Het maatschappelijke verkeer maakt niet slechts, door die beschaving

een hoogeren trap te doen bereiken en aldus het doel verder te

stellen, dat wij onze geestontwikkeling sterker moeten vergrooten,

maar tevens door het onderwijs, dat wij geholpen worden om nog sterker

in geestontwikkeling toe te nemen.

Deze zou men kunnen vergelijken met een kapitaal, dat gedurende zekeren

tijd van af circa nul gemiddeld vertragende toeneemt en alsdan renten

afwerpt. Het totale bedrag hiervan is vergelijkbaar met de baten die

iemands geestontwikkeling aan anderen verschaft, en zal, betrekkelijk

het kapitaal, op het oogenblik dat dit ophoudt met renten af te werpen,

meer bedragen naar gelang die renteafwerping langer duurt. Men kan

zich nu voorstellen dat de inspanning, gevorderd voor de vergrooting

van zulk een kapitaal, grooter is dan het nut door het totaal die

renten voortgebragt.

Zoo echter dit totaal minder misbaar is, naar gelang die rente kleiner

is, zal, na zekere vertraging bij de vergrooting van het kapitaal,

het nut, door het totaal der kleinere renten voortgebragt, gelijk

worden aan de inspanning gevorderd voor die mindere vergrooting

van het kapitaal. Dit nu is vergelijkbaar met de grootere behoefte

voor de leden eener maatschappij, wier zedelijke eischen tot zekere

hoogte opgedreven zijn, om van de geestelijke ontwikkeling hunner

medeleden te profiteren, naarmate zij zulks minder doen, of anders

gezegd met de grootere behoefte aan het goede, naarmate het gebrek

hiervan grooter is.

Wordt daarentegen het totaal der renten niet minder misbaar, naarmate

het minder bedraagt, hetgeen te vergelijken is met het op blz. 90

gemelde geval, dat de eischen der beschaving van de maatschappij

tegelijk met geestelijke ontwikkeling van derzelver leden verminderen,

zoo is er geene reden waarom, na het ophouden der renteafwerping,

gedurig zulke kapitalen verloren moeten gaan, en gedurig nieuwe van

meet af aan vergaard moeten worden, zie blz. 85.

Schoonheid bestaat evenzeer als deugd in geschiktheid, doch, terwijl

men iets deugdelijk noemt, wanneer het zekere geschiktheid bezit voor

de omstandigheden waarin het verkeert, zoo noemt men daarentegen iets

schoon, wanneer deszelfs deelen voor elkander geschikt zijn. Voor

volmaakte deugdelijkheid wordt wel is waar dit laatste ook gevorderd,

doch bij zekeren graad er van, kan van iets de geschiktheid der deelen

voor elkander nog al te wenschen overlaten.

Verschillende typen van diervormen vinden wij bijv., wegens de juiste

harmonie der deelen, schoon, maar daar onder behoort niet de vorm der

miereneters, niettegenstaande de organisatie dezer dieren geschikt

is voor het vangen en opslurpen van mieren.

Dit is evenzeer het geval op zedelijk gebied. Men zegt bijv. dat

een deugdzaam mensch eene schoone ziel bezit, doch het komt ons

voor dat het beter is te stellen dat eene schoone ziel zulk eene is,

wier eigenschappen goed met elkander overeenstemmen en voor elkander

geschikt zijn. De geniüs van het kwaad, zooals Milton die geschilderd

heeft, kan bijv. kwalijk de bewondering opwekken als door zekere

harmonie bij zijn zedelijken aard, die wij vermeenen morele schoonheid

te moeten noemen.

De werking der traagheid bij veranderlijke en dus ook bij naar de

hoogte strevende wezens, moet, zooals op blz. 53 gezegd is, de harmonie

en geschiktheid voor elkander bij de deelen dier wezens verbreken en

deze noodwendig leelijk maken. De aap, naar het ligchaam half mensch

half dier, het vogelbekdier, van vogel tot zoogdier opklimmende, een

wilde met vederen op het hoofd, een knods in de hand en een pantalon

met souspieds aan de beenen, kwetsen evenzeer het schoonheidsgevoel

als iemand, binnen eene beschaafde maatschappij handelende, zooals

dit bij de wilde stammen gebruikelijk is, het zedelijk gevoel kwetst.

Men dient wel onderscheid te maken tusschen het schoone, of de

innerlijke harmonie van iets, het goede, of de geschiktheid van iets

voor hetgeen waarmede het in verband is, en de verhevenheid, of het

behooren van iets bij hoogere phasen van bestaan.

Zoo noemen wij bijv. eene uitmuntende geteekende mestvaalt, waarin

een varken wroet, eene goede, maar geene schoone en nog veel minder

eene teekening van verheven genre. De getrouwheid der afbeelding

geeft deze zekere geschiktheid voor ons en maakt haar aldus goed,

doch eene verzameling van allerlei vuil en heterogene vodden kan

kwalijk gezegd worden innerlijk harmonisch te zijn, terwijl het

wroetende varken naar het grove dierlijke terugtrekt.

Wegens op blz. 64 gemelde de werking der traagheid binnen onze

veranderlijke wereld, kan evenmin iets innerlijk volmaakt harmonisch

zijn als precies passen voor alles waarmede het in verband komt. Bij

het eene kan het eerste en bij iets anders het laatste meer het geval

zijn en volmaakter zal iets zijn naarmate deugd en schoonheid beide

in hoogere mate er in vereenigd zijn.

Het streven naar de hoogte van Natuur en Maatschappij maakt verder

dat het schoone en goede in hoogere phasen van bestaan komen. Zoo

staat bijv. de schoonheid van een insect lager dan die van een

vogel, die van eene mosplant lager dan die van eene roos, die van een

vogel lager dan die van een mensch, die van de kleeding en hut eener

negerin lager dan die van het gewaad en woning eener beschaafde dame,

niettegenstaande in elk dier gevallen de betrekkelijke schoonheid even

groot kan zijn. Evenzoo is het met de deugd van zaken gelegen. Die

van een spoorweg staat bijv. hooger dan die van een straatweg,

die van een schietgeweer hooger dan die van een boog, die van ons

burgerlijk wetboek hooger dan de burgerlijke gebruiken der Maories,

die van eene fotografie hooger dan die eener silhouette, die van een

gekleurd en met haren en nagemaakte oogen voorzien wassen beeld, hooger

die van een bronzen beeld, niettegenstaande met betrekking tot hetgeen

waarmede zij in verband zijn, elk dier zaken even goed kan voldoen.

Dit zal daarentegen, wegens de werking der traagheid, minder het geval

zijn bij iets, naarmate men sneller van een lageren tot een hoogeren

trap van deugd tracht te komen en van daar dat bijv. wassen poppen

minder voldoen dan bronzen beelden. De betrekkelijke schoonheid van

zaken zal ook door de sterkte van zulk eene opklimming vermindert

worden, doch ook hierbij de gevolgen dier opklimming zich nog

doen gevoelen, nadat deze geëindigd is, omdat alsdan de werking

der traagheid, waardoor het eene met betrekking tot het andere

achterblijft, door de werking, alles wel met elkander in verband is,

voor elkander geschikt trachtende te doen worden, nog niet geheel

overwonnen is. Zoo zal bijv. wanneer een troep soldaten verspreid

wordt, ten gevolge van zijn snellen gang, eerst zekeren tijd,

nadat de voorste man stilhoudt, de troep weder opgesloten zijn,

en een wilde, in eene op dezelfde hoogte van vrij groote beschaving

blijvende maatschappij gebragt, nog lang te laag ontwikkeld, voor

de omstandigheden waarin hij verkeert, kunnen blijven. Stelt men bij

nevenstaande fig. in plaats der bovenste letter a, a', zoo zullen de

ordinaten der kromme ab voorstellen de graden van beschaving van dien

wilde, zoo hij bij zijne landgenooten bleef en die der kromme a'b'

de graden van beschaving van den kring waarin hij gebragt wordt. De

kromme ab', in dit geval de opklimming in beschaving van dien wilde

voorstellende, zal nu de lijn a'b' eerst eenigzins regts van aa' raken.

Zoo de menschen zich direct voorgesteld hadden om het menschelijke

gelaat volledig af te beelden, dan zou gewis de silhouette hen nimmer

zoo goed voldaan hebben als thans de fotografie ons voldoet, terwijl,

zoo zij zich tot taak stellen om zeer naauwkeurige afbeeldingen

van schoone voorwerpen te maken, deze dezelfde blijvende, hunne

afbeeldingen schooner moeten worden, naarmate die menschen in

kunstvaardigheid toenemen.

Wij vermeenen hiermede aangetoond te hebben, dat de volmaakte

schoonheid en deugd niet in eene veranderlijke wereld en bij

veranderlijke wezens gevonden kunnen worden en voorts dat schoonheid

en deugd, onafhankelijk van derzelver betrekkelijke grootte, op zeer

verschillende standpunten van alsware volstrekte grootte kunnen staan.

Op deze aarde kan de volstrekte grootte, van schoonheid en deugd,

even als die der kennis der waarheid, slechts eene beperkte hoogte

bereiken, en nu kunnen wij ons wel wezens voorstellen, waarbij die

volstrekte grootte van schoonheid en deugd, die van al de werkelijk

bestaande menschen overtreft, doch dit is slechts binnen zekere grenzen

mogelijk, willen zulke wezens voor ons te begrijpen blijven. De oude

Grieken stelden zich hunne goden voor als wezens, niet slechts van

groote ligchamelijke, maar ook van groote morele schoonheid in den

zin als op blz. 97. Dier goden absolute grootte van zedelijkheid

was, toen de Grieken nog barbaarsch waren, nog vrij wel boven die

dezer laatste verheven, doch later toen die Grieken, ofschoon niet

zedelijker met betrekking tot de intusschen verhoogde eischen van hun

zedelijk en maatschappelijk leven geworden, desniettemin in zedelijke

ontwikkeling geklommen waren, konden hunne goden, als voorbeelden

van het goede en verhevene, hen niet meer voldoen. Hunne godsdienst

strekte toen niet langer ter opheffing hunner zedelijke ontwikkeling en

daar zij voortgingen met de eischen van hun maatschappelijk bestaan

te verhoogen, moesten zij deze op eene meer gebrekkige wijze gaan

vervullen.

Buitendien moet (zie blz. 77) bij denkbeeldige goddelijke wezens,

wier geestelijke ontwikkeling men niet beneden die van menschen stelt,

er, evenals bij ons menschen, disharmonie tusschen geest en ligchaam

bestaan, zoo de ligchamen, die goden toegekend, innerlijk harmonisch

gemaakte, of anders gezegd, verfraaide copijen van onze ligchamen

zijn, en aldus, zie blz. 97, wel betrekkelijk, maar weinig of niet

absoluut schooner en verhevener zijn als deze.

Dit hebben de stichters van den Islam begrepen en vandaar hun verbod

om Allah, ofschoon zij dezen menschelijke denkvormen toeschreven,

onder menschelijke gedaante af te beelden. Omdat het ligchaam der

menschen lager staat dan hun geest, voldoet men zooveel mogelijk in

het geheim aan de ligchaamsbehoeften en tracht men voor het gezigt

beider disharmonie te verminderen door het ligchaam gedeeltelijk te

bedekken en wel, naarmate de geest verhevener geacht wordt, door de

ligchaamsvormen meer masquerende gewaden [26].

De absolute grootte van deugd en schoonheid wordt niet alleen

vermeerderd door de hulpmiddelen van hoogere beschaving, zie blz. 97,

maar ook door het passen er van in meer verhevene spheren, in spheren

waarin eene grootere geestelijke ontwikkeling als in het dagelijksche

leven te huis behoort. Het er in ontmoeten der schoonheid, maakt het

treden binnen zulke spheren aantrekkelijker en in zooverre kan men

zeggen dat de schoonheid de menschen naar hooger opvoert. Dat zij

dit steeds van zelf direct doet en afgezien van hetgeen waarbij zij

opgemerkt wordt, vermeenen wij daarentegen te moeten ontkennen.

De harmonie tusschen de verschillende deelen eener zaak wordt

toch teweeg gebragt doordat (zie ons werk get. Over de werking der

Natuurwetten, enz., blz. 501, en het vervolg hierop, blz. 207 en

414), elk dier deelen het gemiddelde is van de overeenkomstige deelen

van overeenkomstige zaken, omdat bij die gemiddelden accidentele en

grillige afwijkingen gemist worden.

Wanneer er nu bij zaken sprake kan zijn van hoogere en lagere vormen,

zullen die bemiddelden evenmin naar de laatste als naar de eerste

hellen. Zal bijv. een menschelijk ligchaam, wiens deelen, indirect

dienende tot verhooging der geestelijke ontwikkeling van zijn bezitter,

sterk en wiens deelen, meer bestemd voor dierlijke verrigtingen,

weinig ontwikkeld zijn, schoon gevonden worden? Naar ons inzien neen.

Zijn de talen der meest beschaafde volken de zuiverste en van de

regelmatigste constructie? Eigent zich fraaije stijl het beste

voor het uitdrukken van diepzinnige denkbeelden, van verhevene

wetenschap? Wordt de aanschouwing van den sterrenhemel, van een tal

van lichtende werelden (gedurende den spreekwoordelijk leelijken

nacht), bij uitnemendheid schoon gevonden? Worden de Gothische kerken

schooner gevonden dan de met de weinig verhevene godsdienst der oude

Grieken zoo in harmonie zijnde tempels van het oude Hellas? Op dit

alles vermeenen wij dat ontkennend geantwoord moet worden. [27]

Dat de harmonie der deelen van tafereelen ontstaat doordat die deelen

in den gemiddelden toestand verkeeren van die bij andere dergelijke

tafereelen, wordt bijv. aangetoond bij die van stormen. Om het tafereel

hiervan schoon te doen zijn moet toch eene bewolkte en driftige en

geene heldere lucht zich boven eene onstuimige zee bevinden.

Het daarstellen van schoone gewrochten is aldus eene bijzondere soort

van geschiktmaken van het een voor het ander. De kleêrmaker, die een

rok voor iemand pas maakt, de staatsman, de constitutie van een staat

zamenstellende en Phidias toen hij de majesteit van den Dondergod door

een marmeren blok trachtte uit te drukken, zij allen doen dit; terwijl

de burgerman, die den edelman nabootst en zich hierdoor belagchelijk

en ongelukkig maakt, even goed aan den drang vooruitgang gehoorzaamt,

als Columbus toen deze de Spanjaarden naar Amerika leidde en dien

ten gevolge Spanje van de noodige inwoners beroofde en als iemand,

die het voorvaderlijk geloof verzaakt en zijn geest te gelijk met

twijfel en met philosophische bespiegelingen vult.

Dat er nu in elk dier tweede soort van gevallen een tijdelijk kwaad

geboren wordt, ontstaat, zooals reeds op blz. 68 gezegd is, ten

gevolge der werking der traagheid bij overgangen.

Hoe, ten gevolge hiervan, vooruitgang het schoone benadeelt,

bemerkt men bijv. aan de klagten geheven over het bederven van

landschappen door fabrieken, over het gemis aan schoonheid der

Protestantsche eerdienst, over het ondichterlijke dat er in gelegen

is om bijv. per spoorweg te Athene te komen enz. Zoo echter deze

stad eenmaal de bloeijende hoofdplaats van een bedrijvig volk wordt,

zal een spoorwegstation er evenmin misstaan als in vele oude en thans

bedrijvige steden van Europa.

De neiging tot het geschikt maken van het een voor het ander kan

zich veropenbaren, als teedere liefde voor bloedverwanten, die men,

met opoffering van vooruitzigten, niet wil verlaten; als practisch

gezond verstand, dat doelmatigheid boven theoretische volkomenheid

en verhevenheid verkiest; als huisbakken bekrompenheid slechts kleine

belangen trachtende te bevredigen; als lage zelfzucht slechts zoekende

eigengenot in het heden te verkrijgen.

De neiging tot vooruitgang kan zich daarentegen veropenbaren,

als opofferende liefde voor menschheid, wetenschap en geloof; als

verstandelijke bespiegeling over verhevene en duistere onderwerpen;

als onpractische plannenmakerij; als dwaze naäperij van maatschappelijk

hooger verheven personen. [28]

Het is er aldus (zie blz. 83) verre van af, dat aan den drang

tot geschiktmaken en aan dien tot vooruitgang steeds op eene wijze

toegegeven wordt in het welbegrepen en aldus ruim opgevatte heil der

maatschappij zijnde.

Achteruitgaan en tevens het een voor het ander ongeschikt maken,

doen de menschen nimmer tegen beter weten in; en, wanneer dit door

hun toedoen gebeurt, vermeenen zij dat, men, door te sterk en op

verkeerde wijze vooruitgegaan te zijn, de geschiktheid van het een

voor het ander geschaad heeft.

Geschikt houden is in het algemeen, ofschoon niet geheel teregt, het

doel der conservatieven, de vooruitgang het doel der liberalen. (Zie

blz. 73.)

Tusschen het toegeven aan beiderlei soorten van drang moet eene

behoorlijke en van de omstandigheden afhangende verdeeling gemaakt

worden, bij het voorschrijven van zedelijke beginselen, zie blz. 83,

bij het onderwijzen, zie, blz. 76, bij het voeren van strijd en het

bestaan van bescherming en regeling op verschillend gebied enz. [29]

De drang tot geschiktwording van het een voor het andere veroorzaakt

bijv. dat de aan wilde volken gepredikte Christelijke godsdienst bij

hen van lieverlede verbastert, dat is wel, door hooger als deze te

zijn, de beelding van zulke volken wat verhoogt, maar zich te gelijk,

door te dalen, op de hoogte hiervan stelt. Wel zal dan die invoering

der Christelijke godsdienst bij zulke volken hunne beschaving wat

verhoogen, doch die verhooging er niet alleen aan te danken zijn,

dewijl er bij de rest hunner beelding (zie blz. 47) eene eigen impulsie

tot verhooging bestaat. [30]

Bij de menschen wordt de aard hunner godsdienst bepaald door hun

graad van intellectuele ontwikkeling, door de eigenaardigheden van

hun karakter, den aard van het land dat zij bewonen, hunne omgeving,

benevens door accidentele omstandigheden.

Van elk dezer laatste kan de invloed niet blijvende zijn, doch daar er

gedurig nieuwe accidentele omstandigheden, van invloed op der menschen

godsdienstbegrippen, ontstaan, zoo zal er hierbij op den duur een

zeker van aard veranderend deel het gevolg van het toeval zijn.

Het in zulke deelen bevatte zal echter, even als de op blz. 22 gemelde

door het toeval ontstaande afwijkingen bij de organisatie der dieren,

gemiddeld ten nadeele werken, en aldus het geheel der godsdienstige

begrippen van elk mensch, noch voor dezen, met betrekking tot zijne

beelding gemiddeld geschikter maken, noch gemiddeld nader tot de kennis

van hetgeen werkelijk op buitenzinnelijk gebied bestaat, brengen.

De invloed der omgeving baart zekere ofschoon vaak geringe gelijkenis

tusschen de godsdienstige begrippen van met elkander verkeerende

menschen, en op blz. 9 hebben wij aangetoond hoe deze zich in groepen

splitsen, waarvan elk gezegd wordt tot zekere secte te behooren. De

grootte dezer wordt, even als die der rijken, door de geographische

gesteldheid der landen, het verkeer en den aard der menschen, den

aard der godsdiensten benevens door accidentele oorzaken (zooals

bijv. accidentele grootere of kleinere gelijkvormigheid in opinie)

bepaald. In het algemeen nemen zij, even als de rijken, in grootte

toe naarmate de beschaving zulks doet.

Overigens brengen veranderingen bij dien invloed der omgeving der

volwassen menschen, bij de godsdienstige begrippen dezer accidentele

afwijkingen naar alle kanten van de godsdienstige begrippen, welke

zij, zonder het bestaan dier invloeden, zouden bezitten. Deze zijn

te vergelijken met die op onze daden ten gevolge der raadgevingen

der menschen, waarmede wij achtervolgens te doen krijgen.

Die onderscheidene oorzaken, de accidentele uitgezonderd, bepalen

de religieuze begrippen der menschen geheel onafhankelijk van

de leering en daden der stichters der godsdiensten. Zoo belijden

bijv. voornamelijk de Germaansche volken de Protestantsche godsdienst,

wegens de hoogte waartoe hunne beelding op het einde der middeleeuwen

gestegen was, benevens wegens hunnen grooteren ernst en minder

zinnelijk karakter dan de Latijnsche en Slavische volken. Het deel

hunner godsdienstige begrippen niet het gevolg hiervan, maar van

hetgeen er buitendien van de leer der hervormers overgeleverd is, kan

als iets toevallig beschouwd worden en moet van lieverlede verdwijnen.

Men bedenke toch dat, wanneer zoo iets door eene constante oorzaak

wordt voortgebragt, niet enkele, maar zeer vele menschen in dien

geest werkzaam zijn, zoodat, bij gemis dier enkele voorgangers, de

menigte het werk verrigt, voor zooveel die arbeid levert hetgeen die

constante oorzaken tot gevolg kunnen hebben.

Die arbeid der achtervolgende generatien is grooter dan men denkt

en zou bijv., al hadden de stichters van het Christendom nimmer

bestaan, de meer verheven begrippen betreffende de betrekking van

God tot de menschen, de pligten en roeping dezer enz., waardoor het

Nieuwe Testament zich van het Oude Testament en van het Neoplatonisme

enz. onderscheid en hooger dan deze staat, stellig voortgebragt hebben,

omdat de aard en toename in geestontwikkeling der bewoners van het

Romeinsche rijk tijdens het verval der Romeinsche staatsgodsdienst

hiertoe leidde, maar dat die menigte tot de bijzonderheden der

Christelijke dogmas, bij onstentenis der vinders dezer, zou gekomen

zijn, is daarentegen zeer onwaarschijnlijk. [31]

Die bijzonderheden zijn aldus gewrochten van het toeval, zooals

alles wat in iemands geest opkomt, gelijkslachtig is met hetgeen tot

vergrooting der kennis van het menschdom kan strekken, en later niet

opkomt in den geest van eene menigte andere menschen te zamen genomen,

zoo al deze in dezelfde omstandigheden als hij gaan verkeeren.

De geniën, welke, door een toevalligen loop der omstandigheden, in de

zending, welke zij zich opgelegd hebben, zeer goed slagen, (voorzeker

de minderheid hunner) vervullen dan ook de noodzakelijke behoeften der

menschheid iets eerder, maar op eene meer gebrekkige wijze, dan dit bij

hun gemis later gebeurd, en het lot dier nakomelingschap hangt alzoo

niet af van het broze bestaan dier enkele. Van daar ook dat zij, welke

dit anders begrijpen, zulke geniën als door God speciaal bestemd en

bewaard achten voor zulke zendingen, een begrip onvereenigbaar met de

eenvoudigheid der Natuurwetten en aldus van supranaturalistischen aard.

De bij de menschen bestaande godsdienstige begrippen, bepaald wordende

deels door accidentele oorzaken, deels door dier menschen aanleg,

karakter en woonplaats, aldus door dergelijke oorzaken als die der

beschaving, zoo dienen die godsdienstige begrippen bij de volken van

grooteren aanleg gedurende denzelfden tijd meer dan bij die van minder

aanleg in ontwikkeling en verhevenheid gestegen te zijn, er op aarde

te gelijk religieuse begrippen op allerlei graden van ontwikkeling

te bestaan, en in het verleden ook het geval geweest zijn, maar,

naarmate men in dit verleden verder achterwaarts gaat, de hoogst

ontwikkelde der religieuse begrippen, gedurende elk tijdstip omhelsd,

gemiddeld in verhevenheid lager te staan.

Dit is dan ook het geval, want bijv. zijn bij de Europeanen gedurende

de laatste achttien eeuwen de religieuse begrippen in verhevenheid

veel meer gestegen dan bij de Hottentotten en zelfs dan bij de

Bedouinen, ofschoon deze gedurende dien tijd van het heidendom tot

den Islam geklommen zijn. Voorts bestaan thans op aarde de geheel

op wijsgeerigen grondslag berustende godsdienst-begrippen bezittende

vrije Duitsche gemeenten, wilde stammen, wier godsdienst het plengen

van menschenbloed voorschrijft, en volken met godsdiensten op allerlei

trappen tusschen die beide ingelegen.

Gaat men in het verledene achterwaarts, zoo ontwaart men een paar

eeuwen geleden als hoogste godsdienstbegrippen die van het orthodoxe

protestantisme, vier eeuwen geleden, die van het catholicisme,

negentien eeuwen geleden, die van het mozaïsme en van het wordende

neoplatonicisme.

Toen het gansche menschdom op den laagsten trap van beschaving stond,

was het verdeeld in eene menigte in geestelijken aanleg verschillende

kleine stammen. Bij uitzondering zijn er van die stammen uitgestorven,

doch meestal hebben zich, naarmate, bij verhooging hunner beelding,

er meer geest van zamenwerking tusschen de menschen ontstond, zich

eerst tot kleine en later tot grootere, volken gegroepeerd. Elk dier

volken vormde niet altijd een staat of eene politieke eenheid, maar

deszelfs leden waren door taal, zeden, wetten, godsdienst, benevens

door veelvuldiger onder elkander dan met leden van andere volken

gesloten huwelijken, met elkander verwant, en splitste zich somtijds,

zooals bij het vormen van kolonien, in verschillende van lieverlede

zich van elkander vervreemende deelen. Het bovenstaande, kan nu

(zie blz. 33) voorgesteld worden door eene menigte stamboomen,

sneller groeijende naarmate de aanleg der stammen of volken

grooter was (somtijds zal deze, zoo als bij vermenging van hoogere

met lagere rassen, den gemiddelden van die van beide geworden

zijn) en dan zamengroeijende en dan zich in verschillende takken

splitsende. [32] De bovenste einden dier takken en stammen zullen

dan de thans bestaande volken (wel te onderscheiden van staten) en

de distantie dier verschillende uiteinden tot den bodem, de graden

van beschaving dier volken aanduiden. Zoo nu van elk dezer de leden

dezelfde godsdienstige begrippen aankleefden, zouden die takken en

stammen tevens den groei dezer begrippen voorstellen. Het Britsche

rijk en deszelfs koloniën zou bijv. bevatten catholieke Ieren,

angelicaansche Engelschen, presbyteriaansche Schotten, mozaïsche

Israëlieten, mohamedaansche Maleijers, brahmmaansche Hindoes,

boedhisthische Singalezen, zonvereerende Parsen enz.

Het bezit van dezelfde godsdienst door verschillende dier volken

zou dan niet als eene zamensmelting van derzelver stamboomen moeten

beschouwd, maar meer met het bezitten van dezelfde wetten moeten

vergeleken worden en de bekeering van een volk tot eene andere

godsdienst, onder behoud van sporen der vorige, met het enten van

buiten aangebragte wetten op oude vergelijkbaar zijn en aldus niet

als eene verandering van stamboom aangemerkt moeten worden.

Die onderscheidene religieuse begrippen van volken zullen nu,

even als de diersoorten, onder den invloed zijn van een drang tot

geschiktwording, een drang tot vooruitgang en de werking van het

toeval.

Het geschikt worden der organisatie der dieren voor hunne

levensomstandigheden, benevens het geschikt worden der verschillende

deelen dier organisatie voor elkander, wordt bij die religieuse

begrippen der volken vervangen door het harmonisch worden derzelve

met de beschaving en aard dier volken en met het goed bij elkander

passen der verschillende deelen dier begrippen, zoodat zij te zamen

een harmonisch geheel vormen. Die geschiktheid of betrekkelijke

volmaaktheid der godsdienstige begrippen neemt aldus volstrekt niet

toe met derzelver wetenschappelijke waarheid van voorstelling van

hetgeen in tijd en ruimte op buitenzinnelijk gebied bestaat. Bij

onbeschaafde volken moeten zij bijv. eenvoudig en zinnelijk zijn om

voor hen geschikt te zijn en dit maakt bijv. dat men niet in elke

omstandigheid welke ook dwalingen moet bestrijden. Hierdoor zou

meer dan wenschelijk is den vooruitgang ten koste der geschiktheid

begunstigd worden.

Even als bij de organisatie der dieren, bestaat er ook bij

die begrippen een drang tot vooruitgang waardoor zij echter in

het algemeen niet te hoog voor den graad van beschaving der volken

worden, omdat hierbij ook een dergelijken eigen drang tot vooruitgang

bestaat, waardoor zij dan trager en dan sneller dan die begrippen

zal klimmen en die godsdienstbegrippen aldus dan voor en dan achter

zich zal laten. Daar echter in het eerste geval die begrippen de

beschaving voor- en deze die begrippen achterwaarts tracht te trekken

en omgekeerd in het tweede geval, kan beider ongelijke snelheid van

vooruitgang door geene constante oorzaak in stand gehouden worden. Bij

vooruitgang dier begrippen zullen echter derzelver verschillende deelen

dit nimmer even sterk doen en van daar dat, naarmate zij sneller

vooruitgaan, de harmonie en consequentie bij het geheel verbroken

wordt. Die verandering moet dan noodwendig twist over en twijfel aan

de verschillende deelen der begrippen benevens splitsing van derzelver

aanhangers in verschillende rigtingen doen ontstaan. In een woord er

ontstaat dan bij hen iets gebrekkigs, dat met gemis aan opsluiting

en rigting van met den looppas gaande soldaten vergelijkbaar is,

maar dat bij trageren voortgang dier begrippen van lieverlede moet

verminderen, daar de drang tot geschiktwording van het een voor het

ander, die begrippen evenzoo op gelijke hoogte tracht te stellen

en voor elkander passende maakt, als het bevel tot opsluiting die

soldaten bij elkander brengt.

Ook zijn die begrippen, even als de organisatie der dieren, aan

de werking van accidentele oorzaken onderhevig en, terwijl bij de

ligchamen der dieren die toevallige bijzonderheden, zoo als bijv. de

bogchels der kameelen, door geslachtsvoortplanting van generatie tot

generatie overgaan, geschiedt dit bij de toevallige bijzonderheden

dier begrippen, door het onderwijs der jeugd.

Hierboven hebben wij reeds gezegd, hoe bij zeker geheel van

godsdienstige begrippen de onderscheidene deelen, even als bij de

organisatie dier diersoorten, op ongelijke hoogte kunnen staan, doch

ook kunnen deelen der organisatie van diersoorten, zonder hooger

of lager dan de rest te staan, buitengemeen ontwikkeld, vervormd

of gereduceerd zijn. Somtijds maakt zoo iets zulke diersoorten

geschikter voor hunne levensomstandigheden, doch somtijds is het

deels eene toevallige en aldus door den drang tot geschiktwording

voor die levensomstandigheden van lieverlede weggenomen wordende

wanstaltigheid. Evenzoo bij de godsdienstige begrippen. Zoo vindt men

bijv. bij die van het oude Israel het bestaan van een volksgod zeer

sterk en dat der zielsonsterfelijkheid zeer zwak uitgedrukt. In zekere

mate kan dit geschikt zijn geweest voor een volk, waarbij het individu

zoo sterk in het volksbestaan opging als bij de oude Israelieten,

doch deels was het ook eene door het toeval ontstane wanstaltigheid,

die, wel is waar, door het geloof aan eene regtvaardige vergelding der

daden en geschikte rolsverdeeling gedurende dit aardsche leven, wel min

of meer bedekt bleef, doch bij de latere Israelieten desniettemin van

lieverlede verminderd werd. Evenzoo kan men zeggen dat het fatalisme

wel min of meer eigenaardig is bij een volk van een passief en het

begrip van een volstrekte wilsvrijheid bij dat van een actief karakter,

doch beide stellingen zijn niettemin accidentele afwijkingen van

het juiste.

De stelling, dat, wat men ook denkt of doet, eene zaak zal uitvallen

zoo als dit vastgesteld is, leidt tot moedeloosheid, die, dat men

eene zaak goed of slecht kan doen uitvallen, naarmate men zus of zoo

verkiest te denken, tot overmoed. [33] De aanhangers der absolute

wilsvrijheid stellen eigenlijk dat de loop der verschijnselen oneindig

zamengesteld is, zoodat zij met geene mogelijkheid te ontwarren en te

voorzien is; de fatalisten daarentegen, dat de loop dier verschijnselen

eenvoudiger is dan in waarheid. Zij maken van de menschen alsware

inerte blokken wier aaneenschakeling van denkbeelden van geen invloed

is op hetgeen bij hun ligchaam door anderen waargenomen wordt plaats

te hebben.

Evenals de dieren zoo handelen, dat zij van de gebreken hunner

organisatie zoo min mogelijk hinder hebben, zoo verzaken de aanhangers

van dergelijke eenzijdige begrippen deze grootendeels in het practische

leven.

Dit is zelfs het geval bij hetgeen wel eens door de godsdienst als

maatschappelijken plicht voorgesteld is. De christenleeraars vermanen

bijv. niet hunne gemeenteleden aan om zich te laten vertrappen, of

om te zorgen dat ieder hunner even rijk blijft. Voor de toeneming

der ontwikkeling van het menschdom is het toch noodig, dat men tracht

door arbeid in vermogen toe te nemen en dat men voor zelfverdediging

zorg draagt. Er bestaan dan trouwens ook maar weinig christenen welke

dit niet aldus opvatten en de slagtoffers worden van de naauwgezette

opvatting hunner godsdienstleer.

De anatomisten hebben bevonden dat de hoofddeelen der ligchamen der

dieren volgens een grondtype, bij de hoofddeelen van al de andere

diersoorten terug gevonden wordende, gevormd zijn. In dergelijke

gevallen verkeeren bijv. het hoofd, het hart, het zenuwstelsel,

de ledematen enz. Naarmate de organisatie der diersoorten lager

is, bevinden die deelen zich in een meer rudimentairen toestand en

buitendien verschillen die volgens denzelfden grondtype gevormde

deelen ook als derzelver organisatie ongeveer even hoog is, zooals

bijv. de voorpooten van honden en de vleugels van vleermuizen.

Iets hiermede overeenkomende ontwaart men bij de verschillende

godsdienstbegrippen der volken. Bij elk dezer kunnen toch die begrippen

in drie deelen verdeeld worden, namelijk: 1º. die over God met of

zonder ondergoden en hooger dan den mensch zijnde wezens, 2º. die

over de zielsonsterfelijkheid, 3º. die over het werelddoel.

Elk dezer deelen vindt men bij de godsdienstbegrippen van alle volken

in meer rudimentairen toestand, naarmate die begrippen bij eene lagere

geestontwikkeling passen en buitendien met elkander verschillende,

wanneer zij, over het geheel genomen, op gelijke hoogte staan. Zoo

staat bijv. het christelijke godsbegrip hooger dan dat der Israelieten

van voor 3000 jaren, doch of het hooger staat dan het werkelijke der

thans bestaande Israelieten is de vraag. In sommige opzigten misschien

wel, doch in andere opzigten zal welligt het Israelitiesche godsbegrip,

wegens deszelfs strenger monotheïstisch karakter en het stellen dat

God niet onder menschelijke gedaante kan afgebeeld worden, het in

verhevenheid winnen.

In zooverre zij door het karakter, den graad van beschaving en den aard

der woonplaats der volkeren bepaald worden, zullen zulke verschillen

bij die godsdienst begrippen door eene constante oorzaak in stand

gehouden worden, doch voor de rest zijn zij accidenteel en zullen zij,

door de op blz. 20 gemelde constante oorzaak van geschiktwording van

lieverlede weggenomen worden.

Naarmate de geestontwikkeling der menschen grooter is, worden die

godsdienstbegrippen gemiddeld niet slechts meer verheven, maar moeten

zij, naar ons inzien, ook meer bevatten van hetgeen op buitenzinnelijk

gebied werkelijk bestaat, zonder evenwel, wegens de beperking welke

de aard hunner woonplaats aan de vergrooting der geestontwikkeling

der aardsche menschen stelt, die waarheid op dit gebied ooit geheel

en zuiver te kunnen bevatten.

Zelfs bij de minst ontwikkelde menschen overtreft de bewuste

aanschouwing der dingen ver die der dieren. Zij zien niet slechts dat

de lucht schijnbaar een gewelf vormt, dat zon en maan daarop groote

lichtende plekken en de sterren kleinere plekken vormen, dat het licht

van de zon komt, dat de aardbodem, bergen en dalen niet in achtgenomen,

plat voorkomt, dat zon en maan het uitspansel doorloopen van horizon

tot horizon, maar zien dit met bewustheid, dat is zij merken het op en

prenten het in hun geest. Hoe is het nu mogelijk dat zulke door hunne

zintuigen bedrogen menschen niet stellen dat de aarde plat is, dat zon

en maan bewegen, dat de sterren zijn lichtende punten, vastgehecht

aan het uitspansel enz.? Kunnen zij reeds dadelijk opmerken, dat de

voorwerpen bij den horizon duiken, dat, naarmate voorwerpen hooger

gelegen zijn, zij, wanneer men zich verplaatst, meer mede gaan, zoodat

de hemelligchamen, dit in de hoogste mate doende, uiterst ver moeten

liggen, neen zoo naauwkeurig kunnen zij eerst later opmerken.

Kunnen zulke menschen denken, wij zijn onbekwaam om door opmerking en

redenering over den aard der hemelligchamen iets vast te stellen,

wij schorten ons oordeel op? Neen zoo iets kan slechts gedaan

worden, wanneer de ondervinding aangetoond heeft, dat vroeger

gedane waarnemingen en daarop gebouwde begrippen onjuist zijn. De

naauwkeurigheid der opmerkingen en die der daarop gebouwde redeneringen

en stellingen staat tot bewuste aanschouwing der dingen in dezelfde

verhouding als de organisatie der diersoorten tot de omstandigheden

waarin deze verkeeren. Hoe sneller deze verhoogd zijn, hoe meer zie

blz. 31 die organisatie te wenschen zal overlaten en eveneens, hoe

sneller de bewuste aanschouwing der dingen zich uitbreidt, hoe meer

dwaling der menschen begrippen zullen bevatten. De veranderlijkheid is

aldus, wegens de werking der traagheid, bij gebrek aan tijd, evenzeer

de moeder der dwaling als die der betrekkelijke onvolmaaktheid.

Zoo aldus de bewuste aanschouwing van menschen bijna steeds op eene

zelfde zeer beperkte hoogte bleef, zou eindelijk dit effect der

traagheid bijna vernietigd moeten worden en de menschen bijv. wel

van den aard en den loop der hemelligchamen zeer weinig afweten,

maar daaromtrent bijna geene dwalingen aankleven. Hunne dan door

geene noemenswaardige overmaat van bewuste aanschouwing alsware

omhoog getrokken en alzoo bijna niet meer toenemende sterrekundige

kennis zou tot die onzer hedendaagsche astronomen bijv. staan

als de organisatie van een laagstaand, maar vroeger zeer traag

in ontwikkeling gestegen dier, bijv. een oester, tot die van een

veel hooger staand, maar sneller in ontwikkeling toegenomen dier,

bijv. een paard. Even als nu, wegens die snellere ontwikkeling, de

organisatie van dit dier betrekkelijk onvolmaakter is dan die van

den oester, zoo zou de astronomische kennis van bovengemelde bijna

niet in geestontwikkeling stijgende menschen minder dwaling dan die

der hedendaagsche sterrekundigen moeten bevatten [34].

Dit zal daarentegen het geval niet zijn met de kinderlijke

astronomische begrippen der werkelijk bestaande of bestaan hebbende

zeer onbeschaafde volken, omdat de bewuste aanschouwing der dingen

bij hen niet in elk geval trager toeneemt dan bij de beschaafde volken.

In het naauwste verband met de bewuste aanschouwing staat de

verbeelding. Deze rigt in der menschengeest gebouwen op, en het

verstand komt later deze verbeteren, wijzigen en zelfs gedeeltelijk

afbreken [35]. Hoe grooter de verbeeldingskracht eener natie is, hoe

sterker derzelver bewuste aanschouwing der dingen in uitgebreidheid zal

toenemen, hoe meer dwalingen zulk eene natie zal aanhangen, maar ook

hoe sneller die toename der bewuste aanschouwing de wetenschappelijke

kennis zal verhoogen [36]. Gebrek aan verbeeldingskracht is bijv. de

oorzaak dat de wetenschappelijke kennis der Chinezen zoo langzaam

stijgt en tevens dat deze zoo arm aan mythen en zoo weinig bijgeloovig

zijn.

Omgekeerd zal gebrek aan oordeel en kritiserend verstand maken, dat

de wetenschappelijke kennis moeijelijker voortgaat, en dit de toename

in uitgebreidheid der bewuste aanschouwing vertragen. Waar dit nu

het geval is, zal de vooruitgang, zoo in bewuste aanschouwing als in

kennis, even als in het vorige geval, traag zijn, maar, in plaats

dat de laatste weinig bij de eerste ten achteren zal zijn, zoo als

in het eerste geval, zal zij zulks veel zijn. Zulke volken paren een

bijna stationnairen intellectuelen toestand aan rijkdom van mythen;

terwijl daarentegen volken van scherp verstand en tevens van veel

verbeeldingskracht, (zooals bijv. de oude Grieken) snel voorwaarts

gaan in kennis en tevens rijk aan mythen zijn.

Was de bewering der Atheïsten, dat alle begrippen omtrent

de zielsonsterfelijkheid, het werelddoel en den oneindigen

onveranderlijken geest, buiten der menschen en dieren geesten

bestaande, geheel het werk der verbeelding en valsch waren, juist zoo

zou der menschen verstand deze niet gebaat hebben om, bouwende op de

ervaring op zielkundig en ander gebied, het werk hunner verbeelding

te achtervolgen en alsware te verbeteren. De middelste der drie

bovengemelde gevallen zou alsdan in zeer geprononceerde mate bestaan

en aldus die begrippen als werk der verbeelding slechts een lagen

trap van ontwikkeling hebben kunnen bereiken, even als bijv. de

organisatie van dieren, zoo deze zich hoegenaamd niet naar hoogere

levensomstandigheden kunnen schikken.

Welk een verschil neemt men daarentegen waar tusschen de godsdienstige

begrippen der fetischdienaars en der menschen van het steenen

tijdperk en die van sommige wijsgeeren en in den jongsten tijd ook

van vrijzinnige godsdienstleeraars.

Uit het voorgaande volgt, dat, naarmate de godsdienstige begrippen

in verhevenheid klimmen, zij niet altijd minder dwaling zullen

bevatten. Wanneer de bewuste aanschouwing het sterkste toeneemt,

zullen die dwalingen gemiddeld op een maximum zijn, en, zoowel in

het verledene als in de toekomst, verminderen, even als bijv. bij

zeer kleine kinderen het vallen voor en na zekeren leeftijd zulks

doet, en wij vermeenen dat de protestanten dit keerpunt reeds achter

zich hebben.

Bleef de geestontwikkeling van een volk steeds op dezelfde hoogte

en bestonden er (zie blz. 68) geene storende en verandering

aanbrengende accidentele oorzaken, zoo zouden eindelijk zijne

godsdienstige begrippen, door de volledige achterhaling van het werk

der verbeelding door dat van het kritiserende verstand, niet alleen van

(zie blz. 104) door het toeval, maar ook van door constante oorzaken,

zooals zinnelijkheid, bekrompenheid enz. ontstaande dwalingen gezuiverd

worden. In plaats van met dwalingen vermengde en op eene gebrekkige

wijze uitgewerkte waarheden te bevatten, zouden zij slechts uit zuivere

waarheden bestaan, maar deze, even als, zie blz. 115, de astronomische

begrippen van zulk een volk zeer rudimentair kunnen zijn [37].

Bij het voorgaande moeten bij de dwalingen, door de verbeelding bij

bewuste aanschouwing der dingen voortgebragt, gevoegd worden, die

geboren door onzuivere redeneringen, waarmede men meent den aard der

dingen op eene wetenschappelijke wijze te verklaren. Vandaar dat het

maximum der dwalingen, dan niet alleen, uit wat men mythen kan noemen,

bestaande, eigenlijk eenigzins later zal bestaan dan tijdens dat de

bewuste aanschouwing op het sterkste toeneemt, en dat eindelijk ook de

uitbreiding van het veld van bespiegeling minder nieuwe dwalingen ten

gevolge zal hebben, dan er oude door de kritiek weggenomen worden [38].

Onder die dwalingen, door constante oorzaken bij de godsdienstbegrippen

teweeggebragt, behoort de speciale en directe goddelijke

veropenbaring. Deze dwaling zal in kracht afnemen, naarmate de

voorstellingen van den aard en de werking van het Opperwezen minder

gebrekkig worden. Integendeel doet de met de beschaving toenemende

behoefte aan godsdienst haar in kracht toenemen. Beneden zeker

standpunt van ontwikkeling der godsdienstbegrippen schijnt het laatste

en na dien het eerste de overhand te hebben. Hunne bewuste aanschouwing

van hetgeen in de natuur voorvalt buiten de ten gevolge hunner eigen

denking ontstaande handelingen en arbeid, moest de op lagen trap

van geestontwikkeling staande menschen leiden om zulke voorvallen,

even als hunne eigen handelingen, te stellen, het gevolg te zijn

van denking, maar van denking van magtige, onsterfelijke ofschoon

menschelijke denkvormen bezittende wezens zie blz. 4.

Dat die Goden der wilden ons zoo weinig zedelijk voorkomen spruit

hieruit voort, dat bij volken, waarbij den maatschappelijken band

zeer zwak is, wat wij onregt, willekeur en wreedheid noemen, veel

minder schaadt dan bij ons. De vergrooting der geestontwikkeling

der individuen kan bij wilden slechts door lagere soorten van strijd

geschieden en het is klaar dat zulke wilden niet hunne goden kunnen

modelleren naar de behoeften van maatschappelijke toestanden ver

boven de hunne verheven.

Tot het begrip van een eenigen God kunnen door eigen ontwikkeling

wilden zich niet verheffen, deels omdat zij de verschillende

natuurverschijnsels niet genoegzaam met elkander in verband weten

te brengen, om zich een eenigen regelaar er van te denken, deels

omdat zij geen eenige wijze van denking slechts Gode waardig weten

te keuren. Zoodra dit laatste plaats heeft vervalt het polijtheisme,

omdat het ongerijmd is om zich verscheidene wezens alle precies op

dezelfde wijze denkende en handelende en aldus als volmaakt identiek

voor te stellen.

Wegens die losheid der maatschappelijke banden en de slechts

vijandelijke gevoelens welke wilden van verschillende stammen

voor elkander koesteren, kunnen menschenoffers niet als voor hen

schandelijke en zeer schadelijke gebruiken gerekend worden. Evenals

toch de zijne jongen zorgvuldig opvoedende arend, andere dieren

die hij magtig kan worden, rooft en moordt, zonder zijne zedelijke

verpligtingen te kort te doen, evenzoo kan de wilde deze vrij wel

vervullen, terwijl hij steeds vijandig optreedt tegen andere stammen

en zelfs tegen andere huisgezinnen. Op hoogeren trap van beschaving en

aldus van gevoel en deelneming voor de menschen in het algemeen staan

bijv. gewis de protestantsche Kaapsche boeren en niettemin achten

deze zich jegens de Kaffers aan bijna niets gebonden en ontzeggen

zij zelfs deze den naam van mensch.

Ofschoon nu de wilde, wegens de bovengemelde rede, andere waarden dan

wij aan de zedelijke daden toekent, wenscht hij echter eene vergelding

dier daden bepaald door de hem er aan toegekende waarde, dat is hij

wenscht dat er billijkheid heersche. De menschen komen hem daartoe

onvermogend voor, de goden moeten te hulp komen en wel, wegens zijne

beperkt inzigt in den tijd, binnen korten tijd, of wel zij laten het

onregt met het oog op een voor de menschen verborgen doel, toe.

In tweederlei opzigten werkt aldus zijn godsbegrip gunstig voor hem,

primo als drijfveer tot het goede, zooals hij dit, met het oog op de

eischen van zijn lagen maatschappelijke toestand, opvat, en secundo

als een drang tot het hoogere, omdat hij zich zijne goden, ofschoon,

wegens zijne beperkte opvatting, naar zijn model geschoeid, als hooger

geestelijk ontwikkelde wezens voorstelt.

In zulk een godsbegrip bestaat er, naar ons inzien, een grond van

waarheid. De billijkheid heerscht, maar niet gedurende een beperkt,

maar slechts gedurende grootst eindig aantal jaren, (zie ons werk get:

Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 131.)

Hij die het goede betracht verheft zijne zedelijke ontwikkeling en

maakt zich geschikter voor hoogere levens toestanden, terwijl hij,

die zich aan het kwaad overgeeft, naar lagere toestanden neigt. Het

onregt bestaat, deels wegens de betrekkelijke snelle verhooging der

eischen van den maatschappelijken toestand, deels wegens de werking

van accidentele oorzaken en beide oorzaken strekken, zie blz. 67, ter

verheffing van de geestelijke ontwikkeling der menschen, ofschoon,

zooals op blz. 68 gezegd is, slechts, in zooverre zulke onregt

teweegbrengende accidentele omstandigheden vereenigt met andere

accidentele omstandigheden beschouwd worden, zij voor zulk een

doel als die geestelijke verheffing kunnen geacht worden bestemd

te zijn. Desniettemin is hij, die de werking der Natuurwetten op

geestelijk gebied niet nagegaan heeft, geregtigd om te zeggen, dat het

bestaan van het onregt zamenhangt met een voor hem verborgen doel. Dat

het opzien naar en het zich wenden tot een hooger wezen geestopheffende

is, zal wel niet ontkend worden, maar bekrompen zijn de begrippen, dat

zulk een wezen qualitatief niet van wijze menschen verschilt, dezelfde

denkvormen als deze bezit, dat zijne werking op de menschen gelijkt

op die van deze op elkander en dat men zich met hem in gemeenschap

kan stellen zoo als de menschen dit onderling doen. Naar ons inzien is

de gemeenschap van ons menschen met het oneindige oerwezen wel in het

duister verborgen, maar veropenbaart zij zich echter hierdoor, dat de

beschouwing van de stoffelijke en geestelijke wereld onzen in het bezit

van zekeren aanleg zijnde geest vraagstukken ter oplossing voorstelt

en ons aldus alsware vragender wijze doet leeren en ten gevolge

hiervan in geestontwikkeling doet toenemen. Geheel de beschaving

en wetenschap van ons geslacht en de toeneming in geestontwikkeling

der menschen gedurende hun leven is hiervan het gevolg. Op blz. 56

hebben wij aangetoond, dat de verhooging der geestelijke ontwikkeling

der wezens door geestinspannenden strijd geschiedt. Nu zijn hulp en

bescherming zaken voorkomende bij strijd met collectieve handeling

met onderlinge zamenwerking der menschen gepaard gaande en waarvan

dus slechts tusschen de medestrijders onderling sprake kan zijn. Ja

zelfs bij de aldus strijdende maatschappij, wordt, in het belang der

toeneming van hare geestelijke ontwikkeling, bescherming en hulpbetoon

beperkt. Dit zoeken van hulp en bescherming bij volksgoden, bij

sommige der goden en, bij hoogeren trap van beschaving, bij het eenige

Opperwezen is een gevolg van het op blz. 117 gemelde vooruitloopen

der werking der verbeelding. Hoe sterker de maatschappelijke banden

worden, hoe sterker bij den mensch het denkbeeld van hulpbetoon,

wordt, doch hij blijft ten achteren om, door middel van beredeneerde

beschouwing en doorgronding der dingen, te bepalen bij wie hij hulp

bij arbeid en strijd mag ondervinden om haar vruchtbaar voor zijne

geestelijke ontwikkeling te doen zijn zie blz. 55 [39].

Tot een noemenswaardig begrip der onsterfelijkheid der ziel is de

mensch eerst op een hoogeren trap van geestelijke ontwikkeling en

aldus later gekomen dan tot een godsbegrip. Eerstgemeld begrip is

toch niet in zulk direct verband met zijn heden als dit laatste

en de onbeschaafde mensch houdt zich zeer weinig met de toekomst

op. Buitendien was het gemakkelijker om zon, maan enz. bezield

te achten, dan te stellen dat van den mensch iets anders dan een

bewegingloos lijk kan overschieten.

Bij de wilden, die wijsheid bij verzwakte en oude en daarentegen minder

geestontwikkeling bij krachtige ligchamen bezittende menschen vermeenen

te vinden, onder anderen bij onze voorouders de Germanen, verkregen de

dapperste en krijgshaftigste, dat is in zeker opzigt de (zie blz. 65)

meest geestelijk ontwikkelde onder hen eene eereplaats in den Walhalla.

Reeds dit rudimentaire begrip der onsterfelijkheid der ziel is

een bewijs hoe vroeg de mensch tot het bewustzijn komt, dat wij

in dit aardsche leven wel in zekeren zin ons ligchaam verslijten,

zoodat dit na volbragte taak geene reden van bestaan meer heeft,

maar dat wij in geestelijk opzigt, door werken, strijden en leeren,

iets voor ons eigen ik bekomen, zoodat dit niet behouden blijvende,

dit leven grootendeels zijn doel zou missen.

De onbeschaafde mensch is echter te beperkt van opvatting om zich

een leven hier namaals voor te stellen, waarin men niet ligchamen

bezit op de aardsche gelijkende en met dezelfde zintuigen als deze

begiftigd, waarin niet perpetueel de menschelijke denkvormen en

de menschelijke geestelijke natuur, al zij het in verhevener vorm,

behouden blijven en dat elders dan boven de wolken, of in de diepte

der aarde gesleten wordt.

Trouwens het bestaan van een onnoemelijk aantal werelden buiten

onze aarde, waarvan de meeste tot woonplaatsen kunnen dienen van ver

boven ons verheven wezens, is betrekkelijk kort geleden ontdekt en de

meest gevorderde godsdiensten hebben zich nog niet op de hoogte der

astronomie kunnen stellen. Evenmin hebben zij zich kunnen verheffen

tot het bij sommige wijsgeeren wortelgeschoten hebbende begrip

van eene reeks van toekomstige levens, waarin de gewonnen schat

(namelijk de geestontwikkeling) niet alleen voor roesten bewaard of

behouden, maar ook door arbeid en strijd vergroot moet worden; van eene

reeks van levens, waarin van lieverlede de denkvormen van het wezen

veranderen en meer gelijkslachtig met die van het oerwezen worden,

totdat na een grootst eindigen tijd en grootst eindige vergrooting

der geestontwikkeling, er eene volmaakte oplossing in dit oerwezen

plaats grijpt.

Slechts bij het Boeddhisme wordt die eindelijke oplossing op eene

twijfelachtige en gebrekkige wijze, (omdat zij plotseling geacht

wordt te kunnen geschieden) aangenomen.

Bij de godsdienst der Brachmanen vindt men het zinrijke denkbeeld,

dat hij, die zijne zedelijke ontwikkeling vermindert, zich voor

lagere levensvormen geschikt maakt en deze deelachtig wordt, en

aldus een verband tusschen menschen en dieren, alsmede het begrip

van preexistentie (zie later). In sommige opzigten zijn aldus die

godsdiensten de christelijke vooruitgestreefd, evenals dieren, over

het geheel eene lagere organisatie dan andere bezittende, in sommige

opzigten hooger dan deze staan.

De mensch hecht aan het leven, zelfs dan wanneer zijn door ouderdom

uitgeput ligchaam zijn naderend einde verkondigt en desniettemin

voldoet het leven hem niet, terwijl noch het een noch het ander zou

moeten plaats hebben, zoo het, in plaats van eene leerschool, die men

op allerlei leeftijden en door allerlei toevallen kan verlaten, een

goed voltooiden loopbaan, waarvan al de vruchten achterbleven, vormde.

Hoe minder dit laatste, naar aanleiding van het op blz. 83 gemelde,

het geval is, naarmate bij de maatschappij de geestontwikkeling

en dus ook de beschaving grooter is, hoe meer behoefte men dan

aan duurzaamheid heeft, hoe meer men dan om de toekomst denkt en

hiervoor leeft, in hoe scherper tegenstelling dan met die behoefte

de broosheid van het leven van het ligchaam wordt en hoe inniger het

bewustzijn, dat met dit ligchaam onze geestelijke ontwikkeling niet

kan ten ondergaan, moet zijn. Zoo toch bij hoogere beschaving de kunst

meer hulpmiddelen verschaft om het ligchaam te behoeden, is men dan

ook meer verpligt om in den strijd des levens, in het streven naar

hooger, op de onmetelijke vlakte der zee, in de ingewanden der aarde,

bij werktuigen, bij het minste ongeval verwoesting veroorzakende,

het bestaan van dit ligchaam te wagen, terwijl van den dan gedurende

zijn leven meer leerende mensch de grootere geestinspanning zie bl. 72

en 84 ook vernielender op zijn ligchaam werkt. Ook met betrekking

tot het werelddoel vormt de onbeschaafde mensch zich bekrompen,

maar kiemen van waarheid bevattende begrippen. Zoo bijv. acht hij

dieren en planten voor hem geschapen. Dit nu is (zie bl. 18) niet

juist, maar, wegens de uitwerking der oorzaak de mensch geschikt

trachtende te maken voor de levensomstandigheden waarin hij verkeert,

en de wijzigingen die hij ook, tengevolge dier oorzaak, bij sommige

dier en plantensoorten heeft teweeggebragt bestaat er wel een zeker

verband tusschen zijne behoeften en den aard der dieren en planten.

Ook het nederdalen van Goden op deze aarde om het menschdom in

moeijelijke omstandigheden te helpen is een bekrompen denkbeeld,

doch dat de waarheid bevat, dat in zulke omstandigheden er werkelijk

redding komt, maar van de menschheid zelve die, geprikkeld door het

ongeluk, onder inspanning en vergrooting harer geestontwikkeling de

vereischte hulpmiddelen vindt en in toepassing brengt. Ook behoort tot

de begrippen over het werelddoel die, dat eene opvolging van generatien

elk een leven leidende, zoo rijk aan ramp en teleurstelling als het

menschelijke leven, niet steeds heeft plaats gehad, noch immer zal

voortduren, maar gevolgd is op een zeer gelukkigen primitieven toestand

en, na de totale nederlaag van het genie van het kwaad, eindelijk

zal opgevolgd worden door een niet minder gelukkigen eindtoestand.

Bij dit begrip heeft men dan het oog gehad op een volk, dat eindelijk

de anderen zal overheerschen, dan op eene godsdienst, die eindelijk het

gansche menschdom onder hare banier zal brengen, dan op de menschheid,

die eindelijk het godsrijk zal binnentreden [40].

Laat ons thans zien in hoeverre die begrippen waarheid bevatten.

Op bl. 64 en 67 hebben wij aangegeven dat de veranderlijkheid, de

voorwaarde van allen vooruitgang, wegens de werking der traagheid,

de bron is van alle kwaad, dwaling en onvolmaaktheid, terwijl die

zelfde traagheid de voorwaarde is van alle bestendigheid. Is er nu

in de wereld voor een grootst eindigen tijd eene uiterst kleine

verandering ontstaan, zoo kan eerst toen er op het kwaad in eene

noemenswaardige mate ontstaan en aldus het rijk van Ahriman geboren

zijn. Zoolang echter die veranderingen zeer luttel waren, moest dit

kwaad zulks ook zijn, omdat, even als een zeer traag groeijend kind

gemiddeld steeds weinig uit zijne kleederen zal gegroeid zijn, de

trage verandering van het eene, waarna zich het andere moet schikken,

dit laatste veroorlooft om weinig achterna te komen. Toen echter die

verandering sneller plaats had moesten onvolmaaktheid en kwaad grooter

en aldus Ahriman magtiger worden, doch tegelijk, naar aanleiding van

het op bl. 13 gezegde, de organische Natuur in ontwikkeling sneller

dan vroeger toenemen. Stelt men echter dat, wanneer deze ontwikkeling

eene zeer groote hoogte zal bereikt hebben, de veranderingen weder

trager gaan geschieden, zoo zal alsdan het kwaad weder afnemen, om

bijna niet meer te bestaan wanneer na een uiterst langen tijd die

verandering weder uiterst luttel geworden is.

Na eene eeuwigheid moet dan Ormuzd weder alleen heerschen, doch

er dit verschil met den toestand in het eeuwig verleden aanwezig

bestaan, dat toen die ontwikkeling nul en nu oneindig groot is. Op

deze aarde is echter zoo iets onmogelijk, wegens de gedurige

verandering van in geestontwikkeling toenemende individuen, zie

bl. 82. Dit systema vindt men bij het Parsisme op eene wel is waar

gebrekkige en kinderlijke wijze ontwikkeld, doch het doet dit in zoo

verre staan boven het christendom, dat met eeuwige straffen in de

hel dreigt, niettegenstaande de oorzaak, het eene voor het andere

geschikt trachtende te maken, bij een constanten toestand der hel,

onmogelijk de verdoemden gedurende eene eeuwigheid onvoldaan kan laten.

Een slecht mensch is iemand sterk ten achteren zijnde betrekkelijk

de zedelijke eischen van zijn bestaan, (zoodat slechtheid niet de

tegenstelling van deugdzaamheid in het algemeen, maar slechts van die

met offers gepaard gaande, is). Deze eischen trekken hem opwaarts en,

ofschoon zoo iemand gedrongen wordt naar wijzen van bestaan waarbij

die eischen lager zijn, zoo gaan gemiddeld toch die lagere eischen ook

opwaarts. Zoo zal b.v. een verspilziek beschaafd man wel matroos of

soldaat kunnen worden, betrekkingen waarin men met weinig zorg voor

de toekomst kan volstaan, doch ook de matrozen en soldaten moeten,

naarmate de beschaving klimt, aan hoogere maatschappelijke eischen

voldoen. Stijgen nu deze eischen zeer weinig, zoo moet klaarblijkelijk

een slecht mensch minder betrekkelijk die eischen ten achteren

geraken en aldus betrekkelijk minder slecht worden, en, wanneer die

eischen gedurende uiterst langen tijd bijna niet vooruitgegaan zijn,

niet meer noemenswaardig slecht zijn. Hiertegen zal men aanvoeren dat

zijne finale trap van oneindige ontwikkeling dan kleiner moet zijn dan

bijv. die van een steeds braaf mensch, doch een ieder, in de hoogere

wiskunde ervaren, weet dat oneindige grootheden zelfs oneindig veel

met elkander kunnen verschillen, en dat eene kromme lijn steeds minder

en minder boven de abcissen as kan stijgen en niettemin bij oneindig

groote abcissen er oneindig hoog boven verheven kan zijn.

Naarmate de beschaving stijgt, hechten de menschen meer aan hunne

godsdienstbegrippen, doch begrijpen zij tevens beter dat die begrippen

hen niet direct op goddelijke wijze geopenbaard zijn. Heeft nu,

gedurende de toeneming in ontwikkeling dier begrippen, eerst het

eerste en later het tweede de overhand, zoo zal bij zekere graad van

ontwikkeling dier begrippen, (evenwel nog al veel uiteen loopende,

naarmate van den aard dezer) het toekennen van goddelijk gezag aan

de godsdienstbegrippen op een maximum van sterkte zijn.

Bij elk volk vindt men individuen, zoo wegens opvoeding als wegens

ouderdom, op zeer verschillende trappen van geestontwikkeling

staande. Ofschoon nu hierin de lage klassen en de kinderen bij

beschaafde volken op gelijke hoogte als de volwassenen onder de hooge

standen bij minder beschaafde volken kunnen gerekend worden te staan,

is dit niet het geval voor elk deel dier geestontwikkeling. Bij sommige

deelen hiervan zullen die hooge standen bij minder beschaafde volken,

omdat zij de andere standen moeten overheerschen, hooger dan bij ons

de lage standen en bij andere deelen dier geestontwikkeling, omdat

zij het onderrigt van meer beschaafde menschen dan zij missen, lager

dan deze staan. Men kan echter niet zeggen dat hierdoor, zoo bij de

hooge standen der minder beschaafde als bij de lage standen der meer

beschaafde volken, het harmonische verband tusschen de deelen hunner

geestontwikkeling verbroken is. Zij verkeeren toch in verschillende

omstandigheden, even als bijv. de groote gras en kruidenetende en de

kleine vleeschetende zoogdieren, die insgelijks niet quantitatief maar

wel qualitatief met elkander in geestontwikkeling verschillen. Zie

blz. 38.

Desniettemin moet bijv. de volksklasse lagere en meer kinderlijke

godsdienstige begrippen dan de meer beschaafde klasse bezitten, zonder

dat zij daarom bij gene meer dan bij deze, met die, zooals op blz. 104

gezegd is, door het toeval ontstane begrippen vermengd zijn. De

geschiedenis leert dan ook dat bij sommige volken hiervoor welligt

(in tegenoverstelling van bij ons) zelfs in te sterke mate gezorgd

werd, doch men moet niet hieruit besluiten dat het oningewijd blijven

der volksklassen in de mysteriën der godsdienst niet voornamelijk

tot oorzaak had de onvatbaarheid dier volksklassen om die mysteriën

te begrijpen.

Wanneer menschen betrekkelijk anderen in kennis van iets toenemen,

oefenen zij te weinig gezag uit en willen zij anderen te veel van

hunne verkregen kennis mededeelen, en, wanneer hunne superioriteit

vermindert, heeft het omgekeerde plaats.

Bij het harmonisch zijn der verschillende takken van het weten,

gelooft men met betrekking tot het godsdienstige aan hetgeen men,

krachtens de ervaring (die op zielkundig gebied er onder begrijpende)

krachtens op die ervaring gebouwde redeneringen en krachten historische

gronden en inspiratie, zeker vermeent te weten. Wanneer echter de

harmonie tusschen de verschillends takken van het weten verbroken is,

ontdekt men bij het licht der verst gevorderde wetenschap, dat de

juistheid der minder gevorderde geen onderzoek meer kan verdragen,

en wordt niettemin het geloof aan die juistheid als iets noodzakelijk

voor den mensch beschouwd, zoo wordt er een anderen grondslag dan eene

vermeende indirect op ervaring gegronde overtuiging aan gegeven. Dit

gebrek aan harmonie tusschen de verschillende takken van wetenschap,

wegens derzelver ongelijken vooruitgang zie blz. 133, benadeelt den

phylosophischen geest, leidende om die verschillende wetenschappen

in verband met elkander te beschouwen en maakt thans dat velen in

hun geest eene scheiding maken tusschen wetenschap en godsdienstig

geloof en dezelfde scheiding bij het onderwijs der jeugd verlangen.

De primaire verbetering van zulk een vicieusen toestand, kan slechts

geschieden door het achterhalen, of althans door het meer nabij

achtervolgen der meest gevorderde takken van weten door de minder

gevorderde, doch als secundaire verbetering is het welligt het beste,

zoo men teregt het onderwijs der jeugd de wereld en levensbeschouwing

niet verbannen wil, er zeer bescheiden mede te zijn en de zaak zoo te

middelen, dat de gematigden, namelijk het gros, wanneer zij die levens

en wereldbeschouwing der school niet te veel op den keper beschouwen,

er mede kunnen instemmen. Van de uiterste partijen, namelijk de

sterkste, maar in scheve rigting geavanceerde, die der materialistische

pantheisten en de achterlijkste, die der stijf orthodoxen, moeten de

godsdienstige overtuigingen dan maar ongeëerbiedigd blijven. Trouwens

zij, welke tot de uiterste politieke partijen behooren, moeten bij

gemeenschappelijke handeling van een gemengd publiek zich evenzeer

gekwetst gevoelen. Dit gebrek is (zie bl. 73) het gevolg der sterkte

der toeneming der maatschappelijke ontwikkeling en zal even goed

verminderen als deze toeneming geringer wordt, als dat een troep

soldaten bij vertraagden gang beter opgesloten zal raken.

Zoolang de voorste verwisseld wordende manschappen van den troep

sneller loopen dan het gros, zullen zij meer verspreid en verder

van dit gros verwijderd zijn dan de achterste manschappen, doch

het omgekeerde plaats hebben, wanneer zij naderhand trager dan deze

loopen. Evenzoo zullen, zoolang van de beschaafde klasse, zij die

geavanceerde begrippen koesteren, sneller vooruitgaan dan het gros

dier klasse zij slechts, enkelen zijn betrekkelijk ver van dit gros

verwijderd (zooals bijv. de wijsgeeren) doch kunnen zij eenmaal hier

op aarde weinig verder voorwaarts gaan, het gros bij hen komen en de

achterblijvende uit enkele verspreide personen bestaan. Het voorwaarts

gaan bij nevenst. fig. van a naar d gerekend wordende te geschieden,

zoo zal de digtheid van groepering bij de gelijktijdig bestaande

trappen van vooruitgang in het eerste geval door de ordinaten der

kromme abd en in het laatste geval door de ordinaten der kromme

acd aangegeven worden. Onderdrukking der uiting van denkbeelden,

van die van het gros verschillende, ter bevordering van eenheid

en aldus ter daarstelling van geschiktheid in zekeren zin, zal

(behoudens de vertraging van den vooruitgang door het onderdrukken

van den intellectuelen strijd) in het eerste geval bij gemiddeld al

de individuen van bovengemelde beschaafde klasse tot trageren en in

het tweede (zooals bijv. bij het opdringen van het christendom aan

verschillende heidensche stammen door Karel den Grooten) tot snelleren

vooruitgang leiden.

Het gros kleeft de het meeste prestige bezittende denkbeelden

aan. Dit prestige van iets is gemiddeld het gevolg van deszelfs

voortreffelijkheid met betrekking tot de behoeften der menschen

gedurende zeker tijdvak, doch, wegens de werking der traagheid,

is het op het grootste wanneer die voortreffelijkheid reeds aan het

verminderen is. Het belemmert aldus den vooruitgang, maar bevorderd de

geschiktheid, daar het wel eenigzins verouderde, maar niettemin nog

veel goeds bezittende zaken sterker in de maatschappij doet wortelen

en deze als ware, zie blz. 72 op een beteren weg trager voorwaarts

doet schrijden.

Even als dwang gaat het prestige den intellectuelen strijd tegen en

maakt, door dien dwang aan zich dienstbaar te doen worden, dat deze

gemiddeld meer de uiting der geavanceerde dan die der verachterde

denkbeelden onderdrukt. Zelfs in het geval dat (zie bl. 83) de

maatschappij bij de achtervolgende generatien niet meer in beschaving

toeneemt, zal bij de individuen er verschil in opinie bestaan en

den hierdoor verwekten intellectuelen strijd den vooruitgang dier

individuen gedurende hun leven bevorderen. Deze zal daarentegen, ten

bate der geschiktheid, door geen leed teweeg brengende dwang tegen

gegaan worden, want alle soort van dwang schept evenmin geschiktere

levensomstandigheden voor de individuen, als (zie bl. 56) alle soort

van strijd ten beste van hun vooruitgang strekt.

Bestaat er eene oorzaak, waardoor in een staat eene meerderheid en

eene minderheid tegenstrijdige belangen hebben, zoo zal, wanneer elk

hunner toegeeft in omgekeerde reden van derzelver sterkte, de drang

van beide zijden even sterk zijn, er als ware een evenwigtstoestand

ontstaan en de oorzaak, het een voor het ander geschikt makende, zoowel

de grieven der minderheid als die der meerderheid van lieverlede doen

verdwijnen. Veranderingen van omstandigheden, waardoor er nieuwen

strijd tusschen de belangen ontstaat en de trage werking dier oorzaak

van geschiktmaking zijn hierbij de oorzaken van grieven en tweespalt.

De oorzaak, waardoor gemiddeld de godsdienstbegrippen der volken

eenigzins ten achteren zijn betrekkelijk hunne andere wetenschappelijke

kennis, ontstaat doordat het verstand moeijelijk in het gebied van

het buitenzinnelijke kan dringen, en de godsdienstbegrippen voor een

grooter deel op buitenzinnelijke zaken betrekking hebben dan bijv. de

begrippen over de scheikunde, geologie enz.

Dit is echter het gevolg der toeneming onzer geestelijke ontwikkeling

en is vergelijkbaar met de afstanden tusschen de op bl. 131 gemelde

soldaten ontstaande, zoo sommige hunner op moeijelijker paden dan

de andere loopen. Hoe harder zulk een troep dan gemiddeld loopt,

hoe verder die soldaten uiteen zullen geraken, niettegenstaande

het bevel tot opsluiting, dat te vergelijken is met de neiging der

verschillende takken van weten om zich op dezelfde hoogte te stellen

en aldus voor elkander geschikt te worden.

Zoo echter de voorste manschappen van lieverlede langzamer gaan loopen,

zullen de achterblijvende hen steeds meer naderen en eindelijk,

wanneer alles stilstaan, de troep volmaakt opgesloten zijn. Evenzoo

zou dit met der menschen verschillende takken van weten moeten gaan

bij wezens slechts voor eene eindige ontwikkeling vatbaar. Hunne meest

gevorderde tak van weten zou zich eindelijk niet verder ontwikkelen

en de andere van lieverlede zich op eene zelfde lijn er mede stellen,

omdat, waar de vooruitgang opgehouden is, de disharmonie eindelijk

ook verdwijnen moet.

Zoo echter het pad voor de achterblijvende manschappen voorbij zekere

plaats van den weg wat gemakkelijker wordt, ofschoon nog steeds

moeijelijker blijvende dan voor de voorste manschappen, zal hunne

distantie verminderen en dit eveneens het geval kunnen zijn met der

geesten verschillende takken van weten gedurende toekomstige wijze

van bestaan.

De practische hulpmiddelen der wetenschap zijn bij de eischen van

het in ontwikkeling toenemende maatschappelijke leven gemiddeld ten

achteren. Toen bijv. Columbus naar de West-Indië toog, liet zijne

kennis van het aardmagnetismus hem in den steek, de mijnwerkers

zouden wel wat meer van den geologischen toestand der aardkorst

en de schippers van de meteorologie wenschen te weten. Trouwens

de vooruitgang van het practische deel der wetenschappen ontstaat

gemiddeld ten gevolge der behoefte hieraan en slechts bij uitzondering

zullen practische hulpmiddelen der wetenschap te verheven voor de

maatschappelijke behoefte zijn, want het tijdelijk verzuimen van

kortelings verkregen hulpmiddelen der wetenschap, wegens de ongewoonte

hieraan, mag niet als het werkelijk er voor te laag zijn dier behoeften

aangemerkt worden. Zulke verkregen hulpmiddelen komen overeen met die

te laat voor de maatschappelijke behoeften ingevoerde instellingen,

waaraan men zich moet gewennen, zoodat in een opzigt men hierbij eene

zaak reeds vroeger noodig zou gehad hebben en in een ander opzigt

nog niet op hare hoogte gekomen is.

Eigen vooruitgang bij de practische hulpmiddelen der wetenschap noopt

de eischen van het maatschappelijke leven, voor zoo verre zij met die

hulpmiddelen in verband staan, hooger te worden. Zoo bijv. heeft de

uitvinding van het kompas gemaakt dat men wat eerder verre zeereizen is

gaan ondernemen, en zal bijv. de vergrooting der vleugels van vogels

deze hooger doen vliegen. Dit maakt echter slechts dat hetgeen men,

om aan de eischen van iets te voldoen noodig heeft, hierbij minder

ten achteren blijft, terwijl beide evensnel en wat sneller, dan bij

het gemis van den eigen vooruitgang, van het eerstgemelde, voorwaarts

gaan. Dit bijv. voorstellende door eene schuit, zoo zal die eigen

voortgang vergelijkbaar zijn met roeijen, waardoor die schuit, bij

wat snelleren gang dan anders, minder ver achter het jaagpaard zal

liggen, zoo het hiermede verbonden is door eene elastieke treklijn. Dit

jaagpaard komt dan in de plaats van dit iets aan wiens eischen behoort

voldaan te worden en de zamentrekkende werking bij de elastieke

treklijn met den drang tot geschiktwording van het een voor het ander.

In dezelfde verhouding als zulke hulpmiddelen, betrekkelijk de eischen

van het een of ander bedrijf, staan de godsdiensten betrekkelijk

de eischen van het geestelijke leven van den mensch. Deze vorderen

verklaringen betreffende het werelddoel, de bestemming van den mensch

en het Opperwezen, verklaringen bij elke hoogte dier eischen met

betrekking tot deze in geene voldoende mate te geven.

Nu kan het wel zijn dat, evenmin als een schipper inziet, dat

bijv. de bemesting der akkers niet aan de eischen van den landbouw

voldoet, menschen van geringe geestontwikkeling met betrekking

tot de maatschappij waarin zij verkeeren, dit onvoldoende der

godsdienstbegrippen dier maatschappij niet bemerken. Dit echter

bewijst slechts dat zij een oppervlakkigen blik in het leven slaan,

of wel met sterke veroordeelen behebt zijn, en van hen is dan ook

geene bevordering van den vooruitgang dier begrippen te verwachten.

Zoo eenmaal de eischen der beschaving niet meer toenemen moeten de

hulpmiddelen der wetenschap op de hoogte der behoefte er aan komen,

doch ook dan zullen zij er slechts gebrekkig aan voldoen. Veel komt

het toch aan op de aanwending dier hulpmiddelen, en deze zal door de,

wegens hun kortstondig en veranderlijk leven, slechts gebrekkig iets

leerende menschen nimmer volmaakt goed geschieden.

Welke hulpmiddelen men bijv. verzint om schipbreuken bij de zeevaart

te beletten, de niet volkomene ervarenheid der bemanningen zal maken,

dat er steeds op zee ongelukken zullen plaats hebben.

De groote verschillen bij en den accidentelen aard der omstandigheden,

waarin er behoefte aan het aanwenden van zulke hulpmiddelen bestaat,

verhindert ook het steeds voldoen hiervan. Dit gaat ook door voor

menschen, zoodat, om deze in zekeren werkkring beter te doen voldoen,

men hen in zoo min mogelijk variërende omstandigheden moet plaatsen,

iets dat bijv. gedaan wordt bij de verdeeling van den arbeid. Ten

bate der geschiktheid wordt door die verdeeling den vooruitgang der

individuen geschaad, want hoe nadeelig hiervoor is het veroordeelen

van menschen tot steeds denzelfden arbeid is gemakkelijk na te gaan.

Hoe hooger de graad van beschaving is, hoe meer, naar aanleiding van

het op bl. 83 gemelde, het individu in kennis in den algemeensten zin

en dus ook in die van ambachten ten achteren zal staan betrekkelijk

de gansche Maatschappij en zulk een toenemende euvel zal slechts door

versterking der werkverdeeling kunnen getemperd worden.

Die verdeeling van den arbeid is, naarmate de staten grooter werden,

ook bij de legers en regeringen meer ingevoerd. Zij baart verschil

in rangen, autoriteit en discipline en strekt ter verhooging der

maatschappelijke beschaving, voor zooverre deze door de zamenwerking

der individuen bevorderd wordt, doch belemmert daarentegen die

verhooging, voor zooverre deze de vrucht der vrije en veelzijdige

werking der individuen is. Vandaar dat bij toeneming der beschaving

wel de willekeur vermindert, maar, noch de vrijheid, noch de gelijkheid

der individuen grooter worden.

Leeren veronderstelt iets nieuws doen op eene gebrekkige wijze,

terwijl men op de beste wijze iets zal doen en aldus op het meeste

practisch nuttig zijn, wanneer men iets, waarmede men bekend is,

verrigt. Vandaar dat de menschen het meeste practisch nuttig zouden

zijn, zoo zij steeds op deze aarde voortleefden en niet door leeren in

geestontwikkeling toenamen, zoodat zij zonder vermoeijende inspanning

werkzaam en, voor de eischen van hun bestaan en de omstandigheden

waarin zij verkeerden, volmaakt geschikt waren.

Op bl. 134 hebben wij gezegd, dat der menschen kennis niet op de

hoogte is der behoeften der maatschappij en toch zullen de menschen

meer kennis moeten trachten te bekomen dan die, waarvan zij in de

praktijk voordeel kunnen trekken. Dit nu is het geval, omdat de

wetenschap, zoo lang zij in ontwikkeling toeneemt, bij elken graad

hiervan slechts gedeeltelijk voor practische toepassing vatbaar is,

en alzoo hiertusschen en de ontwikkeling der wetenschap dezelfde

verhouding en wederkeerige neiging tot gelijkwording bestaat als op

bl. 64 voor den geest en het ligchaam is aangegeven.

Evenzoo is het gelegen met de intellectuele ontwikkeling der menschen

in het algemeen, benevens met hunne zedelijke ontwikkeling. Bij

het gebruik dat zij hiervan in de praktijk maken, vervullen zij

slechts gebrekkig de eischen van het maatschappelijke leven,

en desniettemin kunnen zij, noch hunne intellectuele, noch hunne

zedelijke ontwikkeling hier op aarde geheel ten nutte van anderen als

van zich zelf benuttigen. Men treft hierbij aldus tegelijk aan gebrek

en overvloed, even als bij de kinderen, welke niet genoeg weten voor

de eischen van het leven als kind en desniettemin met zaken bekend

zijn, waarvan zij als kind nog geen partij kunnen trekken.

Bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven, zoo zouden

zij, door in geestelijke ontwikkeling niet meer toe te nemen, die

ontwikkeling door de practisch nuttige aanwending er van doen inhalen

(iets dat gedurende hun beperkt leven in geestontwikkeling veranderende

wezens daarentegen niet kunnen doen) en de stilstand dier ontwikkeling

bij een hoogeren graad er van invallen, naarmate zij later besloten

enkel voor het practisch nuttige te leven.

Dit zou eveneens het geval zijn bij elke generatie, zoo deze geen

onderwijs van de vorige generatie verkreeg en niet in geestontwikkeling

toenam en aldus zoo elk harer van de geboorte af enkel voor het

practisch nuttige geleefd had, er op deze aarde geen hoogere wezens

dan infusiediertjes bestaan, zie blz. 30.

Bij het wel bestaan van zulk een onderwijs, zou de stelregel, om zich

tot het practisch nuttige te bepalen, de opvolgende generatien in

geestontwikkeling trapsgewijze doen dalen. Zoo toch een dezer het

onderwijs der volgende enkel tot het practisch nuttige bepaalde,

zou deze in geestontwikkeling en beschaving voor hare voorgangster

wat onder doen en hierdoor het veld van het practisch nuttige bij

haar wat kleiner dan bij gene zijn.

Men zal toch toegeven, dat de grootte van het veld van het practisch

nuttige afhangt van den graad van geestontwikkeling en beschaving,

zoodat bijv. een wilde onze industriële kennis, onzen eerbied voor

wetten en voorschriften even gevoegelijk kan missen als de zonderling

Diogenes een nap om uit te drinken.

Die volgende generatie zou nu, door zich, bij het onderwijs van het

op haar volgende geslacht, tot het voor haar zelf practisch nuttig

geoordeelde te willen bepalen, deze minder leeren dan zij zelf geleerd

zou hebben en dit bij elke nieuwe generatie zoo voortgaan.

Zoo iets is wel is waar in strijd met de geestelijke natuur van

den mensch, doch niet onmogelijk is het dat elke generatie, bij

het onderwijzen der volgende, zoo weinig buiten de grenzen van het

practisch nuttige treedt, dat elke generatie aan de volgende niet meer

leert dan zij geleerd heeft, iets dat bijv. thans in China het geval

is en zamenhangt met den eerbied der Chinezen voor de voorvaderlijke

overleveringen. Hoe meer de beschaving bij de opvolgende generatiën

toeneemt, hoe meer het onderwijs van elk dezer de grenzen van het

practisch nuttige zal overschrijden, terwijl dit insgelijks het geval

moet zijn, bij het even groot blijven dier beschaving, naarmate,

deze grooter is, omdat als dan die individuen van elke generatie, op

zich zelve beschouwd, gedurende hun leven sneller in geestontwikkeling

toenemen. [41]

De menschen trachten steeds hulpmiddelen uit te vinden om den arbeid

te verrigten, anders met weêrzin door menschen verrigt moetende

worden. Daar echter, naarmate de beschaving stijgt, elk individu

meer arbeid vereischende producten verbruikt, zoo zullen, wegens

de werking der traagheid, die hulpmiddelen, menschelijken arbeid

uitsparende, steeds wat te kort schieten. Van den anderen kant zouden

onbeschaafden weinig arbeid vereischende producten consumerende volken

te veel ledigen tijd hebben, zoo het mogelijk was, dat zij over de

hulpmiddelen van beschaafde volken ter besparing van menschelijken

arbeid konden beschikken. Bij de beschaafde standen gebruikt men zelfs

somtijds ter beschikking staande hulpmiddelen, bestemd ter verkrijging

van het gewenschte met minder menschelijken arbeid, niet en geeft men

aan in zeker opzigt meer primitieve middelen de voorkeur, ten einde

gemis aan ligchaamsbeweging en aan vaardigheid in den wapenhandel

te voorkomen. Dit is bijv. het geval bij het verkrijgen van wild

door middel der jagt, terwijl de fokkerijen met veel minder arbeid

evenveel wildbraad kunnen opleveren.

Onze geperfectionneerde wapens zouden bijv. ongeschikt en alsware te

machinaal voor wilden zijn. Naar gelang toch wapens meer primitief

zijn, vereischen zij meer kracht en behendigheid, aldus eene grootere

mate van hetgeen wij op bl. 66 eene lage soort van geestontwikkeling

genoemd hebben om goed behandeld te worden, waarvoor men slechts

het gebruik van een slinger met dat van een revolver te vergelijken

heeft. Eenvoudige wapens, ofschoon zie blz. 134 wat minder primitief

dan die welke zij zelf hebben uitgevonden, zijn aldus geschikter voor

wilden, die veel tijd aan ligchaamsoefeningen en aan den wapenhandel

kunnen wijden en bij wie het oorlogen op eene kleine schaal geschiedt,

maar veel tijd mag wegnemen.

Bleef in het beschaafde deel van Europa de beschaving van heden af

stationnair, zoo zou men er zoo lang voortgaan met het verbeteren

der middelen van communicatie, als men meenen zou te veel tijd

en inspanning voor het reizen te besteden, maar na dien niet

meer. De menschen zullen hunne woonplaatsen zoo verleggen, dat, waar

bijv. wegens den aard van het terrein, die uitbreiding en volmaking der

middelen van communicatie, kosten zouden veroorzaken overtreffende de

baten door het meerdere gemak en den meerderen spoed bij het reizen

opgeleverd, zij minder en met minder spoed behoeven te reizen en

aldus meer primitieve middelen van communicatie voldoende zijn.

Van daar, dat het onraadzame van den aanleg van eenig middel van

communicatie, zoo de directe en indirecte baten niet tegen de kosten

opwegen, slechts een tijdelijk verschijnsel zal zijn, omdat de menschen

aldaar van lieverlede meer zullen gaan wonen en die baten doen stijgen.

Hierbij moet men echter stellen, dat er van lieverlede een nadien niet

meer veranderenden toestand ontstaat, want blijft deze veranderlijk,

zoo zal, zooals wij meermalen gezegd hebben, het een nimmer steeds

voor het ander geschikt kunnen blijven.

De meer primitieve middelen van vervoer vereischen meer

bedrevenheid bij de reizigers dan de meer geperfectionneerde. Zij

die bijv. hun talent in de stuurmanskunst willen toonen, maken niet

van stoom- maar van zeiljagten gebruik. Buitendien zijn zij voor de

reizigers leerzamer, meer herinneringen opleverend en minder enkel

verplaatsend. Weet men aldus van den tijd en van het geld, die, bij het

gebruik van (zie blz. 97) meer verheven middelen van vervoer gespaard

blijven, geen gebruik te maken, zoo verdient eene meer primitieve

wijze van reizen de voorkeur. Dit een en ander is niet in strijd met

hetgeen wij op blz. 46 gezegd hebben, dat namelijk bij de dieren het

bezit van meer geperfectionneerde wapens meer geestontwikkeling bij

hen vereischt, want dit laatste is bij de (hetgeen de dieren niet

doen) in de maatschappij zamenwerkende menschen evenzeer het geval,

edoch bij de vervaardigers en niet bij de gebruikers dier wapens. Het

bestaan dezer vordert bij de maatschappij en somtijds ook bij die hen

behandelen, in mindere mate, zie blz. 66 lagere, doch in sterkere

mate hoogere soorten van geestontwikkeling (namelijk zulke welke

minder het ligchaam vaardig maken) dan de meer primitieve wapens.

Bedenkingen tegen de Leer van Darwin Gevolgd door beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen. · 第 8 / 13 题