BESCHOUWINGEN OVER EENIGE ONDERWERPEN OP BUITENZINNELIJK GEBIED.

Hoe ontstaat het vermogen der organisatie der dieren, om,

grootendeels buiten de bijzondere soort van eigen denking der dieren

wil genaamd, geschikt te worden voor de omstandigheden waarin de

dieren verkeeren. Naar ons inzien, door het aan de ligchamen dezer

annex zijn van moleculaire bewegingen der zelfstandigheid, geene

zintuigelijke indrukken te weeg brengende, en alzoo niet makende dat

die zelfstandigheid zich voor ons als ligchaam veropenbaart. Een

deel dier geene zintuigelijke indrukken voortbrengende bewegingen

vormen een geheel en worden bepaald door en bepalen de eigen denking

van het dier, waartoe ook het zien, het voelen, enz. behoort, en die

aldus evenmin door de hersens (namelijk zintuigelijke indrukken te

weeg brengende ligchamen) als de in de denking van het dier begrepen

gezigtsindrukken, door de oogen, plaats heeft.

De overige dier geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende

bewegingen, worden naar ons inzien bepaald door en bepalen eindige

deelen eener oneindig groote eenheid van denking, behalve de

geesten of eenheden van denking van menschen en dieren en hiermede

verwante wezens op andere hemelbollen, in de totale veropenbaring der

zelfstandigheid door denking bevat. Die eindige deelen dier oneindige

denking werken nu, door dat zij door bewegingen der zelfstandigheid

bepaald worden, mechanisch op de deelen der ligchamen der dieren en

zijn wederkeerig aan den invloed hiervan blootgesteld. Stel bijv. dat

iemand, ten gevolge van eenige tot hem gerigte woorden, gaat zitten,

wat heeft er dan plaats. 1o Geluidsgolven planten zich in de lucht

voort, 2o de trommelvliezen van dien persoon geraken in trilling,

3o onbekende moleculaire bewegingen ontstaan in zijne gehoorzenuwen,

4o in zijne denking ontstaat een gehoorindruk, 5o hij denkt over de

woorden na, 6o in zijne denking ontstaat een wilsindruk, 7o onbekende

moleculaire bewegingen ontstaan binnen eenige zijner bewegingszenuwen,

8o insgelijks onbekende bewegingen ontstaan binnen de met die zenuwen

in verband zijnde spieren, 9o beweging der ledematen heeft plaats.

Bij No. 1, 2 en 3 zijn elkander mechanisch bepalende bewegingen

aangegeven, insgelijks bij No. 7, 8 en 9, terwijl bij No. 4, 5

en 6 er elkander bepalende denkingen zijn aangeduid. De keten van

elkander bepalende bewegingen kan echter kwalijk na No. 3 afgebroken

zijn en bij No. 7 weder beginnen, want denking en beweging zijn

geheel ongelijkslachtige zaken. Er schiet aldus niets anders over

dan te stellen, dat de denkingen, bij No. 4, 5 en 6 aangeduid,

geene zintuigelijke indrukken teweeg brengende bewegingen der

zelfstandigheid bepalen. Van den anderen kant zou men ook kunnen vragen

of, zoo de ons bekende denking van bewegingen vergezeld moeten gaat,

alle bewegingen welke ook der zelfstandigheid (ofschoon volstrekt

niet in reden van derzelver sterkte) niet mede bepalen en bepaald

worden door denking, behalve de eenheden van denking der eindige

levende wezens eene oneindige eenheid van denking vormende [42]. De

denking bij No. 4 aangeduid, zou dan door die denking buiten ons

bepaald worden en die bij No. 6 aangegeven er bepalende op werken,

zoodat de keten der denking evenmin als die der beweging, afgebroken

zou zijn. De fatalisten stellen eigenlijk dat de aaneenschakeling

onzer denkbeelden van geen invloed is op die denking buiten ons,

de aanhangers der absolute wilsvrijheid, dat deze van geen invloed

is op de aaneenschakeling onzer denkbeelden, terwijl daarentegen die

invloed wederkeerig is.

Veranderen de omstandigheden waarin een dier verkeert, zoo wordt dit

er eerst min of meer aan gewoon en verandert aldus zijn toestand,

zonder dat er eene noemenswaardige verandering bij de organisatie van

zijn ligchaam bespeurd kan worden. Verandering dient er dan evenwel

ergens plaats gegrepen te hebben, en zou deze dan niet kunnen bestaan

bij die geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende bewegingen, het

eigenlijke leven daarstellende, en wier er door bepaalde denking, het

ligchaam voor die nieuwe levenstoestanden geschikt zoekt te maken? Deze

bewegingen werken toch mechanisch op de wel zintuigelijke indrukken

voortbrengende moleculaire en andere bewegingen van het ligchaam en

kunnen hierbij alsware eene verandering te weeg brengen in gelijken

geest als die bij haar zelve tijdens het wennen plaats had, ofschoon,

wegens de werking der traagheid, later, zoodat de wijzigingen der

geene zintuigelijke indrukken teweeg brengende bewegingen, die der

organisatie van het ligchaam alsware achter zich voortslepen. [43]

Zonder de aanhoudende werking der op blz. 7 gemelde oorzaak van

geschikthouding, zouden de ligchamen der dieren onmogelijk aan vele

de deugd hunner organisatie verstorende invloeden kunnen wederstaan,

en er bestaat hierdoor eene ondempbare kloof tusschen de levende

organismen aan de eene en de anorganische en doode organische stof aan

de andere zijde. Gene toch zijn actief, deze passief, van gene kan

men zeggen, dat zij voor zich zelf beter of slechter zijn ingerigt,

terwijl het ongerijmd is te zeggen, dat een stuk goud voor deszelfs

eigen ik meer of minder deugdzaam is.

De denking buiten de eigen denking der menschen en dieren, de

organisatie dezer voor de bestaande omstandigheden geschikt trachtende

te maken, moet niet veronderstelt worden te grijpen naar middelen,

slechts in indirect verband met de gebreken dier organisatie zijnde,

tevens ook niet door redenering het bekende uit het bekende af te

leiden, of tusschen verschillende in te slane wegen eene keus te doen.

De dieren komen slechts van het eene tot het andere, wanneer dit

laatste in direct verband met het eerste staat, en zijn hierdoor

veel minder dan de menschen aan dwaling onderhevig. Bij deze ontstaat

eerst het begrip van het doen van daden, geschikt bij het verkeeren in

zekere omstandigheden en later worden die daden verrigt. Bij de dieren

gaat dit eerste dit laatste minder vooraf, zij vormen zich meer al

handelende het begrip van hetgeen zij behooren te doen. Zij bezitten

andere denkvormen dan wij, en van daar dat de fabeldichters onder

den naam van dieren eigenlijk menschen van verschillende karakters

doen optreden. Overleg en handeling ten gevolge van eigene opmerking,

en aldus rede kan aan de dieren niet ontzegt worden, zamenwerking met

en opoffering voor andere wezens evenmin, doch wel de bewustheid, dat

hunne daden strekken ter vergrooting hunner geestelijke ontwikkeling,

alsmede abstracte en op het gebied van het buitenzinnelijke treden

de denkbeelden. Zij missen geheel de bij vele menschen zoo flaauw

ontwikkelde godsdienstige wijsbegeerte, hunne levensbeschouwing is

gegrond op de directe ervaring, op de eischen van het practische nut,

en dweepen en droomen is hen even vreemd als aan middelmatige menschen

de dwalingen en exentriciteiten van het genie.

Evenals de op blz. 143 gemelde denking, moet de eigen denking van

dieren, wegens de werking der traagheid, blijven beneden de eischen

van zekere levensomstandigheden, wanneer zij hieraan niet geheel

gewoon is, en niet aan die eischen zonder vermoeijende inspanning

kan voldoen. Om bij gelijken aanleg en even hoogen graad van

geestontwikkeling tijdens de geboorte, gedurende het leven sterk in

geestontwikkeling toe te nemen, moet 1o. van het voorgeslacht veel te

leeren vallen, 2o. de middelen van gemeenschap met dit voorgeslacht,

namelijk het spraakvermogen enz. op een hoogen trap staan, 3o. de

levensomstandigheden, waarvoor men zijne geestontwikkeling geschikt

tracht te maken, insgelijks op een hoogen trap staan, en 4o. het

ligchaam op de vergrooting der geestontwikkeling slechts eene kleine

directe tegenhoudende werking uitoefenen.

Met betrekking tot het eerste en derde zijn wij Nederlanders

bevoordeeld boven onze voorouders de Batavieren enz. en deze waren,

met betrekking tot al die zaken bevoordeeld boven hunne op de

boomen klauterende en, bij hoogeren aanleg, de geestontwikkeling der

hedendaagsche apen bezittende voorouders en deze op hunne beurt boven

hunne millioenen jaren vroeger in zee levende en de geestontwikkeling

der hedendaagsche visschen bezittende voorzaten, zie blz. 31. Wel kan

men door zijn vrijen wil, of anders gezegd door daden het gevolg zijnde

van uit elkander voortvloeijende en elkander bepalende redeningen, de

omstandigheden, op wier hoogte men zich tracht te stellen, eenigzins

hooger of lager stellen, en dit ook door het toeval plaats hebben,

doch hiervoor bestaan er grenzen, en, evenmin als Napoleon I in gewone

tijden keizer had kunnen worden, kan een wezen zelfs van grooten

aanleg, met een laag bewerktuigd ligchaam voorzien, en beroofd van

de middelen om uitgebreide waarnemingen te doen en om met andere

wezens denkbeelden te wisselen, gedurende zijn leven belangrijk in

geestontwikkeling klimmen.

Op bladz. 143 hebben wij aangegeven, hoe op onze denking eigenlijk niet

eene wel of geen zintuigelijke indrukken te weeg brengende moleculaire

beweging bij ons ligchaam en de daarbuiten gelegen voorwerpen, maar

eene hierdoor gedeeltelijk bepaalde denking (buiten de onze en die

van andere eindige wezens bestaande) van invloed kan zijn. Om meer

bij het gewone spraakgebruik te blijven, gewagende van den invloed

door ons ligchaam op onzen geest uitgeoefend, zoo herinneren wij

dat, naar aanleiding van het op blz. 91 gemelde, die invloed op eene

directe wijze onzen geest tracht te verlagen. Op eene indirecte wijze

tracht hij echter, door ons te veroorloven waarnemingen te doen en

met de buitenwereld en andere wezens in contact te treden en onder

zekere inspanning denkbeelden in werkdadigen toestand te bezitten,

hem te verhoogen. Sprekende, om bij het gewone spraakgebruik te

blijven, van wederkeerige werking tusschen ligchaam en geest, zoo is

het klaar, dat elke verandering bij onze denking gepaard zal moeten

gaan met zekere verandering bij de verschillende ligchaamsdeelen en

omgekeerd. Zijn nu die veranderingen bij een dier deelen merkbaar,

en worden zij door andere invloeden niet zoodanig gestoord, dat zij

onherkenbaar worden, zoo moet elke toestand van den geest overeenkomen

met zekeren toestand van zulk een ligchaamsdeel, en zelfs met dien

der kleederen welke men draagt.

In zekere mate kan dit nu het geval zijn met de hersens, doch hieruit

mag men volstrekt niet afleiden dat de hersens denken en aldus boven

alle andere organische levende stofmassa's het voorregt bezitten,

om te denken en dus ook te voelen, te ruiken, te zien enz. Bijna

even goed kan men bijv. aan eenig ingezegend voorwerp boven andere

dergelijke, maar niet ingezegende voorwerpen het voorregt toekennen

om zekere geheime kracht uit te oefenen.

Waarom buitendien aan de hersens boven de andere zenuwknoopmassa's het

vermogen om denken toe te kennen, en, zoo men dit min of meer als een

vermogen van al de zenuwknoopmassa's beschouwd, waarom kan men, zooals

bij afzetting van ledematen, van die zenuwknoopmassa's verliezen,

terwijl de denkbeelden in hun geheel behouden blijven? Waarom kan

men zelfs bij lagere dieren de hersens wegnemen en zij nogthans,

waarschijnlijk ten gevolge van bewuste denking, hunne ledematen

bewegen. Het komt ons integendeel waarschijnlijk voor, dat de

op blz. 143 gemelde eenheid van geene zintuigelijke indrukken

veroorzakende beweging aan onze ligchamen annex, wanneer de beleediging

van dit ligchaam zekere grenzen overschrijdt, hier niet meer annex

mede kan blijven, en, even als de op blz. 145 gemelde denking

(buiten de onze bestaande en onze organisatie geschikt voor de

levensomstandigheden trachtende te maken) alsware vrij komt en dan

(zie later) geene werkdadige denking kan bepalen.

Dat voorts organische stof onder den invloed dier geene zintuigelijke

indrukken te weeg brengende beweging ontstaat en tegelijkertijd uit

anorganische stoffen zamengesteld kan worden, behoeft niet meer te

verwonderen, als dat bijv. waterstof door electrische ontleding van

water en tegelijk op zuiver chemische wijze te vormen is.

Op blz. 146 hebben wij gezegd dat de geest der dieren niet slechts

quantitatief, maar tevens ook qualitatief met den onzen verschilt. Een

zoodanig verschil bestaat er echter ook tusschen den geest der

kinderen en die der volwassenen en bij den op blz. 31 gemelden

stamboom van het menschelijke geslacht moet de qualitatieve verandering

evenzeer geleidelijk als de quantitatieve plaats gegrepen hebben. Het

bestaan van gelijkslachtigheid tusschen de ziel der dieren en die der

menschen kan echter niet ontkend worden en, zoo men aan de onze eene

toekomstige steeds voortdurende gemiddelde vergrooting toeschrijft,

moet eene tragere vergrooting aan die der dieren toegekend worden.

Men verhoogt zich dan trouwens ook niet door anderen te verlagen, en

passende met een hoogeren trap van geestontwikkeling, dan de thans bij

de menschen bestaande, zal het welligt zijn, om, wanneer men van dieren

gewaagt, niet slechts te denken aan ponden vleesch en vet, of zelfs

aan een kunstig physiologisch zamenstel, maar tevens ook aan iets dat

aan den kogel van den jager en aan het mes van den slagter ontsnapt.

Het verschil in uitzigt en levenswijze van wezens, elkander als

niet meer vreemd beschouwende, wordt grooter naarmate de beschaving

stijgt, en, terwijl bij zeer lagen trap van beschaving de leden der

verschillende stammen elkander vreemd of vijandig blijven en wreedheid

en onverschilligheid jegens de dieren, gemis aan beschaving aanduidt,

zoo moeten, naarmate de beschaving stijgt, de menschen minder exclusief

en meer cosmopoliet worden.

Hetgeen op blz. 148 gezegd is, dat elk verschil in zielstoestand,

wegens de wederkeerige werking tusschen ziel en ligchaam, gepaard moet

gaan met eene ofschoon volstrekt niet er mede geëvenredigde verandering

bij het ligchaam (evenmin als de veranderingen van uit zintuigelijke

indrukken bestaande denkbeelden met er aan geëvenredigde veranderingen

bij de ligchamen die zintuigelijke indrukken opwekkende), moet niet

aldus verstaan worden, dat de ontwikkeling en eigenschappen der ziel

geheel door het ligchaam (de op blz. 143 gemelde moleculaire beweging,

de eigen denking bepalende, hier niet bij gerekend) bepaald worden. De

ziel zou zich dan tegenover de invloeden, door het ligchaam er op

uitgeoefend, geheel lijdelijk moeten gedragen, iets dat wel bij

de dieren en vooral bij de lagere meer dan bij de menschen, maar

volstrekt niet volkomen het geval is.

De waarde van een wezen wordt niet alleen bepaald door hetgeen het

is, maar tevens door hetgeen het kan worden, zoodat bijv. een wezen,

in gedaante en geestontwikkeling met een visch gelijk staande, maar

met menschelijken aanleg begiftigd, uit een geestelijk oogpunt meer

waarde dan een werkelijken visch zou bezitten.

De geestelijke aanleg, die, door grooter te zijn, de toename

in geestontwikkeling bevordert, is voorts bij elk individu niet

onveranderlijk, maar kan door inspanning van den geest (waaronder

eigenlijk alle inspanning begrepen is, omdat bijv. het gevoel van

spierinspanning tot het rijk der denking behoort) vergroot worden. Die

inspanning aldus beide de geestelijke ontwikkeling en den aanleg

vergrootende, ofschoon deze laatste minder snel, zoo moet, bij het

niet bestaan van de vergrooting dier geestontwikkeling tegengaande

oorzaken, zooals bijv. de moeijelijkheid om de bewuste aanschouwing

uit te breiden, die vergrooting versnellende geschieden.

De aanleg, waardoor onder geestinspanning de zedelijke ontwikkeling

van den mensch toeneemt, bestaat naar ons inzien in den graad van

verhevenheid van het karakter. Zoo bijv. iemand zich veel moeite geeft

om beter te handelen, vergroot hij zijne zedelijke ontwikkeling, maar

tevens verbetert hij zijn karakter, waardoor later dezelfde toename in

geestontwikkeling hem ligter zal vallen, en dus bij gelijke inspanning

als vroeger, zij grooter dan toen zal worden.

De graad van zedelijke ontwikkeling hangt veel meer van de opvoeding

en van de maatschappij af waar binnen men op deze aarde treedt,

dan van het karakter. Hedendaagsche menschen, geen verhevener

karakter bezittende dan oude Romeinen, dompelen bijv. niet als zij de

krijgsgevangenen in slavernij, verstooten niet zoo ligt als zij hunne

echtgenooten, hakken in schijnbaar wanhopende omstandigheden niet zoo

ligt als zij, door middel van zelfmoord, den gordiaansche knoop door,

in plaats van te trachten hem te ontwarren, kortom zij staan hooger

in zedelijke ontwikkeling als die oude Romeinen.

Bij de intellectuele ontwikkeling staat de aanleg vooral in verband

met de op blz. 67 gemelde door oefening verkregen en niet door middel

van de spraak uitdrukbare denkbeelden. Men zal bijv. ontwaren dat

binnen zekere grenzen, hoe langer men zich in iets geoefend heeft,

hoe gemakkelijker het valt om er zich verder in te bekwamen, zoodat de

bekwaamheid versnellende toeneemt. Vandaar de verwonderlijke hoogte

waarin menschen het brengen in zaken, waarin zij zich bijzonder

oefenen, doch hierbij werken de beperktheid der bewuste aanschouwing,

de levensomstandigheden en zeker besef van genoegzaamheid, die anders

versnellende toename der intellectuele ontwikkeling in het een of

ander tegen.

Die inspanning, waardoor de geestontwikkeling en te gelijk, maar

in mindere mate den aanleg vergroot, is echter steeds eene overmaat

van inspanning boven die noodig om die geestelijke ontwikkeling op

dezelfde hoogte te houden.

Voor zooveel de inspanning hiertoe werkt, komt het ons voor dat zij ons

aangenaam moet zijn. Trouwens zij zou bestaan bij een veranderlijken

toestand van onzen geest en hierbij moet, zooals op blz. 47 en 64

gezegd is het een geheel voor het ander geschikt zijn. Deze slechts

voor de bestendiging der verkregen geestontwikkeling gevorderde

inspanning is naar ons inzien tijdens het waken grooter dan gedurende

den slaap, bij hooge geestontwikkeling grooter dan bij kleine, aldus

bij de menschen grooter dan bij de dieren en grooter bij eene natuur

van den geest waarbij deze sterk gedreven wordt naar verhooging zijner

ontwikkeling [44].

Slechts voor zooverre de vergrooting in aanleg en geestontwikkeling

eener generatie door eigen toedoen op de ligchamen van derzelver leden

en op de opvoeding der volgende generatie van invloed is, zal deze

er partij van trekken. Dit bedrag vormt echter eene kleinere breuk

dier vergrooting, voor zooverre deze den aanleg dan voor zooverre die

vergrooting de geestelijke ontwikkeling betreft. In wetenschappelijke

ontwikkeling zijn de volken gedurende de toeneming der beschaving

het meeste toegenomen, in de kunsten veel minder, omdat hetgeen

men daaromtrent weet moeijelijker medetedeelen is dan in zaken van

wetenschap, en in aanleg voor de kunsten nog veel minder.

Op blz. 146 hebben wij gezegd, dat bij de anorganische ligchamen

er van geene deugd of geschiktheid voor het verkeeren in zekere

omstandigheden en van verhooging van organisatie sprake kan zijn. Het

is er echter verre van af dat hierbij de uitwerking der Natuurwetten

naar geen doel zou streven. Beschouwt men bijv. de anorganische

ligchamen niet afzonderlijk, maar tot hemelbollen gemasseerd, zoo

kan bij deze zeer wel sprake zijn van deugd in eigen belang, welke

bijv. zou bestaan in het vermogen om een afzonderlijk bestaan te

perpetueren, om niet steeds in snelheid af te nemen, om korsten en

gasvormige omhulsels te bezitten, om bij een en ander verscheidenheid

van aard en van temperatuur in stand te houden enz. Ook kan het zijn

dat de hemelbollen, door zamenpakking van den ether of algemeene

enkelvoudige oerstof, binnen en om hun oppervlak gelegen, er bij

chemische verbindingen te weeg brengen, de natuur van hun eigen

bestanddeelen aan dien ether geven en aldus in massa toenemen, hetgeen

met de vergrooting der geesten te vergelijken zou zijn, terwijl de

neiging dier bollen om in massa toe te nemen met den aanleg dier

geesten zou overeenkomen.

Hoe grooter afwijkingen er van de geschikste organisatie der planten en

dieren ten gevolge van zekere accidentele oorzaak bestaat, hoe sterker

de oorzaak, des geschikste organisatie trachtende voort te brengen,

de verdere vergrooting dier afwijking tegengaat en deze, wanneer die

accidentele oorzaak niet meer bestaat, tracht te vernietigen. Hiervan,

kan de algemeene reden zijn, dat, wanneer natuurwerkingen zekere

afwijking van een toestand voortbrengen, de verdere vergrooting

dier afwijking steeds bezwaarlijker voor hen wordt en andere

natuurwerkingen een teruggang sterker trachten voort te brengen. De

ongelijkheid in snelheid van naast elkander bewegende ligchamen doet

bijv. gewone snelheden door middel der wrijving in warmtebeweegkracht

overgaan, doch de ongelijke druk, bij warme ligchamen bestaande, doet

weder warmte in gewone snelheden veranderen. Hoe meer er nu van die

snelheden en hoe minder warmte er bestaat, hoe sterker die uitwerking

der wrijving en hoe zwakker die dezer ongelijkheid in drukking zal

zijn. Bij ongelijkheid van temperatuur verspreidt zich de warmte van

de warmste naar de koudste plaatsen en wordt de temperatuur overal

meer egaal, doch waar er electrische scheiding plaats heeft, wordt er

warmte ergens opgenomen en deze bij electrische verbinding in warmte,

van hooge temperatuur omgezet, zoodat aldaar de temperatuur veel hooger

dan elders wordt en aldus de ongelijkheid er van op de verschillende

plaatsen hersteld wordt [45]. Was de aarde van binnen vast, zoo zou

het rivier- en beekwater de grondspecie naar zee voeren, de golving

der zee deze stoffen op derzelver bodem egaliseren en eindelijk de

aardkorst volmaakt vlak en overal met eene even diepe zee overdekt

raken. De aarde is echter van binnen met (zie hierboven) in beweging

gehouden gesmolten lava gevuld en daar deze specifiek wat ligter dan de

aardkorst is, zoo zal, waar die lava deze korst van onderen afschuurt,

deze dunner en aldus, ter bewaring van het hydrostatische evenwigt,

opgeligt worden. Elders het tegenovergestelde plaats hebbende, zoo

zullen hierdoor de ongelijkheden van den bodem hersteld worden [46].

Ook op maatschappelijk gebied ontbreken niet die dit grooter worden

der accidentele afwijkingen en, naarmate die afwijkingen zulks zijn,

sterker, tegengaande werkingen. Wordt er bijv. wegens het bestaan

eener accidentele oorzaak, minder goed en meer kwaad gedaan, zoo

lijdt de maatschappij hieronder en tracht zij dit te keer te gaan

door meer moeite ter zedelijke verbetering der menschen aan te wenden,

benevens door de belooningen en straffen te vergrooten [47].

Zoo de hemelbollen, door de werking der wrijving der vloeistoffen

dier bollen tegen die van andere bollen waartegen zij botsen (want,

voordat zulk eene botsing mogelijk wordt, zullen, wegens derzelver

onderlinge aantrekking, hemelbollen zoo sterk uitgezet en dus kouder

worden en zooveel warmte uit den omringenden ether opnemen en binden

dat derzelver bestanddeelen tot den gasvorm overgaan) veel kleinere

banen verkrijgen, zal eene andere werking die banen sterker trachten

te vergrooten [48].

Stel bijv. dat eene groep betrekkelijk kleine hemelbollen langs

eene elliptischen baan om een anderen bol, in het eene brandpunt van

die ellips gelegen, beweegt, zoo zullen de kleine bollen der groep

buitendien gedurig naar elkander toe, digt achter elkander heen en,

wegens de werking der traagheid, weder van elkander afgaan; zij zullen

aldus gemiddeld grootere resulterende snelheden bezitten, dan zoo

zij slechts een enkelen bol vormden, waar echter hunne resulterende

elliptische baan krom is, zooals bijv. digt bij het perihelium, zullen

zij, wegens het bezit dier bijzondere snelheden meest grootere banen

erlangen welke echter voor elk dier kleine bollen niet dezelfde als

van de andere zal zijn. Verder gekomen zal echter derzelver onderlinge

aantrekking hen weder naar elkander toe doen gaan, doch daar zij meest

eene grootere baan verkregen hebben, de resulterende baan, waar langs

nu die groep van kleine bollen beweegt, grooter dan vroeger geworden

zijn. Dit nu zal insgelijks het geval zijn, zoo die groep vervangen

wordt door een enkelen vloeibaren bol waarbinnen er stroomen bestaan,

zoodat de vloeistofmassa's van dien bol, behalve derzelver snelheid

langs eene elliptische baan nog bijzondere snelheden bezitten.

Het uiteenloopen der zooeven gemelde grooter geworden banen zal zulk

een vloeibaren bol sterk uitzetten en vervormen, doch de onderlinge

aantrekking dier massas (nu in tegenstelling van bij het voorgaande

geval door de drukking dier massas tegen elkander wederstaan) die

vervorming, wanneer die bol voorbij het perihelium gekomen is, met

behulp der wrijving van lieverlede te loor doen gaan, zonder evenwel de

baanvergrooting van het zwaartepunt van den bol te kunnen vernietigen.

Stelt men nu dat wanneer die bollen grooter zijn, bij het bestaan van

grootere onzuivere en zeer sterk elliptische banen om elkander, de baan

vergrootende en verkleinende werkingen tegen elkander opwegen, zoo zal,

wanneer van eene groep hemelbollen de leden grooter worden door, zooals

op blz. 154 gezegd is, ether tot hunne zelfstandigheid te vervormen, de

banen, welke zij om elkander beschrijven, ook grooter worden en aldus

de groep in omvang toenemen en de gemiddelde positie dier bollen, bij

derzelver aphelium gelegen, verder van het middelpunt der groep komen.

Zelfs zou zoo iets plaats hebben, wanneer die bollen langs eene schil

verspreid waren daar, ten gevolge van derzelver onderlinge aantrekking,

terwijl sommige dier bollen ver van anderen gelegen, zeer nabij stil

zullen staan, andere digter bij elkander gekomen, zekere snelheden en

ook ontbondene snelheden rakende aan het oppervlak dier schil zullen

bezitten. Elke bol zal nu binnen betrekkelijk korte tijden zulke

ontbondene snelheden bezitten, zoodat, zoo de aantrekkingskracht

plotseling verdween, de bollen dier schil gemiddeld buitenwaarts

zouden bewegen en zich verspreiden. Daarentegen zal de resulterende

aantrekking van al de overige bollen, langs het oppervlak dier schil

verspreid, de tegen gestelde uitwerking doen. Bij vergrooting dier

bollen moet dan alsware de schaal van het geheel grooter worden en

aldus slechts bij een grooteren diameter dier schil die centrifugale

werking aan die resulterende aantrekking gelijk zijn. Zulke bollen

zullen niet met elkander kunnen zamensmelten, wegens de tegengestelde

snelheden welke zij bezitten, wanneer zij tegen elkander botsen, en,

bij het aphelium gelegen, dan onder de overheerschende aantrekking

van deszelfs eenen en dan onder die van deszelfs anderen buur komen

en alzoo dan naar den een en dan naar den ander gaan, er achter om

heen trekken en, door de werking der traagheid, vertragende ongeveer

naar derzelver vorige plaatsen terugkeeren.

Ontstaan er nu bij het midden van bovengemelde groepen nieuwe

bollen, door zamenpakking van den omringenden ether van af eene

kleinst eindige massa zich verder vergrootende, en gaan de andere

bollen dier groep door zamenpakking en omzetting van den omringenden

ether in hunne zelfstandigheid voort met in massa toe te nemen, zoo

zal zulk eene groep steeds meer omvang verkrijgen en de buitenste

bollen er van de oudste, grootste en gemiddeld snelst bewegende

zijn. Waren al die bollen regelmatig gegroepeerd en in rust, zoo

zou zulk eene groep door de werking der aantrekkingskracht kleiner

worden, maar de elkander naderende bollen in snelheid toenemen,

digt achter elkander, en nadien door de werking der traagheid weder

buitenwaarts gaan; de groep weder grooter worden, terwijl deze

bollen in snelheid afnemen en zij weder voor een oogenblik in den

primitieven toestand komen. Bij onregelmatige groepering bestaan in

zeker opzigt al de toestanden, zooals zooeven gezegd is achtervolgens

bij de regelmatige groepering plaats hebbende, tegelijk. Hier komen

er bollen ver van elkander en circa in rust, elders zijn zij digt tot

elkander genaderd en bezitten zij groote snelheden dan in deze en dan

in ongeveer tegengestelde rigting, zoodat het oppervlak der groep wel

hier zich naar buiten en elders zich wat naar binnen kan verplaatsen,

maar onmogelijk in grootte sterk kan varieren. De vergrooting der

snelheden der in massa toegenomen bollen, zal hierbij ontstaan door

de vergrooting der aantrekkende massa's, die van derzelver banen,

zie blz. 157, door vermindering der snelheden waarmede de vloeibare

massas van elk dier bollen zich betrekkelijk derzelver zwaartepunten

verplaatsen en die laatste snelheden, zie blz. 155, door ongelijke

drukking binnen die vloeibare massas onder omzetting in snelheden van

warmte ontstaan door omzetting van ether in de zelfstandigheid dier

bollen, daar dit onder scheikundige verbinding plaats heeft. Bij die

vergrootende hemelbollen kan er nu een strijd bestaan tusschen twee

tegengestelde werkingen, namelijk die der warmte van den er binnen

en buiten tegen gecomprimeerden onomgezetten ether, uitzetting dier

bollen en onder warmteopneming chemische ontleding van derzelver

bestanddeelen trachtende te veroorzaken en die der zamenpersende

werking der zwaartekracht en welligt ook der beroering der hemelbollen

bestanddeelen deze onder warmteafgeving chemisch zamengestelder

pogende te doen worden. Heeft nu laatst gemelde werking eerst de

overhand boven die der warmte en moet zij nadien hiervoor onderdoen,

zoo zullen de bollen eerst in digtheid toenemen en qualitatief meer

van den ether gaan verschillen en nadien, wanneer zij tot op zekere

distantie van het middelpunt der groep gekomen zijn, het omgekeerde

gaan plaats hebben en dit steeds aanhouden, terwijl zij, meer en meer

in massa toenemende, verder van dit middelpunt komen. Die toeneming in

massa dier bollen, door omzetting van den ether er binnen en er omheen,

zal wel op het sterkste zijn, wanneer derzelver bestanddeelen op het

meeste met die van den ether verschillen en derzelver digtheid op een

maximum is; doch later, wanneer zij meer etherachtig geworden zijn,

niet geheel verdwijnen. Er bestaat aldus geen eindigen grens voor

de vergrooting dier bollen, doch zij kunnen geene oneindige grootte

bereiken en tevens in natuur hoe weinig ook met den ether verschillen

en hiermede niet geheel eenzelvig zijn. Binnen die eene grootere dan

elke eindige ruimte beslaande sterrengroep, zal er nu eene bolvormige

schil bestaan, waar binnen van de middelpuntszijde er gedurig bollen

intreden, aan de andere zijde er bollen uitgaan en waarbinnen de

bollen eene grootere digtheid en chemische zamengesteldheid dan

ter wederzijde er van bezitten. Alsdan moeten naar ons inzien de

electrieke verbindingen gestolde, gecondenseerde of gasvormige

stoffen bij die bollen op zulk eene hooge temperatuur brengen, dat

zij voor ons waarneembaar licht uitstralen, want toch wanneer die

hemelbollen zeer etherachtig zijn moeten zij in temperatuur weinig

boven de gemiddelde van den ether verheven zijn en kunnen zij aldus

dan kwalijk als vurige nevels voor ons zigtbaar zijn.

Slechts de sterren binnen die schil gelegen en dan nog slechts een

deel er van, omdat vele geen voor ons waarneembaar licht uitstralen,

of door andere voor ons donkere bollen gemasqueerd zijn, moeten

zich voor ons als zonnen vertoonen. Al de sterren in dit geval

zijnde moeten, zoo deze hypothese juist is, wegens de kromte van

bovengemelde schil, alsmede omdat men slechts het licht der sterren

binnen een segment dier schil kan zien, ons op geen grooten cirkel

omspannenden en aldus den hemel in twee wat in grootte verschillende

deelen splitsenden onregelmatigen ring (den Melkweg) op het digtste

gegroepeerd voorkomen. De bewoners van elk dier bollen binnen die schil

gelegen, zullen aldus hun eigen melkweg aanschouwen, even als iemand,

op eenige plaats staande, zijn eigen horizon bezit, en, evenmin als

voor menschen, op verschillende plaatsen staande, langs den horizon

dezelfde voorwerpen zich verheffen, evenmin de melkwegen der bewoners

der verschillende bollen dier schil dezelfde zonnen bevatten. Met

den blik naar het middelpunt van het kleinste cirkelvlak, door hun

Melkweg gevormd, gerigt, zullen echter allen naar het middelpunt van

de sterrenwereld zien, en voor ons dit middelpunt in de rigting van

het sterrenbeeld, het Hoofdhaar van Berenice zijn.

Evenmin als de hemelbollen, wegens de tegengestelde snelheden, welke

zij, tegen elkander botsende, bezitten, die (bij het alsdan zijn

dampvormig van minstens den kleinsten dier beide bollen) wegens het

bestaan van veerkracht niet zullen verdwijnen, kunnen zamensmelten,

evenmin kunnen zij zich naar ons inzien in verschillende hemelbollen

splitsen [49].

Het planetenstelsel is naar ons inzien het gevolg eener accidentele

wenteling der zon om derzelver as, en deszelfs toevallig bestaan

heeft naar ons inzien den volgenden oorsprong gehad. Zoo eene

groep van hemelbollen (bijv. ontstaan, door dat bij die bollen de

baanverkleinende werking de baanvergrootende werking tijdelijk

heeft overtroffen) door een er buiten gelegen hemelbol a wordt

aangetrokken en dat in die groep zich een hemelbol b bevindt zooals

zon, veel grooter zijnde dan de andere bollen c van die groep, later

de planeten, zoo zal de bol b bij a gekomen, (even als de kometen bij

derzelver perihelium) gasvormig en uiterst sterk uitgezet zijn. Botsen

nu die beide bollen a en b scheef tegen elkander, zoo zullen zij

aswentelingen verkrijgen, in stand blijvende, nadat zij zich weder

van elkander verwijderd hebben. De bollen c zullen dan betrekkelijk

den bol b zeer komeetachtige banen bezitten, en tegen b botsende door

de aswenteling van dien bol snelheden ongeveer loodregt op die banen

kunnen erlangen. Tegelijk door de werking der wrijving in lengte

afnemende, zullen die banen, door de impulsie der aswenteling van b

aan de bollen c gegeven, breeder worden, en krimpt nu die bol b in,

doordat hij zich van den bol a verwijdert, nadat de bollen c er aldus

herhaaldelijk tegen gebotst zijn, zoo kan eene anders onvermijdelijk

nieuwe botsing der bollen b en c vermeden worden. Wel is waar zal,

wanneer de aswentelingssnelheid bij den evenaar van den bol b kleiner

is dan de snelheden der bollen c bij hun perihelium digt bij het

oppervlak van den uitgezetten bol b, de banen dezer nog vrij sterk

uitmiddelpuntig moeten zijn, doch die uitmiddelpuntigheid, terwijl

die banen en tegelijk de bol b kleiner worden, kunnen verminderen.

Hoe sneller de hemelbol b, waartegen die botsingen van c geschieden,

om deszelfs as wentelt, hoe geringer de uitmiddelpuntigheid dier banen

van c zal worden en zij is nu bij de binnenkometen kleiner dan bij de

buitenkometen, bij de coplaneten weder kleiner dan bij eerstgemelden

kometen, en bij de planeten Venus en Neptunus weder merkelijk kleiner

dan bij de coplaneten. De kometen en planeten voor geheel verschillende

hemelligchamen te houden, komt ons even ongegrond voor als het stellen

dat de inwoners van twee steden op verschillende wijzen gekleed gaan,

zoo men de eene stad slechts over dag en de tweede slechts des nachts

bezoekt. Wij zien toch de kometen slechts wanneer zij betrekkelijk

digt bij de zon gekomen, zoo als op bl. 155 gezegd is, uitgerekt,

misvormd en tot den dampvorm overgegaan zijn. Het bewegen der meeste

kometen in dezelfde rigting als die waarin de zon om derzelver as

wentelt, maakt buitendien waarschijnlijk dat vele er van, even als

de planeten, tegen het wentelende zonsoppervlak gebotst hebben.

Op blz. 158 hebben wij gezegd dat, naarmate hemelbollen grooter zijn,

bij grootere banen de deze verkleinende en vergrootende werkingen aan

elkander gelijk zijn. Van daar welligt, dat de grootste planeten

gemiddeld het verste van de zon gelegen zijn. Bij groepen van

betrekkelijk kleine bollen, om eene ster zooals de zon primitief een

sterk uitmiddelpuntige baan beschrijvende en later, wanneer die baan

meer cirkelvormig en kleiner geworden is, langs de gansche lengte

derzelve verspreid rakende, moet bij deze stelling de totale massa

der bollen dier groep in rekening gebragt worden.

De coplaneten, de ligchamen van het zodiakaallicht en de ringen van

Saturnus hebben welligt primitief zulke groepen van betrekkelijk kleine

bollen gevormd. Wanneer bij zulke langs eene weinig uitmiddelpuntige

baan verspreide bollen van zulk eene zich dan niet meer bij het

aphelium weder vormende groep, een derzelver de andere in massa ver

overtreft en eene snelle aswenteling bezit, moeten de kleinere bollen

dier voormalige groep er tegen botsende evenzoo weinig uitmiddelpuntige

banen er om verkrijgen als op blz. 161 voor de planeten aangegeven

is. Van daar den oorsprong der satelliten.

Waarschijnlijk zijn echter, tijdens de vorming van het

planeten-stelsel, de baanverkortende werkingen slechts wegens

accidentele omstandigheden grooter dan de baanverlengende geweest,

zoodat nu die oorzaak met meer bestaande, evenmin als eene oorzaak van

instandhouding der aswenteling der zon en planeten, bij deze laatste,

alsmede bij de manen de baanverlengende werkingen de overhand boven

de tegenovergestelde kunnen bezitten en in de uiterst verre toekomst

het gansche planeten-stelsel uit elkander rukken, zoodat derzelver,

alsdan uiterst lange komeetachtige banen verkrijgende leden niet meer,

of althans niet meer uitsluitend om de zon zullen wentelen, maar elk

hunner op zich zelf zal staan.

Eene afscheiding van ringvormige massa's langs den evenaar der om

derzelver as wentelende zon, komt ons onmogelijk voor, daar bij dien

evenaar de snelheid van omwenteling nimmer zoo groot kan geweest

zijn, dat de zonsaantrekking niet in sterke mate de overhand boven de

centrifugale kracht bezat. Wanneer men eene zeer vervormbare massa

met zekere snelheid duwt over een wrijvend vlak, zullen derzelver

hier langs verschuivende deelen eene kleinere snelheid verkrijgen,

dan die hooger boven dit vlak bewegende, doch, wegens de gemakkelijke

vervormbaarheid dier massa, deze, door de ongelijke verplaatsing van

derzelver deelen, sterk uitgerekt worden en niet gaan kantelen. Dit

laatste zal daarentegen wel geschieden, zoo die massa door zekere

inwendige, kracht bolvormig poogt te blijven en aldus die uitrekking

er van tegengegaan wordt. Bij de op blz. 161 gemelde scheve botsing

der sterk uitgezette en geheel dampvormig geworden zon, bestaat nu

zoodanig een geval, daar de eigen aantrekking der zon die onbepaalde

vervorming hiervan bij derzelver oppervlak tegengaat. De roterende,

beweging der zon b, tengevolge van derzelver scheve botsing tegen

een ander hemelligchaam a, is aldus slechts mogelijk, wanneer de

aantrekking der zon bij het oppervlak hiervan meester blijft. Wel is

waar zal de dampvormige zon, zich verwijderende van den hemelbol a,

weder kleiner worden, en hierdoor de kromming en dientengevolge ook

de centrifugale kracht bij derzelver evenaar toenemen, doch men houde

in het oog dat dit verkleinen en krommer worden van den zonsevenaar

door de er bij bestaande centrifugale kracht tegengewerkt wordt en,

wanneer die kracht zeer nabij gelijk wordt aan de zonsaantrekking,

bijna geheel verhindert wordt, zoodat alsdan de verkleining van

het zonneligchaam onder warmte afgeving meer door toeneming der

afplatting zal geschieden. Buitendien zal de aswenteling der zon

stroomen binnen de gasvormige massa dier zon doen ontstaan, en de

hierbij onstaande wrijving die aswenteling zoodanig verkleinen, dat

de centrifugale kracht, tijdens het krommer worden van dien evenaar,

hierbij wel niet belangrijk zal toenemen. [50]

Naar ons inzien bezit de ether zekere aantrekkingstrillingen, welke om

lichamen, grooter specifiek dan dien ether bezittende, zonder dat de er

bij bestaande, beweegkracht verandert, zulk eene wijziging ondergaan,

dat zij op concentrieke boloppervlakken aantrekkingen naar die

ligchamen voortbrengen. Gaat er nu hier naar toe eenig ander ligchaam,

zoo kan het zijn dat dit op zijn weg die aantrekkingstrillingen in

gewone snelheden bij deszelfs massa omzet, en wel in sterkere mate,

naar gelang het digter bij het aantrekkende ligchaam komt. Volgens deze

hypothese zou de beweegkracht of levendige kracht steeds eene snelheid,

of liever het quadraat hiervan zijn, zoodat, wanneer men zegt snelheden

gaan verloren door overwinning van afstooting over zekeren weg, zij

werkelijk in andere niet direct waarneembare snelheden omgezet worden.

Elk der atomen van een homogeen ligchaam (bij hetzelfde ligchaam

niet dezelfde behoevende te blijven en die men, wanneer men ze

oneindig digt bij elkander stelt te zijn, oneindig klein moet

veronderstellen), draagt bij tot vorming van al deszelfs eigenschappen

bij de veropenbaring van deszelfs zelfstandigheid door beweging, en in

overeenkomst hiermede moet bij de veropenbaring der zelfstandigheid

door denking, die van elken atoom tot elk denkbeeld van een geest

bijdragen, en dus een deel der denking van elk dier atomen tot het

eene denkbeeld, een ander deel tot eenig ander denkbeeld enz. De

eigenschappen der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging

zijn in vele opzigten met die der veropenbaring dier zelfstandigheid

door denking te vergelijken, zoo men de hemelbollen met de eindige

geesten en de eene oneindigmaal grootere massa dan al die bollen te

zamen bezittende ether met het oerwezen vergelijkt. Op blz. 145 hebben

bijv. gezegd, dat de denkbeelden van den oergeest invloed uitoefenen

en geinfluenceerd worden door de denkbeelden der afgescheidene

geesten en bij den ether heeft, met betrekking tot de hemelbollen,

iets dergelijks plaats. Het digt bijeen liggen dier bollen kan men

bijv. vergelijken met het met elkander in contact zijn van geesten

(iets dat in het algemeen niet het digtbij elkander zijn der er

aan annex zijnde levende ligchamen vordert), derzelver onderlinge

aantrekking wordt bij de geesten vervangen door de neiging dezer

om met elkander in contact te komen, derzelver snelheid en in het

algemeen de er bij bestaande beweegkracht met de werkdadige denking

van geesten en, terwijl bij de bollen die snelheden op het grootste

zijn, wanneer zij elkander op het meeste genaderd zijn, zoo is de

werkdadigheid van geesten op het grootste, wanneer zij met andere

geesten op het sterkste in contact zijn.

Even als twee hemelbollen van ongelijke massa evenveel beweegkracht

kunnen bezitten, zoo kunnen geesten van ongelijke grootte, of anders

gezegd in het bezit van een ongelijk aantal denkbeelden (de sterkte en

diepte dezer hierbij in acht nemende) in even sterke mate werkdadig

zijn, en bij die geesten wordt die werkdadigheid grooter of kleiner,

naar mate zij met grootere of kleinere geesten in contact zijn,

even als de hemelbollen trager of sneller bewegen, naarmate zij door

kleinere of grootere andere bollen aangetrokken worden.

De overheerschende werking door grootere geesten over kleinere,

waarmede zij in contact zijn, uitgeoefend, kan vergeleken worden met

die van groote bollen op de banen van kleinere en het verstrooid

liggen dezer laatste met het gemis van collectieve werking bij

overheerscht wordende wezens. Die hemelbollen oefenen (zie blz. 165)

door tusschenkomst van den ether invloed op elkander uit, de geesten,

volgens het op blz. 145 gemelde, door tusschenkomst der denkbeelden

van den oergeest en, even als gene, wanneer zij elkander naderen

(zie blz. 165 door omzetting van ethertrillingen in snelheden bij

hunne massa's) beweegkracht uit den ether opnemen, zoo kan men stellen

dat de geesten, bij het sterker in contact komen met andere geesten,

om hunne latente denkbeelden werkdadig te maken, denkkracht van den

oergeest ontleenen.

De door de nadering der bollen ontstane snelheden heeft tot gevolg

dat zij zich weder van elkander verwijderen, en die verwijdering dat

derzelver snelheden kleiner worden. Bij de geesten moet evenzeer (zie

blz. 87) het voortgebragte uitputtende werken op het voortbrengende,

en aldus de werkdadigheid van geesten derzelver contact (waarvan de

wijzigingen met de veranderingen in rigting der snelheden der bollen

vergelijkbaar zijn) verzwakken en die laatste verzwakking wederom

leiden om die werkdadigheid te verminderen.

Op blz. 73 en 84 hebben wij dan ook aangegeven, hoe de werkdadigheid

der geesten de er annex aan zijnde ligchamen, met wier behulp zij

in contact met andere geesten zijn, vernield en op blz. 73 en 78 hoe

die vernieling de werkdadigheid dier geesten vermindert.

Een eindelijk volslagen gemis hiervan bij den dood dient echter

krachtens bovengemelde wet te leiden tot de vergrooting van het

contact met andere wezens en alzoo tot het ontstaan van de hiervoor

gevorderde hulpmiddelen. De denking, behoorende bij de levende

organische wereld van hemelbollen, zou men tot deze kunnen stellen in

dezelfde verhouding te staan, als de ligchamen bij die denking annex,

(en zie blz. 143 wel te onderscheiden van de moleculaire beweging deze

bepalende) tot die denking zelve. Gedurig verwisselen die ligchamen

van deelen, en evenzoo kunnen die organische werelden van denkende

wezens verwisselen, terwijl, even als die ligchamen ontstaan, groeijen

en vergaan, en dit laatste, zooals op blz. 73 gezegd is, een gevolg

is der sterke werkdadigheid van de er aan annex zijnde geesten,

die organische werelden kunnen ontstaan, bloeijen en, tengevolge

van aanraking der bollen waarop zij aanwezig zijn met andere, (het

op blz. 161 gemelde tengevolge hebbende) weder vergaan. Op blz. 7

hebben wij wel is waar gezegd dat organische naturen zich geschikt

maken voor de omstandigheden door elken hemelbol opgeleverd en aldus

van allerlei aard kunnen zijn, doch, wanneer die omstandigheden snel

veranderen, zal, wegens de op blz. 68 gemelde werking der traagheid,

er zulk eene ongeschiktheid bij zulke naturen kunnen ontstaan, dat zij

er onder te niet moeten gaan. Die vernietigende oorzaak, bestaande in

het zeer sterk uitgezet en gasvormig zijn van zulke betrekkelijk zeer

digt bij elkander gekomen hemelbollen, op het grootste kort nadat zij

op het snelste bewegen, zal (zie blz. 167) vroeger moeten invallen

dan het gevolg er van, namelijk het vernietigd zijn der organische

naturen, en evenzoo volgt de dood van het ligchaam eenigen tijd na

dat de werkdadigheid van den geest een maximum bereikt heeft.

Op blz. 159 hebben wij gezegd, dat de hemelbollen, onder vergrooting

van derzelver massas, door vervorming tot derzelver bestanddeelen

van den omringenden ether (iets dat misschien door het bezit van

snelheden door die bollen bevorderd wordt) eerst tot zekeren grens

minder etherachtig worden en in massa versnellende toenemen, en,

nadat zij dien grens bereikt hebben, weder meer etherachtig worden en

vertragende in massa toenemen, zonder echter weder volmaakt etherachtig

te zijn, voor dat derzelver massa oneindig groot geworden en hunne

zijde gekeerd naar het op blz. 161 gemelde middelpunt van het Heelal,

oneindig ver hiervan afgelegen is. Hoe minder etherachtig die bollen

zijn, hoe grooter betrekkelijk hunne massas hunne snelheden gemiddeld

zullen zijn, doch tevens hoe minder latente warmte beweegkracht die

massas zullen bevatten.

Zou men nu bij de in geestontwikkeling, of anders gezegd in grootte

toenemende geesten ook niet kunnen stellen, dat hunne denkvormen eerst

tot zekeren grens van die van den oergeest gaan verschillen en die

toeneming alsdan versnellende is, terwijl later het tegenovergestelde

plaats heeft. Die toeneming zou aldus voorgesteld kunnen worden door

het onbepaald hoog oploopen van eene ojiefvormige kromme lijn, wier

buigpunt oneindig ver van het punt waar die kromme de abcissen as

raakt, maar op zekere distantie boven die as gelegen is. [51]

Bij dien grens, waarbij zij qualitatief het meeste van den oergeest

verschillen, zullen die geesten het veranderlijkste en aldus zie

blz. 64 het betrekkelijk onvolmaaktste zijn, hunne invidualiteit

(wel van zelfbewustheid te onderscheiden) op een maximum zijn, en zij

betrekkelijk hunne grootte op het meeste op eene wijze, vergelijkbaar

met het bezit van snelheden, doch daarentegen op het minste op eene

wijze, vergelijkbaar met het bezit van warmtebeweegkracht, werkdadig

zijn. Het bezit dier laatste soort van werkdadigheid, achten wij te

zijn de mogelijkheid om denkbeelden, door aanschouwing verkregen,

voor den geest te houden, en het bezit der eerste om, zooals bij ons

menschen, denkbeelden onder inspanning en met verstandswerking voor

den geest te houden, en aldus te oordeelen, te zoeken, te kiezen enz.

Van de oneindige massa van den ether is slechts een deel, gelijk

aan de grootst eindige grootheid en betrekkelijk volstrekt nietig,

onder den invloed der uit van den ether onderscheiden stof gevormde,

hemelbollen. Slechts bij dit laatste deel van den ether, oneindig

maal overtroffen wordende door deszelfs gansche massa, verkeert

aldus die oerstof in geen onveranderlijken toestand en is aldus

de veropenbaring der zelfstandigheid door beweging niet steeds

onveranderlijk dezelfde. Des te minder zal dit het geval zijn bij de

massas van gemeld deel van den ether, naarmate zij digter liggen bij

hemelbollen en vooral bij die minder etherachtig van aard zijnde. In

overeenstemming hiermede moet het oneindig aantal denkbeelden van den

oergeest op een grootst eindig en aldus betrekkelijk volstrekt nietig

deel na onveranderlijk dezelfde en zie blz. 64 derhalve volmaakt zijn,

terwijl van dit uiterst groote, maar nog eindig aantal veranderlijke

denkbeelden deze het sterkste veranderlijk moeten zijn, welke het

meeste met de denkbeelden der afgescheiden geesten (en voornamelijk

met die qualitatief het meeste met den oergeest verschillende) in

contact zijn.

Op blz. 143 hebben wij daarvan reeds gewag gemaakt en tevens gemeld

dat de beweging der zelfstandigheid de denking moet bepalen en

omgekeerd. Slechts bij de hemelbollen en, zooals hierboven gezegd is,

bij een grootst eindig deel van den ether bestaan er nu veranderlijke

bewegingen (ofschoon te zamen met onveranderlijke) en daar slechts

zij veranderlijke denking kunnen bepalen en hierdoor bepaald worden,

zoo volgt ook hieruit, dat slechts een grootst eindig maar betrekkelijk

volstrekt nietig deel der denkbeelden van den oergeest veranderlijk en

aan den op blz. 64 gemelden invloed der traagheid onderworpen kan zijn.

Men dient hierbij wel te onderscheiden de wederkeerige bepaling der

beweging en denking der zelfstandigheid van de overeenkomst tusschen

hetgeen op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door

beweging en door denking bestaat. Een zich als iets onderscheiden

veropenbarende op dit laatste gebied, is vergelijkbaar met een evenzoo

onderscheiden iets op het andere gebied, maar wordt niet door zulk een

onderscheiden iets hierop bepaald. De denking van eenig wezen wordt

bijv. niet door iets onderscheiden op het gebied der veropenbaring

door beweging bepaald, maar kan vergeleken worden met de bewegingen

(de moleculaire ingesloten) van een hemelbol, terwijl omgekeerd de

bewegingen hiervan niet door een onderscheiden iets op het gebied

der denking bepaald worden. Zoo hebben wij bijv. het oerwezen met den

ether vergeleken, terwijl ook bewegingen bij de massas der hemelbollen

bijdragen om de veranderlijke denkbeelden van den oergeest te bepalen,

en daarentegen veranderlijke bewegingen bij den ether voor een deel

de denking der afgescheiden geesten kunnen bepalen.

De enkelvoudige etheratomen zullen misschien oneindig klein zijn,

oneindig digt bij elkander zijn gelegen, en in een oneindig kleine

tijden trillingen maken, voor zooverre deze niet ontstaan door den

invloed van hetgeen op de hemelbollen plaats heeft, zooals bijv. wel

het geval is bij de ethertrillingen der stralende warmte. Zulke

binnen een oneindig kleinen tijd zich herhalende bewegingen kunnen

nu in zekeren zin als een onveranderlijke bewegingstoestand beschouwd

worden en onveranderlijke denkbeelden bepalen. Elk der moleculen der

ligchamen, een oneindig aantal etherdeelen bevattende, zal voorts op

een eindige distantie van andere moleculen gelegen zijn.

De op blz. 159 gemelde bollen, zullen, naarmate zij trager gemiddeld

naar buiten dringen, in grooter aantal op concentrieke boloppervlakken,

het middelpunt, van blz. 161 tot middelpunt bezittende, gelegen zijn,

en bij al die boloppervlakken de naar buiten dringende massa gemiddeld

even groot moetende zijn, zoo zullen aldus de uiterst groote bijna

etherachtige bollen met zeer kleine gemiddeld buitenwaarts gerigte

snelheden kunnen volstaan. Voorts zal de ether, ter vergrooting

der massa dier bollen strekkende, naar binnen stroomen en met de

landwaarts zich verplaatsende dampen te vergelijken zijn, zoo men die

zich vergrootende bollen met de rivieren, en de ether met den Oceaan

en het dampkringswater vergelijkt.

Elk verschijnsel ondervindt den invloed van eene reeks van verledene

en oefent invloed uit op eene reeks van toekomstige verschijnsels,

doch doet zulks minder, naarmate deze verschijnsels verder in het

verleden en in de toekomst gelegen zijn. Zoo nu een bestanddeel van een

zamengesteld verschijnsel in het heden min of meer verflaauwd bevat is

in zamengestelde verledene of toekomstige verschijnsels, kan men zeggen

dat wat van het verleden nog en wat van de toekomst reeds in het heden

bevat is, en dit zal in sterkere mate het geval zijn, naarmate zulke

bestanddeelen van verschijnselen in het heden minder veranderlijk en

tevens meer algemeen zijn. Zoo bijv. een volk eene ingewortelde liefde

voor een vorstenhuis bezit, moet die liefde, ofschoon in flaauwere

mate, zoo zij door de daden dier vorsten later niet opgewekt wordt,

in de toekomst nog bestaan en alsdan op den toestand van dit volk,

waaraan inmiddels eene andere dynastie opgedrongen kan zijn, van

invloed zijn. Van de toekomstige omstandigheden van dit volk is aldus

reeds een deel in het heden bevat. De aard van zulk een volk, een

minder veranderlijk en meer algemeen verschijnsel als de populariteit

van eene dynastie, zal aldus in de toekomst minder verzwakken dan die

populariteit en veel langer dan deze van noemenswaardigen invloed zijn

op de lotgevallen van zulk een volk. Als zulk een verschijnsel kan ook

beschouwd worden de gunstige ligging eener stad voor den zeehandel,

waardoor die stad, terwijl de beschaving toeneemt, zulks in rijkdom

en uitgestrektheid moet doen. De verheffing van zulk eene stad in de

toekomst, zoo accidentele oorzaken dit niet tegengaan en in dit geval

zekeren wederstand aan accidentele oorzaken van verval, is aldus een

feit reeds in het heden begrepen, doch, evenmin als het karakter eener

natie, is de gunstige ligging eener stad voor den zeehandel iets dat

door eene volstrekt constante oorzaak steeds in stand gehouden wordt.

Die van Amsterdam is bijv., door het ondieper worden der Zuiderzee en

het vergrooten van het charter der schepen, na gedurende de opkomst

der zeevaart tijdens de middeleeuwen in waarde gestegen te zijn,

na de zestiende eeuw van lieverlede vermindert, en evenzoo zal

het toenemende verkeer tusschen de volken de eigenaardigheden van

den Nederlandschen volksaard van lieverlede uitwisschen. Kenden

wij uitmuntend den aard onzer ziel, zoo zouden wij welligt door

aanschouwing er bij gewaar worden eene constante oorzaak, haar in

ontwikkeling trachtende te doen toenemen. Die oorzaak zou aldus een

verschijnsel zijn van een onveranderlijk en algemeen karakter, en

het gemiddeld minder ontwikkeld zijn eener ziel, naarmate men hoever

ook in derzelver verleden teruggaat en het gemiddeld meer ontwikkeld

zijn er van, aan hoe verder afgelegen toekomstige tijden men denkt,

iets zijn in den huidigen toestand dier ziel bevat.

Het is aldus klaar dat, naarmate verschijnsels in het heden, door

meer onveranderlijk en algemeen te zijn, de verledene en toekomstige

toestanden meer bepalen, zij absoluut belangrijker worden en eene

ruimere plaats in de denking van eenig wezen zouden innemen, zoo diens

inzigt in den tijd niet beperkt ware. Bij den oergeest dit laatste het

geval niet zijnde, zoo moet bij dit wezen het denken aan de volstrekt

algemeene en onveranderlijke verschijnsels oneindig maal sterker

zijn, dan dat over de veranderlijke en niet volstrekt algemeene,

welke slechts bij en door den invloed van eindige wezens en eindige

hemelbollen ontstaan. Het denken betreft steeds min of meer direct

de veropenbaring der zelfstandigheid door beweging, doch, naarmate

de geestontwikkeling grooter is, is de kennis dier veropenbaring der

zelfstandigheid door beweging rijker en van meer beteekenis en wordt

zij algemeener en dieper opgevat (zooals bijv. bij sterker onderzoek

der oorzaken der verschijnselen en der werking der Natuurwetten). In

den allerhoogsten graad behoort men zoo iets te veronderstellen bij de

denking van het oerwezen, doch men hierbij geene kennis ontstaan door

het afleiden van het onbekende uit het bekende door oordeelen en raden,

maar slechts eene, door directe aanschouwing van het tegenwoordige

verkregen, moeten veronderstellen. De ether niet onder den invloed der

er van onderscheiden hemelbollen zijnde, maar waarmede deze, na het

bereiken eener oneindige grootte zamensmelten, vormt eene oneindige

massa en deszelfs bewegingen moeten aldus bepalen de oneindige en

onveranderlijke denkbeelden van den oergeest (de geesten, nadat deze

eene oneindige grootte bereikt hebben en er mede qualitatief gelijk

geworden zijn in zich bevattende). Daar nu die denkbeelden moeten

betreffen dienzelfden ether, beschouwd als eene oneindig rijke en

diepe veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en oneindige

en onveranderlijke verschijnsels te weeg brengende, zoo moet het

gezegde, dat het oerwezen verzonken is in de contemplatie van zich

zelf en er voor al het algemeenste van het verledene en toekomende

door het huidige bepaald is, waar zijn.

De zelfstandigheid, wier veropenbaring door beweging al de

veranderlijke verschijnselen bij de eindige hemelbollen en die bij

den ether, voor zoo verre deze den invloed van die bollen ondervindt,

vormt, kan kwalijk zich door denking veropenbarende, bij het oerwezen

anders dan eindige en veranderlijke denkbeelden te weeg brengen. Zoo

deze echter slechts de kennis van het thans bestaande bevatten,

voor zoo verre dit voor volmaakte aanschouwing vatbaar is, en die van

het verledene en toekomstige, voor zooverre deze in het tegenwoordige

vervat zijn, zal die kennis volmaakt juist zijn. Van eene kennis zooals

wij menschen bezitten, waarbij uit de beschouwing van verschijnselen

afgeleid is het bestaan van zekere natuurwetten en, door het bestaan

zulke wetten te stellen, tot het aanwezig zijn van andere verschijnsels

besloten wordt, moet zij aldus onderscheiden zijn. De wetenschap

van wetten dient bij de kennis van het oerwezen bevat te zijn in de

aanschouwing van al de er door te weeggebragte verschijnsels, want

slechts dan kan zij geheel zeker zijn. Die veranderlijke denkbeelden

van den oergeest (door zijne onveranderlijke denkbeelden oneindig maal

in sterkte overtroffen wordende) moeten niet als deze laatste slechts

betreffen de bewegingsveropenbaring van het geheel van bewegingen

m welke die denkbeelden bepalen en er door bepaald worden, evenmin

als zulks bij ons menschen het geval is. Het geheel van beweging,

onze denking bepalende, vormt toch geen verschijnsel op het gebied der

veropenbaring der zelfstandigheid door beweging, waarmede onze denking

zich alleen bezig houdt, ja zij is zelfs onnaspeurlijk voor onze

zintuigen. Die bewegingen m moeten echter van invloed zijn op andere

bewegingen, bijv. die waardoor de organisatie der planten en dieren

gevormd wordt en deze omhoog drijven en voor de levensomstandigheden

waarin zij verkeeren geschikt maken. Minder naauwkeurig, aangezien

denking slechts op denking en niet direct op bewegingen van invloed is,

zou men kunnen zeggen, dat door de denkbeelden van den oergeest door

de bewegingen m bepaald, die organisatien op eene wijze, direct uit de

bestaande gebreken voortvloeijende, voor derzelver levensomstandigheden

geschikt gemaakt worden. Wegens de kracht waarmede het bestaande, of

dit al of niet moge voldoen, onveranderd tracht te blijven, of anders

gezegd wegens de werking der traagheid, zullen die verbeteringen te

laat plaats hebben, doch zij kunnen niet ten gevolge van zulk eene

onzekere en indirecte aanschouwing der gebreken en niet in zulk een

indirect verband hiermede aangebragt worden als de verbeteringen van

ons menschen voortspruitende. Het oordeelen of deze of gene verbetering

te verkiezen is, zal er aldus niet bij kunnen plaats hebben. Het

aannemen van die bewegingen zonder er door bepaalde denking heeft

sommige menschen geleid tot het ontkennen van doel in de natuur,

terwijl het niet aannemen van zulke bewegingen, maar wel van die

denking, andere menschen geleid heeft tot de miskenning van het

noodwendig uit elkander voortvloeijen der stoffelijke verschijnsels.

Elk verschijnsel bevat iets bijzonder, tot alleen eigen, voorts iets

meer algemeen en minder veranderlijk, dat het met meer soortgelijke

verschijnsels gemeen heeft, iets nog meer algemeen en nog minder

veranderlijk, dat het met eene grootere verscheidenheid van

verschijnsels gemeen heeft enz.

Een verschijnsel is het bijv. dat een dier des winters eene

zwaardere vacht verkrijgt. Het meest bijzondere hiervan bestaat in de

eigenaardigheden dier vachtverzwaring bij dit eene dier verscheiden

van die in het algemeen bij de dieren dierzelfde soort bestaande, het

minder bijzondere, in het eigenaardige der verzwaring der vacht bij de

gansche soort, het meer algemeene, in het eigenaardige der natuurlijke

beschutting van al de diersoorten tegen koude, het nog meer algemeene,

in dat van derzelver beschutting tegen schadelijke invloeden in het

algemeen en het meest algemeene, in dat der beschutting der levende

organisme op al de wereldbollen tegen schadelijke invloeden in het

algemeen. Bij elk verschijnsel, bij elk in vachtverzwaard dier kan

het meer bijzondere niet bestaan, zonder het meer algemeene, doch wel

omgekeerd, en kan de zorg voor het meer bijzondere niet bestaan zonder

die voor het meer algemeene en is dit laatste iets van meer gewigt dan

het eerste. Men kan die geschiktmaking der organisatiën der dieren

voor derzelver levensomstandigheden vergelijken met het in goeden

gang houden van machines van verschillend maaksel, tot verschillende

einden dienende en aan allerlei storende oorzaken blootgesteld. De

hiervoor te nemen maatregelen zullen dan, deels voor elk dier machines

verschillende, doch deels ook voor alle dezelfde worden.

Behalve die gedurige verbetering van zulke machines kan men eene

beschouwing van derzelver goede werking aannemen. Wij menschen zouden,

niet alleen wegens den aard onzer zintuigelijke waarneming, maar

tevens ook wegens die onzer denkvormen, zulke machines achtervolgens

bezigtigen, en, van de eene naar eene andere gaande, de denkbeelden

betreffende de eerste latent maken. Men kan zich echter ook voorstellen

dat, even als men het bespelen van al de instrumenten van een orkest

tegelijk en niet achtereenvolgens hoort, al zulke machines te gelijk

bezigtigd worden. Geschiedt zulks en verandert de werking van elk dier

machines, zoo is de denking van den toeschouwer niet veranderlijker

dan de taferelen die hij aanschouwt; terwijl dit daarentegen wel het

geval is, zoo hij die veranderlijke werking dan bij de eene en dan

bij de andere machine beschouwt. Dit kan met op blz. 182 gemelde in

verband gebragt worden.

De bewuste aanschouwing der verschijnselen leidt niet alleen, zooals op

blz. 119 gezegd is, tot onderzoek en verklaring er van, maar ook tot

verificatie der waarde onzer begrippen over die verschijnselen. De

eerste soort van bewuste aanschouwing betreft meer verschijnselen

dan die waarvan den aard verklaard wordt, terwijl de tweede soort van

aanschouwing der dingen (dieper en grondiger dan de eerste zijnde en

waaronder bijv. behoort die van de telescopische planeet Neptunus),

slechts van eenige dier verklaringen de waarde aantoont. Zoo nu

die eerste soort van aanschouwing niet grooter werd, zou de kennis

der verschijnselen en de controle hiervan door de tweede soort van

aanschouwing zich van lieverlede, op derzelver hoogte stellen, die

kennis aldus eindelijk volmaakt juist worden, en die tweede soort van

aanschouwing alsdan direct den aard en het verband der verschijnselen

aantoonen, zoodat men naar geene verklaringen er van zou te zoeken

hebben. Zulk een eind toestand kan bij in geestontwikkeling toenemende

en deze aarde tot standplaats bezittende wezens niet bestaan;

doch, naarmate bij aardsche wezens de geestelijke ontwikkeling en

eerstgemelde soort van bewuste aanschouwing minder toenemen, zal

de controlerende aanschouwing minder ten achteren blijven, en de

afwijkingen van dien eindtoestand geringer zijn. Dit bijv. kan bij

de dieren het geval zijn, niettegenstaande bij hen de eerste soort

van bewuste aanschouwing geringer dan bij ons menschen is. De werking

der traagheid, waardoor bij ons menschen de sterkte der controlerende

aanschouwing der verschijnselen ten achteren is betrekkelijk onze

denkbeelden over den aard en de toedragt dier verschijnselen, maakt

dat vele verschijnselen ons toevallig voorkomen. Kon men bijv. uiterst

goed waarnemen op welk eene wijze een witte of zwarte bal blindelings

uit eene bus (evenveel witte als zwarte ballen bevattende) getrokken

wordt, zoo zou het trekken van een witten bal ons niet meer toevallig

voorkomen.

Dat ons ligchaam en onze zintuigen van dien aard zijn, dat zij bij

de verst verwijderde generatiën nimmer zoodanig kunnen worden, dat de

controlerende aanschouwing van elk verschijnsel der aard hiervan zoo

sterk aantoont, dat geene onzekere veronderstellingen daaromtrent

kunnen gevormd worden, is slechts een bewijs dat op deze aarde de

harmonie tusschen die aanschouwing en de redeneering bij der menschen

geest onmogelijk kan ontstaan en dat deze aldus geen product dezer

aarde is.

Hierbij dient echter onkunde, waarvan men bewust is, als kennis

aangemerkt te worden, daar zij vordert het bezit van denkbeelden over

verschillende wijzen waarop eene zaak zich kan toedragen, doch waar

tusschen men, wegens de onvolkomenheid der waarneming, geene keus weet

te doen. Zoo iemand, in eene foul staarde, bijv. door den bliksem

wordt getroffen, zal een naturalist zeggen, de vochtigheid van het

ligchaam en de aard van den bodem waarop de getroffen persoon stond,

de verplaatsing van de donderwolk kunnen hiertoe geleid hebben,

en hij blijft in het onzekere. Niet alzoo de supre-naturalist,

zoo deze dit verschijnsel wijdt aan het opwekken van den toorn

Gods door den getroffen persoon. Hij die zulk eene verklaring geeft

bewijst slechts dat hij van zijne onkunde weinig bewust is. Zoo nu

de inrigting van het Heelal zoodanig was, dat die supre-naturalist

gelijk had, zouden de Natuurwetten zoo uiterst zamengesteld zijn,

dat verstandige redenering over den aard der verschijnselen tot geene

uitkomst zou leiden, en dat slechts de directe aanschouwing van elk

derzelve ons er mede bekend zou maken [52].

Met zulke wetten kunnen eenigzins vergeleken worden die voor de

uitspraak der Engelsche taal. Het is circa even gemakkelijk om van

die taal woord voor woord door nazegging goed te leeren uitspreken,

dan om de regels dier uitspraak te leeren en toe te passen.

Voor zooverre de menschen schijnbaar vrijwillig handelen, zijn

hunne handelingen geheel toevallig, of anders gezegd, de vruchten van

accidentele oorzaken, en kan men evenmin uit de omstandigheden, waarin

die menschen verkeeren, opmaken, welke schakels van redeneringen uit

die omstandigheden zullen voortvloeijen en tot welke handelingen die

redeneringen zullen leiden, als dat men uit de houding der hand, welke

men in eene met ballen van verschillende kleur gevulde bus zal steken,

benevens uit de kennis van de kleur dier ballen, kan opmaken, van

welke kleur een blindelings getrokken bal zal zijn. Er bestaat echter

onderscheid tusschen handelen ten gevolge van inwendigen dwang bij

het doen van aaneengeschakelde redeneringen, en handelen ten gevolge

van uitwendigen dwang. Zoo overigens wij en anderen steeds in den

letterlijken zin schijnbaar vrijwillig handelden, zouden, zoowel onze

daden als die van anderen, ons steeds raadselachtig voorkomen. Wordt

toch iemand niet door bekende beweegredenen gedwongen tot zekere

handeling, zoo is deze toevallig, dat is zoo iemand weet zich volstrekt

niet te verklaren waarom hij zoo handelt. Zulke beweegredenen bestaan

nu ook bij het doen eener keus, zoodat, wanneer deze schijnbaar

vrijwillig geschiedt, het is alsof zij door dobbelen bepaald wordt.

Dat der menschen daden afhangen van constante oorzaken zooals bijv. den

aard van hun geest, is voor hen een waarborg, om, althans niet binnen

zeer korten tijd, daden, geheel met den huidigen toestand hunner ziel

in strijd, te verrigten. Overigens moet die inwendige dwang slechts bij

den geest verondersteld worden te bestaan en die dwang hierop door het

ligchaam uitgeoefend, slechts als een meer nabijzijnden uitwendigen

dwang als dien der omgeving aangemerkt worden. Zedelijke daden, ten

gevolge van innerlijken dwang gedaan, gaan van het individu zelf uit

(van daar het gevoel der toerekenbaarheid) en toonen op welken trap van

zedelijke ontwikkeling het, met betrekking tot de maatschappij waarin

het verkeert, staat, en voor welke behandeling het aldus geschikt

is. Doet een individu, zonder uitwendig hiertoe gedwongen te worden,

kwaad, zoo is het niet voldoende zijne omgeving zoodanig te maken,

dat het geen kwaad meer kan doen, en aldus den uitwendigen dwang

hiertoe weg te nemen, maar het moet ook gestraft, dat is als een lager

ontwikkeld wezen behandeld worden. Is de intellectuele ontwikkeling van

dit individu even groot als die van het gros der menschen, zoo moet

klaarblijkelijke die behandeling anders zijn, dan zoo zij even laag

als de zedelijke ontwikkeling staat, hiervoor bestaat er even goed

reden als om bijv. een hond anders te behandelen dan een schaap. In

het eerste geval heeft men te doen met een disharmonisch wezen, dat in

zijn eigen oog behoort vernederd te worden, in het tweede met een meer

harmonisch wezen, dat naar lagere rangen behoort te worden verbannen.

Ongerijmd is het echter zoo bijv. een zedeloos mensch zegt:

"ik kan mijn gedrag niet verbeteren, want mijne denkbeelden zijn

gedetermineerd, dat is uit een dezer kunnen niet zus of zoo andere

volgen." Zoo iemand stelt toch zijne keus, om zijn gedrag niet te

verbeteren, ongedetermineerd, en niet voor een deel zijn later

gedrag noodwendig te moeten bepalen. De menschen handelen onder

den gezamentlijken invloed van bekende oorzaken (zooals bijv. hun

karakter) en van onbekende accidentele oorzaken, welke de gevolgen

van eerstgemelde oorzaken kunnen vergrooten, maar ook verkleinen

en zelfs opheffen. Van daar hunne bewustheid dat hunne daden anders

kunnen zijn, dan zoo deze enkel de gevolgen van eerstgemelde oorzaken

waren. Waar dit niet het geval is, hebben wij dan ook het bewustzijn

dat onze denking niet vrij is, bijv. dat wij de tastbaarste waarheden

niet in gemoede kunnen ontkennen. Door accidentele redeneringen kan

men echter constante oorzaken bijv. zijn karakter en een graad van

verlichting, waardoor het onmogelijk wordt om aan bijgeloovigheden te

hechten, veranderen. De indeterminist, die den drang dier constante

oorzaken ontkent, maakt (zie blz. 112) van de wereld een warboel,

de determinist, die de werking der accidentele redeneringen niet

telt, vervalt tot fatalisme, voor beiden zal echter in de praktijk

de illusie dat hun wil vrij is sterker zijn, naar gelang hunne kennis

van hetgeen er met hen voorvalt de op blz. 178 gemelde controlerende

aanschouwing meer overtreft.

Op blz. 67 hebben wij gezegd, dat denkbeelden, uit het hoofd gebragt

zijnde, tijdens het verkrijgen van nieuwe denkbeelden, van lieverlede

uitgewischt worden. Moeijelijker echter geschiedt dit, naarmate die

latente denkbeelden dieper in den geest gegrifd zijn, moeijelijker

aldus wanneer zij, al of niet door middel van de spraak uitdrukbaar,

betreffen iets, dat men met inspanning geleerd heeft, dan wanneer zij

slechts door vlugtige zintuigelijke indrukken ontstaan. Wanneer men

bijv. zich in eenige wetenschap geoefend heeft en er gedurende eenigen

tijd niet meer aan doet, zal men wel van die wetenschap het een en

ander en wel voornamelijk datgene, wat meer bepaaldelijk geheugenwerk

is, vergeten, doch andermaal de beoefening dierzelfde wetenschap

weder opvattende, zij gemakkelijker als vroeger zijn. Die eerste

leering is aldus niet te vergeefs geworden. Dit bestaan van latente

denkbeelden is een gevolg van de veranderlijkheid van ons bestaan,

zoodat, bij het komen in nieuwe toestanden, nieuwe denkbeelden sterk

in het hoofd gebragt of werkdadig worden. Ware dit niet het geval,

kon men al zijne denkbeelden in ligte mate in het hoofd houden, geen

dezer zou dan vergeten worden, doch de som der denkbeelden, de diepte

dezer ook in acht nemende, niet vergrooten, terwijl daarentegen

dit opdagen van nieuwe toestanden de belangstelling opwekt, tot

grootere inspanning leidt en maakt, dat men (zie blz. 151) meer nieuwe

denkbeelden verkrijgt dan oude vergeet. Die invloed der veranderingen

van toestand doet zich in sterke mate gevoelen bij de denkbeelden

betreffende der menschen eigen geschiedenis, en wel in veel sterkere

mate bij kinderen dan bij bejaarden. Men kan het er dus voor houden,

dat die invloed sterker is, naarmate de geestelijke ontwikkeling en de

zelfbewustheid geringer zijn, ofschoon dan niet steeds de betrekking

der kennis van verleden en heden eene kleinere breuk zal zijn. Het laat

zich toch denken, dat, wanneer de bewuste aanschouwing van het heden

zwakker is bij eenig wezen van zwakkere zelfbewustheid dan bij een

ander, die breuk bij dit eerste wezen grooter dan bij het tweede kan

zijn, niettegenstaande, dat het zich absoluut minder dan dit tweede

van zijn verleden herinnert. In elk geval zal bij een in geestelijke

ontwikkeling en zelfbewustheid toenemend wezen de herinnering van

feiten, naarmate deze langer verleden zijn, niet slechts kleiner zijn,

wegens den langeren tijd sedert verloopen, maar tevens omdat, toen

zij pas verleden werden, de zelfbewustheid van het wezen geringer was.

De zelfbewustheid van dit wezen constant zijnde, zoo zou zijne

herinnering van feiten, bij het begin der achtervolgende veelvouden van

zekere tijdseenheid geschiedt, vertragende verzwakken, naarmate die

veelvouden grooter zijn en aldus nimmer volmaakt nul zijn, hoe groot

die eindige veelvoud ook zijn moge. Aldus zal bijv. de herinnering

van een feit, voor 2n jaren plaats gegrepen, minder met die van een

dergelijk feit, voor n jaren geschiedt, verschillen dan die laatste

herinnering met die van een dergelijk feit, zoo dit gisteren heeft

plaats gehad.

Wegens bovengemeld effect van het zwakker zijn der zelfbewustheid

van de waarnemers van feiten, naarmate deze tijdens het begin van

grootere veelvouden van zekeren tijd plaats gehad hebben, zullen

de herinneringen dier feiten bij in zelfbewustheid toenemende

wezens, kleinere onderdeelen dezer herinneringen zijn, (in de

veronderstelling, dat die zelfbewustheid steeds even groot als in het

heden geweest was), naarmate die feiten tijdens het begin van grootere

veelvouden van zekere tijdseenheid geschiedt zijn. Aldus zullen bij

elk wezen, zekeren graad van zelfbewustheid verkregen hebbende,

die herinneringen geheel nietig zijn, zoo zij feiten betreffen

geschiedt toen zijne zelfbewustheid nog betrekkelijk gering was, en

de som der herinneringen van al die feiten zelfs geheel nietig zijn,

al is dit aantal feiten grooter dan de grootst mogelijke eindige

grootheid [53]. Dit betrekkelijk kleiner worden der herinnering

van feiten, naarmate deze waargenomen zijn door wezens van kleinere

zelfbewustheid, bestaat bijv. bij de geschiedenis der menschheid,

omdat, naarmate volken op een lager standpunt van beschaving staan,

hunne geschiedenis meer verloren raakt. Van hetgeen bijv. vroeger dan

1000 jaren voor het begin onzer jaartelling geschiedt is, weten wij

zeer weinig en de kennis hiervan kan vergeleken worden met hetgeen

een bijv. 34jarig mensch weet van de geschiedenis van zijn eigen leven

voor bijv. zijn zesde jaar. De kennis van zijn verleden gedurende een

acht-en-twintigjarig tijdvak vormt aldus zeer nabij zijne gansche

kennis van zijn verleden, even als de kennis der geschiedenis van

het menschdom gedurende de jongste acht-en-twintig verloopen eeuwen

bijna onze gansche kennis vormt der geschiedenis van de voorouders van

het thans bestaande menschelijke geslacht, sedert dat het organische

leven op deze aarde begonnen is te ontluiken zie blz. 30. Sommige

geologen stellen nu dat dit voor meer dan tienduizend millioen eeuwen

geschied is, zoodat, stellende, dat bij een imaginair menschelijk

wezen de toeneming in geestontwikkeling honderdmaal sterker is dan

bij het menschdom en deszelfs stamboom vormende voorouders, zulk een

imaginair mensch, voor tienduizend millioen plus acht-en-twintig jaren

geboren, gedurende dit eerste aantal jaren het maar tot den staat

van een zesjarig kind zou gebragt hebben, en geen noemenswaardige

herinnering van zulk een ontzettend lang bestaan zou bezitten.

Dit in de geschiedenis onbekende ontzaggelijk lange verleden van

het menschelijke geslacht, voor dat dit eene noemenswaardige mate

van beschaving verkregen had, heeft echter er voor eene werkelijke

waarde. Op blz. 31 hebben wij toch aangegeven, hoe, wegens de werking

der traagheid, naarmate een organisch wezen sneller verandert,

deszelfs organisatie slechter wordt. Die trage opklimming der

organisatie der voorouders van het menschelijk geslacht heeft aldus

gemaakt, dat dit voor de levensomstandigheden waarin het verkeert,

geschiktere ligchamen bezit.

Vooral moet dit het geval zijn bij de eigenaardigheden dier organisatie

vroeger bij de achtervolgende generatiën van den stamboom van het

menschelijke geslacht bestaan hebbende, en die aldus in sterkere

mate als de grondslagen er van kunnen beschouwd worden. Hetgeen der

menschen organisatie, met die van al de gewervelde dieren gemeen

heeft, behoort toch meer tot de grondslagen hunner organisatie dan

de bijzonderheden hiervan, bij geen viervoetig en dus nog minder bij

visschen aangetroffen wordende, en, hetgeen de organisatien van al

de dieren gemeen hebben, vormt nog in sterkere mate den grondslag

der organisatie der gewervelde dieren dan hunne geraamten en

ledematen. Daar nu de sterkte van opklimming der organisatie bij de

achtervolgende generatiën van bovengemelden stamboom zwakker geweest

is, naarmate die generatien vroeger geleefd hebben en eene lagere

organisatie bezaten, zoo moeten de eigenaardigheden der organisatie der

menschen volmaakter zijn, naarmate zij in sterkere mate de grondslagen

er van vormen.

Evenzoo zou dit het geval zijn met de geestelijke ontwikkeling van

den op blz. 185 gemelden imaginaire mensch na tienduizend millioen

levensjaren slechts den graad van ontwikkeling van een zesjarig kind

bereikt hebbende. Eene zeer zwakke toeneming in geestontwikkeling

gepaard gaande met zeer geringe verandering en vernieuwing van

denkbeelden, moet deze zie blz. 115 en 178 eene zeer groote mate

van juistheid geven, en van daar misschien, dat de dieren binnen

een zeer beperkten kring zoo oordeelkundig te werk gaan [54]. Nu

zijn het juist de denkbeelden, welke een wezen bezit, voor snel in

ontwikkeling toe te nemen, welke den grondslag vormen der later te

verkrijgen denkbeelden, en waarvan de deugd dier latere vergrooting

in geestontwikkeling voornamelijk afhangt.

Een mensch, ofschoon zich zijne lotgevallen voor zijn zesde jaar niet

meer herinnerende, bezit op dien leeftijd eene geestontwikkeling,

wel is waar betrekkelijk die van later gering, doch uithoofde van

het zooeven gemelde, van eene betrekkelijke belangrijke waarde, zie

voorgaande noot. Het is nu echter de vraag of een kind, van af het

oogenblik, dat het begint te zien en te hooren, betrekkelijk snel in

geestontwikkeling zou kunnen toenemen, zoo er op dit oogenblik geen

grondslag aanwezig was voor dit op te trekken gebouw van denkbeelden

dat is zoo dit kind alsdan niet reeds eene voor ons onwaarneembare

geestontwikkeling bezat. Deze achten wij nu niet te bestaan uit

zoogenaamde aangeboren denkbeelden, maar wel uit die, gedurende

vroegere zielenlevens, door tusschenkomst van met de aardsche

verschillende zintuigelijke indrukken, verkregen. De verschillen

hierin vergelijkende met die tusschen de behandeling van buksen en

van bogen, zoo zou men zulk een kind, op het oogenblik der geboorte

reeds zekere geringe geestontwikkeling bezittende, kunnen vergelijken

met iemand, nooit eene buks in handen gehad hebbende, maar geoefend

in de behandeling van den boog.

Wel zijn de tot het domein der denking behoorende zintuigelijke

indrukken in zekeren zin de bouwstoffen der denkbeelden, doch, even

goed, als men deze eerst in eene en later in eene andere taal uitdrukt,

kan men hen eerst uit deze en later uit andere zintuigelijke indrukken

zamenstellen.

Op blz. 174 hebben wij gezegd, dat werkdadige denking onbestaanbaar

is zonder aanschouwing der veropenbaring der zelfstandigheid door

beweging, zoodat, deze bij het heelal niet bestaande, alle denking

zou vervallen. Van den anderen kant drukt het woord veropenbaring

uit het bestaan van iets waaraan zij geschiedt, dat niet anders dan

bewuste denking, onder welke vorm ook, kan zijn, zoodat, zonder deze,

er wel van zelfstandigheid, doch van geene veropenbaring hiervan

sprake kan zijn.

Bij dit woord van zelfstandigheid mag dan niet eens aan massa en

beweging gedacht worden, omdat dit begrippen onafscheidelijk van

denking zijn. Op verschillende plaatsen hebben wij op blz. 144 gezegd,

dat de denking bepaald wordt door atomistische beweging, ofschoon

zij volstrekt niet in reden der sterkte hiervan is; naauwkeuriger

is het echter om te zeggen, dat de zelfstandigheid, in den toestand

zijnde waarin zij zich veropenbaart, eenige denking bepaalt, omdat

die toestanden niet aanschouwd wordende, de zelfstandigheid zich

op geenerlei wijze zou veropenbaren. Men kan echter niet zeggen,

dat die veropenbaring verloren gaat, wanneer ligchamen niet het

voorwerp der aanschouwing van menschen zijn, evenmin als men kan

zeggen, dat de denking dezer onbestaanbaar is, wanneer bij derzelver

aanschouwing de aardsche zintuigelijke indrukken niet meer worden

opgewekt. Dat menschen kunnen stellen, dat die onbestaanbaarheid

niet bestaat, bewijst de juistheid dier stelling. Elke met ernst

geopperde stelling moet toch, hoe weinig ook, zekeren grond van

waarheid bevatten. Zegt men bijv. van een schurk, dat hij een braaf

mensch is, zoo moet braafheid met betrekking tot dien persoon niet

iets volstrekt onbestaanbaar zijn, evenals bijv. met betrekking tot

een spiegel. Zoo nu het bestaan van eenigen grond van waarheid bij

eene stelling vereischt, dat deze geheel waar is, moet zulks het geval

zijn en aldus iets niet onbestaanbaar zijn, zoo er eenigen grond voor

de bestaanbaarheid er van bestaat. Bespiegelingen over hetgeen op

buitenzinnelijk gebied bestaat, zijn voor ons menschen mogelijk en

kunnen aldus, hoeveel dwalingen ook inhoudende, niet in alle deelen

ongerijmd zijn.

Hebben de menschen immer gedacht eenige wetenschap te beoefenen,

terwijl deze, geheel op het gebied van het ongerijmde verkeerde? Naar

ons inzien neen. Zoo bijv. zochten de alchimisten goud in waardelooze

stoffen en uit klei is het aluminium voor den dag gekomen. De

astrologen veronderstelden dat de hemelligchamen allerlei invloeden

op deze aarde uitoefenen, en meer en meer invloeden schrijft men

thans aan het zonnelicht toe. Buitendien dient men wel onderscheid

te maken tusschen hetgeen de astrologen zelf voor wetenschappelijk

waar hielden, en hetgeen zij oningewijden zochten wijs te maken.

Bij het op blz. 185 gemelde hebben wij het oog gehad op eene

preëxistentie der zielen van menschen en dieren, gedurende welke zij,

annex zijnde aan ligchamen op andere wereldbollen, wel zie blz. 169

gemiddeld in geestontwikkeling versnellende zijn toegenomen, doch

hierin nog steeds te laag stonden, om, betreffende verledene feiten,

denkbeelden in den latenten toestand, niet uiterst nabij geheel door

nieuw opgekomen denkbeelden verdrongen en uitgewischt, te behouden.

Er bestaan naar ons inzien voor die hypothese even veel gronden

als voor die van het niet ophouden van het bestaan der ziel na

den dood van het ligchaam. Men dient toch aan te nemen, dat, even

als de wereldbollen in massa toenemen, door etherdeelen den aard

hunner bestanddeelen te geven en aan zich te voegen, de zielen in

grootte toenemen, door denkbeelden van den oergeest te verflaauwen

ten bate hunner eigen hoeveelheid denkbeelden, want anders bestaat

er op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking

niet iets overeenkomende met de onveranderlijkheid van het totaal

der massa op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door

beweging. Op blz. 158 hebben wij gezegd, dat de hemelbollen voor den

grootst eindigen tijd reeds eene eindige grootte bezaten en aldus

gedurende geen eindigen tijd van af nul eene eindige grootte bereikt

hebben. Ware dit het geval wel, zoo zouden zij gedurende een eindig

tijdvak in massa betrekkelijk oneindig maal vergroot zijn, hetgeen,

bij een zelfstandig en door eigen vermogen en impulsie zich vergrootend

iets, niet aanneembaar is.

De zaken, bij hun ontstaan oogenblikkelijk eene eindige grootte

verkrijgende, zijn afgescheiden en vervormde deelen van andere er

mede gelijkslachtige zaken, en is bijv. de dierlijke vrucht eene

afscheiding van de uitgegroeide ligchamen der ouders.

Stelt men nu, dat geene reeds vroeger bestaande denking aan de

vrucht annex wordt, maar dat er zich eene denking van nul af er bij

ontwikkelt, zoo weten wij niet waarom men deze voor geene afscheiding

der denking der ouders zou houden. Terwijl echter het ligchaam in

grootte toeneemt door afscheidingen uit massa's voedsel, wier aard

op die van het ligchaam van invloed is en waarvan, door die er bij

gedane afscheidingen, de quantiteit vermindert, waarmede vergroot

zich de, bij het aanhouden der werkdadigheid, tot aan den dood in

ontwikkeling toenemenden geest? Tegen de ontkenning der preëxistentie

bestaat buitendien ook dit bezwaar, dat alsdan op eenige bollen zooals

bijv. de aarde er bij ligchamen denking van niet af zou ontstaan,

terwijl er slechts vroeger bestaande denking annex zou worden aan de

ligchamen op andere bollen aanwezig, een onderscheid, waarvoor geene

reden van bestaan is. Wezens kunnen naar ons inzien niet binnen een

eindigen tijd van nul af zekeren graad van aanleg verkrijgen, en deze

dient zie blz. 151, tijdens dezelfde toeneming in geestontwikkeling,

meer te vergrooten, naarmate die toeneming der geestontwikkeling

gedurende meer tijd heeft plaats gehad [55]. Daar, na het komen

van wezens onder geheel andere omstandigheden, de door eene nieuwe

aanschouwing opgewekte denkbeelden meer zullen verschillen van die in

vroegere omstandigheden verkregen, naar gelang zij meer het bijzondere

betreffen, en er aldus van de vroeger verkregen denkbeelden in den

latenten toestand minder uitgewischt zullen worden, naarmate deze

het meer algemeene betreffen, zoo zal, naarmate van eenig wezen de

denkbeelden meer van laatstgemelden aard zijn, het zich onder geheel

nieuwe omstandigheden in sterkere mate herkennen. Dit houden wij

voor het ware deel van het dogma der zielsonsterfelijkheid verkregen

door het geloof, omdat dit geloof gewaand werd in te houden begrippen

verheven boven de denkbeelden verkregen door de indrukken der omgeving

en van het heden, bijv. de denkbeelden over der menschen handel,

bedrijf en vermaken, welke allen het zeer bijzondere betreffen.

De physica leert, dat zekere geheelen van moleculaire bewegingen

van stofdeelen, als zoodanig niet waar te nemen, maar zekeren

zintuigelijken indruk, bijv. het beeld van eenig voorwerp te weeg

brengende, zich bij eene middenstof onbegrijpelijk snel golfvorming

in de eene of andere rigting voortplanten en aldus onbegrijpelijk

snel van stofdeelen verwisselen. In uiterst korten tijd breiden

zij zich uit over stofdeelen binnen verbazende inhouden bevat, en

ongehinderd doorkruisen zij andere dergelijke zich in andere rigtingen

golfvorming voortplantende geheelen van moleculaire bewegingen. De

electriciteit, van eene in den grond gegraven zinkplaat uitgaande,

bestaat hoogstwaarschijnlijk uit zulke binnen de vochtige aardkorst

zich golfvorming voortplantende moleculaire bewegingen, en deze

breiden zich van af die zinkplaat uiterst snel over de omringende

ruimte alsware tastende uit; doch, zoodra een deel er van eene

honderde mijlen verwijderde ingegraven koperen plaat bereikt heeft

(iets dat, uiterst kort nadat die golfvormige voortplanting begonnen

is, geschiedt) dringen zij alsware hier naar toe en verzamelen zij

zich er bij.

Men verbeelde zich eene lange goot, uitgezonderd bij de beide einden,

waar zich afgesloten vakken bevinden, met water en aldaar met eenig

ander vocht van even groot specifiek gewigt als water gevuld. Zoo

nu dit vocht binnen een dier vakken in golving is, en men verbreekt

de afsluiting, wordt die golving voortgaande, plant zij zich voort

tot binnen het water, dat vroeger in rust was, doorloopt zij,

navolgbaar dezelfde blijvende, al verandert zij van gedaante, de

goot en komt zij eindelijk binnen het tegenovergestelde vak, zoo dit

open is. Wordt dit laatste vak alsdan direct gesloten, zoo blijft

die golving hier binnen en het vocht binnen het eerste vak is dan

op het oog in rust [56]. Even als nu het wezen van ligchamen in het

algemeen, waartoe ook zulke, golvingen behooren, (omdat ligchamen

zijn de veropenbaringen der zelfstandigheid door beweging) zich in

sommige omstandigheden onbegrijpelijk snel verplaatsen kan, om op

uiterst verren afstand van de primitieve plaats, wegens den aard

der localiteit daar ginds, weder stil te staan, zoo kan dit, naar

ons inzien, ook doen het niet zintuigelijk aanschouwbare geheel van

bewegingen het denken van eenig wezen bepalende, en omgekeerd door

die denking bepaald wordende. Wel is waar is de moleculaire beweging

bij den ether, tusschen en binnen de hemelbollen gelegen en deze,

zie blz. 165 en 171 in verbinding met elkander brengende, anders dan

bij het cellenweefsel der zenuwknoopmassa, doch op blz. 144 is reeds

gezegd, dat het niet de zintuigelijke aanschouwing te weeg brengende

moleculaire bewegingen der zenuwknoopmassa behoeven te zijn, welke

de denking der menschen bepalen. Bij het bovengemelde voorbeeld zijn

het toch niet de moleculaire bewegingen van het vocht, waardoor dit

bijv. spiegelend, blaauw en vloeibaar voorkomt, welke de golving te

weeg brengen.

Wegens de talrijkheid der bevolking dezer aarde (en nog in veel

sterkere mate van die van het uiterst groote aantal hemelbollen na hun

vertrek van het op blz. 161 gemelde middelpunt, tot een gelijksoortigen

graad van ontwikkeling gestegen zijnde) zullen de oorzaken, tot veel en

weinig sterfte bijdragende, door gelijktijdig te bestaan, te zamen eene

resulterende gemiddelde sterfte te weeg brengen en dit eveneens plaats

hebben met de oorzaken welke de geboorten bevorderen en verhinderen.

Op die, wegens gelijktijdigheid van ontstaan in zekere zin

gelijksoortige hemelbollen, te zamen beschouwd, zullen gedurende

korte tijdperken er aldus evenveel vruchten bestaan, waarbij eene

zelfstandige denking annex wordt, en dit constante aantal door zeer

algemeene oorzaken bepaald worden.

Diezelfde algemeene oorzaken kunnen nu tegelijkertijd bepalen de

sterfte gedurende even groote tijdvakken plaats hebbende op de

verzameling bollen m, aan de middelpuntszijde van gene gelegen,

en die tot op den voorafgaanden trap van ontwikkeling van die der

bollenverzameling n, waartoe onze aarde behoort, gestegen is. Die

algemeene oorzaak is te vergelijken met de verhouding tusschen de

witte en zwarte ballen binnen eene bus, waaruit blindelings een

uiterst groot aantal ballen getrokken worden. Doen nu twee personen,

onafhankelijk van elkander, even veel trekkingen, zoo zal de kans,

dat beide even veel witte ballen trekken, uiterst groot zijn, en,

zoo er eene oorzaak bestaat hen hiertoe dwingende, het bestaan

hiervan geheel onmerkbaar kunnen zijn, daar, zoo beide personen

geheel vrij en onafhankelijk van elkander te werk gaan, er uiterst

groote kans bestaat, dat zij tot dezelfde uitkomst zullen geraken,

als onder den dwang dier oorzaak. Een zoo kan het annex worden van

zelfstandige denking bij de vruchten op de verzameling van bollen n,

gedurende korte tijdvakken even menigvuldig zijn, als het ophouden van

het annex zijn van zelfstandige denking bij stervende ligchamen op de

verzameling van bollen m, niettegenstaande het eene schijnbaar geheel

onafhankelijk van het andere plaats heeft. Wat meer is gedurende

uiterst korte tijden kan dit het geval zijn, daar bijv. hier op

aarde het juiste oogenblik van het sterven niet aan te geven is,

zoodat men bijv. onmogelijk kan opmaken, hoeveel personen er gedurende

achtervolgende secunden werkelijk sterven, terwijl er geene questie

van is om het juiste tijdstip, waarop de vruchten beginnen te denken,

aan te geven. Wij moeten hier zelfs de hypothese opperen, of niet

alle ontstaan van organisch leven op de verzameling bollen n gepaard

gaat met vernietiging van dit leven op de verzameling bollen m, zoodat

de bollen hiervan alsware levensstroomen (in den zin van electrische

stroomen opgevat zie blz. 192) naar de bollen der verzameling n zenden

[57].

De geene zintuigelijke indrukken teweegbrengende moleculaire bewegingen

bij die stroomen, zouden alsdan bepalen de denking, de organisatie der

er aan annex zijnde levende bewerktuigde natuur trachtende, zooals

op blz. 143 gezegd is, geschikt voor levensomstandigheden te maken,

en tegelijk die organisatie eene hoogere ontwikkeling trachtende te

geven. Binnen die uit zich golfvormige voortplantende moleculaire of

liever atomistische bewegingen zouden zich dan evenzoo voortplanten

de geheelen van moleculaire beweging, de denking der afzonderlijke

wezens bepalende, wanneer deze van er aan annex zijnde ligchamen

veranderen. Die bijzondere stroomen zouden dan bij de plaatsen van

aankomst van den algemeenen levenstroom van een bol uitgaande, naar

speciale punten leiden, namelijk naar die waar vruchtbeginsels in

een sterk stadium van groei, den algemeenen stroom sterker zien naar

toetrekken [58].

Tot het sterven der ligchamen van dieren moet, naar ons inzien, ook

bijdragen de drang tot verhooging der ontwikkeling dier ligchamen door

de er aan annex zijnde denking buiten die eigen denking der dieren,

en eerstgemelde denking alleen, door te trachten de organisatie der

gewassen eene hoogere ontwikkeling te geven, deze doen sterven. Hiervan

zijn toch de accidentele variatiën der omstandigheden, waarin die

gewassen verkeeren, niet, de eenigste oorzaak, zelfs voor de gemiddelde

dier omstandigheden zijn de organisatien dier gewassen niet geschikt,

iets dat daarentegen wel het geval zou zijn, zoo zij niet sneller in

ontwikkeling toenamen, dan op blz. 157 gezegd is door onze gansche

planeet te geschieden. Van daar ook, dat de laagst ontwikkelde planeten

een taaijer leven dan de hooger ontwikkelde bezitten. De oorzaak van

het sterven der planten en der ligchamen der dieren (bij deze laatste,

voor zooverre de toename in ontwikkeling hunner eigen denking dit zie

blz. 143 niet bevordert) hebben aldus volgens deze hypothese plaats

wegens de toename in ontwikkeling der bijzondere denkbeelden van den

Oergeest aan die levende planten en dierenligchamen annex, iets dat,

naar ons inzien, slechts dan bijna niet bestaat, als die ligchamen

bijna niet onderscheiden zijn van de overige massa van de hemelbollen,

dat weder slechts mogelijk is, als deze bijna etherachtig van aard

zijn. Slechts dan zullen die bollen bijna in geen staat van groei,

van verandering verkeeren, bij derzelver organische natuur geboorten

en sterfgevallen betrekkelijk niet noemenswaardig in aantal zijn

en die aan die natuur annex zijnde bijzondere denkbeelden bijna

niet naar hooger streven. Al het bijzondere en wel in sterkere mate,

naarmate het meer van het algemeenste op het gebied der veropenbaring

der zelfstandigheid door denking (de algemeenste en onveranderlijke

denkbeelden van den Oergeest) en opdat der veropenbaring dier

zelfstandigheid door beweging (de ether buiten invloed der hemelbollen)

afwijkt, moet, naar ons inzien, in ontwikkeling toenemen, om reden

van bestaan te hebben. Men kan zich wel iets bijzonder denken, dat,

even als alles aan wiens invloed het blootgesteld is, in geen opzigt,

of wel er tegelijk regelmatig periodiek mede verandert (zoo als

bijv. het openen en sluiten der bloemen met de afwisseling van dag en

nacht) en dat aldus volmaakt geschikt is voor de omstandigheden waarin

het verkeert, doch, door naar geen einddoel te streven, zou het niet

absoluut volmaakt zijn. De op blz. 194 gemelde levensstroom, bepalende

de bijzondere denking annex geweest aan de pas gestorven planten en

dieren, moet naar ons inzien uitkomen daar waar die bijzondere denking

weder annex kan worden aan stofmassas er voor geschiktheid bezittende,

en die zij op een hongeren trap van organisatie kan voeren, dan die

welke zij verlaten heeft. Gesteld, dat iemand ter zijner beschikking

heeft eenige stukken stof, in grootte verschillende, en, naarmate

zij zulks meer doen in aard, meer onderscheiden zijnde, uit welk

stuk zal dan die persoon een nieuwen rok laten maken, zoo hij die,

gemaakt van een stuk waarvan de qualiteit hem het beste paste, door

te groeijen verscheurd heeft? Klaarblijkelijk uit het stuk stof, in

grootte en in qualiteit het digtste grenzende aan dat waaruit zijn

vernielde rok gesneden geweest is, en zelfs, zoo hij nog een dergelijk

stuk stof ter zijner dispositie had, zou hij dit niet kiezen, omdat

de alsdan er uit te snijden rok te klein voor hem zou zijn.

Wegens dezelfde reden moet de bovengemelde levensstroom uitkomen

bij eene verzameling van hemelbollen een trap in ontwikkeling

verschillende en van buiten (namelijk aan de van het middelpunt van

blz. 161 afgekeerde zijde), grenzende aan de bollenverzameling waarvan

hij uitgaat.

Zooals bekend is ontstaat de geslachtsvoortplanting door het ophouden

van den groei der ligchamen der ouders, en die groei moet, dunkt

ons, het gevolg zijn van de toeneming in ontwikkeling der bijzondere

denking aan het groeijende ligchaam annex (zie blz. 143 wel van de

eigen denking van een persoon te onderscheiden) zonder toeneming in

geestontwikkeling onderscheiden. Bij onveranderlijke wezens, zonder

toeneming in geestontwikkeling, voor hunne levensomstandigheden

volmaakt geschikt en volmaakt in harmonie met hunne niet groeijende

ligchamen, zou er aldus ook geene reproductie bestaan, zoodat die

toeneming in geestontwikkeling zoowel die reproductie, door de

ligchamen te doen groeijen, als, door deze als ware geweld aan te

doen, het sterven te weeg brengt [59]. Welvaren der ligchamen moet

zoowel de reproductie als derzelver groei gemakkelijker maken en

aldus den op blz. 194 gemelden levensstroom er naar toe trekken,

terwijl sterkere drang van dien stroom de reproductie ten koste van

den groei der ligchamen moet bevorderen.

Zooals bekend is, is de organisatie der dierlijke vrucht bij het begin

van derzelver ontstaan uiterst laag en, evenmin als (zie blz. 30)

bij de laagste soort van dieren (zooals bijv. de infusoria) behoeft

er dan eigen denking bij die vrucht annex te zijn, en zal dit welligt

eerst plaats hebben, wanneer de organisatie er van zekeren trap (iets

hooger voor de bolverzameling n van blz. 193 dan voor die m genaamd)

overschreden heeft. Ook kan de invloed der ligchamen der ouders

de toename in ontwikkeling der organisatie der vrucht bevorderen,

doch, even als de op blz. 28 gemelde locomotief het paard helpt

om den trein voort te trekken, zoodat de impulsie tot die toename

in ontwikkeling der organisatie der vrucht ontstaat door het er

aan annex en min of meer werkdadig worden der door den op blz. 194

gemelden levensstroom aangebragte bijzondere denking. De invloed der

ligchamen der ouders op de organisatie der vrucht is vergelijkbaar

met die van het onderwijs op leerlingen. Deze behooren de zucht naar

onderwijs niet van hunne leeraren te bekomen, en zulk een onderwijs

hen slechts in staat te stellen om sneller te leeren, dan zoo zij

dit uit hun eigen moesten doen, benevens om de vakken te bepalen,

welke geleerd moeten worden. Men kan zich hierbij voorstellen, dat

dit onderwijs in zulk eene sterke mate gegeven wordt, als de leerling

poogt vorderingen te maken, en dit vergelijkbaar zijn met het zich

afmeten van den opheffenden invloed der ligchamen der ouders op de

vrucht naar de werkdadigheid der hieraan annex zijnde bijzondere

denking. Met de oorzaak der gelijkenis der jongen op hunne ouders

is alsdan de aard der leervakken vergelijkbaar. Even weinig kan men

zeggen, dat de individuen dienen om de eigenaardigheid der soort te

perpetueren, alsdat leerlingen van gymnasia dienen om de kennis der

oude talen in stand te houden.

De aan de vrucht annex zijnde bijzondere denking zou, door de

organisatie er van vooruit te zijn, hierdoor alsware achterwaarts

getrokken worden en aldus in geestontwikkeling verkleinen, zoo zij

niet een eigen drang tot uitbreiding en verhooging van haar veld van

aanschouwing en dientengevolge tot vergrooting dier geestontwikkeling

bezat. Bovengemelde werking van de ligchamen der ouders op de vrucht

zal maken, dat de organisatie hiervan minder bij de ontwikkeling

dier bijzondere denking ten achteren blijft en, naarmate hierbij

den geestelijken aanleg, die, zooals op blz. 150 gezegd is, met de

geestontwikkeling toeneemt, grooter is, men kunnen stellen, dat die

bijzondere denking annex wordt aan eene vrucht van ouders eene hoogere

organisatie bezittende, en die aldus de ontwikkeling der organisatie

dier vrucht krachtiger vergrooten. Dit zou vergeleken kunnen worden

met het zenden van vlugge kinderen naar scholen, waarop het onderwijs

sneller opklimt en, de vorming tot eene hoogere maatschappelijke

betrekking ten doel heeft.

Dat de reproductie bij eenige diersoort grooter wordt, wanneer,

ten gevolge der vervolging door nieuwe vijanden, de sterfgevallen

er bij menigvuldiger worden, kan misschien ontstaan, doordat het

aantal individuen zulk eener soort verminderende, terwijl het aantal

sterfgevallen betrekkelijk grooter dan vroeger blijft, die individuen

wegens overvloediger voeding sneller dan vroeger zullen groeijen.

Het omgekeerde zal daarentegen plaats hebben, zoo wegens overbevolking

de voeding schaarscher wordt, en aldus dan de gestalte der menschen

verkleinen en het betrekkelijke aantal geboorten zooveel verminderen,

tot dat deze weder even menigvuldig als de sterfgevallen zijn [60].

Naarmate de hemelbollen in aard minder met den ether verschillen,

zullen zij, zooals op blz. 160 gezegd is, betrekkelijk trager bewegen

en in massa toenemen en, in harmonie hiermede, de er op wonende wezens

in zeker opzigt qualitatief minder met den Oergeest verschillen, trager

in geestontwikkeling toenemen, op elk dier bollen gemiddeld langer

leven. Hunne verwisseling van ligchaam zal meer geleidelijk geschieden

en bij de denking dier wezens eene minder scherpe verandering te

weeg brengen, terwijl de op blz. 94 gemelde terugtrekkende werkingen

geringer zullen zijn bij hen dan bij ons. Zoo lang de denking van

wezens annex wordt aan ligchamen achtervolgens in aard meer met

den ether verschillende, moeten die denkingen qualitatief meer met

die van den Oergeest in natuur gaan verschillen en (zie blz. 169)

in grootte of ontwikkeling gemiddeld versnellende toenemen.

Dat de toeneming op deze aarde van het aantal menschen eenmaal niet

noemenswaardig zal worden, blijkt ook uit het volgende. Hetgeen de

menschen jaarlijks aan voedsel, kleeding, woning, huisraad en andere

kunstwerken benevens aan brandstof verteren, kan toch beschouwd worden

als de rente van een kapitaal bestaande uit: 1o. de voor de weide,

bouw- en boschgronden benoodigde zouten; 2o. het voor de gewassen

gevorderde koolzuur; 3o. de den bodem bedekkende nuttige gewassen;

4o. het vee en 5o. de voor voedsel en mestspecie gebruikt wordende

waterdieren en planten. Daar nu de drie laatste deelen van dit kapitaal

in reden zijn met de hoeveelheden zouten en koolzuur, ter vorming er

van benoodigd, zoo kan met dit kapitaal in zeker opzigt stellen geheel

te bestaan uit zulke zouten, benevens uit koolzuur. Neemt men nu de

vermeerdering van dit gas, door de verbranding der fossile brandstof,

benevens door de vulcanische werkingen, niet in aanmerking, zoo wordt

dit kapitaal constant, maar vergrooten, naarmate de beschaving en het

aantal aardbewoners stijgen, de deelen No. 3 en 4 er van ten koste

van de deelen No. 1, 2 en 5. Buitendien wordt alsdan de omzetting

van dit kapitaal en dus ook de jaarlijksche rente er van grooter;

doch, zoowel dit als die vormverandering van dit kapitaal, moeten

noodwendig begrensd zijn.

Naarmate de landbouw volkomener is, draagt elke oppervlakte grond

gemiddeld meer planten en wordt er meer en zwaarder vee gehouden, doch,

wegens het alsdan meer opvangen der mestspecien, zullen er minder

zouten hiervan door het grondwater en de rivieren naar zee gevoerd

worden, en aldus al het water alsmede de dampkring (op de op blz. 5

verklaarde wijze) minder van die zouten inhouden. Zoo wegens deze

oorzaak, waardoor het voedsel der zeedieren vermindert als, wegens het

verjagen, zullen deze dan minder in aantal worden. Neemt de beschaving

toe, zoo vindt men middelen om het vee sneller vet te doen worden, om

de nuttige gewassen sneller te doen groeijen, om de bosschen jaarlijks

meer brandhout te doen leveren en om de vischvangst te verbeteren,

hetgeen de hierboven gemelde rentevergrooting uitmaakt. Zoowel dit

als de vermindering der hoeveelheden vrij koolzuur en vrije voor den

landbouw benoodigde zouten zal echter steeds bezwaarlijker worden,

naarmate men beide verder doordrijft, en aldus de middelen van bestaan

van het menschdom, tegelijk met de totale massa der menschelijke

ligchamen, vertragende en eindelijk niet meer noemenswaardig toenemen

[61].

Op blz. 9 en 18 hebben wij gezegd, dat de verschillen tusschen

de op natuurlijke wijze ontstane rassen, waaronder ook de

menschenrassen behooren, bepaald worden door de verschillen

hunner levensomstandigheden in verband met die tusschen de grond

en luchtgesteldheid, en op blz. 26, dat de verschillen in lucht

en grondgesteldheid, naarmate de beschaving klimt, van minder

invloed zijn op de menschen, zoodat, zie blz. 9, de verschillen

tusschen de thans bestaande menschenrassen geringer moeten zijn

dan tusschen die aanwezig, toen het menschdom ontstaan is. De thans

bestaande verschillen zijn echter grooter dan door de verschillen

in lucht en grondgesteldheid der woonplaatsen der onderscheidene

menschenrassen gewettigd wordt. Zoo kan men bijv. kwalijk aannemen,

dat de organisatie van menschen, zich geschikt hebbende naar

het tropische klimaat van Afrika, de neger en die van menschen,

zich geschikt hebbende naar het tropische klimaat van Amerika, de

roodhuidentype heeft voortgebracht. De verschillen tusschen de thans

bestaande menschenrassen moeten aldus, zie blz. 24 voor een deel

de gevolgen zijn van accidentele oorzaken, of wel zij moeten, (zie

blz. 30) voor het ontstaan van het menschdom, door de verschillen in

levensomstandigheden der voorouders der menschen in de verschillende

werelddeelen teweeggebragt, ten gevolge der werking der traagheid,

zie blz. 41 later, te groot gebleven zijn, en dus gedeeltelijk als

iets verouderd beschouwd moeten worden.

Naar ons inzien mag men niet stellen, dat primitief elk der

zoogenaamde menschenrassen een volk heeft gevormd, eene enkele taal

sprekende en later in verschillende natiën gesplitst, daar toch de

toeneming der beschaving (zie blz. 26) juist het tegenovergestelde

namelijk aglomeratie en eenheid te weeg brengt. Elk der zoogenaamde

menschenrassen moet integendeel in een groot aantal onzamenhangende en

verschillende talen sprekende stammen verdeeld zijn geweest en eene

primitieve taal van het zoogenaamde Arische menschenras, naar ons

inzien, evenmin beslaan hebben, als thans eene enkele Australische

Indianentaal. Zoodra echter wilde stammen niet volstrekt vreemd

aan elkander blijven, door bijv. door zeeën, woestijnen, enz. van

elkander gescheiden te zijn, zullen zij bij die plaatsen van onderlinge

aanraking, gebruiken, woorden, enz. van elkander overnemen en zelfs hun

bloed vermengen, en die kruisingen zich alsware van af die plaatsen

van aanraking naar het midden de woonplaatsen van elk der stammen,

zie blz. 12, voortgeplant hebben. Volksverhuizingen hebben er steeds

plaats gehad, stammen hebben, (zie blz. 12) stammen teruggedrongen,

of onder deze hunne woonplaatsen gevestigd en met hen hun bloed,

zeden, taal, enz. vermengd, (zooals bijv. de Normandiërs met de

Anglo-Saxen). Wegens de met de toename der beschaving plaats hebbende

aanwas in bevolking, zal het indringen meer dan het terugdringen

(zooals dat der Mooren uit Spanje) plaats gehad hebben; doch men mag,

naar ons inzien, niet stellen, dat wilde stammen na hunne verhuizing

zeer veel uitgestrekter jagtvelden en weidegronden hebben ingenomen dan

voor die verhuizing. Hetgeen thans in Amerika en Australië plaats heeft

kan toch niet vergeleken worden met hetgeen heeft plaats gehad tijdens

de nederzetting der Germanen in Duitsland en Scandinavië. De Engelschen

en Duitschers leven, wegens hunne hooge mate van beschaving, in hun

vaderland digt opeengehoopt, en vinden aldus in Amerika en Australië

voor hunne behoeften zeer uitgestrekte akkers en vermenigvuldigen

aldaar sterk. Zoo echter, in plaats dat er Engelschen zich in Australië

vestigen, men er Sioux en andere Indiaansche stammen bragt, zou dit

geenszins het geval zijn, en niet veel uitgebreider streken als die

welke deze stammen in de Vereenigde Staten innemen, zouden door de

inboorlingen van Australië op dit eiland, al zij het zelf gedwongen,

(zie blz. 13) aan die Amerikaansche wilden afgestaan kunnen worden.

Bedenkingen tegen de Leer van Darwin Gevolgd door beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen. · 第 9 / 13 题