BESCHOUWINGEN OVER DE GEESTELIJKE ONTWIKKELING VAN DEN MENSCH.

Er bestaat in des menschen geest een strijd tusschen de zucht naar

toestanden, waarvoor hunne natuur, zooals zij thans is, zekere

geschiktheid bezit en waaraan zij gewoon zijn, hetgeen eene soort

van geschiktheid is, en de zucht naar hoogere, maar hun onbekende

toestanden. Van daar dat bijv. menschen, geruimen tijd in de gevangenis

vertoefd hebbende, aan hunne enge cel hechten, en er somtijds tegen

op zien, om weder in de wijde en hun vreemd geworden maatschappij

te treden [62]. Vandaar ook de liefde der menschen niet slechts voor

bestaan in het algemeen, maar tevens voor het aardsche leven, dat wel

is waar hun veel leed oplevert, maar met wiens aard zij bekend zijn,

en waarvoor zij zekere geschiktheid verkregen hebben. Hoe lager des

menschen trap van geestontwikkeling is, en aldus hoe zinnelijker zij

en hoe meer bekrompen hunne denkbeelden zijn, hoe sterker (althans

zoo men het zwakker zijn hunner zelfbewustheid niet in aanmerking

neemt) hunne gehechtheid aan bekende levenstoestanden, en tegelijk hoe

sterker hun afkeer voor door hen veronderstelde vreemde toestanden zal

zijn. Dit kan nu de oorzaak zijn, dat de oude Grieken het verblijf in

den Hades zoo weinig aanlokkend voorstelden, en dat de menschen zekere

neiging bezitten om den zielstoestand na den dood wel verhevener,

maar overigens gelijkende op die hier op aarde te stellen. Kan

bijv. de meest philosophische mensch vurig verlangen naar een leven,

waarin hij een veel hoogere ontwikkeling, maar tegelijk geheel andere

denkvormen dan hier op aarde bezit, en dat hij aldus wel kan stellen

te zullen bestaan, maar voor zich niet begrijpelijk kan maken? Naar

ons inzien neen, maar zulk een philosoof zal zeggen, dat de aardsche

levenstoestanden thans voor hem niet eene grootere absolute, maar

slechts eene grootere relatieve waarde bezitten dan alle andere wier

bestaan hij kan stellen, en dat die voorkeur voor het aardsche bestaat

door zijne bekendheid er mede, aldus door eene oorzaak, die, wanneer

hij eenmaal vertrouwd zal zijn met andere levenstoestanden, hem voor

deze dezelfde voorkeur zal inboezemen, al thans voor de aardsche.

Wel zal hij, naar ons inzien, een oneindig, onveranderlijk en dus

volmaakt, maar hem geheel vreemde denkvormen en denkbeelden bezittend

en aldus hem onbegrijpelijk wezen, in waarde onvergelijkbaar hooger

schatten dan de menschen, die hij liefheeft, maar toch, wegens de

onmogelijkheid om het te kunnen begrijpen, dit wezen niet kunnen

beminnen op de wijze als hij menschen bemint. Hiervoor zou hij dit

Oerwezen moeten vermenschelijken en aldus een karakter moeten geven,

dat zijne rede en wetenschap hem zegt, dat het niet bezitten kan. Die

voor hem onbegrijpelijke aard van het Oerwezen zal die wijsgeer

achten volmaakt geschikt te zijn voor het Heelal en zelfs voor zijn

eigen geestelijken loopbaan, gedurende de eeuwigheid als een geheel

beschouwt, maar voor zijn gemoedsgevoel, zooals dit thans is en zelfs,

zoolang zijn geest binnen de palen der eindigheid besloten is, zijn

zal, moet die onbegrijpelijke aard als iets ongeschikt voorkomen [63].

Slechts wanneer de wezens, na eene oneindige groote geestontwikkeling

bereikt te hebben, geheel met den Oergeest vereenigd zijn, moeten zij,

naar ons inzien, zijne natuur door deze volkomen te deelen, volkomen

begrijpen, en dan ook eene volmaakte wetenschap van hunne eigene

bestemming en van het werelddoel bezitten. Voor dien tijd, terwijl

die geestontwikkeling uiterst groot, maar nog eindig is en, ofschoon

uiterst weinig, nog toeneemt zie blz. 200, kan dit begrijpen wel

reeds uiterst goed, maar nog niet volkomen goed zijn, evenmin als eene

kromme lijn ac (zie onderstaande fig.), een assymptoot lg bezittende,

deze op uiterst groote eindige distantiën volkomen kan raken. Zoo nu,

na het bereiken van zekere eindige grootte, de geestontwikkeling,

na steeds verzwakkende vergrooting er van, niet meer toenam, zou

na een uiterst langen tijd er (zie blz. 178) geene noemenswaardige

dwaling en disharmonie bij onze denkbeelden meer moeten bestaan. Daar

dan echter het begrijpen van het oneindige zeer onvolkomen zou zijn,

zou het stellen er van in 's menschen geest niet meer moeten plaats

hebben, want anders zou de disharmonie zelfs niet zeer nabij weggenomen

zijn. Van den anderen kant kan een niet in grootte van ontwikkeling

afnemende geest, het stellen van het oneindige niet verleeren, en

dit toont dunkt ons aan, dat dit stellen (door de wijsgeeren slechts

bepaalder en naauwkeuriger dan door andere menschen geschiedende, en

waarvan bij alle metaphysische godsdienstbegrippen zelfs de laagste,

er reeds eene kiem bestaat) bewijst, dat de natuur van onzen geest

zoodanig is, dat bij geen trap van eindige ontwikkeling er tusschen

zijne denkbeelden eene volmaakte harmonie kan bestaan, en dat aldus

binnen geen eindigen tijd hij in een volmaakt bevredigenden toestand

kan geraken.

Het zich bevinden der stelling van het eeuwige, onveranderlijke

en oneindige binnen de hierdoor nimmer derzelver aanhangers

geheel bevredigende godsdienstbegrippen, heeft gemaakt, dat de

vermogensvergelijking der goden slechts tot zekeren graad mogelijk

werd. Bij den Oergod, tijdens het begin der tijden begonnen zijnde

den chaos te ontwarren, ging dit het minste goed, bij de ondergoden en

middelaars beter, en uit zucht, om voor zich zooveel mogelijk geschikte

godsdienstbegrippen te verkrijgen, hebben de menschen dan ook niet

verzuimd om zulke middelaars, wier bijna menschelijke natuur hen

goed begrijpelijk, en ten gevolge van dien vrij beminnenswaardig en

geschikt om gebeden te verhooren maakte, te scheppen. Somtijds geen,

somtijds eenigen, maar steeds een grootendeels toevalligen historische

oorsprong bezittende, zoo waren die middelaars vaak zinnebeelden van

zaken op geestelijk of stoffelijk gebied binnen de bewuste aanschouwing

vervat, en verhevener was hunne natuur, naarmate hunne voorstelling

deel uitmaakte van hooger staande godsdienstbegrippen.

De disharmonie van hetgeen wij op het buitenzinnelijk gebied stellen

met wat wij hiervan begrijpen, is, naar ons inzien, de oorzaak

waardoor de arbeid der eigenlijke wijsgeeren voor de verhooging der

godsdienstbegrippen der massas zoo weinig vruchtbaar geweest is en

waarom men aan de juistheid, van hetgeen men op buitenzinnelijk gebied

gelooft met de waarheid ongeveer over een te komen, te kort moet doen

bij het mededeelen van godsdienstbegrippen aan kinderen en onbeschaafde

menschen. Terwijl de wiskundige kennis bij de achtervolgende generatiën

door juxtaposa aangroeit, zoodat het nieuwe zich naast het oude vleit,

zonder aan de waarheid hiervan te kort te doen, groeit de kennis van

het buitenzinnelijke door interposa, namelijk elk deel ontwikkelt zich

en nadert gemiddeld meer tot de waarheid. Tracht men aldus bij het

onderwijs der jeugd die deelen in hun vorigen verachterden toestand

alleen te verbeteren en te zuiveren, zonder hen tegelijk te verhoogen,

zoo zal men gebrekkig werk leveren. Zie blz. 130.

Zelfs menschen, welke zich boven de voorstelling van middelaars

verheven hebben, zijn niet vrij van het toeschrijven van menschelijke

denkvormen aan het Opperwezen.

Zij zeggen, wij zijn geene loondienaars, doch de hartekenner volgt onze

schakel van denkbeelden en, naarmate deze goed of slecht zijn, keurt

hij die goed of af, en daarvoor is het dat wij gevoelig zijn. Men zou

nu aan zulke menschen kunnen vragen, of die opvatting der denking van

God niet insluit, dat zij voor een deel even als Godsvoorwetenschap van

al het toekomstige bijzondere (en derhalve ook van hetgeen door al de

menschen in de toekomst gedacht zal worden) eene overbodige duplicata

is van het geestelijke leven der menschen, en tevens dezelfde vorm

als de denkbeelden dezer laatste bezit, zie blz. 175. Die goed of

afkeuring kan ook kwalijk zonder het bezit der menschelijke denkvormen

geschieden, en zou buitendien niets beteekenen, zoo zij aan God geene

vreugde of verdriet verschafte, hetgeen de toekenning van menschelijke

hartstogten aan hem noodzakelijk maakt [64].

Wijsgeeriger is het naar ons inzien te zeggen, dat, door goed te doen,

men zijne zedelijke ontwikkeling, en wel te meer hoe verhevener door

onbaatzuchtigheid de gehalte van die goede daden is bevordert, en zich

hierdoor een blijvenden schat verwerft, zoo het geestelijke leven niet

met vernietiging bedreigd wordt, en men zorgt die verkregen vergrooting

van zedelijke ontwikkeling in stand te houden. Zie blz. 153. Even

als toch eene nietige oorzaak, gedurende zeer langen tijd werkzaam,

groote kwalen kan doen verdwijnen en eene groote ommekeer van zaken te

weeg kan brengen (reden waarom ongelukkige en door de omstandigheden

magteloos gemaakte, maar met wijsheid en wilskracht begiftigde menschen

vertrouwen in de toekomst kunnen stellen), zoo moet een verworven goed,

niet onderhouden wordende gedurende een lang tijdsverloop tot op een

niet noemenswaardig deel wegslijten.

Op blz. 122 hebben wij aangegeven wat ons noopt om onze

geestontwikkeling naar de hoogte te werken, en op blz. 207 wat het

einddoel dier vergrooting is. Die vergrooting onzer geestontwikkeling

is aldus onafscheidelijk van de denking van den Oergeest, en zonder

deze zou ons bestaan zelfs onmogelijk zijn, zoodat de gedachte aan hem

onafscheidelijk is van die dat de vergrooting onzer geestontwikkeling

onze roeping is.

De zooveel mogelijk regtvaardige vergelding der daden, of anders gezegd

het beloonen en straffen, dit is de taak der met elkander verkeerende

eindige wezens. Dit moet dunkt ons niet alleen hier op aarde, maar

ook op de hemelbollen, waar er hooger ontwikkelde levende wezens met

elkander in contact komen, het geval zijn. Wegens de gelijkslachtigheid

tusschen oorzaken en gevolgen (zie blz. 70) moet de behandeling van

andere wezens door deze laatste, of, wanneer op hoogeren trap van

geestesontwikkeling zij met andere wezens zamenwerken, door die welke

hunne partij opnemen, beantwoord worden. Slechts omdat dit het geval

is, kunnen wij onderzoeken hoe die beantwoording moet zijn om tot heil

van de geheele maatschappij te strekken, of anders gezegd om onregt

te weren. Dit onderzoek, die pogingen vereischen geestinspanning en

leiden aldus tot de vergrooting zoo van eigen geestontwikkeling, als

tot de verheffing der maatschappij. Zoo er eene supranaturalistische

vergelding bestond, zouden wij de handen in den schoot kunnen leggen,

zoo zulk eene vergelding kort na het begaan der daden op een goed

merkbare wijze plaats had. Het is waar, dat, wegens het bestaan

van allerlei accidentele omstandigheden en wegens de kortheid van

het aardsche leven, het voor de menschen zelfs met den besten wil

onmogelijk is om elk hunner voor zijn dood zijn geregeld deel te geven;

doch beide die oorzaken, en aldus ook het er door teweeggebragte kwaad,

zijn zie blz. 84 onafscheidelijk verbonden aan levenstoestanden waarin

toename der geestontwikkeling mogelijk is.

Het voorschrift, dat men andere menschen even sterk als zich zelf moet

beminnen, en aldus in de wederwaardigheden van vreemdelingen evenveel

belang stellen als in zijn eigen lot, kan, naar ons inzien, eerst een

vereischte worden voor wezens, na eene oneindige vergrooting hunner

geestontwikkeling, zie blz. 169 volmaakt met elkander samengesmolten

zijnde. Uit het feit, dat wij thans individueel bestaan, volgt direct,

dat wij voor ons zelf moeten zorgen en een levensdoel met betrekking

tot ons eigen persoon moeten bezitten, terwijl uit het feit, dat

wij met andere wezens behooren zamen te werken, volgt, dat wij ons

het lot dier anderen behooren aan te trekken. Wij behooren hen te

helpen voor zooverre zij onze strijdmakkers zijn, en wel niet slechts

in den strijd van partijen van het menschdom tegen elkander, maar

zie blz. 55 tevens in de hoogere soort van strijd door het gansche

menschdom vereenigd gevoerd. Slechts in zooverre de menschen aldus

behooren zamen te werken, moet elk hunner voor de maatschappij leven,

en dit kan nu hun levensdoel met betrekking hun eigen persoon hooger

en edeler doen worden.

Wanneer begrippen over levens- en wereldbeschouwing te laag staan met

betrekking tot de wetenschap en de behoeften der maatschappij, zijn

zij voor deze laatste wel in het algemeen, maar niet in allen deele

ongeschikt geworden, en zijn dien ten gevolge de hoogere begrippen

over wereld- en levensbeschouwing ongeschikt voor bijzonderheden der

maatschappelijke behoeften. Om dit op te helderen stellen wij bijv. dat

iemand te klein gehuisd is. Vooreerst zal hij, wegens de werking der

traagheid, later verhuizen dan op het oogenblik, dat hij ondervindt te

eng gehuisd te zijn, al kon dit verhuizen zonder de minste zwarigheid

geschieden, maar buitendien wordt hij terug gehouden, omdat zijne

vloerkleederen en gordijnen zoo goed in het oude huis passen, omdat

hij geen meubels genoeg bezit voor eene ruimere woning enz. [65].

Precies in dezelfde verhouding staan nu de massas iets bezittende,

dat in het algemeen te laag voor hen staat tegenover novateurs,

welke zulk eene zaak op een hooger standpunt willen brengen, al

is het dat hierdoor aan eene werkelijke behoefte voldaan wordt,

en aldus nog zooveel te meer zoo die behoefte nog maar flaauw is,

en het nieuwe, dat wordt aanbevolen, voor die massas nog te verheven

is. De geschiktheid van het oude voor bijzonderheden van den bestaanden

toestand en de ongeschiktheid van het nieuwe hiervoor, verklaren de

inertie dier massas, en ten gevolge hiervan worden die hervormers,

meestal bekwame personen, maar die weinig te verliezen hebben, gehouden

voor lastige menschen en onpraktische warhoofden, goed om te worden

verwaarloosd. Komen deze nu in aanraking met magthebbende personen,

wier positie aan den ouden stand van zaken verbonden is, zoo wordt

de zaak erger voor hen, althans zoo men vervolging erger kan noemen

dan voor anderen vruchteloos te arbeiden. Al komen zulke magthebbenden

niet tegen beter weten in veel te kort in de vervulling der eischen van

hunne positie, al zijn het dus geen slechte menschen, zoo zullen zij,

door overdrijving der bezwaren der verandering, door gehechtheid aan

hunne wijze van zien, door gekwetste ijdelheid, al ligt er toe komen om

die hervormers voor monsters en vijanden van het heil der maatschappij

te houden, en hen, wanneer de stand van beschaving en de wetten dit

veroorloven, naar het schavot zenden. Dit in aanmerking nemende, zoo is

het gemakkelijk te verklaren hoe de Atheners, zonder te meenen onregt

te plegen, Socrates konden ter dood veroordeelen, omdat hij beticht

werd de jeugd tot ongeloof en zedeloosheid te verleiden. [66] Wat nu is

de oorzaak dier verkeerde oordeelvellingen en van het verwonderlijke

verschil in appreciatie der waarde van zaken door de menschen? Niets

anders dan de verandering der wereldsche zaken, waardoor, wegens

de werking der traagheid, bij verandering van eene zaak, niet al de

andere direct eene overeenkomstige verandering ondergaan en zich er

naar schikken, maar op verschillende hoogten staan, zie Noot blz. 69,

en voorts het verschil in werking der traagheid niet alleen bij

onderscheidene menschen, naar gelang van hun karakter, beelding,

antecedenten en positie, maar ook bij denzelfden mensch bij de

verschillende zaken, waarmede hij zich bezig houdt.

Zoo zal bijv. een geleerde, de vader der nieuwste ontdekkingen op

het gebied van eenige wetenschap, in zijne kleeding de mode van voor

twintig jaren volgen, ofschoon hij volstrekt niet overtuigd is, dat

deze doelmatiger dan de thans bestaande is, en eenig ander mensch

hevig liberaal, maar tevens voorstander zijn van classieke studiën

voor regtsgeleerden en sterrekundigen zijn, omdat het toeval hem

rector gemaakt heeft.

Eene constante oorzaak (bij het voorbeeld van blz. 132 de doorloopende

orde tot opsluiting zijnde) tracht echter, wanneer bij iemand, of bij

eenige maatschappij verschillende zaken op ongelijke hoogte staan,

deze in hoogtestand naar elkander te trekken. Zoo is het bijv. niet

aan het toeval te wijten, dat thans de geestelijken eene ouderwetsche

kleeding dragen en gehecht zijn aan de klassieke studiën.

Bij zwakke verandering der maatschappelijke toestanden, meeningen

en behoeften zal men daarentegen bij instellingen geene groote

ongeschiktheid van het een voor het ander en evenmin groote verschillen

in opinie bij de menschen, ten gevolge van bovengemelde werking der

traagheid, waardoor zie blz. 119 de kritiek met betrekking tot de

vorming van nieuwe opiniën ten achteren blijft, bespeuren.

Tusschen den mensch van genie van heden en den gewonen mensch

van lateren hoogeren trap van beschaving, wiens toename in

geestontwikkeling door uitgebreider onderwijs en zelfs zie blz. 199

door den ligchamelijken invloed zijner ouders meer begunstigd is dan

die zijner voorzaten, bestaat het verschil, dat gene betrekkelijk zijne

tijdgenooten in eene soort van geestontwikkeling kan uitmunten, waarvan

later weinig werk wordt gemaakt zie blz. 67, en waarin dus zijne

niet geniale nakomelingen hem niet evenaren, ofschoon deze in andere

soorten van geestontwikkeling hem zullen overtreffen. Desniettemin

kan men zeggen, dat in zeker opzigt, vooral de in het algemeen geniale

mensch van heden, vertoont wat de gewone mensch in de verre toekomst

zal zijn, en dat hetgeen hij voor zich (niet voor zijne tijdgenooten)

op maatschappelijk en religieus gebied geschikt acht, in de toekomst

bij hoogeren trap van beschaving eenmaal zal bestaan. Beide zullen zie

blz. 84 gebrekkiger dan den gewonen mensch van heden aan de door hen

gestelde levenseischen voldoen, sneller dan dezen voorwaarts schrijden

op de baan der geestontwikkeling, en beter dan dezen begrijpen hoeveel

er voor den individuelen mensch te leeren valt, en welke kennis hunne

nakomelingschap zal kunnen opdoen. Van den in kennis boven zijne

tijdgenooten verheven mensch, wordt vaak de leering, van den hen

zedelijk overtreffenden mensch, de beweegredenen zijner handelingen

gebrekkig begrepen. Beide nu moeten binnen zekere grenzen trachten zich

geschikt te maken voor hunne omgeving, de eerste door zich door deze te

doen begrijpen, de tweede door de verdediging zijner regten minder aan

de hoede der maatschappij over te laten en haar meer op zich te nemen.

Hiervoor behoeft men echter zijne toeneming in intellectuele

en zedelijke ontwikkeling slechts te wijzigen, zonder haar te

verzwakken. Zoo men toch minder tijd wijdt aan het opdoen van kennis,

ten einde pligten jegens anderen te vervullen, zal men zijne zedelijke

ontwikkeling bevorderen, en zoo men zich sterk tracht te maken, ten

einde zijne belangen beter te verdedigen en geene vergevingsgezindheid

en onbaatzuchtigheid betoont waar misbruik van gemaakt zou worden,

zijne intellectuele ontwikkeling begunstigen.

Verder mag men evenwel naar ons inzien niet gaan, en aldus niet

zeggen, ik zal die kennis niet opdoen, omdat ik haar niet ten volle

aan anderen kan mededeelen, ik zal mij niet meer zedelijk veredelen,

omdat anderen hierdoor slechts weinig gebaat zouden worden. Zulk eene

nuttigheidsleer zou slechts kunnen opgaan zoo de menschen uiterst

innig met elkander verbonden en alsware geestelijk zamengesmolten

waren, zoo er een geestelijk communisme bestond.

Even als de door de regtbanken opgelegde en tot afschrikking

dienende straffen, zooveel mogelijk aan de zedelijke verheffing der

veroordeelden dienstbaar gemaakt worden, zoo moet een ieder, zooals

hierboven gezegd is, de verhooging zijner geestelijke ontwikkeling

zooveel mogelijk dienstbaar trachten te maken aan het heil zijner

medemenschen. Dit nu wordt door hen, welke zich aan het zoogenaamde

comtemplatieve leven wijden, verzuimd, doch dit leven kan voor die

personen zelve even heilzaam zijn als eene de veroordeelden niet

zedelijk opheffende straf voor de maatschappij.

Het verzuimen van lagere soorten van geestontwikkeling, ten einde

zijn leven toe te wijden aan vergrooting van meer verhevene soorten

er van, was primitief het doel van het kloosterleven, en zoo iets

kan niet ten allen tijde geschieden, zonder zich van de maatschappij

af te zonderen. De vergrooting der geestelijke ontwikkeling dier

maatschappij, zijn eigen persoon hier in begrepen, zooveel mogelijk

bevorderen, behoort een ieders streven te zijn, doch om (zooals op

blz. 85 gezegd is) de geschiktheid dier maatschappij voor het aardsche

te paren aan haren geestelijken vooruitgang, dient die vergrooting

niet alleen bij de hoogste ons bekende soort, maar ook bij lagere

soorten van geestontwikkeling (waarvan op blz. 67 gesproken is)

plaats te hebben. Alles komt toch neder op gedachten.

Onjuist komt ons voor Göthes epicuristische stelling, dat men gedurende

zijn leven de som der aangename en verstandige gedachten zoo groot

mogelijk moet trachten te maken. Deze stelling zou passen voor wezens,

individueel in geen phase van vooruitgang zijnde. De eischen hiervan

maken (zie blz. 84) dat men zich dikwijls onaangename en bezwarende

gedachten moet opleggen.

Wanneer bij eenig wezen de zedelijke ontwikkeling hooger staat dan

de intellectuele, zal gene verlagen door onwetendheid en gebrek

aan kracht, terwijl in het omgekeerde geval, de intellectuele

ontwikkeling door toegeving aan hartstogten zal verlaagd worden. Op

den langen duur kunnen beide soorten van geestontwikkeling niet op

verschillende hoogten blijven staan, en van daar dat de genius van

het kwaad, bestendig eene hooge intellectuele aan eene zeer lage

morele ontwikkeling parende, niet slechts een niet bestaand, maar

zelfs een onbestaanbaar wezen is. Het kwaad bezit steeds het karakter

van dierlijkheid, zwakheid of bekrompenheid. Hij die bijv. zelfs ter

bereiking van een goed en groot doel (zooals bijv. het daarstellen van

een deels meer geschikten, deels meer geavanceerden maatschappelijken

toestand) slechte middelen aanwendt, handelt bekrompen, daar hij weinig

vertrouwen in zijn talent schijnt te stellen en een gebouw op zwakke

grondslagen sticht. Even als het afbreken veel gemakkelijker dan het

opbouwen is, zoo is het benadeelen en bedriegen van een ander veel

gemakkelijker dan het met hem zamenwerken ter bevordering van zijn

heil. Hiervoor wordt meer menschenkennis en overleg gevorderd dan voor

het bedriegen, waarbij men met eene lage soort van geestontwikkeling,

ook bij de roofdieren bestaande, kan volstaan. Deze kunnen toch

goed onderscheiden welk dier zij aan en welk zij niet aan kunnen,

zich in hinderlagen leggen en hunne prooi onverwachts bespringen,

doch wat zij slechts op eene zeer beperkte schaal kunnen doen is met

elkander zamenwerken. Zoo iemand door kwaad te doen, zijne zedelijke

ontwikkeling betrekkelijk die der andere menschen verlaagt, trachten

de door deze opgelegde straffen hem te verlagen, en omgekeerd, na

het plegen van goede daden, de ontvangen loonen hem in eene hoogere

positie te plaatsen. De menschelijke vergelding strekt dus niet alleen,

om door afschrikking en aanmoediging de zedelijke ontwikkeling der

menschen te verhoogen, maar tevens om deze in voor hen geschiktere

toestanden te brengen, door een ieder digter bij de plaats te brengen,

waarop de hoogte zijner geestelijke ontwikkeling hem aanspraak geeft.

Overigens loonen en straffen de menschen slechts voor zoo verre hen

door iemand goed of kwaad gedaan wordt. De verhooging of verlaging der

zedelijke ontwikkeling van een persoon, gevolgen zijner daden, bestaan

naast die loonen en straffen, zijner niet steeds mede evenredig,

worden er meer of minder door geinfluenceerd en zijn sterker en

duurzamer, naarmate de zelfbewustheid der menschen grooter is. Tegelijk

hiermede moet het bewustzijn der morele verhooging of verlaging, bij

de menschen sterker wordende, deze meer wéérhouden om anderen kwaad

of te kort en meer dringen om anderen goed te doen. Werden de eischen

van het maatschappelijke en zedelijke bestaan der menschen alsdan

niet hooger, zoo zouden de menschen zeldzamer door anderen te kort

gedaan en menigvuldiger goed bejegend worden, dit kwaad en dit goed

minder geteld en menschelijke straf en loon zwakker worden [67]. Men

ziet aldus hoe wenschelijk het is, dat de menschen hunne zedelijke

verlaging of verhooging ten gevolge hunner slechte of goede daden,

groot en duurzaam voorstellen, en hoe is dit nu mogelijk, zoo zij

haar bij het einde van hun aardsche leven stellen op te houden? De

voorstelling der zedelijke verhooging of verlaging van den mensch

na den dood is thans bij de massas nog kinderlijk, daar zij is die

van opgelegd menschelijk loon of straf, doch verdween zij bij die

massas, zoo zouden deze betrekkelijk wat slechter worden, hierdoor

de eischen van hun maatschappelijk en zedelijk bestaan verlagen, en

dit successivelijk voort gaan, tot dat het menschdom zou dalen tot

op het standpunt dier wilde volken wier zelfbewustheid zoo gering en

wier zinnelijkheid zoo groot is, dat zij zich nog hoegenaamd geene

voorstelling van een toekomstig leven kunnen vormen. De atheïsten

door redenering zouden aldus van lieverlede atheïsten uit onwetendheid

zijn geworden, of is het niet waar, dat bij den mensch alles zich op

dezelfde hoogte tracht te stellen, en dat, zoo aldus iets bij hem op

een zeer laag standpunt te houden was, al het ander van lieverlede op

een even laag standpunt zou komen? Hij die zoo iets ontkent, kent de

natuurwet der geschiktwording van het een voor het ander niet. Of zou

men denken, dat, zoo het mogelijk ware dat de menschen steeds naakt

gingen loopen, en hunne dierlijke lusten in het publiek dan met deze en

dan met gene gingen voldoen, kunsten en wetenschappen nog lang zonden

bloeijen? Apen zouden zulke menschen worden, apen in ligchaamsvorm,

in intellectuele en zedelijke ontwikkeling, in levenswijze.

Dit onverzettelijk zeer laag houden van een factor der ontwikkeling

van eenig wezen, betrekkelijk de andere factoren, is echter op den

duur onmogelijk, daar niet slechts alles in hoogte elkander tracht

te naderen, maar bij dit alles een drang tot vooruitgang bestaat.

Door dien vooruitgang worden de wezens magtiger, en streven zij sterker

dan hunne gelijken voorwaarts, zoo worden zij magtiger dan deze.

De menschen bezitten eene zucht hiernaar, doch trachten zij macht te

verkrijgen, niet door vergrooting hunner intellectuele en morele

ontwikkeling onder gestadige inspanning, maar ten koste dezer

laatste soort van geestontwikkeling, zoo worden zij eene prooi hunner

hartstogten en zinnelijkheid, en het gebouw hunner magt valt weldra

ineen. Zinnebeeldig heeft men zoo iets voorgesteld door verbonden van

naar magt en grootheid hunkerende menschen met den booze, en het geloof

aan tooverij heeft geen anderen oorsprong. De toovenaars toch werden

beschouwd magt verkregen te hebben door onwettige middelen, terwijl

godsdienst en vroomheid als de wettige middelen beschouwd werden, en de

maatschappij, zich door de toovenaars benadeeld achtende, strafte deze.

De toovenaars zijn verdwenen, doch waarop berust thans veler ephemere

grootheid? Op intrigue, op bedrog en opligterij, en hunne weelde

en saturnaliën duiden genoegzaam den onwettigen oorsprong dier magt

aan. Hoogere intellectuele ontwikkeling maakt, dat men meer bespeurt,

welke voordeelen in het heden misdaden te weeg kunnen brengen,

en beter de middelen weet te vinden om deze te volvoeren. Vandaar

dat, ofschoon de menschen gedurende hun leven gemiddeld absoluut

in zedelijke ontwikkeling toenemen, in het oog loopende misdaden,

zie blz. 72 niet meer door jonge lieden dan door oudere van dagen

gepleegd worden.

Dat menschen in beschaving toenemen en absoluut moreel slechter worden,

gebeurt somtijds en naar ons inzien door dat zij dan aan qualitatief

lagere eischen van zedelijkheid minder gaan voldoen, en zulks nog

vrij slecht aan qualitatief hoogere doen. Dit kan vergeleken worden

met het slecht schieten door een wilde, die afgeleerd heeft om met

den boog om te gaan, maar nog niet goed met vuurwapens overweg kan,

alsmede met het ongeloof van hen die hunne voorvaderlijke godsdienst

ontgroeit, maar nog slechts gebrekkig eene meer verhevene godsdienst

aangenomen hebben. Dit verschijnsel is echter bij de menschen in

beschaving toenemende slechts tijdelijk.

Bij vergrooting zijner intellectuele ontwikkeling verkrijgt de mensch

een dieperen blik in verschijnselen op stoffelijk en geestelijk

gebied meer vreemd zijnde aan die onder het directe bereik zijner

waarneming gelegen, zoo wegens derzelver aard als wegens het plaats

hebben er van in verder verleden of toekomst. Hij verkrijgt aldus dan

kennis van alsware sterker buitenzinnelijke zaken, van zaken welke

een meer algemeen karakter bezitten, dan de het gevolg er van zijnde

bijzonderheden die hij direct waarneemt; in een woord een wijderen

blik in tijd en ruimte, zoo men die laatste uitdrukking niet slechts

volgens de letter, maar tevens in figuurlijken zin opneemt. Bij

vergrooting der zedelijke ontwikkeling verkrijgt de mensen liefde

(uit met zekere eigenschappen begiftigde denkbeelden bestaande)

voor wezens sterker van hem onderscheiden, en dus in figuurlijken

zin in de ruimte verder van hem verwijderd, voor belangen dier wezens

verder in de toekomst verscholen, en van een meer verborgen en meer

algemeenen aard zijnde dan die welke direct onder het bereik zijner

waarneming vallen. Zijne liefde dringt aldus dan door tot meer

buitenzinnelijke zaken, tot verder in ruimte en tijd. Naarmate de

zedelijke ontwikkeling grooter wordt, veranderen de er bij behoorende

denkbeelden, door verhevener en dieper te worden, op dezelfde wijze van

karakter als die der intellectuele ontwikkeling. [68] Er moet aldus

eene constante oorzaak bestaan beide soorten van geestontwikkeling,

door te trachten hen op gelijke hoogte te stellen, een overeenkomstig

karakter trachtende te geven.

Aldus bestaat bij een hoog intellectueel ontwikkeld mensch, een ver

en diep ziende geest parende aan groote wijsgeerige kennis, en zich

verheffende boven het heden en de omgeving, een drang om opofferingen

in het heden ligt te tellen, om niet een alles aan zijn eigen en

oogenblikkelijk belang opofferend bekrompen egoïst te blijven en om

door de ruimte van zijn blik, tot regtvaardigheid geleid te worden. Hij

die daarentegen zeer van hem onderscheiden wezens en ver in de toekomst

verscholen belangen met zijne liefde bereikt, moet daarentegen

klaarblijkelijk geleid worden om zich bekend te maken met den aard

van hetgeen in tijd en ruimte (ook in figuurlijken zin opgevat) ver

van hem gelegen is. Kan men bijv. deelneming in vreemdelingen stellen

en onverschillig blijven voor hun ganschen zijn en alles wat daarop

betrekking heeft, en moet omgekeerd de kennis hiervan niet leiden

tot deelneming voor zulke personen. Het spreekwoord zegt "onbekend

maakt onbemind," maar evenzeer moet onbemind onbekend houden.

De godsdienstbegrippen moeten van die vergrooting der intellectuele

en zedelijke ontwikkeling de gevolgen en het doel aangeven, tevens

deel uitmaken dier intellectuele ontwikkeling, en op dezelfde wijze

als derzelver andere deelen verkregen worden. Onze voorstellingen der

daden van andere menschen vergelijken wij bijv. met de voorstellingen

onzer eigen daden en uit de overeenkomst van beide, leiden wij

af dat zij gelijkslachtige oorzaken moeten bezitten, en dat aldus

andere menschen even als wij denken. Die denking van andere wezens

behoort echter reeds met alles wat ligt buiten de voorstellingen

door de zintuigelijke indrukken teweeggebragt, tot het gebied van

het buitenzinnelijke, en niettemin verkeeren wij daaromtrent niet

in onzekerheid. Bij hoogeren graad van geestontwikkeling gaat men

echter vragen of een oester denkt, iets dat insgelijks uit de door

dit dier verrigt wordende daden moet opgemaakt worden. Zekerheid

bestaat hierbij niet, doch het is vrij waarschijnlijk, dat de oesters

wel denken, maar andere denkvormen bezitten als de menschen. Moet nu

uit hetgeen wij opmerken, dat in de stoffelijke en zedelijke wereld

plaats heeft, zonder dat de eigen denking van menschen of dieren

daarvan de oorzaak kan zijn, de menschen niet evenzoo leiden om na te

gaan of die verschijnselen al dan niet denking tot oorzaak hebben,

of hiermede vergezeld gaan, een vraagstuk waarbij men, door middel

van op zinnelijke waarnemingen gebouwde redeneringen, komt tot de

vaststelling van iets dieper op buitenzinnelijk gebied gelegen dan

de denking van andere menschen. Bestaat er een anderen weg om tot de

kennis van het Oerwezen te komen? Naar ons inzien neen, en dat die

kennis zoo gebrekkig is, spruit naar ons inzien alleen voort uit de

disharmonie tusschen onze denkbeelden over buitenzinnelijke zaken

en die door de zintuigelijke indrukken teweeggebragt. Wanneer de

geestontwikkeling van wezens sedert lang slechts zeer langzaam aan

het toenemen is, moet de laatste soort van denkbeelden zeer nabij

in hoogte gelijk staan met de eerste, even als, bij eenigen dwang

tot opsluiting, een mensch, zeer ver voor een ander uitgaande, na

sedert zeer lang zeer langzaam geloopen te hebben, door deze bijna

ingehaald moet worden. Op blz. 80 hebben wij aangegeven hoe, wanneer

de geestontwikkeling van een wezen toeneemt, deszelfs ligchaam in

figuurlijken zin omhoog getrokken wordt; en aldus hierbij, hetzij door

eigen, of wel door kunstmatige hulpmiddelen, het veld der zintuigelijke

waarneming vergroot. Dat er hiervoor op deze aarde een grens bestaat,

bewijst dat wezens, welke zelfs rudimentaire denkbeelden over het

buitenzinnelijke en oneindige verkregen hebben, omdat die denkbeelden

door middel van zintuigelijke waarneming en directe ervaring op deze

aarde niet tot volle zekerheid en klaarheid kunnen komen, van eene

natuur zijn, dat zij er slechts tijdelijk op kunnen wonen.

Een hersenschimmige, ongevallen en ligchamelijk onsterfelijk gebleven

Adam zou, sedert uiterst langen tijd in geestontwikkeling niet

toegenomen zijnde, slechts denkbeelden kunnen bezitten door directe

ervaring en zintuigelijke waarneming zeer nabij ten volle bevestigd,

en zijn geest alsware een aardsch product zijn. In sommige opzigten

zou hij aldus lager dan de laagst ontwikkelde onzer, en niettemin

hooger staan dan een slechts kortstondig op deze aarde levend, maar

overigens zijne geestelijke natuur bezittend wezen. Zoo bijv. een

leerling al zijne denkbeelden van zijn onderwijzer bekomt, zal hij,

uiterst lang onderwijs genietende, eindelijk bijna even bekwaam als

dien onderwijzer en klaarblijkelijk bekwamer dan na het kortstondig

genieten van zulk onderwijs zijn. Ook in dit laatste geval zou aldus

de leerling een product zijn van zijn onderwijzer, even als onze geest

een der aarde, zoo hij zich niet, even als de vogels boven den bodem,

boven de aardsche ervaring wist te verheffen.

Ons gemis aan volmaakte juiste en klare bevatting, van hetgeen wij op

buitenzinnelijk gebied en betreffende het oneindige stellen, is echter

niet oneindig groot, want alsdan zouden wij, evenmin als de dieren,

zulke stellingen kunnen maken, en veler onzer niet kunnen wanen,

dat bij hen dit gemis niet noemenswaardig bestaat. De grootte hiervan

kan aldus bij ons menschen, zie fig. blz. 207 niet door de oneindige

hoogte der assijmptoot al der kromme a b c uitgedrukt worden. Zij

zal dit integendeel voor onbeschaafde, bewoners dezer aarde door de

ordinaat i h en voor beschaafde door de ordinaat f b gedaan worden;

terwijl de kromme a b c, voorbij c uiterst ver verlengd gedacht,

aldaar uiterst kleine ordinaten bezitten zal.

Het op blz. 223 gemelde geldt ook voor het verkrijgen der kennis van

het werelddoel en van 's menschen bestemming. Zoo wij ons bijv. een

vroeger leven, op een anderen hemelbol doorgebragt, konden herinneren,

zouden wij slechts door directe ervaring weten, dat de ziel het leven

van ééne soort van er aan annex geweest zijnde ligchaam kan overleven,

maar volstrekt niet dat die ziel gedurende eene eeuwigheid voor eene

steeds gemiddeld vergrootende ontwikkeling bestemd is. Dit laatste

zou eene stelling op buitenzinnelijk gebied blijven, en buitendien

bedenke men, dat de graad van wetenschap, door middel van directe

ervaring te bekomen, geheel afhangt van den graad der intellectuele

geestontwikkeling.

De stelling der oneindigheid en onveranderlijkheid van het Opperwezen,

benevens het voorschrift, dat men voor ieder mensch evenveel liefde als

voor zich zelf moet gevoelen, iets (eerst geschikt wordende tijdens de

op blz. 211 gemelde volkomene zamensmelting der wezens) zijn, wegens

derzelver ongeschiktheid voor ons veranderlijke, betrekkelijk laag

geestelijk ontwikkelde en weinig met elkander zamenwerkende menschen,

bijna geheel doode letters gebleven [69]. Het Opperwezen heeft men

vermenschelijkt en tot eene Voorzienigheid en liefderijken Vader

gemaakt, en als leiddraad voor liet practische leven zooeven gemeld

voorschrift vervangen door het overal bekende, dat men een ander

niet mag doen, hetgeen men wenscht dat ons niet gedaan worde. Dit

laatste voorschrift heeft het voordeel, dat het voor alle trappen

van geestontwikkeling geschikt is, zoodat bijv. een Indiaan, zeer

weinig medelijden van een overwinnaar vorderende, er weinig aan te

kort zal doen, wanneer hij door hem verslagen vijanden op eene wreede

wijze behandelt.

Met de hierboven gemelde stellingen kan vergeleken worden die op

politiek gebied, dat eene de gansche menschheid omvattende republiek

de eenigste absoluut zuiver rationele regeringsvorm is. Als men nu

nagaat hoe, bij toeneming der beschaving, de staten steeds grootere

groepen gaan vormen en in aantal verminderen, en de menschen meer

cosmopolietisch worden, meer eerbied verkrijgen voor krachtens de wet

uitgeoefend gezag en meer gezind worden om met elkander zamentewerken,

zoo zullen zij, die begrijpen welke ontzettende veranderingen geringe

constante oorzaken, gedurende eene reeks van eeuwen werkzaam, kunnen

voortbrengen, moeten toegeven, dat, zoo de aardkorst lang genoeg voor

wezens van eene geestontwikkeling, hooger dan die wij thans menschen

bezitten, bewoonbaar blijft; de thans voor de behoeften van het

menschdom geheel ongeschikte, of anders gezegd alle praktische waarde

missende universele republiek eenmaal eene werkelijkheid zal worden.

Uit hetgeen op blz. 223 gezegd is, blijkt, dat der menschen stellingen

op buitenzinnelijk gebied, waarin hunne godsdienstbegrippen (voor

zoo verre deze niet, zie blz. 108 de vruchten van het toeval,

of der op de verbeelding werkende hartstogten zijn) bevat zijn,

de uitkomsten van redeneringen, van de ervaring uitgaande, moeten

zijn. Zij hebben dit gemeen met al onze wetenschappelijke kennis,

en slechts kunnen zij minder dan vele der uitkomsten op het gebied

van wetenschappen, zooals de zoölogie, chemie, astronomie, enz. door

de ervaring gecontroleerd worden. Wij zeggen dan vele, want bijv. wie

kan door zintuigelijke waarnemingen bewijzen, dat de ether de eenige

absoluut enkelvoudige stof is, dat de aarde eene voorbij de maan

reikende dampmassa geweest is, dat dieren van af de laagst ontwikkelde

tot menschen opgeklommen zijn? Deze laatste hypothese, althans voor

dat zij door de jongste onderzoekingen der fossilen eene nog zeer

onzekere bevestiging verkregen had, tot het gebied van het weten en

de stelling, dat de ziel gedurende den grootst eindigende lijd voor

eene gemiddelde toename in ontwikkeling bestemd is, tot het gebied

van iets, dat men geloof noemt, te rangschikken, achten wij ongerijmd.

Men is echter hiertoe gekomen, omdat men voor de zedelijkheid en

het geluk der menschen het voor waar houden dier laatste stelling

noodzakelijk achtte en die der eerste, ofschoon ten onregte, voor

verderfelijk achtte, zie blz. 150 [70].

Die noodzakelijkheid dient echter in iets haren grond te hebben, en

waarin anders kan dit zijn, dan in den aard en werking of denking

onzer ziel, zooals wij die gedurende dit leven waarnemen, en die

wij tot voorwerp van bespiegelingen kunnen maken, namelijk van

wetenschappelijke bespiegelingen, waarin de werking der natuurwetten

op stoffelijk en geestelijk gebied nagegaan wordt, en welke aldus aan

's menschen ontwikkeld verstand gerigt zijn.

De kennis, welke wij op lateren leeftijd bezitten, is de vrucht

van hetgeen wij tijdens onze jeugd en later geleerd hebben, en de

toepassing er van verklaart het doel van dit leeren. Evenzoo moeten

de godsdienstbegrippen de vruchten zijn der toename in intellectuele

ontwikkeling en in wijsbegeerte, en tevens verklaren het doel waartoe

de verhooging onzer geestelijke ontwikkeling dient. Zij behooren aldus

een voornaam deel uit te maken van der menschen wijsgeerige kennis,

en in verband gebragt te worden met de overige deelen hiervan. Onder

wijsgeerige kennis verstaan wij die der werkingen der natuurwetten

op stoffelijk en geestelijk gebied, dat is op het gebied van het

absolute Al, waaronder het oneindige en onveranderlijke Oerwezen ook

begrepen is. Dit boven die wetten te stellen, zou slechts zijn het te

stellen te zijn onder andere meer primitieve natuurwetten, waarvan

die wij trachten op te sporen, (aldus dan eigenlijk niet de ware

onveranderlijke wetten van het Al), de producten zouden zijn. Stelt

men bijv. de zwaartekrachtswet is eenmaal ingesteld, zoo kan men

vragen, volgens welke wetten bewogen zich vroeger de ligchamen,

en hebben die bewegingen zich tijdens die instelling zoo gewijzigd,

dat zij thans juist geschieden als volgens de vermeende natuurwet der

algemeene aantrekking plaats moet hebben. Ware die stelling juist,

zoo zouden er aldus niettemin nimmer ingestelde natuurwetten bestaan,

maar deze slechts zamengestelder zijn dan de naturalisten met grond

vermeenen, dat zij zijn. Men kan aan niets hoegenaamd zekere natuur

toeschrijven, of men bepaalt tevens, zonder hiervan bewust te zijn,

dat die natuur het product der werking van zekere onveranderlijke

wetten is, en zegt men dit wezen, aan wie ik die natuur toeschrijf,

kan in strijd hiermede en met die wetten handelen, zoo bekent men

tegelijk, dat dit wezen eene andere meer zamengestelde natuur; door

andere meer primitieve wetten beheerscht, dan die men gesteld heeft,

bezit. Met de noodwendige aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen

verkeert men precies in hetzelfde geval. Steeds moet men ze aannemen,

doch van zekere feiten kan de eene mensch dit en de ander iets anders

de noodzakelijke oorzaak stellen te zijn.

Het is aldus klaar, dat de godsdienstbegrippen niet alleen niet in

strijd met de wetenschap, maar tevens in harmonisch verband met het

wijsgeerige deel daarvan moeten zijn, iets dat thans bij die van vele

onzer het geval niet is, en maakt dat hunne godsdienstbegrippen uit de

plaatsen, waar de wetenschap moet heerschen, als belemmerend verbannen

worden. Dit gebrek aan overeenstemming moet noodwendig ontstaan, zoo

men tracht met die begrippen slechts op eene pietistische wijze te

voldoen aan het gemoedsgevoel, de zucht naar regt, de menschelijke

kortzigtigheid, in een woord aan eenige hartstogten en te bevreesd

en te traag is om hen te zuiveren en opwaarts te drijven.

Het gevolg daarvan is, dat (zie blz. 74) de geest van ontkenning

het hoofd opsteekt, omdat verscheidene (zooals bijv. de

zoogenaamde materialisten) ziende dien verwarden toestand van

den Gordiaansche knoop, dezen liever doorhakken dan ontwarren,

en, wars van de kinderlijke oplossingen van het vraagstuk van het

werelddoel, het bestaan hiervan ontkennen. Zij doen dit bezield

met eene overtuiging, waarachter hen onbewust veel moedeloosheid,

beperktheid en eenzijdigheid van opvatting schuilt, en zijn nuttig als

critisie. Terwijl de Deïsten van het gehalte van Martinet en Uilkens

alles in het Heelal goed vinden, en slechts der menschengeest en

diens werken onvolmaakt en gebrekkig achten, houden de Materialisten

er voor, dat er nergens doel bestaat dan in het menschelijke brein

en bij de menschelijke werken, zoodat en voor gemelde Deïsten en voor

de Materialisten de menschen en in zwakkere mate ook de dieren (want

ook deze toch dwalen en houden zeker doel voor oogen), voor zoo verre

hunne denking en hetgeen daaruit voortspruit betreft, wanklanken en

raadsels in de Natuur zijn, voor gene wegens hunne onvolmaaktheid,

voor de Materialisten, omdat, volgens deze, bij hen alléén denking

en doel bestaat.

BESCHOUWINGEN OVER DE DRIE ALGEMEENE NATUURWETTEN EN EENIGE ANDERE

HIERMEDE IN VERBAND ZIJNDE ZAKEN.

Men kan zich voorstellen, dat bij een onveranderlijken toestand van

zaken iets volmaakt geschikt is voor eenig zamengesteld doel, doch

onmogelijk kan iets bij een veranderlijken toestand van zaken tegelijk

volmaakt geschikt voor twee of meer in verschillende omstandigheden

voorkomende doelen. Zoo kan bijv. geen geweer met bajonet tegelijk zeer

geschikt zijn om dan te schieten en dan te steken. In het eerste geval

zal het bij de lans en in het tweede bij het geweer zonder bajonet ten

achteren staan. Bij verandering van omstandigheden maakt de werking

der traagheid dat dergelijke zaken niet genoegzaam snel en sterk

gewijzigd worden, om hen dan voor het eene en dan voor het andere doel

zeer geschikt te maken. Bestond er toch geene traagheid, zoo zouden

in een oogwenk de grootste metamorphosen mogelijk worden. Wegens haar

bestaan kan bijv. de Natuur geen dierlijk ligchaam zeer geschikt maken,

om dan op de vaste aarde te leven en dan te vliegen, en daar nu op den

vasten bodem er meer zamengestelde wijzen van leven kunnen bestaan dan

in de lucht, zoo zijn het niet de vogels welke de hoogst ontwikkelde

wezens dezer aarde zijn. Hiermede stemt overeen, dat in het algemeen

communicatie middelen over land, welke de reizenden steeds in contact

met de woonplaatsen der menschen doen blijven, en aldus bij hoogere

standen van beschaving, waarbij de behoefte aan gedurig contact van

veel menschen grooter wordt, meer gezocht zullen zijn dan die over

water, alsware hooger dan deze staan. Het vervoer op een kunstweg

met wagens staat bijv. hooger dan dat met schuiten op eene rivier.

Zoo de levensomstandigheden van eenig dier gedurende deszelfs leven

veranderen, zal er bij deszelfs organisatie en zeker vermogen ontstaan

om ook wat te veranderen en wel door inwendigen drang, te vergelijken

met den op blz. 28 gemelden locomotief, zoo de uitwendige drang,

door de levensomstandigheden teweeggebragt, met het aldaar gemelde

paard vergeleken wordt. Zoo bezitten wij bijv. een inwendigen drang

om achtervolgens gedurende eenige uren te slapen en dan gedurende

eenige uren te waken. Die drang is gewis ontstaan ten gevolge der

impulsie der verandering der uitwendige omstandigheden gedurende

het etmaal. Men kan bijv. geen mensch van zijne geboorte af wennen

om achtervolgens eene maand lang te slapen en dan eene maand lang

te waken, en evenmin om het een en ander om de minuut te doen, en

veranderden die omstandigheden gedurende elk etmaal niet, zoo zouden

welligt onze hersenen en ledematen, evenmin als thans ons hart, een

alternatieven toestand van inspanning en rust noodig hebben. Kan echter

dit vermogen tot periodieke verandering onzer organisatie deze, zooals

wij op blz. 23 en 196 beweerd hebben, even goed dan voor werkzaamheid

en dan voor rust geschikt maken, als de oorzaak van geschiktwording

van blz. 7 zulks voor onveranderlijke omstandigheden kan doen? Naar

ons inzien neen, omdat het niet uit gebrek aan tijd bij alle deelen

van het ligchaam de werking der traagheid hiervoor genoegzaam kan

overwinnen. Bij de werking van hart en maag geschiedt die periodieke

verandering bijv. slechts in zwakke mate, en de rust gedurende

den slaap moet hierdoor minder volkomen worden. Trouwens, wanneer

dit vermogen meer tijd heeft, om de neiging der ligchaamsdeelen,

om in beweging te zijn, te overwinnen, doet het zulks ook, zooals

bijv. bij den winterslaap van sommige dieren. De op blz. 7 gemelde

oorzaak van geschiktmaking neemt in die gevallen een middenweg. Zoo

zij dit vermogen tot verandering der organisatie van het ligchaam

te groot maakte, zoo zij dit laatste ongeschikt voor het leven

maken, en deed zij dit vermogen te klein blijven, zoo zou zij het

ligchaam te onvatbaar maken om anders te zijn, wanneer de uitwendige

omstandigheden tot werkzaamheid, dan wanneer zij tot rust nopen. Een

inwendigen drang om binnen elk jaar eenmaal dikker en eenmaal dunner

haar te verkrijgen bezit de organisatie der zoogdieren niet. Worden

deze bijv. verplaatst naar klimaten, alwaar het des winters warm is,

zoo verkrijgen zij aldaar geen winterhaar; terwijl, naar de poolstreken

verplaatst, zij wel gedurende den aldaar maanden langen dag in slaap

vallen. Met betrekking tot die voorziening der dieren tegen de koude,

maakt de werking der traagheid dat de oorzaak van geschiktwording

hierbij in gebreke blijft. [71] Muizen en vogels lijden bijv. van

de winterkoude, terwijl het ijskoude water, waarin zij zich steeds

bewegen, de walvisschen waarschijnlijk niet hindert. Hunne organisatie

is hiervoor welligt nog beter ingerigt dan de levenswijze en woningen

der Javanen voor de warmte, waarvoor wij, omdat deze hier te lande

slechts kort aanhoudt, ons slechts vrij gebrekkig inrigten.

Bij de organisatie van dieren bestaat er ook een inwendigen drang

om te veranderen met den ouderdom dezer dieren. Veranderingen bij

de uitwendige omstandigheden dier dieren gedurende hun leven hebben

welligt tot impulsie gediend voor het ontstaan van dien inwendigen

drang. Hiertoe behoort het groeijen, het sterker worden der dieren,

omdat dit gebeurt, al blijft de moeder het jong even zoo beschermen

en koesteren als vlak na de geboorte. Dit groeijen doet in zeker

opzigt de dieren geschikter worden voor de omstandigheden waarin zij

achtervolgens komen, doch brengt met zekere snelheid veranderingen

teweeg in derzelver organisatie, waarnaar deze, wegens de werking

der traagheid, zich niet in andere opzigten even snel kan voegen,

en kan hierdoor zelfs somtijds het ligchaam ongeschikter voor het

leven maken. De uit hunne krachten groeijende jongelieden strekken

tot voorbeeld hiervan.

Onder de groote veranderingen der organisatie van dieren

gedurende hun leven, ten gevolge van innerlijken drang, behooren de

gedaante-verwisselingen van vele der lagere dieren. Veranderingen der

levensomstandigheden dier dieren gedurende de achtervolgende tijdperken

van hun leven zullen wel primitief de op blz. 7 gemelde oorzaak van

geschiktmaking geleid hebben om de organisatie dier dieren met dit

vermogen tot gedaante-verwisseling te begiftigen. Wèl kan, wanneer

eenige accidentele oorzaak de organisatie van eenig dier veranderd

heeft, dit zijne levenswijze hiernaar wat voegen, doch men heeft

bij die gedaante-verwisseling met een te algemeen verschijnsel te

doen, om aan te nemen, dat het de vrucht is van een toeval. Kinderen

kruipen en klauteren meer dan volwassen menschen, en denkt men zich

nu het menschelijke ligchaam op ongeveer het vijftiende jaar door

innerlijken drang eene verandering te ondergaan, waardoor het voor

kruipen en klauteren minder geschikt wordt, zoo heeft men iets dat te

vergelijken is met de gedaante-verwisseling der insecten, die, wegens

de werking der traagheid, bij latere generatien in verzwakkende mate

kan blijven bestaan, wanneer de veranderingen der levensomstandigheden

bij die generatien er niet meer de impulsie toegeven. Waarom moeten

nu de levensomstandigheden van vele der lagere dieren gedurende

derzelver jeugd anders zijn dan op lateren leeftijd? Wegens eene

overeenkomstige reden waarom de levensomstandigheden van kinderen,

niet slechts om zoo te zeggen quantitatief, maar tevens ook qualitatief

anders dan die der volwassenen gehouden worden, en dit niet enkel uit

een hygienisch oogpunt, maar tevens, omdat het doelmatig is, om zie

blz. 67 eerst lagere en later hoogere soorten van geestontwikkeling

te vergrooten. [72] Meestal veranderen de levensomstandigheden der

aan gedaante-verwisseling onderworpen dieren in verheffenden en

slechts bij uitzondering in verlagenden zin. In dit laatste geval

kunnen zulke dieren, even als op blz. 42 gezegd is, naar lagere

levensomstandigheden teruggedrongen zijn en de op blz. 7 gemelde

oorzaak hebben getracht hen hiervoor geschikt te maken. Het is echter

de vraag of die teruggang gedurende het leven van elk individu niet

meer schijnbaar dan wezenlijk is.

Ten gevolge van den op blz. 231 gemelden innerlijken drang, groeijen

de hersens, onder omzetting in derzelver zelfstandigheid van het door

het ligchaam opgenomen voedsel. Was nu het denken eene functie der

hersens, zoo zou eten en groeijen hierbij de geestelijke ontwikkeling

even goed moeten doen toenemen, als de vorming en afleiding van zekere

stoffen bij andere ligchaamsdeelen zie blz. 197. De op blz. 7 gemelde

oorzaak van geschiktmaking der organisatie der levende wezens voor de

levensomstandigheden dezer laatste, heeft de pasgeboren kinderen veel

hulpeloozer dan de jongen der dieren gelaten, omdat de ouderlijke

hulp natuurlijke hulpmiddelen, voor die jongen noodzakelijk, voor

de kinderen overbodig, en dus in andere opzigten hinderlijk voor

deze heeft doen worden. Onze levensomstandigheden vorderen dat ons

ligchaam geschikt is voor zekere beweging, zoodat te groote inertie

er ongeschikt voor is. Van den anderen kant is eene inspanning,

waardoor het ligchaam veranderd wordt en bijv. de spierkracht toeneemt,

dit insgelijks, omdat, wegens de werking der traagheid, de bate der

voeding betrekkelijk die grooter wordende werkzaamheid ten achteren

blijft. Hoe langzaam men nu ook de vermeerdering der werkzaamheid van

kinderen maakt, steeds zullen deze aan zekere uitputting lijden, omdat

het vermogen voor die werkzaamheid dan ook wel toeneemt, maar steeds

wat te klein hiervoor blijft. Kon dit nu geweerd worden, door tegelijk

met de werkzaamheid de voeding te vergrooten, zoo zou de verandering

van het ligchaam, wegens de werking der traagheid, desniettemin op

de eene of andere wijze ongeschiktheid er bij baren. Wordt de voeding

versterkt, zoo zal, wegens de werking der traagheid, het profijt er van

voor het ligchaam er bij ten achteren blijven en dit door die voeding

lijden, en natuurlijk meer, zoo geene vergrooting der werkzaamheid

het profijt van het genomen voedsel betrekkelijk grooter doet worden.

Uitputting moet van teruggang van spiersterkte onderscheiden worden,

het gelijkt hier evenmin op, als breken op wegsmelten, en als het

ligchaam van een grijsaard op dat van een nog zwak kind.

Uniformiteit van omstandigheden leidt tot geschiktheid bij de in

die omstandigheden verkeerende wezens, omdat de op blz. 64 gemelde

ongeschiktheid barende werking der traagheid, dan weer weggenomen

wordt. Verscheidenheid van omstandigheden leidt daarentegen bij

zulke wezens tot ongeschiktheid, maar tevens tot vooruitgang. Het is

toch klaar dat wezens, dan in deze en dan in andere omstandigheden

verkeerende, al zijn deze van even verheven aard, door zich gedurig

voor een nieuwen toestand van zaken geschikt te willen maken en

hierin te willen dringen, tot grootere geestinspanning en aldus tot

eene grootere toeneming in geestontwikeling geleid zullen worden, dan

wezens, wie een veel meer beperkt veld van leering ten dienste staat,

door dat zij steeds in dezelfde omstandigheden verkeeren. Iemand

die reist, al zij het zelfs bij minder beschaafde natien, dan die

waartoe hij behoort, zal bijv. meer leeren dan een ander die te huis

blijft, mits beide zich met even gewigtige zaken bezighouden. Volken,

op denzelfden trap van beschaving staande, maar in aard, zeden

en behoeften verschillende, zullen zich sneller ontwikkelen zoo

zij met elkander verkeeren, dan zoo zij dit niet doen. Bewoners

van een hemelbol, waarbij de onderscheidene deelen in lucht- en

grondgesteldheid verschillen, en elk dier deelen slechts geschikt

is om eenige der voor die bewoners noodzakelijke producten voort

te brengen, zullen sneller in ontwikkeling toenemen dan de bewoners

van een hemelbol, waarbij elk plekje alles oplevert waaraan deszelfs

bewoners behoefte hebben, zoodat er geene aanleiding tot handel en

vervoer bestaat. Wie zullen echter de gelukkigste zijn, zoo althans de

drang tot vooruitgang een eentoonig leven niet vervelend maakte? Gewis

zij die in elk dier gevallen het minste kunnen leeren. Geschiktheid

verzwakt den drang tot vooruitgang, want men zal toch moeijelijker

zekeren toestand verlaten, om in een hoogeren te komen, naargelang men

zich in eerstgemelden toestand beter bevindt. Vandaar dat de toevallige

afwijkingen der jongen van hunne ouders, zooals op blz. 15 gezegd is,

gene in organisatie gemiddeld ongeschikter dan die ouders makende de

verhooging der organisatien bij de achtervolgende generatien zullen

bevorderen.

De toestand onzer aarde is zeer verscheiden en wel voornamelijk wegens

hare nabijheid van de zon, zie blz. 26. Hierdoor ontstaan er toch bij

de afwisseling van licht en duisternis, van koude en warmte, sterke

verandering van luchtstroomen en welligt ook eene sterke werking van

de gesmolten kern op de schors. Hieruit volgt dat de toestand onzer

aarde zeer geschikt is voor den vooruitgang der er oplevende wezens,

maar niet voor derzelver geschiktheid voor de omstandigheden waarin

zij verkeeren, en dat die wezens er op snel in geestontwikkeling

zullen toenemen, maar kort zullen leven en aan allerlei oorzaken van

vernietiging zullen blootstaan. Dit nu moet in het algemeen het geval

zijn bij hemelbollen in de nabijheid van anderen zijnde, en alzoo zich

snel verplaatsende en een sterken en wederkeerigen invloed op elkander

uitoefenende. Wegens eene constante oorzaak zullen bij het op blz. 160

gemelde wereldsterrenstelsel er steeds een zeker aantal bollen in zulk

een geval verkeeren, doch dat onze aarde er thans in verkeert en eene

weinig elliptische baan om de zon beschrijft, moet zie blz. 69 als een

toevallig gevolg der uiterst zamengestelde werking der natuurwetten

bij het wereldsterrenstelsel beschouwd worden. Het is aldus verkeerd

te zeggen, dat de zon onze planeet bewoonbaar maakt. Maakt de zon eene

komeet meer bewoonbaar, wanneer deze, er digt bij gekomen, aanzienlijk

vervormd en uitgezet wordt? Men zal dit ontkennen, en waarom zou de zon

op de aarde, met betrekking tot de hier op bestaande organische natuur,

eene tegenovergestelde uitwerking uitoefenen als op eene komeet?

De sporen van het ontstaan der organische natuur op onze aarde zijn

nog niet uitgewischt, een bewijs dat dit ontstaan betrekkelijk

kort geleden heeft plaats gehad, en dat de tijd, dat eene zelfde

organische natuur zich op deze aarde heeft kunnen staande houden,

omdat de toestand dezer, met betrekking tot andere hemelligchamen

zie blz. 168, niet snel sterk veranderd is, betrekkelijk kort is.

De op blz. 200 gemelde zeer etherachtige hemelbollen binnen- en

buitenwaarts van de bolvormige schil den Melkweg gelegen, deze zijn

het, naar ons inzien, die aan derzelver bewoners bijna onveranderlijke

levensomstandigheden kunnen aanbieden, en daardoor die bewoners

veroorloven om zeer geschikt voor die omstandigheden te worden,

en om een zeer geringen drang tot vooruitgang te bezitten.

Het niet beseffen, dat de veranderlijkheid, voor den vooruitgang

noodig, de geschiktheid vermindert, heeft tot de meest bekrompene en

scheve opvattingen van het werelddoel bij sommigen, en tot ontkenning

van eenig werelddoel bij anderen aanleiding gegeven. De eerste hebben

overal geschiktheid gezocht, zonder deze steeds te kunnen vinden,

en de tweede hebben geschiktheid ontkend, waar zij in zekere mate

bestaat. Dat bijv. het zeewater zout is, kan als een gevolg van het

toeval beschouwd worden, doch de op blz. 7 gemelde oorzaak heeft de

organisatie der zeevisschen voor het leven in dit zoute water geschikt

gemaakt, omdat die schepselen, niet ten gevolge hunner eigen denking,

de zee zijn gaan bewonen. Wij menschen verkeeren daarentegen in

een ander geval. Ten gevolge onzer eigen denking hebben wij schepen

gebouwd en ons op den Oceaan begeven; onze eigen denking moet aldus

de hulpmiddelen voortbrengen om het zout zijn van het zeewater voor

de zeevaarders niet hinderlijk te maken, hetgeen tot geestinspanning

en aldus tot vooruitgang aanleiding geeft. Dit is eveneens het geval

met andere zaken. De kunstwarmte is bijv. voor de menschen noodig

geworden, ten gevolge van hun kunstmatigen toestand, een gevolg hunner

eigen denking. Deze moet aldus ook de hulpmiddelen weten te vinden

om die kunstwarmte daar te stellen, en dat de menschen daarvoor nog

gedurende eenige eeuwen van de fossile brandstoffen gebruik zullen

kunnen maken, moet slechts als een gelukkig toeval beschouwd worden,

even als bijv. het bezit van natuurlijke havens. Zulke toevallen maken

de toeneming in beschaving gemakkelijker, doch is deze, ondanks hen,

op de hoogte gekomen, dat men hetzelfde als met hun hulp wil bekomen,

zoo maakt hun gemis, dat men zich dan sterker inspant om dit gemis te

vergoeden, en die grootere inspanning leidt dan tot sterkere toeneming

der geestontwikkeling zie Noot blz. 89.

Het toeval is het product van eene reeks van oorzaken en gevolgen

die wij niet kunnen naoogen, en bestaat aldus bij zeer samengestelde

verschijnsels noodzakelijk voor de verscheidenheid, op hare beurt

weder noodzakelijk voor den vooruitgang der wezens. Waarom spreken

wij van het blinde toeval? Omdat het gemiddeld niet leidt tot

geschiktheid voor ons menschen, en omdat het grillige der toevallige

accidentele verschijnselen het ons menschen moeijelijk maakt, om ze

onschadelijk of voordeelig voor ons te maken, wegens de werking der

traagheid zie blz. 64, doch, zooals op blz. 236 gezegd is, strekt

juist dit veranderlijke, mits op blz. 68 gemelde wijze beschouwd,

ter bevordering van den vooruitgang der levende wezens.

Eene accidentele oorzaak is een beloop van zaken, deel uitmakende

van een zeer zamengesteld verschijnsel, en die tot een waargenomen

wordenden toestand van zaken aanleiding geeft, die, zoo hij gedurende

voor ons menschen lange tijdvakken onveranderd blijft, eene constante

oorzaak van secundaire verschijnselen is.

De helling der aardas is bijv. het gevolg van zulk eene accidentele

oorzaak, en is tevens de constante oorzaak der regelmatige afwisseling

der saizoenen. Deze is aldus evenzeer het gevolg van het toeval

als het blindelings trekken van een hoogen prijs uit eene loterij,

doch daar die regelmatige afwisseling der jaargetijden gedurende

voor de menschheid zeer langen tijd onveranderd aanhoudt, zoo heeft

deze in zekere mate er zich naar geschikt, terwijl de trekker van

het goede nummer geen tijd gehad heeft om zich te schikken naar het

bezit van zijne zoo plotseling ontvangen geldsom. Behoudt hij echter

deze, zoo zal hij zijne behoeften zoo vergrooten, dat, al was dit

primitief hoegenaamd niet het geval, het bezit dier som zie blz. 50

van lieverlede noodzakelijker voor hem zal worden.

Het is niet denkbaar dat, bij het bestaan van slechts eenvoudige

verschijnsels, witte en zwarte ballen binnen eene bus onregelmatig

gegroepeerd kunnen raken, en hierdoor wordt aangetoond dat toevallige

groepering dier ballen onafscheidelijk is van een zeer zamengesteld

verschijnsel.

Men moet voorts wel onderscheid maken tusschen langer of korter

durende en een meer uitgestrekt, of meer beperkt veld van werking

bezittende standvastige oorzaken, zelve verschijnsels zijnde en andere

verschijnsels tot gevolg bezittende, en de wetten der Natuur, eigenlijk

wel absoluut constante oorzaken, die alle verschijnsels regelen, maar

zelf geen objectief bestaan bezittende. Deze zijn in zeker opzigt

te vergelijken met de Staatswetten, zoo deze noch te verwaarlozen,

noch te overtreden, noch te ontduiken, noch te veranderen waren, en

al de verschijnsels op maatschappelijk gebied bepaalden. De doodstraf

bijv. is geen verschijnsel, maar zij bepaalt het verschijnsel der

executien en dit is eene verschijnsel-oorzaak tot gevolg afschrikking

voor het moorden hebbende. Er bestaan absoluut constante verschijnsels,

zooals bijv. de gemiddelde vergrooting der hemelbollen, die weder

andere verschijnsels tot gevolg hebben, en aldus, ofschoon volgens

het gewone spraakgebruik, absoluut constante oorzaken, desniettemin

geene natuurregels zijn, maar, even als derzelver gevolgen, door

die natuurwetten bepaald worden. Het komt ons nu verkieselijk voor

om onder oorzaken steeds te verstaan verschijnseloorzaken, bepaalt

door de vereenigde en in elkander grijpende werking der natuurregels,

en waarbij de werking van sommige dier regels meer kunnen predomineren

en die van anderen nietiger zijn. Geheel ontbreken zullen die laatste

werkingen nimmer doen, want toch wordt zie blz. 144 alle denking

bepaald door beweging, zoodat bijv. op onze denkingsverschijnselen

de deze hoegenaamd niet bepalende bewegingen middelijk van invloed

zijn, daar toch deze influenceren op de onze denking bepalende

niet zintuigelijk waarneembare atomistische bewegingen. Van elk

der natuurwetten heeft de werking steeds dezelfde strekking, maar

vertoont zich gedurig onder andere gedaanten, en, met betrekking tot

die gedaanten, verkeeren zij in hetzelfde geval als de accidentele

en betrekkelijk constante oorzaken, zij zijn namelijk even als deze

de vruchten van accidentele omstandigheden, en min of meer beperkt

van duur. Zulk een natuurregel is bijv. de geschiktwording van

levende wezens voor de omstandigheden waarin zij verkeeren. Waar

de werking van dien regel zich nu vertoont als geschiktwording der

organisatie der zeevisschen voor het zoute water van een Meer, is

deze bijzondere gedaante dier werking een gevolg van het toevallig

zout zijn van zulk een Meer, en zal zij ophouden, wanneer, door het

verkrijgen van afvoer langs den bodem, dit meerwater deszelfs zoutheid

verliest. Iemand wandelt op straat, eene wolk bedekt toevallig de zon,

en die wandelaar knoopt zijne jas digt, ten einde zich te hoeden tegen

koude. Die gedaante der werking der wet van geschiktwording duurt in

dit geval al zeer kortstondig, en is het gevolg van een zeer vlugtig

en toevallig verschijnsel. De reeksen van achtervolgende verschijnsels,

hoe zamengesteld ook, ontstaan door de vereenigde in elkander grijpende

werking van al de Natuurregels, doch onnaspeurlijk is het voor ons hoe

dit geschiedt, welk aandeel elk dier regels in die vereenigde werking

heeft, en hoe deze de achtervolgende verschijnsels uit elkander doen

voortvloeijen. Tot voorbeeld hiervan strekken de uiterst zamengestelde

banen door verschillende bollen, onder de vereenigde werking der

zwaartekracht en der traagheid beschreven. Die banen zullen ons meest

als toevallig voorkomen, doch wanneer zij hoofdzakelijk ontstaan

door de aantrekking van slechts een bol op een anderen, men kunnen

nagaan hoe of de vereenigde werking dier beide natuurwetten plaats

heeft. Evenzoo op het gebied der geschiedenis. De vereenigde werking

der natuurwetten brengt op dit gebied zulke zamengestelde verschijnsels

te weeg, dat van deelen er van het ondoenlijk is om na te gaan, hoe

die vereenigde werking heeft plaats gehad bij de achtervolgende uit

elkander voortspruitende accidentele oorzaken, waarvan de laatste tot

dit feit aanleiding gegeven heeft. Dit bijv. is niet te doen voor het

feit dat de Zwitsers eene zelfstandige natie vormen. [73] Wel weten wij

dat hierbij in het spel is de werking der wet van geschiktwording, die

gescheiden tracht te houden wat niet bij andere zaken past, doch die

wetenschap staat gelijk met die, dat de zwaartekracht in het spel is

bij de meest onregelmatige bewegingen der hemelbollen. Even als echter,

zooals bijv. bij ons zonnenstelsel, die zeer zamengestelde bewegingen

weinig, ofschoon op zeer zamengestelde wijze gestoorde meer eenvoudige

bewegingen worden, waarbij wel nagegaan kan worden hoe deze door de

werking der zwaartekracht en der traagheid ontstaan, zoo ontmoet

men in de geschiedenis dikwerf eene toedragt van gebeurtenissen,

wel is waar, op eene zeer zamengestelde wijze gestoord wordende, maar

niettemin in hoofdzaak genoegzaam eenvoudig, om er bij de werking der

natuurwetten op maatschappelijk gebied na te gaan. Men moet voorts

niet denken wanneer, wegens de zeer samengestelde wijze waarop zij

ontstaan zijn, zaken ons toevallig voorkomen, zij daarom steeds minder

geschikt zijn. Bij eene eenvoudige toedragt van zaken kan dit ook het

geval zijn. Onder de standvastige oorzaken behoort bijv. de werking

der inertie, waardoor bijv. menschen, wanneer zij vrees of afkeer

voor iets gevoelen, dit wegens de werking der traagheid blijven doen,

nadat de aanleidende oorzaak er voor verdwenen is, zooals bijv. volken

doen, wanneer deze, uit een anarchistischen toestand gerakende,

onder een despotisch juk vallen, om later, nadat zij hunne despoten

verjaagd hebben, weder tot anarchie te vervallen. Ons geheel toevallig

voorkomende storingen kunnen nu zulke eenvoudige schommelingen

van den politieken toestand van een volk vernietigen, even als een

toevallige stoot de verflaauwende schommelingen van een slinger, en

zulk een volk hierdoor in een meer geschikten toestand geraken. Nu

zal men zeggen, wanneer de toedragt van zaken op geschiedkundig

gebied eenvoudiger is, kan men beter nagaan wat er gebeuren zal,

en, door de oorzaak der geschiktwording te doen werken, tot een meer

bevredigenden toestand geraken. Dit is zoo, doch daartegenover staat,

dat die zeer zamengestelde toedragt van zaken, waarbij ons zoo dikwerf

het toeval overvalt, zoo als op blz. 240 gezegd is, den vooruitgang

der individuen bevordert, en met betrekking tot den geestelijken

vooruitgang dier op- en aftredende individuen moet de geschiedenis

beschouwd worden. Om na te gaan, hetgeen eene school bewerkt heeft,

moet men niet vragen, wat is er van die school geworden, maar wat

heeft zij van de haar bezocht hebbende leerlingen gemaakt.

Er bestaat een groot onderscheid tusschen de zeer zamengestelde werking

van een klein getal natuurwetten, en die van uiterst zamengestelde

natuurwetten. Bijv. op eene hoe gecompliceerde wijze hemelbollen

ook betrekkelijk elkander bewegen, zoo slechts de zwaartekracht en

de traagheid hierbij in het spel zijn, zal een sterrekundige direct

zeggen, dat een dier bollen, versnellende in zekere rigting bewegende,

niet plotseling eene andere rigting, een niet afgeronden regten hoek

met eerstgemelde vormende, kan gaan volgen. Drie of meer van die bollen

digt bij elkander zijnde, zoo kan een astronoom vrij wel aangeven,

hoe zij althans, voor eerst zullen bewegen, hetgeen onmogelijk voor hem

zou zijn, zoo de verplaatsing dier bollen geschiedde door de vereenigde

werking van een onnoemelijk aantal natuurwetten. Ware dit het geval,

zoo zou naar ons inzien de meest volkomene controlerende aanschouwing,

zie bl. 178, den zamenhang en de oorzaken van al de verschijnselen

aan geen wezen, welk ook, kunnen aangeven.

Evenzoo in andere zaken. Tusschen twee plaatsen bestaat er bijv. een

groot verschil in luchtdrukking, zonder dat men weet door welke

aaneenschakeling van oorzaken dit ontstaan is. Het ontstaan van

harden wind in zekere rigting is echter alsdan te voorspellen, omdat

in zulk een geval de beweging der luchtdeelen niet van de vereenigde

werking van een uiterst groot aantal oorzaken, maar slechts van drie

afhankelijk is, namelijk het verschil in drukking, de traagheid der

luchtdeelen, waardoor zij, op hoogere breedten komende, den aardbodem

van west naar oost vooruitloopen en ten derde de wrijving. Een sterke

wind blaast tegen een beschot, zonder dat men de aaneenschakeling van

oorzaken kent, waardoor die wind ontstaan is en dit beschot aldaar

staat. Zoo een onnoemelijk aantal vereenigt werkende en in elkander

grijpende oorzaken in zulk een geval van invloed waren op de drukking

van den wind met betrekking tot het beschot, zou men niet kunnen

weten, dat men dit aan de benedenwindzijde moet stutten, om het voor

vallen te behoeden. Weet men echter, dat men hierbij slechts te doen

heeft met de werking der wet der botsing eener bewegende veerkrachtige

vloeistof, en dat deze het beschot wil medeslepen zoo, dit al de hierop

uitgeoefende drukking niet op den bodem kan overbrengen, zoo verkrijgt

men de wetenschap van hetgeen er te doen valt, om het beschot staande

te houden. Onwetende menschen weten dit uit ervaring, doch, zoo een

uiterst groot aantal oorzaken bij zulk een geval in het spel waren,

zou die ervaring niet dezelfde zijn, en zou zij zelfs in het geheel

niet bestaan, voor zulke onwetende menschen zou hetgeen dan gebeurt

een warboel zijn. Iemand voelt zich kleinmoedig en bevreesd, zonder

dat hij weet hoe dit ontstaan is. Wat hiertegen te doen? De oorzaak

van geschiktmaking laten werken, door zich voor den geest te brengen

de geestelijke en stoffelijke hulpmiddelen, waarover men beschikt,

door hiermede den aard der bezwaren te vergelijken, door in zijn geest

het denkbeeld van krachtige en doelmatige handeling en van vertrouwen

overheerschende te maken. Verkiest men nu zulks te doen in den vorm

van een gebed, het is wel, doch men zal dit doen, door de oorzaak van

geschiktmaking niet onder dezelfde gedaante als in het vorige geval

te doen werken, omdat men weet dat nu niet in het spel is de wet van

botsing van bewegende vloeistoffen. Door de beenen wijd van een op

den bodem te plaatsen zal men aldus geen gevoel van kleinmoedigheid

weren, evenmin als men, door zich aan te moedigen zonder meer, zich

zal behoeden tegen omverwaaijing. Zeer eenvoudige opmerkingen en

waarvan desniettemin de supra-naturalisten geen helder begrip hebben.

Dat de totale hoeveelheid der zelfstandigheid onveranderlijk is, moet

naar ons inzien, ontstaan doordat haar bestaan traagheid bezit. Anders

toch zou eene oorzaak, kleiner dan eenige te geven grootheid, gedurende

een eindigen tijd het bestaan van een eindig deel dier zelfstandigheid

kunnen vernietigen, terwijl, zoo de traagheid niet het ontstaan van

zelfstandigheid tegenging, eene dergelijke oorzaak als zoo even de

absolute quantiteit dier zelfstandigheid zou kunnen vergrooten. Terwijl

de traagheid een oneindig sterken wederstand schijnt te bieden aan

eindige oorzaken de hoeveelheid dier zelfstandigheid trachtende te

veranderen, biedt zij slechts een eindigen wederstand aan de oorzaken,

leidende tot veranderingen der veropenbaring dier zelfstandigheid

door beweging, (namelijk de bewegingen der ligchamen, alsmede

derzelver eigenschappen, welke zie bl. 165, ook door bewegingen

worden bepaald) en der veropenbaring dier zelfstandigheid door

denking (namelijk de denkbeelden en de door den aard der denkbeelden

bepaalde karaktertrekken der geesten.) De traagheid biedt niet slechts

wederstand aan de veranderingen in sterkte, maar ook aan die in aard

dier veropenbaringen, aldus niet alleen aan het werkdadig maken van

latente denkbeelden, zie blz. 167, maar tevens aan de verwisseling

en vervanging dezer laatste door andere denkbeelden, niet alleen aan

het ontstaan van beweegkracht, van welken aard ook, bij de ligchamen,

maar tevens aan de verandering van den aard der zeer zwakke met de

structuur der ligchamen verbonden atomistische bewegingen, waardoor

den aard der eigenschappen dier ligchamen bepaald worden.

Bij die eigenschappen bestaat er onderscheid tusschen derzelver

intensiteit en derzelver uitbreiding, (dat is of zij tot een grooter of

kleiner ligchaam behooren) en bij de veropenbaring der zelfstandigheid

door denking bestaat er eveneens onderscheid tusschen de intensiteit

van latente denkbeelden en derzelver uitbreiding. Deze laatste

is bijv. grooter, wanneer zij bij veel dan wanneer zij bij weinig

personen bestaan, en zelfs bij een enkel wezen kunnen, bij gelijke

intensiteit der denkbeelden, deze in uitbreiding verschillen. Om aldus

bij de denkbeelden van wezens groote veranderingen te weeg te brengen,

dient er, wegens de werking der traagheid, eene oorzaak te bestaan,

die, zoo deze slechts gedurende korten tijd werkt, met betrekking tot

de intensiteit en uitbreiding dier denkbeelden groot is. Vandaar dat

bijv. op het gebied der geschiedenis groote verschijnselen slechts

kleine oorzaken kunnen bezitten, wanneer deze gedurende zeer langen

tijd werkzaam zijn. Integendeel, kan bijv. wanneer in eenig land

de individuen sterk voor den vrede geneigd zijn, een oorlogzuchtig

pamflet hen evenmin eene noemenswaardige zucht tot oorlogvoeren geven,

alsdat de aantrekking eener komeet van geringe massa de snelheden en

banen der planeten noemenswaardig kan wijzigen [74]. De uitwerking van

zulk een pamflet zal van lieverlede verdwijnen, dat is de traagheid

dier uitwerking zal met den tijd geheel overwonnen worden, zoo de

inhoud van het pamflet de drijfveeren, tot oorzaak dier vredelievende

neiging strekkende, onveranderd laat. Eveneens zal eene accidentele

snelheid gegeven aan waterdeelen, wier snelheid door het verhang

en de wrijving bepaald worden, van lieverlede verdwijnen, zoo de

kortstondige oorzaak dier accidentele snelheid noch op het verhang,

noch op de wrijving van het water van invloed is.

Bij de (zie blz. 174) onveranderlijke ofschoon zeer zamengestelde

veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en denking, doet

de traagheid, door telkens den bestaande alsdan steeds volmaakt

geschikten toestand in stand te willen houden, het effect van eene

alleenheerschende oorzaak van geschikthouding. Bij de veranderlijke

veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en door denking is dit

integendeel anders, en wel te meer hoe grooter die veranderlijkheid

is. De traagheid tracht alsdan slechts gebrekkig geschikte toestanden,

en zoowel het kwade als het goede hierin bevat, in stand te houden,

met betrekking tot het geschikte en ongeschikte is zij neutraal.

Bij de veranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid bestaan

er naar ons inzien eigenlijk slechts drie natuurwetten, namelijk

1o. de traagheid, 2o. de drang tot geschiktwording en 3o. die tot

veranderlijkheid.

De door de wetenschap gestelde natuurregels zijn slechts de

bijzondere ofschoon onveranderlijke regels, waardoor bepaald

worden de verschillende gedaanten, welke de werkingen dier drie

algemeene natuurwetten aannemen. De wet der traagheid der met gewone

snelheden begiftigde ligchamen, de wetten volgens welke afstooting en

aantrekking, zie blz. 171, onveranderlijke doch zeer zamengestelde

atomistische trillingen regelen, en de daarmede vergelijkbare

natuurwetten, waardoor de aard onzer denkbeelden onveranderd tracht

te blijven, bepalen toch de gedaanten waaronder zich vertoont de

werking der algemeene wet der traagheid, in het eerste geval op

astronomisch gebied, in het tweede op bijv. scheikundig gebied,

omdat die trillingen de chemische eigenschappen der ligchamen kunnen

bepalen en in het derde op zielkundig gebied.

Bij elke verandering van verschijnsels, bij alle opvolging van

verschijnsels door er mede in verband zijnde andere verschijnsels,

ontmoet men steeds de zich onder de eene of andere gedaante vertoonende

werkingen van die drie algemeene natuurwetten.

Die der geschiktmaking zal trachten den bijzonderen aard der dingen

meer algemeen te maken, omdat hier door dien aard nadert tot die

van het onveranderlijke en aldus volmaakte deel van het Heelal,

zie blz. 174. Door de werking dier algemeene natuurwet zal aldus

het bijzondere bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking

verzwakken, die denking naderen tot de algemeenste denkbeelden van den

oergeest, en het bijzondere bij de veropenbaring der zelfstandigheid

door beweging verzwakken, en die bewegingen naderen tot de algemeenste

en onveranderlijke van den ether. In beide gevallen zal echter de

werking dier natuurwet slechts eene qualitatieve en niet, zie blz. 169,

eene quantitatieve verandering te weeg brengen.

Bestond de wet der veranderlijkheid niet, zoo zou het bijzondere

en verscheidene bij de veropenbaring der zelfstandigheid ook niet

bestaan, terwijl, zoo de wet van geschiktmaking niet bestond, de

ontwikkeling van de bijzondere en veranderlijke hemelbollen en wezens

niet zou strekken om deze, wanneer derzelver ontwikkeling de palen

der eindigheid bereikt, de natuur van het onveranderlijke en aldus

volmaakte te geven, maar eerder om de afwijking hier van steeds grooter

te doen worden. Gedurende het gemiddeld gaan dier hemelbollen en der

er op verblijvende wezens van het op blz. 161 gemelde middelpunt naar

het midden der dikte van den Melkweg, moet er bij naar ons inzien de

werking der natuurwet van de veranderlijkheid en tegelijk die der wet

van geschiktmaking grooter worden, zoo bij dit midden der dikte van

den Melkweg de aard der hemelbollen het meeste van die van den ether

verschilt, en dit ook het geval is met de op die bollen bestaande

ligchamen, waarmede de geene zintuigelijke indrukken voortbrengende

atomistische beweging, de denking der wezens bepalende, in contact

komen. Gedurende derzelver gemiddelde verwijdering van die plaats

naar buiten, bij die bollen de werking van beide die wetten geringer

wordende, zoo zal alsdan de aard dier bollen en der daarop wonende

wezens van lieverlede minder bijzonder en verscheiden worden. Gedurende

deze laatste periode zal de werking der natuurwet der geschiktmaking

die der wet der onveranderlijkheid overtreffen, en gedurende de eerste

periode het tegenovergestelde plaats hebben. Door die eerste werking

zullen zie blz. 155 de gewone snelheden of overgaan in warmtetrillingen

of, wanneer gedurende derzelver verzwakking de aantrekking overwonnen

wordt, veranderen in de op blz. 165, gemelde aantrekkingstrillingen,

de warmte zal er door verspreid worden, de elektrische trillingen in

warmtetrillingen overgaan, de chemische zamenstellingen meer gaan

gelijken op die der absoluut enkelvoudige stof den ether enz. De

werking der wet der veranderlijkheid moet daarentegen, bij het

grooter maken der afwijkingen van den toestand der zaken van den

toestand van der ether, voor zooverre deze niet aan den invloed

der hemelbollen blootgesteld is, juist het tegenovergestelde doen,

zoodat de werkingen der bijzondere natuurwetten der zwaartekracht,

der warmte, der electriciteit, van het chemismus enz. begrepen zullen

zijn deels in de werking der algemeene natuurwet der geschiktmaking en

deels in die der natuurwet der verscheidenheid, zoodat zij in dezelfde

verhouding tot deze algemeene wetten staan als de op blz. 269 gemelde

bijzondere natuurwetten tot de algemeene wet der traagheid.

Uit het bovenstaande volgt dat de op blz. 243, gemelde, hetgeen

wij toeval noemen, barende verschijnsels de vruchten zijn der

werking der wet van de verscheidenheid. De snelheden, waarmede de

hemelbollen volgens allerhande rigtingen den ether doorklieven,

zijn bijv. het werk er van, de ongelijke verspreiding der warmte

en de hierdoor ontstaande ongelijke drukkingen eveneens, het alsdan

veranderen van warmtetrillingen in gewone snelheden bij vloeistoffen

evenzoo. De werking der wet der geschiktmaking tracht, zie blz. 169, de

werkdadigheid van den geest, waarbij er geoordeeld, afgeleid en onder

vooruitloopen der ervaring gedwaald wordt, te vernietigen, of liever

om te zetten in de algemeene werkdadigheid van den Oergeest, hetgeen

met de omzetting van gewone snelheden der ligchamen in de algemeenste

atomistische bewegingen van den ether vergelijkbaar is. Van den anderen

kant zal die werking bij de wezens eene werkdadigheid trachtten op

te wekken als bij het voor den geest houden van denkbeelden door

directe aanschouwing verkregen, namelijk eene zuivere contemplatieve

ervaringsdenking, hetgeen zie blz. 159 met de opneming van warmte

door de hemelbollen te vergelijken is. De werking der wet van de

verscheidenheid tracht daarentegen het tegenovergestelde te doen,

namelijk ons niet te doen denken aan hetgeen wij door aanschouwing

zeker weten dan voor zooverre dit strekt om te oordeelen, te kiezen,

af te leiden enz.

Dat het bestaan van verscheidenheid, annex aan dat van het bijzondere,

de ontwikkeling bevordert, blijkt niet slechts uit het effect er van op

onzen geest, maar tevens ook hieruit, dat de organisatie der planten en

dieren, aan de meeste verscheidenheid van omstandigheden blootgesteld,

gedurende derzelver leven in ontwikkeling het sterkste toeneemt. Stelt

men water te loopen langs eene ojiefvormige, flaauwe en wrijvende

helling, zoo zal, ongeveer waar het verval op het grootste is, de

snelheid van het water zulks ook zijn, en dit het meeste slibstoffen

opgeheven houden. Het verval hierbij is te vergelijken met de werking

der wet der veranderlijkheid, de wrijving met de werking der wet van

geschiktmaking, de snelheid met de intensiteit van het bijzondere

en der verscheidenheid en het bezwangerd zijn van het water met

slibstoffen met den vooruitgang. Even als de beide op blz. 250,

gemelde werkingen waar de meeste verscheidenheid bestaat, zijn bij

het zoo even gemelde geval, waar de snelheid op het grootste is,

de werkingen van verval en wrijving op het grootste en even groot.

Bij de aanschouwing van het verscheidene en aldus bijzondere

trachten wij, zooals bij de classificatie en het zoeken van het

verband tusschen oorzaken en gevolgen, eene kennis te verkrijgen met

meer algemeene begrippen en aldus van meer algemeenen aard dan die

aanschouwing. De kennis, direct door aanschouwing van het bijzondere

verkregen, voldoet ons aldus niet, doch juist daarom strekt die

aanschouwing van het bijzondere om zie bl. 237 ons zoodanig in te

spannen dat onze geestontwikkeling toeneemt. Dit aldus niet kunnende

geschieden, zonder dat het oordeelen en besluiten de kennis, door

controlerende aanschouwing verkregen, anders gezegd de ervaringskennis,

vooruitloopen, waardoor deze laatste alsware omhooggetrokken en

uitgebreid wordt, zoo moet noodwendig de wijze van verkrijging van

kennis, waardoor de geestontwikkeling kan vergrooten, aanleiding geven

tot dwaalbegrippen. Loopen nu in geestelijken aanleg en intellectuele

ontwikkeling uitstekende menschen die ervaringskennis meer dan het gros

der menschen vooruit, zoo zullen zij niet minder dan dit in dwalingen

vervallen. Een pasgeboren kind kan niet denken "ik schort mijn oordeel

op over alles wat de ervaring mij niet als zekerheid aangeeft." Zulk

een kind zou van niets de juistheid te verifieren hebben en niets

leeren. Denkt het dat een verwijderd voorwerp te grijpen is, zoo loopt

het evenzoo de ervaring, door het gezigt verkregen, vooruit, als een

wijsgeer, die zich op het gebied van het buitenzinnelijke begeeft,

de ervaring door al de zintuigen aan de menschen verschaft.

Door de werking der wet van geschiktmaking zullen de gewone snelheden

van ligchamen, al zijn deze zelfs door geene wrijvende vloeistof

omgeven, in warmte beweegkracht overgaan. Geen ligchaam is toch

volmaakt vast, en bij geen ligchaam zullen alle punten precies dezelfde

evenwijdige snelheden bezitten, bij alle zal dus hetgeen, op bl. 154

en in Noot bl. 156, gezegd is, met de snelheden te gebeuren, plaats

hebben. Dit is insgelijks het geval, wanneer zulke ligchamen om eene

as wentelen, daar alsdan, zie Noot blz. 165 moleculen, digter bij den

equator gelegen, zullen komen naast andere, er wat verder van gelegen,

en die aldus eene kleinere absolute wentelingssnelheid dan gene

bezitten. De op blz. 154 gemelde egaliserende en de verscheidenheid

bij de aardkorst wegnemende werking van het water is eene werking der

wet van geschiktmaking, ofschoon zij de aarde voor ons menschen, maar

niet voor de lage en een uniform leven leidende zeedieren onbewoonbaar

tracht te maken. De op diezelfde bl. gemelde werking der lava van

den aardkern is daarentegen eene werking der wet der veranderlijkheid.

De wet van geschiktmaking oefent, bij de overwinning der traagheid van

het bijzondere eene werking uit, die wij in ons het: Over de werking

der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 660 slijtende werking

genaamd hebben. Zoo in zooeven gemeld werk als in het vervolg er op,

hebben wij vele voorbeelden dier slijtende werking aangehaald en

aangetoont hoe hierdoor de periodieke schommelingen (zie later), van

lieverlede verzwakken en de toeneming in intensiteit van verschijnsels,

waarbij er elkander wederkeerig versterkende oorzaken in het spel zijn

(zie later) tegengewerkt wordt. Deze wet tracht dan geschiktheid uit

een en dan uit een ander oogpunt beschouwd voort te brengen, zoodat

zij in het eene geval somtijds, in zeker opzigt, in strijd werkt als

in andere gevallen. Zoo tracht een harer werkingen menschen, die met

elkander op den voet van gelijkheid en in dezelfde omstandigheden

verkeeren, even deugdzaam en kundig te maken als het gros van hen,

en aldus een kundig en braaf mensch, door zijn omgang (zie blz. 48)

op den voet van gelijkheid met menschen, die zulks minder zijn, in

geestontwikkeling te doen afnemen. Is daarentegen, de geestontwikkeling

van menschen te laag voor de eischen der omstandigheden waarin zij

verkeeren, zoo zal eene andere werking dierzelfde wet beide tot

elkander doen naderen en aldus die menschen deugdzamer en kundiger

maken, althans zoo zij daarin niet tegengewerkt wordt door een andere

van hare werkingen, waardoor de geesten van menschen geschikt worden

voor de ligchamen waaraan zij annex zijn en aldus meer naar het

dierlijke neigen. In dit geval zullen de werkingen dier wet drie

zaken, namelijk de ligchamen, de geesten en de eischen van den

maatschappelijken toestand op dezelfde hoogte trachten te stellen.

Eenvormigheid bij menschen, op denzelfden voet met elkander

verkeerende, is gewis op zich zelf beschouwd, eene geschiktheid, en dit

is ook het geval bij andere zaken, zoodat de wet van geschiktmaking

er toe zal leiden om alle afwijkingen van gemiddelde toestanden weg

te nemen. Zij maakt door eene secundaire werking dat individuen van

dezelfde soort elkander opzoeken, edoch bestaat er voor het bestaan

dier verschillende soorten geene andere oorzaak dan de traagheid, zoo

zal zij, (zie blz. 7) al die soorten tot eene gemiddelde soort ineen

doen smelten, en daar, zooals op blz. 90 gezegd is, de aarde hierop

eene terugtrekkende werking uitoefent, die zich vormende middelsoort

omlaag trekken.

Een ander voorbeeld van met elkander in strijd zijnde werkingen

der wet van geschiktmaking, wanneer deze bij iets geschiktheid

voor verschillende belangen tracht voort te brengen, is de strijd

tusschen de pogingen tot zamensmelting van verschillende volkstammen

van een zelfden staat, en die waardoor die stammen hunne nationale

eigenaardigheden trachten te behouden. De zamensmelting is voor de

sterkte van den staat wenschelijk, de pogingen er toe kunnen aldus als

werkingen der wet van geschiktmaking beschouwd worden. Blijft nu de

regering de sterkste, zoo zullen de volkstammen wel, met betrekking tot

hunne nationale eigenaardigheden, in een ongeschikten toestand komen,

maar de werking der wet van geschiktmaking hen daaraan ontwennen,

zooals zij zulks bijv. bij de Elzassers gedaan heeft. Zijn daarentegen

de nationaliteiten de sterkste, en is het mogelijk dat zij, door

niet door elkander vermengd te wonen, afzonderlijke staten vormen,

zoo zullen zij zich hierop inrigten.

Tracht een waanzinnige zijne neiging tot vernieling bot te vieren, zoo

tracht hij, tengevolge der werking der wet van geschiktmaking, hetgeen,

hem voor het oogenblik genoegen geeft, te doen. Hierdoor schaadt

hij zoowel zijne eigen toekomstige belangen als andere menschen,

doch deze sluiten hem, tengevolge der werking van diezelfde wet, op

in een lokaal waar hij anderen niet hinderlijk is, niets vernielen

kan en zich niet kan bezeren. Die waanzinnige plooit, zich naar het

leven in zulk een vertrek en zijne vroegere betrekking wordt door

anderen waargenomen. Dit een en ander toont aan, dat zoo bij elken

gegeven toestand er geene andere oorzaken van verandering werken

dan die van geschiktmaking, er ten laatste een onveranderlijken

toestand zal ontstaan, waarbij alles voor elkander geschikt is, en

geschiktheid in het eene oogpunt geene ongeschiktheid in eenig ander

oogpunt meer zal baren. Zoo lang echter die onveranderlijkheid niet

volmaakt is, zal de geschiktheid zulks evenmin zijn. Van een staat,

voortdurend burgers bevattende die onder dezelfde wetten, instellingen,

en regering wenschen te leven, zullen die burgers in één opzigt in

een onveranderlijken, maar dan ook slechts in een opzigt in een voor

hen geschikten toestand verkeeren. Om in eenig ander opzigt in een

geschikten toestand te zijn (bijv. niet meer of minder te bezitten

dan zij noodig hebben) zouden zij ook in een ander opzigt in een

onveranderlijken toestand moeten komen en zoo voort. Volmaakte

geschiktheid in alle opzigten vordert aldus onveranderlijkheid, of

gemis van alle verscheidenheid in tijd, doch, daar de ervaring leert

dat verscheidenheid in ruimte steeds gepaard gaat met verscheidenheid

in tijd, zoo zal het gemis hiervan met dat der verscheidenheid in de

ruimte moeten gepaard gaan, en aldus de volmaakte geschiktheid slechts

bij den onveranderlijken Ether en de onveranderlijke denkbeelden van

den Oergeest te vinden zijn [75].

Bedenkingen tegen de Leer van Darwin Gevolgd door beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen. · 第 10 / 13 题