, waardoor dergelijke afwijkingen

naar achteren tegengegaan worden, heilzaam is. Schadelijk is het

bijv. wanneer men slechte menschen zoo bejegent en plaagt, dat zij

uit wrok nog slechter worden, goed, wanneer men dit zoo doet, dat

hunne zedelijkheid digter bij die van het gros der menschen komt.

Deze de afwijkingen uitputtende werking der wet der veranderlijkheid

gepaard met de werking der wet van geschiktmaking, tracht de

verschillende bestanddeelen van zaken met elkander in harmonisch

verband en op dezelfde hoogte van ontwikkeling te brengen. Zijn nu

bij die zaken, door dat zij in een staat van vooruitgang zijn zooals

op blz. 78 gezegd is, die bestanddeelen op zeer ongelijke hoogte,

zoo zullen die beide zoo even gemelde werkingen, door de trachten

de hoogst staande bestanddeelen dier zaken te verlagen, ofschoon

niet met betrekking tot de geschiktheid er van zie blz. 255, iets

schadelijk, te weeg brengen, en daarentegen, door de laagst staande

bestanddeelen er van omhoog te trekken, iets goeds wrochten. Omgekeerd

zal de werking der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg

elkander wederkeerig versterken, iets, ofschoon ook weder niet met

betrekking tot de geschiktheid, heilzaams voortbrengen, wanneer zij

zaken onharmonisch maakt door enkele bestanddeelen er van te verhoogen,

en daarentegen schadelijk werken, wanneer zij eene disharmonie te

weeg brengt door andere bestanddeelen dier zaak te verlagen. Dit

laatste was bijv. het geval bij het ontstaan van den aflaathandel

in het begin der zestiende eeuw. De vernietiging er van door de

hervormers was aldus eene werking der wet der veranderlijkheid, wanneer

hierdoor afwijkingen uitgeput worden en te gelijk ook eene werking

der wet der geschiktmaking. Toen zij echter eene nieuwe godsdienst

verhevener dan de toen bestaande stichtten, waren de handelingen der

hervormers werkingen der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en

gevolg elkander wederkeerig versterken, begrensd door de op blz. 261

gemelde werking der wet der geschiktmaking. Hunne handelingen strekten

toen toch volstrekt niet meer om de verschillende bestanddeelen der

toen bestaande godsdienst meer harmonisch met elkander en met de

zinnelijkheid der menschen te maken. Ware dit het geval geweest, zoo

zouden de hervormers de hoogste bestanddeelen der catholijke godsdienst

zie blz. 255 hebben moeten verlagen. Niet de drang tot geschiktmaking,

maar die tot vooruitgang was de drijfveer dier hervormers. Eveneens

was dit het geval bij Galileus, toen deze als vertegenwoordiger der

wel op waarnemingen gebaseerde, maar desniettemin abstracte wetenschap

verscheen voor de vierschaar der vertegenwoordigers der zinnelijkheid,

der zie blz. 178 niet controlerende getuigenis der zintuigen. Hierbij

toch past de stelling, dat de aarde om de zon wentelt, zoo weinig,

dat niemand, tenzij hij beter ingelicht is, haar geloof zal willen

schenken.

Ook op staatkundig gebied bestaat er, wegens den vooruitgang der

maatschappij, disharmonie bij verschillende zaken. Ingezetenen van

rijken wenschen zich bijv. te vereenigen met ingezetenen van andere

rijken, met wie zij zich verwant gevoelen, en willen tevens zeer locale

belangen overheerschende maken. De werking der wet der geschiktmaking

en de in denzelfden geest zijnde werking der wet der veranderlijkheid

zullen klaarblijkelijk trachten eerstgemelde zucht te verzwakken en

te gelijk te geven eene ruimere opvatting van locale belangen. Bij

eene verdeeling der menschheid in staten, enkel tengevolge van die

beide werkingen, zou aldus die zucht der inwoners van staten om

staatkundig zamen te smelten met hen verwante inwoners van andere

staten onbevredigd moeten blijven, en zie blz. 256 later verdwijnen.

Wegens den vooruitgang der menschheid zullen de staten door

zamenvoeging gemiddeld steeds grooter worden, doch dit wegens

de werking der traagheid gemiddeld zie noot blz. 78 wat te laat

geschieden, en de staatkundige indeeling aldus zoo zijn, dat zoo

even gemelde zucht tot zamensmelting, minder bevredigd wordt dan

het particularisme.

De werking der wet van geschiktmaking en de in denzelfden geest

zijnde werking der wet der veranderlijkheid, zouden bij eene niet

vooruitgaande maatschappij de staatkundige indeeling der menschheid

zoo goed mogelijk trachten te maken, en wel volgens nationaliteiten,

waarbij de particuliere en locale belangen weinig uiteenloopen, want

zulk een toestand zou dan evenzeer den gemiddelden politieken toestand

zijn, als de welgemaakte toestand van het ligchaam den gemiddelden

van allerlei mismaakte toestanden, zie blz. 102. Oorlogen zouden

het ontstaan van zulk een gemiddelden politieken toestand kunnen

bevorderen, door tot beide zoo even gemelde werkingen te behooren, of

kunnen tegengaan, door werkingen te zijn der wet der veranderlijkheid,

die in strijd zijn met die der wet van geschiktmaking. Meer zullen zij

echter in eerst dan in laatstgemelden geest werken, omdat gemiddeld

de morele kracht alsmede de ondersteuning van andere staten zijn voor

den oorlogvoerenden staat, die eene geschikte staatkundige verdeeling

wenscht. De werking van den oorlog kan men vergelijken met die van het

trekken van ballen uit eene bus, witte en zwarte ballen bevattende,

met zekere voorliefde voor de witte. Het kan dan echter zijn,

dat die bus zoo weinig witte en zooveel zwarte ballen bevat, dat,

niettegenstaande die voorliefde voor de witte ballen, er meer zwarte

dan witte ballen getrokken worden, en evenzoo zou de staatkundige

indeeling zoo nabij de beste kunnen zijn, dat, niettegenstaande de

gemiddeld grootere kans voor zege der partij, die de staatkundige

indeeling nog beter tracht te doen worden, de oorlogen deze eerder

trachten te verslimmeren dan nog beter te doen worden.

De gemiddelde toestanden, op zich zelve beschouwd, geschikte

toestanden, en somtijds afwijkingen van gemiddelde toestanden van meer

algemeenen aard, kunnen veranderen, en zullen dit, bij het bestaan

van blijvende afwijkingen naar de eene zijde er van, doen zoodat

men dan alsware een anderen gemiddelden toestand zonder afwijking

zal verkrijgen. Zoo kan de verzwakking van een staat iets worden,

waarnaar deszelfs bevolking zich voegt, en die deze niet meer als

eene door groote inspanning te vernietigen afwijking beschouwd.

De werking der wet der geschiktmaking tracht namelijk te gelijk

afwijkingen te vernietigen, en den gemiddelden toestand alsware naar

de zijde dier afwijkingen te verschuiven. De werkelijke afwijkingen

zijn aldus steeds van tijdelijken aard, en, wanneer de werking

der wet der veranderlijkheid wederkeerige versterking tusschen een

verschijnsel en deszelfs gevolg te weeg brengt, zal niet alleen zie

blz. 261 de werking der wet van geschiktmaking de vergrooting van

zulk een verschijnsel en van deszelfs gevolg eens doen ophouden, maar,

zoo de gemiddelden toestand zich niet verplaatst, door de op blz. 258

gemelde werking der wet der veranderlijkheid, die door wederkeerige

versterking voortgebragte afwijking later weder vernietigd worden. Zoo

zal bijv. magtsvergrooting, voortgebragt door wederkeerige versterking

van succes en aanmoediging, later door verslapping en overmoed

weder vernietigd en zelfs negatief kunnen gemaakt worden, beide

echter slechts zoo die grootere magt, door geschiktmaking er voor,

geene werkelijke behoefte wordt. De wederkeerige versterking bestaat,

alsdan tusschen het voortbrengend verschijnsel en eenig ander, doch

zij kan ook bestaan, tusschen het voortgebragte verschijnsel, dat het

eerstgemelde tracht te vernietigen en zelfs omgekeerd te doen worden,

en eenig ander verschijnsel [84]. Hoe zwakker de werking der wet van

geschiktmaking is, in hoe meer tijd zij aldus het beoogde doel bereikt,

hoe minder ongeschiktheid in andere opzigten er bij andere zaken er

door teweeg gebragt zal worden. Vandaar dat men een goed doel kan

bereiken zonder slechte middelen er toe te bezigen, zoo men slechts

geduld heeft, en een op minder vaste gronden steunende geschikten

toestand, binnen korten tijd ontstaande niet verkiest boven een op

vastere gronden steunende geschikten toestand meer in de toekomst.

Stelt men het verbod om aan anderen te doen, hetgeen zij wenschen

dat hun niet gedaan wordt, niet in strijd met het werkelijke belang

der individuen, zoo kan in elken staat het belang der deelen in

overeenstemming met dat van het totaal dier deelen zijn. Dit zal

insgelijks het geval bij het statenstelsel kunnen zijn, want het is

hiervoor wenschelijk, dat er geene onderdrukte nationaliteiten bestaan,

en dit zal niet in strijd zijn met de belangen van elk dier staten,

omdat de meerderheid der inwoners van elk dezer toch een afkeer moet

hebben van het denkbeeld dat zijne nationaliteit onderdrukt wordt.

Hierbij, zooals steeds op maatschappelijk gebied, moet echter in acht

genomen worden, dat het verkeerd is bestaande afwijkingen van den

toestand, die het beste voor het algemeen welzijn is, plotseling te

willen vernietigen, omdat door den tijd zij, bij wie die afwijkingen

bestaan, zich in zekere mate er naar zullen geschikt hebben. Dit

is bijv. het geval bij zoogenaamde door den tijd verkregen en met

het algemeen belang in strijd zijnde regten, zooals bijv. die van

het houden van slaven, te hoog geestelijk ontwikkeld met betrekking

tot hunne meesters om zie blz. 47 eene heerschappij, als die over

slaven uitgeoefent, niet nadeelig te doen worden. Zulke regten

behoeven evenmin plotseling, althans zonder schadevergoeding (eene

soort van geschiktmaking voor den bezitter dier regten) afgeschaft,

als onbepaald bestendigd te worden.

Wanneer een voortbrengend verschijnsel of oorzaak eene afwijking is

van een gemiddelde, dat zich niet tracht te verplaatsen, zal het

voortgebragte of gevolg, verschijnsel die oorzaak trachten uit te

putten, en deze daarentegen versterken, wanneer dit gemiddelde zich wel

tracht te verplaatsen. Zoo zal bijv. succes in den krijg, tengevolge

van tijdelijke grootere eenheid, deze trachten te verminderen, of

wel te vergrooten, al naar gelang die grootere eenheid elders niet

aangetroffen wordt, of wel eene toenadering is tot die welke elders

bestaat, of die men noodig voor zich acht. In het eerste geval schijnt

die grootere eenheid iets, dat na de zege overbodig geworden is, en

in het tweede iets waarvan de heilzame vruchten met betrekking tot de

toekomst gebleken zijn. Inspanning brengt verhooging in positie te

weeg, en deze zal, wegens den drang tot vooruitgang, gemiddeld die

inspanning niet trachten te vernietigen, ofschoon de op blz. 261

gemelde werking der wet van geschiktmaking, de vergrooting dier

inspanning tengevolge van wederkeerige versterking, weldra zal doen

ophouden. Dat voorts die vergrooting in positie geschiedt onder strijd

(zie. blz. 55) in den algemeensten zin genomen, ontstaat doordat

magten zooals individuen, staten enz. in contact komen met andere

niet met hen in alle deelen zamenwerkende magten of zaken, hetgeen

een gevolg is der verscheidenheid, die zie blz. 237 eene voorwaarde

is van den vooruitgang.

De werking van elken hartstogt is die van een der beide op blz. 284

gemelde werkingen der wet der veranderlijkheid, in het eene geval

zooals op blz. 259 en in het andere, zooals op blz. 261 gezegd

is, gepaard met de werking der wet van geschiktmaking. Lijden wekt

bijv. medegevoel op, dat dit lijden tracht te vernietigen. De sterkte

van dit medegevoel klimt en daalt nu niet, wegens de werking der

traagheid, te gelijk met die van dit lijden, en vooral niet zoo de

bekendheid hier van snel toeneemt, en evenmin is dit medegevoel op

een maximum wanneer dit lijden ophoudt met te bestaan. Met betrekking

hiertoe verkeert het in een overeenkomstig geval als doelmatige

straf met betrekking tot slecht gedrag, en als met oordeel toegeven

met betrekking tot gegronde grieven. Is het daarentegen iemands

geluk dat medegevoel opwekt zoo heeft er tusschen beiden, even als

tusschen eischen en toegeving met zwakheid, wederkeerige versterking

plaats. De werking der wet van geschiktmaking tracht echter dan de

toeneming van beiden tegen te gaan, daar zij iemands positie, en te

gelijk de gevoelens die men hem toedraagt, tot zekere gemiddelden

tracht te brengen.

Met betrekking tot derzelver oorzaken staan de werkingen der

hartstogten zie blz. 267 in dezelfde verhouding als de daden gedaan

tengevolge van redeneringen. Trouwens bij hartstogtelijke handeling

worden er redeneringen van eenvoudigen en oppervlakkigen aard gemaakt,

die, zooals bij woede en vrees, in der menschen geest overheerschende

worden. Het zijn de hartstogten die de menschen doen handelen, de goede

op eene niet, de slechte op eene wel te lage wijze voor de eischen

van der menschen zedelijk leven en onderlinge zamenwerking, en het

verkeerde van zich blindelings aan goede hartstogten over te geven,

bestaat juist in het alsdan niet maken van genoegzaam diepzinnige

redeneringen. Of de intellectuele ontwikkeling is dan in gebreke

met betrekking tot de morele ontwikkeling, of men weet haar dan niet

genoegzaam te doen gelden.

Dit in gebreke zijn der intellectuele ontwikkeling, of het niet gebruik

er van kan in het algemeen leiden om zich van het goede en insgelijks

van het kwade te onthouden, en aldus de neiging tot het eene en tot het

andere verminderen. Naar aanleiding van hetgeen op blz. 217 gezegd is,

zal, omdat kennis noodig is om begrip en waardering van het goede te

geven, en niet alleen evenals bij het kwaad strekt, om het op eene

meer doelmatige wijze te doen, ontbering er van gemiddeld meer tot

kwaad dan tot goed strekken, en aldus, naar aanleiding van blz. 152,

de neiging tot het goede meer verminderen dan die tot het kwaad

[85]. Men bedenke hierbij dat de werking der wet van geschiktmaking de

verschillende soorten van kennis (althans zie blz. 67) die van even

hooge soort, met elkander in harmonisch verband tracht te brengen,

zoodat vermindering der wijsgeerige kennis ook die der andere kennis

tengevolge heeft. Iemand, die zich nu steeds er op toelegt om met

overleg kwaad te plegen, moet noodwendig de wijsgeerige kennis, die

betrekking heeft op de maatschappelijke behoeften en vooruitgang,

verwaarloozen en dit, wegens de zooeven gemelde reden, daling van

andere takken van kennis ten gevolge hebben.

Zoo de geestelijke aanleg der individuen der verschillende diersoorten

en menschenrassen bij de geboorte dier individuen slechts bepaald werd

door den aard van hunne ligchamen, zou het onverklaarbaar blijven hoe

zulke groote verschillen in den dezen geestelijken aanleg bepalenden

aard der ligchamen ontstaan zijn, of liever in stand gehouden worden,

want bestond er geene constante oorzaak voor dit laatste, zoo zouden

die verschillen, slechts door de werking der traagheid in stand

gehouden, van lieverlede verminderd zijn, en slechts accidentele

omstandigheden (anders gezegd het toeval) die den geestelijken aanleg

bepalenden aard der ligchamen wat doen variëren. De verschillen

in levensomstandigheden kunnen althans bij de menschenrassen die

constante oorzaak niet zijn, omdat de verschillen in hoogte der

levensomstandigheden bij de menschen kunstmatig zijn, en niet door de

aarde aangeboden worden. De verschillen in den bovengemelden aard der

dierlijke en menschelijke ligchamen, moeten in overeenstemming met de

stelling van blz. 92, dat die ligchamen aan eene opwaarts drijvende

werking buiten hen blootgesteld zijn, naar ons inzien, ook in stand

gehouden worden door eene oorzaak buiten hen, namelijk zie blz. 196

door de verschillen in aanleg der geesten op de aarde met levende

ligchamen in contact willende komen. De geslachtsvoortplanting en het

verkeer zullen voorts klaarblijkelijk strekken om bovengemelden aard

dier ligchamen bij dezelfde soorten of dezelfde volken gelijk aan

elkander te doen worden. Dit zelfde verschil in aanleg der geesten

houdt, naar ons inzien, bij een zelfde volk het verschil in stand,

voor zooverre dit niet door het toeval ontstaat, in stand. Wel heeft

de maatschappij zich naar die verschillen in beschaving geschikt,

doch die verschillen kunnen naar ons inzien geene noodzakelijke

behoefte zijn van welke maatschappij ook, bijv. niet van eene wier

leden in geestelijken aanleg tijdens hunne geboorte alle gelijk zijn,

en niet, tengevolge der werking van het toeval, ongelijk in beelding

en rijkdom worden. Verschil in magt zou in zulk eene maatschappij

enkel door verschil in ancieniteit bepaald worden.

De werking der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg

elkander wederkeerig versterken, veroorzaakt vaak eene overdrevene

schatting van zekere hartstogten, zooals vreugde, smart, bewondering,

verachting, opwekkende gebeurtenissen. Tusschen de opvatting dezer

laatste in den geest dier hartstogten en deze bestaat er dan eene

wederkeerige versterking, door de werking der wet van geschiktmaking,

waardoor de hartstogt en de overdrevene voorstelling gematigd

worden, begrensd. De aanschouwing der werkelijke gevolgen van zulk

eene gebeurtenis wekt dan echter het denkbeeld op, dat men zich aan

overdrijving heeft schuldig gemaakt, en dit denkbeeld nu is, wegens

de werking der traagheid, niet verdwenen, wanneer, tengevolge er van,

die overdrijving niet meer bestaat. Vandaar dat deze naar aanleiding

van hetgeen op blz. 258 gezegd is, negatief zal worden, en er aldus,

met betrekking tot de juiste schatting, verflaauwende schommelingen

zullen ontstaan. Was dit niet het geval, zoo zou men, na het vernemen

dat eene heugelijke tijding valsch is, direct weder in dezelfde

gemoedsstemming als voor het ontvangen dier tijding moeten komen,

want op het oogenblik dat de ongegronde vreugde verdwenen zou zijn,

zou zulks ook zijn het denkbeeld dat men zich ten onregte verheugd

heeft. Dit is echter in werkelijkheid het geval niet, en vandaar,

dat men daar na gedurende zekeren tijd treurig wordt.

Hierbij komt echter nog dat de wet van geschiktmaking de menschen

ras gewoon maakt aan het denkbeeld van voorspoed, en aldus, zooals

op blz. 289 gezegd is, althans met betrekking tot de bestaande

afwijking, in gevoel van vreugde bestaande, het gemiddelde verzet,

zoo dat hierdoor, wanneer de valschheid der goede tijding ruchtbaar

wordt, de vreugde reeds veel vermindert zal zijn.

Een zelfde verschijnsel kan te gelijk bestaan bij verschillende

groepen van verschijnsels, elk, wegens de vereenigde werking der

zamenstellende verschijnsels, opwekkende een gevolg onderscheiden

van de gevolgen dier andere groepen. Zoo kan bijv. eene slechte daad,

vereenigd werkende met de vriendschappelijke stemming der beoordeelaars

dier daad, jegens derzelver bedrijver tot gevolg medelijden hebben;

terwijl diezelfde daad, vereenigd werkende met de vijandelijke stemming

van andere beoordeelaars, jegens derzelver bedrijver verachting en

haat tengevolge heeft.

Het gretig eten van gewijde kuikens kan, vereenigd werkende met

de bijgeloovige gevoelens van een leger, aanmoediging hiervan tot

gevolg hebben; terwijl, vereenigd werkende met de functie van de keel

dier kuikens, dit gretig eten dezer de vulling van derzelver magen

tot gevolg heeft. In elk dier gevallen zal elk gevolg zie blz. 71,

gelijkslachtig zijn met een of meer der verschijnsels door wier

vereenigde werking het opgewekt wordt. Zoo is bijv. aanmoediging

gelijkslachtig met bijgeloovige stemming, en vulling van magen met

eten. Evenzoo is uitdrooging der lucht gelijkslachtig met derzelver

oorzaak, namelijk de met storm vergezeld gaande betrekkelijk sterke

luchtrijzing, terwijl het reven van zeilen gelijkslachtig is met het

besturen van vaartuigen, dat vereenigd werkende met storm, dit reven

tengevolge heeft [86]. Gelijkslachtig zijn oorzaken en gevolg, wanneer

deze op gene kunnen terugwerken en hen, zooals op blz. 284 gezegd is,

kunnen uitputten en omkeeren, of versterken, en ongelijkslachtig zijn

oorzaken en gevolgen, wanneer dit niet mogelijk is. Zoo zal bijv. de

aan- of ontmoediging van een leger kunnen terugwerken op deszelfs

bijgeloovige stemming, maar niet op het eten van gewijde kuikens,

terwijl de met dit eten gelijkslachtige vulling der magen dier kuikens

dit daarentegen wel kan doen.

Evenzoo zal de uitdrooging der lucht de luchtrijzing en aldus ook de

horizontale toeschieting der lucht of den wind verzwakken, terwijl

het reven van zeilen op de sterkte van den wind niet, maar op het

besturen van zeilvaartuigen wel terugwerken kan.

Hoe komt het nu dat, zooals bij deze voorbeelden, geheel

ongelijkslachtige verschijnsels vereenigd werkende gevolgen kunnen

opwekken, die aldus onmogelijk met elk van derzelver oorzaken

gelijkslachtig kunnen zijn? Naar ons inzien, doordat hier op aarde niet

alles in harmonisch verband is, doordat, zooals op blz. 195 gezegd is,

de gewassen en de ligchamen der dieren hooger dan de onbewerktuigde

natuur, en de geesten der menschen hooger dan de door derzelver

ligchamen bepaalde denking, en zie blz. 91 en 280 nog hooger dan de

door de onbewerktuigde aardsche natuur bepaalde denking staan. Zoo is

het rijp worden van vruchten, een gevolg der vereenigde werking der

organische zamenstelling dier vruchten en der warmte, met deze laatst

geheel ongelijkslachtig. Het met die warmte gelijkslachtige gevolg

is daarentegen de grootere uitstraling en de mindere vatbaarheid voor

warmteopslurping der verhitte voorwerpen. Wegens de op de verhitting

terugwerkende eigenschap van dit gevolg, moet het in de warmteleer

beschouwd worden, hetgeen aldaar daarentegen weinig meer met het

rijpen van vruchten, als met het bezoeken van zomer-theaters behoeft

te geschieden.

Hoe grooter de disharmonie is tusschen met elkander in verband gebragte

zaken, hoe ongelijkslachtiger de gevolgen en sommige van derzelver

oorzaken kunnen worden. Dit is bijv. in sterke mate het geval, zoo het

eten van gewijde kuikens, of zie blz. 145 en 171 juister gezegd, de

hierdoor bepaald wordende denking, in verband komt met de menschelijke

denking over geheel andere zaken. Die disharmonie is nu enkel het

gevolg hiervan, dat de verbeelding opwekkende bewuste aanschouwing

sterk vooruitloopt de op blz. 178 gemelde aanschouwing, waardoor de

menschen met den waren aard der zaken bekend worden, en zoo nu die

disharmonie werkelijk maakt dat gevolgen geheel ongelijkslachtig met

sommige van derzelver oorzaken worden, zoo is het klaar, dat de door de

wijsbegeerte zie blz. 117 niet ingelichte menschen het mogelijk kunnen

achten, dat gevolgen er mede gelijkslachtige oorzaken geheel kunnen

missen, of met andere woorden dat er wonderen bestaan. Kon bijv. het

gezigt van een klein stuk beschreven papier de eenigste oorzaak zijn,

dat iemands bloed sneller gaat loopen, en dat zijne spijsvertering

belemmerd wordt, zoo zou dit verschijnsel van denzelfden aard zijn

alsdat iemands woorden een dooden kunnen opwekken. Wat maakt echter

het eerste verschijnsel mogelijk en het tweede onmogelijk? Het bestaan

van eene oorzaak gelijkslachtig met de physiologische werkingen binnen

het ligchaam, en vereenigde werkende met de inzage van het kleine stuk

beschreven papier, het gemis van eene oorzaak gelijkslachtig met de

organische en chemische werkingen bij lijken en vereenigd werkende

met de woorden van den zoogenaamden doodenopwekker.

Niet slechts moet eene der oorzaken van elk verschijnsel hier

qualitatief op gelijken, ook dient zij dit quantitatief te doen. Zoo

bijv. een voorwerp breekt tengevolge van een zachten tik, zoo dient

te gelijk hiermede, de broosheid van dit voorwerp de oorzaak van

dat breken te zijn, omdat dit een veel sterker verschijnsel dan dien

ligten tik is. Broosheid bestaat voorts ook op maatschappelijk gebied,

bijv. bij legers wier nederlaag het gevolg kan zijn van een verkeerd

kommando. Op dit gebied bestaat de vastheid in ongevoeligheid voor

storende oorzaken, en de taaiheid in de sterkte der werking der

wet van geschiktmaking waardoor de storingen verdwijnen Die eene

oorzaak, wier sterkte die van het gevolg evenaart, kan somtijds voor

oppervlakkige of oningewijde menschen onbekend blijven, en somtijds

vereenigd werken met andere bekende belangrijke oorzaken, waardoor

het bekende gevolg van deze zeer belangrijk gewijzigd kan worden.

Hetgeen op blz. 176 gezegd is, dat elk verschijnsel bevat zekere

bijzonderheden bijv. het bijzondere van eenige daad van een persoon,

voorts te gelijk iets meer algemeen, zooals bijv. de uiting van

het karakter van dien persoon, in alle dergelijke daden die hij

verrigt bevat, voorts nog iets meer algemeen, bijv. de algemeene

uiting van den menschelijken aard enz., kan alsware naar beide zijden

voortgezet worden, zoodat men naar de eene zijde steeds korter durende

eigenaardigheden der verschijnsels ontmoet, terwijl naar de andere

zijde, men steeds meer algemeene en langer aanhoudende eigenaardigheden

er van te beschouwen heeft, totdat men eindelijk, zie blz. 171, bij het

algemeenste, wat op het gebied van denking en beweging bestaat, zou

teregt komen. Bij alles wat gebeurd kan men aldus stellen te bestaan

bijzonderheden uiterst kort durende, gedurende dien tijd slechts

in grootte, maar niet in aard veranderende, en die, voorafgegaan

en gevolgd door andere dergelijke bijzonderheden, elk bezitten

eene oorzaak die hen voortbrengt en een gevolg dat hen vernietigt,

tengevolge der op blz. 257 gemelde werking der wet der veranderlijkheid

gepaard met eene zoodanige werking der wet der geschiktmaking, dat

de op blz. 259 gemelde schommelingen niet noemenswaardig ontstaan. [87]

Zoo toch dit gevolg die bijzonderheid niet zeer snel na zijn ontstaan

vernietigde, maar onveranderd liet of versterkte, zou deze in aard

gedurende langeren tijd onveranderd blijvende, en eerst door een

ander en trager ontstaand gevolg vernietigd wordende, iets meer

algemeen zijn. Dit meer algemeene is nu geen verschijnsel naast

een ander meer bijzonder verschijnsel bestaande, maar slechts eene

minder veranderlijke eigenaardigheid van hetzelfde verschijnsel,

dat te gelijk meer veranderlijke eigenaardigheden bezit. Men kan

bijv. niet zeggen dat loopen een verschijnsel is, en dan in deze dan

in gene rigting loopen er een ander is, niettegenstaande men van het

loopen in elke rigting, hoe kort men dit ook moge doen, de oorzaken

en de gevolgen kan nagaan, en deze verschillen van de oorzaken

en de gevolgen van het loopen in het algemeen. Dit bijv. kan het

gevolg zijn van gemoedsaandoening door ligchaamsbeweging versterkt

wordende, zoodat hierbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig

versterken, totdat een ander gevolg dier ligchaamsbeweging namelijk

de vermoeijenis hier vernietigende opwerkt. Die gedurende zekere tijd

heftiger wordende ligchaamsbewegingen veranderen echter gedurig van

vorm, en, wanneer elk dier verschillende soorten van vorm, op een

maximum van intensiteit zijn, zullen de er door opgewekte gevolgen

nog in intensiteit toenemen, en, wanneer het aantal dier gevolgen

in eenig geval meer dan een bedraagt, slechts het met die soort van

eigenaardigheid gelijkslachtige gevolg die eigenaardigheid kunnen

vernietigen. Ligchaamsbewegingen kunnen bijv. wegens derzelver aard

twee gevolgen opwekken een van physiologischen en een van geestelijken

aard, en nu wel het eerste gevolg van het tweede kunnen afhangen, maar

het niettemin alleen in staat zijn om den bijzonderen vorm van zulk

eene beweging uit te putten, en als oorzaak werkende een anderen vorm

van beweging op te wekken. De denking van een lam mensch is bijv. even

onvermogend om den vorm zijner ligchaamsbewegingen te wijzigen, als het

waarnemen van een zoogenaamd slecht teeken voor het ondernemen eener

zaak, om een niet bijgeloovig mensch van zulk eene onderneming te doen

afzien. Het verlies van zekere soort van bijzondere eigenaardigheden

bij eenig verschijnsel komt op hetzelfde neder als het er steeds

bij bestaan van het gemiddelde dier bijzondere eigenaardigheden. Van

eenig voorwerp kan het bijv. eene veranderlijke bijzonderheid zijn,

dat het in kleur varieert, zonder dat het gemiddeld de eene kleur

van den regenboog meer dan eene der andere vertoont. Het gemiddelde

dier kleuren zal grijs zijn, en klaarblijkelijk een voorwerp, dat die

bijzondere eigenaardigheid van dan zus en dan zoo gekleurd te zijn

verliest, zich steeds grijs moeten vertoonen. Op blz. 255 hebben

wij gezegd, dat de werking der wet van geschiktmaking afwijkingen

van gemiddelden tracht te vernietigen, en op blz. 256 dat zij het

veranderlijke van toestanden tracht te doen verdwijnen. Waar nu komt

dit laatste op neder: Op het vernietigen van veranderlijke bijzondere

eigenaardigheden bij zaken, zoodat hierbij slechts meer algemeene en

te gelijk minder veranderlijke eigenaardigheden overschieten. Zulke

gemiddelden, afwijkingen zijnde van andere meer algemeene en

nog minder veranderlijke gemiddelden, zoo zal de werking der wet

van geschiktmaking ook deze afwijkingen trachten te vernietigen,

hetgeen hierop neder komt, dat zij meer algemeene eigenaardigheden van

verschijnsels tracht weg te nemen, om deze slechts nog algemeener en

nog minder veranderlijke eigenaardigheden over te laten enz. totdat,

bij het niet bestaan der werkingen der wet der veranderlijkheid,

zooals op blz. 257 gezegd is, eerstgemelde werking eindelijk zou

leiden tot het slechts laten bij de verschijnsels van het absoluut

onveranderlijke en algemeenste bij de veropenbaring der zelfstandigheid

door denking en door beweging. Die werking der wet van geschiktmaking

tracht bijv. zie blz. 255 de menschen op een gemiddelden trap van

zedelijkheid te brengen, en aldus zoodanig te doen worden, dat er van

hunne moraliteit niets bijzonders te zeggen valt, en dat, ofschoon te

veel aan te lage hartstogten toegevende en beneden de eischen van hun

leven blijvende, zij niettemin noch gierig, noch mild, noch hoogmoedig,

noch nederig, noch geduldig, noch ongeduldig, noch vlijtig, noch lui

kunnen genaamd worden, en aldus bijzondere eigenaardigheden verliezen.

Een beschonken mensch, van eene naar eenige andere plaats willende

gaan, wijkt, door te zwaaijen, dan aan deze dan aan gene zijde af

van zekeren weg tusschen die twee plaatsen, en de werking der wet

der geschiktmaking en de werking der wet der veranderlijkheid op

blz. 258 gemeld, trachten gedurig die afwijkingen te vernietigen,

en dien persoon brengen op den gemiddelden van al de verschillende

wegen, die hij herhaalde keeren in staat van dronkenschap tusschen

beide gemelde plaatsen zal volgen. Die gemiddelde weg is nu echter

ook die welke een niet beschonken mensch tusschen die twee plaatsen

zal volgen, en het gaan langs dien gemiddelden weg is aldus iets

meer algemeen, dan het regts en links afwijken er van in staat van

dronkenschap. Die wandeling van dien beschonken mensch is aldus

een verschijnsel, waarvan het meer algemeene is dat beoogt wordt om

haar te maken langs dien gemiddelden weg en het meer bijzondere in de

afwijkingen hiervan bestaat. Van de gemiddelde toestanden, waarvan af

deze afwijkingen, welke de werking der wet van geschiktmaking en de

werking der wet der veranderlijkheid, op blz. 257 gemeld, trachten

te vernietigen, bestaan, wordt trouwens den aard steeds door iets

meer algemeen en minder veranderlijk bepaalt dan hetgeen den aard

dier afwijkingen bepaalt. Het verschil tusschen het gemiddelde

mannen en het gemiddelde vrouwenkarakter wordt bijv. bepaalt door

de verschillen in ligchaamsorganisatie en werkkring der mannen en

vrouwen in het algemeen, doch dat sommige vrouwen een vrij mannelijk

karakter verkrijgen, van eene dergelijke afwijking kan de oorzaak van

zulk een algemeenen aard niet zijn. Dit is eveneens het geval met de

afwijkingen uit het oogpunt der gezondheid der ligchamen der menschen

van het gemiddelde menschelijke ligchaam. Zooals op blz. 78 gezegd is,

kan, wegens de optrekkende werking van den geest en de terugtrekkende

werking der aarde, dit gemiddelde menschelijke ligchaam niet volmaakt

gezond zijn, doch van den ziekelijken toestand er van zal niet anders

te zeggen zijn, dan dat geen zijner organen volmaakt goed werken. Zoo

de menschelijke ligchamen in geen staat van ontwikkeling verkeerden,

zou daarentegen het volmaakt gezonde ligchaam het gemiddelde zijn,

zoodat het, bij het wel bestaan dier ontwikkeling, niet de uiterste

afwijking ter eene zijde kan zijn, en wel te minder hoe zwakker die

ontwikkeling is. Men kan zich aldus bij sterkere afwijkingen aan

die zijde alsware te bloeijende ligchamen voorstellen, evenals men

zich zie blz. 215 menschen kan denken in alles aan hoogere eischen

voldoende dan die voor de behoeften der thans bestaande maatschappij

nuttig en noodig zijn. In de werkelijkheid ontmoet men echter evenmin

zulke ligchamen als zulke karakters, omdat bij geen van beide de

verschillende deelen met elkander in harmonie zijn.

Ditzelfde gebrek aan harmonie neemt men waar bij de voorstellingen

der menschen van hoogere maatschappelijke toestanden en wereld

en levensdoelen. Niet alleen zijn, zooals op blz. 73 gezegd is,

die voorstellingen scheef, maar men vindt er tevens bij hoogere

en lagere voorstellingen dooreengemengd, en de laatste betreffen

dan zaken, waarvan de hoogere voorstellingen het meeste met de

zinnelijkheid en met de zucht om in zeker opzigt voor het heden

geschikte toestanden daar te stellen, in strijd zijn. Het socialisme,

het pantheisme enz. leveren voorbeelden op van dergelijke mengsels

van op verschillende trappen staande voorstellingen.

Menschelijke ligchamen zie blz. 78 even hoog boven die der dieren

verheven, kunnen in gezondheidstoestand verschillen, doch, zoo

men althans de ligchamelijke ontwikkeling van het menschelijke

geslacht (wel van de bovengemelde der individuen te onderscheiden)

niet noemenswaardig stelt te zijn, zullen die ligchamen, op de

gemiddelde hoogte van verheffing boven de ligchamen der dieren,

staande, gemiddeld de gezondste zijn, ten gevolge van den op blz. 234

gemelden inwendigen drang.

Gevolgen van verschijnsels worden door deze, zie blz. 258 vergroot

zoolang deze zie blz. 297 door andere er mede gelijkslachtige

gevolgen en door de werking der wet van geschiktmaking niet vernietigd

zijn. Geschiedde dit niet, zoo zou de werking van laatstgemelde wet,

benevens gevolgen dier gevolgen en hiermede gelijkslachtig zijnde,

deze beletten zeker maximum te overschrijden zie blz. 261. Geschiedt

dit daarentegen wel, zoo zullen beide laatstgemelde werkingen,

die eerste gevolgen in intensiteit reeds wat hebben doen afnemen,

wanneer de hen opwekkende verschijnsels, wegens bovengemelde reden,

opgehouden hebben te bestaan. De pijn, door een slag teweeg gebracht,

en die in intensiteit afneemt, na het ophouden van het slaan,

vernietigt dit niet, doch dit geschiedt door andere gevolgen van

den slag, namelijk door den wederstand door de slaande hand ontmoet,

door physiologische werkingen binnen het ligchaam van hem die slaat,

tengevolge van zijn wil teweeg gebragt enz.

Goede daden doen de zedelijke ontwikkeling van hen die ze bedrijft

toenemen, doch, nadat die daden, tengevolge der uitputtende werking

van met hen gelijkslachtige gevolgen opgehouden hebben te bestaan,

zooals bijv. die van het redden van iemand door het feit dat hij

buiten gevaar is, zal de werking der wet van geschiktmaking die

verkregen vergrooting in zedelijke ontwikkeling, zie blz. 124,

alsware trachten weg te slijten. De voldoening over het bedrijf van

zulk eene daad is nu niet, zooals sommigen beweren, de belooning er

van, maar de blijde bewustheid, dat men eene aanwinst in zedelijke

ontwikkeling verkregen heeft, eene bewustheid, die eene verkeerde

rigting nemende, denzelfden verslappenden invloed als zie blz. 259

ondoelmatige belooningen kan hebben.

De werking der wet van geschiktmaking tracht de positie der menschen

in alle opzigten in harmonie te brengen met hunne omgeving, en aldus

bijv. menschen hunne vrijheid te ontnemen, zoo zij, met betrekking

tot de maatschappij waarin wij verkeeren, vrijwillig niet genoegzaam

arbeiden. Diezelfde werking tracht bijv. ook, wanneer den grond

ter vermenigvuldiging van het aantal eigenaars te veel versnipperd

wordt, de hierdoor ontstaande nadeelen te doen verdwijnen. Men

heeft in dergelijke gevallen toch niet te doen met zie blz. 231 een

veranderlijk, maar met een zamengesteld doel, en hierbij zou, zoo

de werking der wet der veranderlijkheid niet bestond, er eindelijk

geschiktheid in alle opzigten ontstaan. Dit zou eveneens het geval

zijn met de verdeeling van het menschdom in uit bij elkander passende

personen bestaande deelen, zie blz. 128 en 255, zoo de werking der

wet der veranderlijkheid de menschen in aard niet veranderde, en niet

menschen deed geboren worden in kringen, waarin zij, zie blz. 294,

wegens hun geestelijken aanleg niet passen.

Mislukkingen hebben plaats, doordat, tengevolge eener werking van

laatstgemelde wet, handelingen gevolgen baren, die hen niet slechts

vernietigen, maar zie blz. 258 somtijds een tegenovergestelden toestand

als die, door die handelingen daargesteld, teweeg brengen. Men poogt

bijv. door eene omwenteling een staat in een geavanceerden toestand,

waarvoor hij nog niet rijp is, te brengen, ondervindt tegenstand, en

er ontstaat tijdelijk eene reactie. Men valt, door getal of beleid

overmagtige vijanden aan, wekt het strijden dezer op, en wordt van

aanvallers aangevallenen, tenzij de slijtende werking der wet van

geschiktmaking de vijanden, nadat den aanval afgeslagen is, zijn

strijden doet staken zie Noot blz. 300. Zoo daarentegen zulk een

aanval gelukt, bestaat er tusschen hem en den strijd wederkeerige

versterking, en worden beiden vernietigd door het er door opgewekte

gevolg, in de vlugt van den vijand bestaande. Dit gevolg is nu wel de

op blz. 258 gemelde werking der wet der veranderlijkheid, maar verkeert

in hetzelfde geval als het gevolg in Noot blz. 300 gemeld, namelijk

het tracht deszelfs oorzaak niet negatief te doen worden. Dergelijke

gevolgverschijnsels, waarover wij op blz. 660 van ons werk get. Over

de werking der natuurwetten op zedelijk gebied enz. gehandeld hebben,

kunnen aangemerkt worden als de tegenhangers van die welke hunne

oorzaken onveranderd laten, in plaats van deze, zooals bij de andere

op blz. 261 gemelde werking der wet der veranderlijkheid gezegd is,

te versterken. Deze laatste gevolgen zijn daarentegen de tegenhangers

van die welke hunne oorzaken negatief doen worden, en het zie blz. 258

weder positief opwekken van die oorzaak door het negatief geworden

gevolg, kan als den tegenhanger der wederkeerige verzwakking van twee

zie blz. 265 op elkander werkende verschijnsels beschouwd worden.

Naarmate zaken eene fijnere nuance eener eigenschap gemeen hebben, zal

de kans, dat al hunne andere eigenschappen dezelfde zijn, grooter zijn.

Wij leeren gebruik te maken van ons ligchaam met betrekking tot

hetgeen er buiten gelegen is. Verandert nu die betrekking, tusschen

ons ligchaam en hetgeen er buiten ligt, plotseling, zoo wordt

het gebruik van het ligchaam verkeerd, edoch slechts tijdelijk,

omdat de werking der wet van geschiktmaking leert het ligchaam

in deszelfs nieuwen toestand van lieverlede goed te gebruiken. De

veranderlijkheid is aldus ook in dit geval eene oorzaak van dwaling

zie blz. 231. Niet minder is zulks het vooruitloopen van de rede

door de verbeelding, en zoo dit in sterke mate het geval is, waar de

werking van het verstand zie blz. 178 de controlerende aanschouwing

weinig vooruitloopt, en aldus die werking steeds vrij juist kan zijn,

ontstaan er krankzinnigheid. Wanneer daarentegen de verbeelding die

controlerende aanschouwing slechts sterk vooruitloopt in de gevallen

waarin de werking van het verstand zulks ook moet doen, ontstaat er

bijgeloof zie blz. 117.

De werking der wet van geschiktmaking beperkt zie blz. 302 bij

gelijksoortige gevallen afwijkingen in onregelmatigheid van de

onregelmatigste gemiddelden dier gevallen. Bij de regelmatige gevallen,

voortbrengsels van oorzaken, ontstaat er toch als ware zekeren toestand

van onvast evenwigt, die allerhande accidentele omstandigheden, in die

oorzaken begrepen, zullen trachten te verstoren. Die onregelmatigste

gemiddelde gevallen behoeven aan minder voorwaarden dan de meer

regelmatige te voldoen, zoodat derzelver kans van voorkoming grooter

dan die van deze zal zijn. De werking der wet van geschiktmaking zal

aldus het ontstaan van gevallen van eenige soort moeijelijker maken,

naarmate de kans van voorkoming er van kleiner wordt, doordat het

karakter van regelmatigheid er bij grooter wordt. Dergelijke gevallen,

wier kans van voorkoming zeer klein zou zijn, zoo boven gemelde

werking der wet van geschiktmaking niet bestond, zullen aldus door

deze werking onmogelijk gemaakt worden. De eenigzins minder regelmatige

gevallen, waarvan anders de kans van voorkoming wat grooter zou zijn,

zullen, tengevolge dier die regelmatigheid storende werking der wet

van geschiktmaking, slechts uiterst zeldzaam kunnen plaats hebben,

omdat, zoo zij meer plaats hadden, de kans er van anders beneden

tot zooeven gemeld minimum zou dalen door kleiner te worden, zooals

bijv. het bij herhaling trekken van een zeer groot aantal witte ballen

uit eene bus evenveel witte als zwarte ballen bevattende.

Gevallen, waarbij de werking der wet van geschiktmaking aldus

is, dienen echter uit eene aaneenschakeling van verschijnsels

(bijv. trekkingen uit gemelde bus) te bestaan, welke op elkander

van invloed zijn (bijv. door het onbewust niet voor het gevoel

identiek zijn dier witte en zwarte ballen) en aldus niet van elkander

onafhankelijke verschijnsels te zijn. Zie verder hierover blz. 579

van ons werk get. Vervolg op het werk get.: Over de werking der

Natuurwetten op zedelijk gebied enz.

De accidentele omstandigheden, waarvan hierboven gesproken is, zijn

werkingen der wet der veranderlijkheid zie blz. 251, doch de werking

der wet van geschiktmaking tracht die omstandigheden te doen bestaan

uit de gezamentlijke werking van vele veranderlijke omstandigheden, en

hen hierdoor een meer algemeen karakter te geven. Zijn er daarentegen

enkele omstandigheden overheerschende, zoo kan men meer bijzondere en

regelmatige gevallen, namelijk die, waarbij eene al of niet periodieke

herhaling van hetzelfde plaats heeft, verkrijgen. Dit is bijv. het

geval bij het achtervolgens trekken van witte ballen uit bovengemelde

bus, zoo dit met de ballen in het gezigt geschiedt, en de trekker

eene blijvende voorkeur voor de witte ballen bezit, en even eens,

wanneer de regelmatige vorm van ligchamen bij schudding dezer, tot

eene regelmatige wijze van groepering er van leidt.

Zijn wij onbekend met zulke overheerschende bijzondere omstandigheden,

zoo spreken wij van toeval, doch, voor het voortbrengen van regelmatige

gevallen, moeten zij desniettemin bestaan. Alleen kan men zeggen, dat

dezelfde overheerschende omstandigheden alsdan minder steeds dezelfde

soort van regelmatigheid zullen voortbrengen, dat dit zal afhangen

van hun verband met andere omstandigheden, en dat die wisselingen van

regelmatigheid eene resulterende onregelmatigheid zullen voortbrengen.

Heeft men nu uit bovengemelde bus achtervolgens slechts witte ballen

getrokken, zoo zullen de nog niet uitgewischte ons onbewuste indrukken

dier vorige trekkingen opgehoopt zijn, en er aldus bestaan een

regelmatigheidsverschijnsel in den tijd, waarvan de regelmatigheid

bij de volgende trekkingen slechts tot zekeren grens kan vergroot

worden. Het moet dunkt ons alsdan wat moeijelijker worden om, onder

de voor ons menschen onbewuste invloeden der vorige trekkingen,

nogmaals een witten dan een zwarten bal te trekken. Men bedenke dat,

daar beide soorten van ballen onderscheiden zijn, bij het trekken van

witte, er iets anders dan bij het trekken van zwarte ballen moet plaats

hebben, en dat de vorige trekkingen een materieel spoor achtergelaten

hebben. Bestaat er nu bij dit spoor zekere regelmatigheid, zoo zal bij

eene volgende trekking deze regelmatigheid gemakkelijker verzwakt dan

versterkt worden, en het eerste door het trekken van een zwarten en

het laatste, door het nogmaals uit de bus halen van een witten bal,

plaats hebben.

Bedenkingen tegen de Leer van Darwin Gevolgd door beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen. · 第 11 / 13 题