De inspanning, door zulk een strijd gevorderd, bij beide partijen

alsdan even groot zijnde, zal beider geestontwikkeling even veel doen

stijgen en aldus bovengemelde verschillen hierin even groot laten. De

overheerschte soort wordt door zulk een strijd in geestontwikkeling

en dus ook in positie verhoogd, maar daarom niet gelukkiger. De

handwerksman, die niet alleen voor zijn gezin moet zorgen, maar

ook zijne geldelijke belangen tegenover zijne bazen of werkgevers

moet verdedigen, zal bijv. niet gelukkiger zijn dan den onbezorgden

minder ontwikkelden slaaf, en het roofdier, dat beter dan vroeger

prooijen kan vangen, het niet ruimer en rustiger dan toen hebben,

zoo (zie blz. 38) die prooijen moeijelijker te vangen geworden zijn.

De verhouding tusschen de geboorten en de sterfgevallen zal aldus

na zulk eene verhooging bij die roofdieren niet gunstiger voor

eerstgemelde worden.

Daar echter door zulk een strijd gebrek aan geschiktheid voor de

omstandigheden, waarin de dieren verkeeren, levendiger dan anders

gevoeld zal worden, zoo zal hij tevens strekken om de organisatie

dier dieren sterker dan anders voor die omstandigheden geschikt te

doen worden.

Zoo van de overheerschte soort, tijdens zulk een strijd, de positie te

laag voor de geestontwikkeling is, zal dit te laag zijn dier positie

die ontwikkeling trachten te verminderen, terwijl de strijd ze tracht

te vergrooten. Bij de overheerschende soort de positie te hoog voor

de geestontwikkeling zijnde, zoo zal gene lager en deze ontwikkeling

hooger worden en beiden trachten zich naar elkander te schikken. De

strijd nog in het bijzonder die geestontwikkeling trachtende te

verhoogen, zoo zal dit dan bij die diersoort wegens twee oorzaken

geschieden. Bij beide die soorten te zamen genomen zal aldus, even

als in het vorige geval, de strijd de geestontwikkeling en dus ook

de positie verhoogd hebben.

Na de nederzetting der Germanen in de vroegere Romeinsche wingewesten

zijn bijv. de eerste meer in beschaving gestegen dan de vroegere

onderdanen van Rome er in gedaald zijn.

Zelfs wanneer twee diersoorten even hoog staan en even magtig zijn,

zullen zij strijden om elkander te overvleugelen en, wegens de hiervoor

gevorderde inspanning, beiden in geestontwikkeling verhoogen.

Iets dergelijks bestaat ook op maatschappelijk gebied, zooals bij de

concurrentie der verschillende industriën, der arbeiders en bazen,

der politieke en religieuse partijen, der spelers, legers en zelfs

der regeringen en volksvertegenwoordigers, want, al handelen geen

dezer beiden in strijd met de wet, zoo trachten zij niettemin op

elkanders gebied te dringen en, bij gelijke inspanning van beide

zijden, zal de verhouding van beider magt gemiddeld constant blijven,

maar beiden in talent toenemen.

Hoe digter opeengehoopt de dieren binnen zekere streek zijn, hoe

moeilijker elk derzelve het noodige voedsel zal kunnen bekomen, en

daar dit integendeel gemakkelijker zal geschieden, wanneer hunne

organisatie beter voor de omstandigheden, waarin zij verkeeren,

geschikt is, zoo zal, naarmate dit laatste meer het geval is, bij den

toestand, waarbij elk dier gemiddeld het noodige heeft, (namelijk die

waarbij er niet meer dieren geboren worden dan sterven), deze binnen

zulk eene streek meer opeengehoopt zijn.

De eene helft der dieren van elke soort zal, bij het bestaan van

dien toestand, wat meer en de andere helft er van wat minder dan dit

noodige bezitten, en bleven zij dan steeds op deze aarde voortleven,

zoodat er geen nieuwe zouden geboren worden en waren zij niet gedurig

aan de werking van storende accidentele oorzaken blootgesteld, zoo

zou elk dier dieren in een standvastigen toestand komen, waarbij het

juist het noodige zou bezitten. Alsdan toch zouden de in overvloed

levende, wat minder goed voor hunne middelen van bestaan gaan zorgen

en tegelijk hunne organisatie zich naar dien overvloed schikken,

zoodat deze er van lieverlede minder misbaar voor zou worden, totdat

zij eindelijk met een gemiddelde zorg voor hun bestaan, niet meer

dan het noodige zouden hebben.

Evenzoo zal een arm geworden mensch harder gaan werken, ten einde

minder te kort te komen, maar tegelijk zijne behoeften verminderen. Hoe

minder hij nu te kort komt, hoe geringer die overmaat van arbeid

zal worden, om geheel te verdwijnen, wanneer hij geen gebrek meer

heeft, althans zoo die meerdere werkzaamheid niet eene behoefte voor

hem wordt.

Hoe zamengestelder de levensomstandigheden van dieren zijn, hoe meer

tijd de op blz. 7 gemelde constante oorzaak noodig heeft, om hunne

organisatie voor hunne levensomstandigheden geschikt te maken. Van

daar, dat er reeds voor het leven in den Oceaan goed georganiseerde

visschen bestonden, tijdens dat er nog slechts gebrekkig georganiseerde

landdieren aanwezig waren.

De ten gevolge der snelheid, waarmede (zie blz. 27) derzelver

ontwikkeling stijgt, ontstaande ongeschiktheid der organisatie der

diersoorten voor de omstandigheden waarin deze verkeeren, maakt dat

alsdan accidentele oorzaken gemakkelijker, even als op blz. 23 gezegd

is, verschillen tusschen de soorten kunnen daarstellen. Naarmate toch

verschillende diersoorten, in dezelfde omstandigheden verkeerende,

allen hiervoor minder geschikte organisatien bezitten, kunnen deze

bij grootere onderlinge verschillen allen even goed voldoen.

Wordt daarentegen de ongeschiktheid der organisatie van elk dier

diersoorten uiterst gering, zoo zullen zij uiterst weinig van elkander

moeten verschillen en aldus, wanneer eenmaal de organisatien der

diersoorten opgehouden zullen zijn met in ontwikkeling te stijgen, er

kleinere verschillen tusschen de nabij in dezelfde levensomstandigheden

verkeerende dieren bestaan dan thans.

Het zoo evengemelde bestaat ook op maatschappelijk gebied, want toch

iets, bijv. een werktuig, tot zeker doel dienende, kan slechts op eene

wijze geconstrueerd zijn en tegelijk volmaakt voldoen; terwijl er eene

grootere verscheidenheid van allen even goed voldoende constructien

mogelijk is, naarmate deze allen minder voldoen. Het is dan zelfs

wenschelijk zulk een verscheidenheid toe te laten, daar men dan, door

na te gaan waarin elk derzelver uitmunt, gemakkelijker meer volmaakte

constructien kan vinden. Op de instellingen, de manieren van leven

en zelfs op de karaktertrekken der menschen is dit ook van toepassing.

De wederkeerige versterking van het geschikt worden voor zekere daden

van eenig deel der organisatie der dieren en het verrigten van zulke

daden beslist het pleit tusschen de beweringen, dat bijv. vogels

vliegen, omdat zij vleugels hebben, of wel deze bezitten om te kunnen

vliegen. Beide beweringen zijn waar. De allereerste pogingen om zich

van den bodem te verheffen, ten gevolge van den op blz. 27 gemelden

drang, leiden namelijk tot vorming der eerste rudimenten van vleugels

en, wegens de zeer trage toeneming der poging om te vliegen gedurende

eene reeks van generatien, bleven bij elk dezer de werktuigen, voor

het in zulk eene mate vliegen, als door elk dier generatien gewenscht

werd, zeer weinig in gebreke.

Iets hiermede vergelijkbaar heeft ook op maatschappelijk gebied

plaats. Zoo zou men bijv. kunnen vragen: genieten de studenten hooger

onderwijs (wel te verstaan in de gezonde beteekenis van dit woord)

omdat er universiteiten bestaan? of wel: bestaan er universiteiten om

studenten hooger onderwijs te doen genieten? Klaarblijkelijk konden

de Batavieren geene universiteiten stichten, al gevoelden zij de

noodzakelijkheid om hunne jeugd eenig onderwijs te doen genieten.

De pogingen hiertoe door onze onbeschaafde voorouders aangewend,

kunnen nu vergeleken worden met die, welke de vetganzen of manchots

tot vliegen doen.

Evenmin als bij de organisatie eener diersoort, staan in de

Maatschappij, wegens de werking van accidentele oorzaken, de

verschillende zaken op dezelfde hoogte. Ten gevolge van den drang

tot geschiktwording van het een voor het ander, trekt hetgeen het

hoogste staat het tegelijk lager staande omhoog en omgekeerd, terwijl,

wegens den op blz. 27 gemelden drang tot verhooging, het gemiddelde

van beiden verhoogt.

De kop en vooral de hersens der dolphijnen schijnen ons bijv. op

een hoogeren trap van ontwikkeling te staan dan het achterlijf dier

zeezoogdieren, en eveneens staan in de Maatschappij de inrigtingen

van liefdadigheid op een hooger standpunt dan het tweegevecht. Wat

houdt echter dit voor onze Maatschappij achterlijke gebruik in

stand? Eenvoudig het door de werking der traagheid bestaande gemis aan

zamenwerking bij het publiek, waardoor dit de zaak der beleedigden niet

genoegzaam opneemt en de beleedigers door verachting niet genoegzaam

straft, om gene te ontslaan van het zich verschaffen van eigen regt.

Evenzoo staat thans bij de volken van Middel-Europa (in tegenstelling

van gedurende het begin der middeleeuwen) de godsdienst te laag

betrekkelijk de wetenschap, en tracht deze thans hier te lande op

de gemengde scholen gene op te heffen, terwijl op de sectescholen de

godsdienst de wetenschap omlaag tracht te brengen.

Bij uitzondering kunnen sommige zaken te hoog staan voor de eischen der

omstandigheden, ofschoon gemiddeld, wegens de werking der traagheid,

het tegenovergestelde plaats heeft. Die uitzondering bestaat bijv. bij

nieuwe kinderkleederen, welke op den groei gemaakt worden; terwijl

groeijende kinderen gemiddeld voor hen te kleine, of als ware

achterlijke kleederen dragen.

Zulk een tijdelijk te hoogen stand van iets, kan ontstaan, doordat zulk

eene zaak vroeger, door te laag voor de eischen dier omstandigheden te

staan, groote rampen heeft te weeg gebragt, en dat sommige menschen,

sterk met de zucht bezield om dit te verhelpen, wegens de werking der

traagheid (waardoor men iets doende, niet op het gepaste oogenblik

weet uit te scheiden) zulk eene zaak te hoog opvoeren.

Dit is bijv. het geval met het toekennen van het kiesregt aan de

onbeschaafde klassen onzer Maatschappij, met het gemis der doodstraf

in Saxen, en met het bestaan der republiek in Frankrijk tijdens de

revolutie van 1789. De republiek is een geschikte vorm van regering,

daar waar er een sterken geest van zamenwerking tusschen en eerbied

voor de wet bij de burgers bestaat. Waar echter deze hiervoor te

onbeschaafd zijn, kunnen zij echter met eene lager staande deugd dan

de eerbied voor de wet, namelijk met trouw bezield zijn, en het is nu

op deze, bij sommige dieren, zooals bijv. de hond, bestaande deugd,

dat de monarchie en het feodale stelsel gebouwd zijn.

Neemt de Maatschappij met zekere snelheid in beschaving toe, zoo wordt

zij hierdoor betrekkelijk onvolmaakter, omdat de inertie der menschen

maakt, dat al de maatschappelijke inrigtingen niet bij tijds voor de

nieuwere en hoogere behoeften geschikt gemaakt worden.

Zoo bijv. binnen een staat het absolute stelsel goed werkt en de

bevolking neemt sterker in gemasseerde en zamenwerkende geestelijke

ontwikkeling toe dan de regering, zal zij over het bestuur ontevreden

worden.

Maakt de vergrooting der bevolking en dien tengevolge gemiddeld die

der beschaving, dat steden zich uitbreiden, zoo neemt de drukte op

straat toe, en vroeger genoegzaam breede straten worden later te

smal gevonden.

Het Noord-Hollandsch Kanaal voldeed 40 jaren geleden goed aan de

behoeften van den Amsterdamschen zeehandel, en thans hebben de

toegenomen behoeften van dien zeehandel dit kanaal te bekrompen

hiervoor gemaakt.

Wegens gebrek aan geest van zamenwerking bij de leden der Maatschappij,

moet deze, als geheel werkende, in sommige gevallen aan hare leden

dwang opleggen. De hiertoe strekkende instellingen zijn thans, nu die

geest van zamenwerking bij de individuen toegenomen is, veelvuldiger

dan wenschelijk is.

Wanneer eenige instelling van hoogeren aard wordt en aldus met zekere

snelheid verandert, zullen er ware en ingebeelde belangen gekwetst

worden, en, wegens de werking der traagheid, des te meer, hoe sneller

de opwaartsstreving dier instelling geschiedt. Laatstgemelde grieven

moeten door de slijtende werking van den tijd verdwijnen terwijl,

eene slechts, wegens het effect der traagheid, na zekeren tijd

mogelijke betere inrigting dier tot hooger gestreven instelling aan

de eerstgemelde grieven te gemoet kan komen.

Wegens dit effect der traagheid zullen bijv. vroeger in het water

levende dieren, tot landdieren opgeklommen zijnde, in hunne organisatie

deelen bezitten, door dit leven op het land op eene ongunstige wijze

aangedaan wordende en somtijds eerst na een reeks van generatien de

op blz. 7 gemelde tot geschiktwording leidende oorzaak dien euvel

wegnemen.

Wegens de werking der traagheid zullen eerst, lang nadat het drooge

voor landdieren bewoonbaar geworden was, in het water levende

diersoorten noemenswaardig tot landdieren opgeklommen zijn en dit

bij die soorten bij een lageren trap van organisatie geschieden,

naarmate van derzelver thans bestaande nazaten de organisatie lager is.

Goed voor het leven op het land georganiseerde dieren verdrinken

in het water en in overeenkomst hiermede zou een bijna perpetuelen

oorlogstoestand, zoo als bij de wilden, beschaafde volken ten gronde

rigten.

Als een verouderd deel der organisatie van eenig tot eene hoogere

levenswijze opgeklommen diersoort kunnen de in ingekrompen toestand nog

bestaande zwemvliezen van den fregatvogel beschouwd worden. Hiermede

kan nu vergeleken worden den hinderlijken en verouderden band tusschen

staat en kerk thans in Engeland bestaande, doch, even als voor de

lager dan hen staande en nog zwemmende voorouders der fregatvogels die

zwemvliezen nuttig waren, zoo was, tijdens de regering van Elizabeth,

bij het toen allerwege bestaande verband tusschen de godsdienstige

voorschriften en de burgerlijke wetten, de koppeling van kerk en

staat noodig voor het weren van vreemden staatkundigen invloed.

Even als voorts thans voor de lager dan de fregatvogels staande eenden

de zwemvliezen zeer nuttig zijn, kan bijv. thans in het lager dan

Engeland staande Abyssinië, voor de aldaar bestaande christelijke

kerk het schild van den staat vereischt worden.

De graad van zamenwerking tusschen de individuen, bij de dieren slechts

zeer gering, wijst den stand aan der maatschappelijke beschaving. Die

zamenwerking nu verhoogt den aard van den strijd noodig voor de

vergrooting der geestelijke ontwikkeling der individuen. In plaats van

strijd, slechts het persoonlijk eigenbelang tot motief bezittende,

wordt het strijd door het publiek belang uitgelokt, zooals bij het

oorlogvoeren van natiën, bij den aanleg van groote werken, bij de

bestrijding van (naarmate de mensch zich meer van den natuurstaat

verwijderd, de bevolking digter wordt en het verkeer toeneemt)

hinderlijker wordende maatschappelijke kwalen enz. [9]

Den strijd, het eigenbelang tot motief bezittende, ondergaat ook,

naarmate de maatschappij beschaafder wordt, verandering, daar in

plaats dat er dan bloed bij gestort, er geld bij omgewisseld wordt,

zoodat de een te veel en de ander te weinig geld voor zijne behoeften

bekomt, een kwaad, wel minder in het oogvallende dan het vergieten

van bloed, maar dat niettemin bestaat.

Wegens de werking der traagheid, voert de betrekkelijk snel in

beschaving toegenomen maatschappij eene voor haar stand van beschaving

gemiddeld te lage soort strijd. Echter moeit men vermijden om de voor

de thans bestaande maatschappij in sommige gevallen noodzakelijken

en nuttigen oorlog te willen afschaffen, omdat men hem voor eene

hoogere denkbeeldige maatschappij in alle omstandigheden te barbaarsch

vindt. Zoolang toch de internationale zamenwerking tusschen de staten

niet zoo groot is, dat sommige hunner, in het belang van allen te zamen

en van de menschheid, afstand doen van deelen van hun grondgebied,

zonder door nederlagen hiertoe gedwongen te worden, zoo lang zal

de oorlog noodzakelijk blijven ter verbetering der verdeeling van

den aardbodem in rijken, zonder nog te gewagen van het regt tot

defensieven oorlog.

Bij de dieren van dezelfde soort bestaat er te weinig zamenwerking

om hen te leiden, om zich te vereenigen tot groote met elkander

strijdende groepen en slechts ziet men hen somtijds elkander prooijen

betwisten. Bij onbeschaafde volken is de geest van zamenwerking te

gering om te vormen groote groepen in wier boezem er niet gevochten

wordt, zoodat bij hen de politie en de regtbanken in een rudimentairen

toestand verkeeren. Een ieder behoort bij hen maar te strijden om

zich regt te verschaffen en buiten de mogelijkheid zijnde om dit te

beletten, of iets verhevener er voor in de plaats te stellen, hebben

de regeringen van zulke volken gewis gelijk zoo zij het tweegevecht

aan zekere regels binden.

De dieven voeren voorzeker binnen onze maatschappij een voor de

belangen dezer veel te lage soort van strijd, die buitendien den meer

verheven strijd, welke tot verhooging der beschaving leidt en door

de met elkander zamenwerkende leden der maatschappij gevoerd wordt,

belemmert. Desniettemin toonen de kunstgrepen, welke die dieven

moeten verzinnen en de behendigheid, welke zij moeten bezitten aan,

dat hun bedrijf strekt tot vergrooting van die lagere soort van

geestontwikkeling, welke men in Sparta trachtte te bevorderen,

doch met het oogmerk om er slechts in den oorlog partij van te

trekken. Bij meer verhevene wijzen van oorlogvoeren mag dit laatste

zelfs niet gedaan worden en zijn de antagonisten, als leden der

de gansche menschheid bevattende maatschappij gehouden, terwijl

zij tegen elkander strijden, met elkander zamen te werken in den

meer verheven strijd door die gansche maatschappij tegen ziekten,

vijandige elementen enz. gevoerd. [10]

Klassen der maatschappij kunnen met elkander zamenwerken, zooals

bijv. de bazen en werklieden, bij het uitvoeren van publieke werken,

het fabriceren van voorwerpen en, zonder derzelven gemeenschappelijke

belangen te benadeelen, te zamen strijden, zoo dit bestaat in wettig

concureren bij het opdrijven der loonen van de eene en het laag houden

dezer van de andere zijde.

Dat de werklieden thans trachten zamen te werken is een teeken

dat hunne intellectuele ontwikkeling en tegelijk hunne behoeften

gestegen zijn en moet, voor zoo verre die zamenwerking tot geene

daden van geweld aanleiding geeft, gunstig werken op de toename

in geestontwikkeling van al de klassen der maatschappij. Deze toch

derzelver onderlinge distantie willende behouden, zoo moet een stoot

voorwaarts bij de eene, dergelijke stooten bij de andere klassen tot

gevolg hebben.

Dat men niet alleen de menschen iets nuttig, of anders gezegd, iets ten

bate der geschiktheid der Maatschappij voor de omstandigheden waarin

deze verkeert, gesticht hebbende, hoogschat, maar insgelijks hen in

eere houdt, die de geestontwikkeling van eene menigte individuen sterk

hebben doen toenemen, bewijst de betooverende werking van roemrijke

daden. Deze toch strekken meestal meer om de individuen te doen

vooruitgaan door strijd van lagere of hoogere soort, door inspanning

van hunne vermogens, dan om de maatschappij gelukkiger te maken.

Even als strijd tusschen twee diersoorten en zelfs tusschen dieren

van dezelfde soort, leidt tot verbetering hunner organisatie, zoo

leidt de strijd tusschen de fabrieken tot verbetering der wijze

van fabricering, zonder dat de fabrieken uitgebreid worden, of dat

er in nieuwe wijze van bewerking (voortbrengselen van een hoogeren

trap van beschaving) in praktijk gebragt worden, of, anders gezegd,

dat de fabrieken passende voor een hoogeren trap van beschaving

gemaakt worden. Die verheffing der industrie is wel is waar evenzeer

een gevolg van industrielen strijd als de boven gemelde wijze van

verbetering der fabricering, doch leidt niet voor de fabrikanten tot

dezelfde uitkomsten als deze, want, terwijl die enkele verbetering

zonder verheffing, wegens de geringe er voor gevorderde uitgaven en

de zekerheid waarmede de fabriekanten te werk kunnen gaan voor deze

voordeelig is, strekt de verheffing hunner fabrieken, wegens de groote

er voor gevorderde uitgaven en de onbekendheid van den weg, waarop

de fabrikanten zich begeven, deze dikwijls tot schade. Eerst later,

wanneer alles meer in overeenstemming gebragt is met die op grootere

schalen aangelegde en procedes, van hoogeren trap van beschaving

getuigende, aanwendende fabrieken gebragt is, wanneer die procedés,

zonder verdere verhooging er van, verbeterd zijn en dat het publiek

zich op de hoogte dier bij hoogeren trap van beschaving passende

fabrieken gesteld heeft, ontstaat er voordeel voor de fabriekanten.

Alsdan dringen zulke fabrieken, die bij lageren stand van beschaving

passende, tot op zekere distantie terug en onderwerpen hen in zekeren

zin aan zich. Die minder hoog opgevoerde fabrieken kunnen dan wel is

waar nog bestaan, doch moeten een meer bescheiden en anderen rol dan

vroeger vervullen, om bij dien hoogeren trap van beschaving van het

publiek nog te passen.

Dit laatste vergelijkende met het inkrimpen der moerassen, zoo komen

die lager staande fabrieken overeen met de in die moerassen levende

kruipende dieren en de tot op een hoogeren trap geklommen fabrieken met

de tot zoogdieren verheven dieren, nadat deze het drooge land in bezit

genomen hadden, zie blz. 42. De bewerking van het ijzer in het groot

en door middel van door stoom bewogen werktuigen, heeft wel is waar

het smeden uit de hand van voorwerpen tot een geringer aantal hiervan

beperkt, doch slechts tot zekeren grens teruggedrongen en buitendien

worden er in de groote ijzerfabrieken ook voorwerpen, waarbij dit

moeijelijk anders kan geschieden, uit de hand gesmeed en bewerkt.

De ijzerindustrie staat bijv. hooger dan de houtindustrie, doch

kan deze slechts tot zekeren grens terugdringen, daar, naarmate die

houtindustrie vermindert, zij zich hoe langer hoe meer bepaalt tot

het leveren van voorwerpen, niet slechts geschikter van hout dan

van ijzer gemaakt kunnende worden, maar zelfs in het eerste geval in

het gebruik beter voldoende. Men verkeert dus hierbij in een geval

overeenkomende met dat op blz. 13 aangegeven. De gansche vernietiging

van soorten van industrie behoort evenzeer tot de uitzondering, als,

naar ons inzien, het uitsterven van soorten van dieren of planten.

Evenmin als men, hetgeen op het gebied van vrijen handel en industrie

gebeurt, kan opmaken uit hetgeen, waar de staat den eenigen industrieel

en handelaar is, plaats heeft, dat evenmin kan men, uit hetgeen bij

de tamme soorten plaats heeft, afleiden hetgeen bij de wilde geschiedt.

Zoo bijv. het verbod om varkensvleesch te eten uit den Koran geschrapt

werd, zouden de Muzelmannen meer varkens en minder schapen gaan houden

en zou men nu hieruit mogen besluiten, dat in den strijd des levens

de varkens eene belangrijke overwinning op de schapen behaald hebben?

Hetgeen op blz. 21 gezegd is, dat met belastingen bezwaarde neringen,

eindelijk in handen geraken van lieden, er zooveel minder voor gegeven

hebbende, als de belasting gekapitaliseerd bedraagt, zou waar zijn,

zoo die neringen in het geval verkeerden van met grondbelasting

bezwaard wordende landerijen, of met huurwaarde bezwaard wordende

huizen, (onverschillig of die belasting door de eigenaars of huurders

betaald wordt), edoch zij doen dit slechts gedeeltelijk. Neemt de

bevolking eener stad niet toe, zoo zal, na den invoer eener belasting

op de huizen, deze allen ter bewoning aangeboden worden, en, daar de

huurders er van wat bekrompener gaan wonen, het bod van huizen de vraag

er naar zoo lang overtreffen, totdat de waarde er van tot bovengemeld

bedrag gedaald is, de huurders weder even ruim als voor den invoer

der belasting wonen en bod en vraag weder even sterk geworden zijn.

Het aantal der bovengemelde neringen zal daarentegen na den invoer

der belasting verminderen en buitendien de waarde er van gedeeltelijk

bestaan uit die van zaken door arbeid gedurig op nieuw voortgebragt

moetende worden. Van zulke zaken stijgt nu, door meerdere vraag

dan bod de prijs na den invoer der belasting in zulk eene mate, dat

deze niet alleen door de met patent belaste neringdoenden, maar in

werkelijkheid door de gansche maatschappij (ter wier bate de opbrengst

er van eindelijk komt) en wel gemiddeld in reden, van het vermogen

van elk lid er van opgebragt wordt. [11]

De onregtvaardigheid eener belasting op den arbeid, verdwijnt aldus

door dat de arbeiders er eindelijk niet meer in deelen dan het

gansche publiek, die van eene belasting op het geene vaste renten

gevende kapitaal door den dood der bezitters dier kapitalen, en door

de gewoonte hunner erven aan het bezit van minder fortuin. Zelfs

al bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven, zou dit

het geval blijven, omdat de menschen zich kunnen voegen naar het

bezit van minder inkomen, mits hun werkkring tegelijk die wordt van

personen van minder beschaving. De opvolgers, zoo van intellectuelen,

als van handenarbeiders kunnen zich daarentegen niet voegen naar het

bezit van minder verdiensten dan hunne voorgangers, zoo zij dezelfde

soort van werk als deze willen blijven uitoefenen. Van daar, dat,

wanneer zulk een arbeider en een kapitalist zich dezelfde moeite

geven om niet te verarmen onder steeds toenemende druk, de eerste

kan maken dat zijn loon niet beneden zeker bedrag gevoerd wordt en

de tweede slechts dat zijn kapitaal niet al te snel wegslinkt.

Bovengemelde neringdoenden verkeeren nu daaromtrent in tusschengelegen

gevallen; deels wordt belast hun arbeid, of wel dien der fabriekanten,

waarbij zij gestadig inkoopen doen, deels hunne bedrijfskapitalen,

zooals werktuigen, uitstallingen enz. en daar beide zaken naauw

verbonden zijn die arbeid te zamen, met de inkrimping der neringen,

die bedrijfskapitalen beletten tot op het op blz. 21 aangegeven

bedrag te dalen. Verteringsbelastingen kunnen aldus door de belaste

personen slechts gedeeltelijk, door het grooter worden van het bod

dan de vraag, en door tijdelijk eene meer bekrompen levenswijze te

voeren, geladen worden op de bedrijfskapitalen van hunne leveranciers

en van hen die hun woning, vervoer enz. verschaffen. Wordt nu dit

slechts tijdelijk voelbare verlies over een groot aantal en eene

groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen geladen, zoo zal,

daar de behoeften van den Staat en die der ambtenaren ook door de

bezitters van eene groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen

voldaan worden en deze trachten te verhoogen, zelfs de tijdelijke

onregtvaardigheid, na den invoer van zulke belastingen ontstaande,

veel verminderd worden. Er bestaat eene oorzaak trachtende een ieder

van het maatschappelijke kapitaal een deel te verschaffen, evenredig

met van zijn stand van beschaving afhangende behoeften. Bezit hij

minder dan dit voor hem geschikte deel, zoo zal hij (zie blz. 49)

duurder dan gemiddeld zijn arbeid en producten trachten te verkoopen,

en goedkooper dan gemiddeld trachten te koopen, terwijl, zoo hij meer

dan zijn geschikt deel bezit, het omgekeerde zal plaats hebben. [12]

Alle onregt is een gevolg der variatie der wereldsche zaken, ook bij

den door belastingen teweeg gebragten druk. Bestond toch die variatie

niet, zoo zou het slechtste stelsel van belasting eindigen met geen

onregt te baren, omdat een ieder een vermogen zou verkrijgen dat,

na aftrek der gekapitaliseerde belasting, die hij werkelijk zou

opbrengen, het voor hem geschikte deel van het maatschappelijke

kapitaal zou vormen.

BESCHOUWINGEN OVER DE OORZAAK VAN HET KWAAD EN OVER HET DOEL VAN

HET LEVEN.

Het kwaad, zoowel het zedelijke als het stoffelijke, bestaat

in ongeschiktheid van het eene voor het andere en het is even

eigen aan het veranderlijke, als de volmaaktheid zulks is aan het

onveranderlijke.

Wegens de werking der traagheid, anders gezegd de neiging van alles

om, zooals het geworden is, in stand te blijven, moet toch de op

blz. 7 gemelde oorzaak van geschiktwording tijd noodig hebben, om

haar doel te bereiken, maar zullen daarentegen volmaakte toestanden

bestendigd worden.

Het zedelijke kwaad, dat wij menschen verrigten en de inspanning

en opoffering die deugdsbetrachting ons kost, ontstaan doordat onze

geest niet op de hoogte is van de sedert de wording der maatschappij

verhoogde eischen van ons zedelijk bestaan. Deze eischen vorderen

opoffering van het genot in het heden ten bate, van het welzijn, zoo

van andere menschen als van onze eigen toekomst. De eischen van het

heil der onbeschaafde maatschappijen vorderen zoo iets veel minder,

en die van den dierenstaat bijna niet. De dieren hebben toch bijna

geen besef van hunne toekomst en kunnen zeer weinig zoo hiervoor,

als voor elkander doen, en zoo elk hunner slechts zorgt voor zijne

oogenblikkelijke behoeften, schiet hij bijna niet te kort in de

vervulling der eischen van zijn zedelijk bestaan.

De, betrekkelijk de toeneming in beschaving der maatschappij,

zeer langzaam opwaarts gestegen dierenstaat, maakt dat, wegens het

effect der traagheid, niet alleen de dieren minder ten achteren

zijn met betrekking tot de eischen van hun zedelijk bestaan en

aldus betrekkelijk minder zedelijk kwaad doen dan de menschen,

maar ook dat bij hen het lichaam betrekkelijk den geest minder ten

achteren is dan bij ons menschen. Ons lichaam tracht ons toch naar

het dierlijke en aldus achterwaarts te trekken, ten einde den geest

voor zich geschikt te maken, terwijl omgekeerd onze geest het lichaam

opwaarts moet trachten te halen, hetgeen, zoo de geest niet ophoudt

met in ontwikkeling toe te nemen, steeds aanhoudt en, wel is waar

door de hulpmiddelen der geneeskunde wat gemakkelijker gemaakt wordt,

maar niettemin het trage lichaam steeds achterlijk zal doen blijven.

Ook de hartstogten kunnen hoog of laag zijn (het woord laag dan niet

in den alsdan gebruikelijken zin bezigende). Wegens zooeven gemelde

werking der traagheid, bezitten wij bijv. hartstogten, waaraan de

dieren zich geheel kunnen overgeven, zonder aan de eischen, van hun

zedelijk bestaan te kort te doen, doch die wij menschen sterk moeten

bedwingen, omdat zij te laag voor de eischen van onze maatschappij

zijn, te meer dewijl zij, wegens de hoogte waarop die maatschappij

gestegen is, op eene meer uitgebreide schaal kunnen werken. Zie noot

blz. 57.

Zelfs de menschen staan daarin op verre na niet gelijk. De toegeving

aan hartstogten doet bijv. de wilden minder kwaad dan ons beschaafde,

en zelfs bij ons is dit kwaad geringer bij de lage dan bij de hooge

standen. Zoo bijv. zal grootspraak van een ijverigen en bekwamen

werkman weinig ergeren en dit daarentegen in de hoogste mate doen in

den mond van een beschaafd mensch.

Het op straat vechten van vischvrouwen maakt niet dezelfde indruk

als dat van dames, en, dat wij daaromtrent aan beschaafde en niet

beschaafde menschen verschillende eischen stellen, moet blijkbaar

gegrond zijn op een verschil in de eischen van beider maatschappelijk

en zedelijk bestaan.

Het ligchaam der vrouwen, van dat der mannen verschillende, moet, daar

het den geest der eerste voor zich geschikt tracht te doen worden,

deze van die der mannen doen verschillen, zoo anders beider geesten

niet onderscheiden zouden zijn.

Voorts neme men in aanmerking; dat, terwijl het ligchaam, door met

betrekking tot den geest te laag te staan, op eene directe wijze de

vergrooting der geestelijke ontwikkeling belemmert, het deze op eene

indirecte wijze, namelijk bij het gebruik der zintuigorganen en der

ledematen, bevordert.

Voor soorten van geestontwikkeling, welke als de verhevenste

binnen eenige onbeschaafde maatschappij beschouwd worden, (bijv. die

betreffende den oorlog en de jagt) kan nu die indirecte werking van het

ligchaam der mannen gunstiger zijn dan van het ligchaam der vrouwen,

en vorderen nu de eischen eener maatschappij, dat de sexe, welke minder

aan huis gebonden is, meer leert, zoo zal bij die sexe de intellectuele

ontwikkeling verder dan bij de andere gedreven worden, en de opvoeding

bij beide sexen niet van denzelfden invloed op de hartstogten zijn.

Die eischen kunnen nu langzaam in het voordeel der vrouwen, veranderen

naarmate de maatschappij beschaafder wordt, doch zullen, wegens de

werking der traagheid, gedurende die met zekere snelheid toenemende

beschaving, steeds wat te veel in het voordeel der mannen gehouden

worden. Van daar welligt dat de eischen van het welzijn der thans

bestaande maatschappij vorderen, dat tusschen het de vergrooting

der intellectuele ontwikkeling bevorderende onderwijs aan jongens en

meisjes gegeven, het verschil geringer zij dan werkelijk het geval

is. Neemt echter eenmaal de beschaving zeer weinig toe, zoo zal

klaarblijkelijk dit verschil zoo groot worden als noodig en nuttig is.

Ter opheldering van het hierboven en op blz. 56 gemelde, moeten wij

opmerken, dat er op de verschillende trappen van beschaving tusschen

de geestontwikkeling niet slechts een verschil in quantiteit, maar

tevens ook in qualiteit bestaat. Op lagen trap van beschaving bevat

toch de geest veel denkbeelden over strijd, zoo met natuurlijke als

met kunstwapens, want men wane niet dat er geene andere denkbeelden

bestaan, dan die in woorden uitgedrukt kunnen worden. Integendeel

worden er vele door oefening in de eene of andere zaak verkregen,

waarbij dit het geval niet is en de dieren moeten slechts zulk eene

soort van denkbeelden bezitten.

Het talent van een koorddanser zit bijv. niet in zijne beenen, maar in

zijn geest. Hij bezit voor de spraak onuitdrukbare denkbeelden over de

bewaring van het evenwigt door middel van zekere snelle bewegingen van

het ligchaam, die een ander mensch, slechts van goede beenen voorzien,

niet bezit.

Zoo echter zulk een koorddanser het koord niet meer beklimt en zich

bijv. op de wetenschappen gaat toeleggen, zullen zijne denkbeelden over

de middelen ter bewaring van het evenwigt, zich steeds in den latenten

toestand, of, zooals men zegt, uit zijn hooft bevinden, zij in dien

toestand van lieverlede door ook deels voor de spraak niet uitdrukbare

denkbeelden over de wetenschappen verdrongen worden, en de kunstenaar

van lieverlede voor het loopen op het koord onbekwamer worden.

Denkt men hierover na, zoo zal men gewaar worden, dat de waarde der

wereld bestaat in den geest, anders genaamd de veropenbaring der

zelfstandigheid door denking. Men bedenke bijv. dat, wanneer een

zuigeling voor de eerste keer de aardsche voorwerpen ziet, wel is

waar die aanschouwing tot het domein zijner denking behoort, maar nog

geene beteekenis voor hem bezit. Die gezigtsvoorstellingen zijn voor

hem even onverstaanbaar als voor een volwassen mensch, de woorden

eener in eene hem onbekende taal uitgesproken redevoering. Door

oefening, door met inspanning denken onder bezit van denkbeelden,

in den niet latenten toestand verkeerende, moet het kind zich de

beteekenis dier gezigtsvoorstellingen eigen maken, en, wanneer dit

heeft plaats gegrepen, het ook met betrekking tot dit zien rijker in

denkbeelden geworden zijn.

Waren zelfs de ligchamen der dieren en menschen onsterfelijk, zoo

zouden zij niettemin, aan allerlei uiterst onregelmatig voorkomende

accidentele omstandigheden blootgesteld zijnde, wegens gedurig

gebrek aan geschiktheid lijden. Zulk een gebrek leidt echter tot

geestinspanning en als gevolg hiervan tot vergrooting der geestelijke

ontwikkeling. Het gemis van zulke accidentele afwijkingen van een

gemiddelden standvastigen toestand zou aldus, zie blz. 47, leiden tot

een toestand, waarin er, wel is waar, noch lijden, noch ongeschiktheid

van het een voor het ander meer zou bestaan, maar tegelijk de prikkel

tot verderen vooruitgang gemist zou worden.

De verhooging der geestelijke ontwikkeling der levende wezens door die

hen lijden berokkende accidentele afwijkingen, sluit niet in dat elk

dezer, (zooals bijv. die van den gemiddelden toestand der gesmolten

stoffen binnen den aardkern, tijdens het bestaan van aardbevingen),

zulk eene verhooging in geestontwikkeling teweeg brengt, dat er

hierdoor eene vergoeding voor het er door teweeg gebragte nadeel

ontstaat, noch zelfs dat zij elk, op zich zelve beschouwd, tot

verhooging dier geestontwikkelingen zouden bestemd zijn [13].

Dit zou eene kinderlijke en bekrompene wijze van natuurbeschouwing

zijn. Slechts in zooverre men zulke accidentele of toevallige

afwijkingen collectief met andere dergelijke afwijkingen beschouwt,

valt in zekere mate zoo iets er van te zeggen, en wel in sterkere mate,

naar gelang men hen collectief met meer andere soorten van accidentele

afwijkingen beschouwt, en, slechts op een volstrekte wijze, wanneer

alle mogelijke accidentele afwijkingen van gemiddelde toestanden te

zamen beschouwd worden. Aldus, slechts in ruimte en tijd collectief

beschouwd, vormen die afwijkingen iets algemeen en aanhoudend en,

naarmate nu de natuurverschijnsels een meer algemeen en voortdurend

karakter bezitten, komt het ons voor dat alles er bij meer voor

elkander bestemd is [14].

De eenvoudigheid der natuurwetten maakt bovendien dat tusschen oorzaken

en gevolgen er zekere gelijkslachtigheid moet bestaan, zoodat van

accidentele afwijkingen, zooals bijv. aardbevingen, stormen enz. bij

het bestaan van zulke natuurwetten, aard niet kan bepaald worden

door doelmatige wijzen om der menschen geestelijke ontwikkeling te

verhoogen, aangezien dit laatste op geestelijk gebied behoort. Die

eenvoudigheid dier wetten maakt, dat men kan leeren, terwijl de er door

teweeg gebragte verscheidenheid en afwijkingen dit leeren bevorderen.

Was het verband tusschen oorzaken en gevolgen, zoo als de

supranaturalisten beweren, dan zouden de natuurwetten zoo uiterst

zamengesteld zijn, dat de gevolgen van zekere gebeurtenissen onmogelijk

zouden te gissen zijn en de ervaring geen leiddraad voor het handelen

meer zou opleveren.

Van daar dat er in het practische leven evenmin zuivere

supranaturalisten als zuivere fatalisten bestaan. De onwetenste

schipper, nimmer van natuurwetten en eene daardoor teweeg gebragte

gelijkslachtigheid van oorzaken en gevolgen gehoord hebbende, maakt

bijv. uit den staat van den atmospheer op, welk weder er te verwachten

is en rigt zich hiernaar in.

Even als Molieres bourgeois gentilhomme in proza sprak zonder dit te

weten, zoo gedraagt zich aldus die schipper, zonder hiervan bewust te

zijn, in strijd met zijne supranaturalistische religieuse beginselen,

als naturalist, en neemt hij bijv. niet aan, dat voor of tegenwind

van de zedelijke gehalte zijner passagiers afhangen, daar hij dan

hun certificaat van goed gedrag zou moeten inzien, in plaats van op

wolken en windwijzer te letten.

Hoe minder intellectueel ontwikkeld de menschen zijn, hoe meer

onmiddelijk de verschijnsels uit elkander voortvloeijen, waarvan

het verwachten der eene uit het voorkomen der andere opgemaakt dient

te worden; en met hoe minder kennis der werking der Natuurwetten op

stoffelijk en geestelijk gebied zij aldus kunnen volstaan. Hieromtrent

gemaakte dwalingen zullen aldus door zulke menschen minder dan door

meer beschaafde opgemerkt worden, en buitendien heeft het bijgeloof

minder invloed op de handelingen, dan men wel denkt. In plaats van

deze te doen afhangen van goede of slechte voorteekens, waardoor het

toeval de wijze van handelen zou bepalen, vallen, naarmate, wegens

naturalistische oorzaken, zekere handelingen al of niet geraden

geoordeeld worden, die voorteekens goed of slecht uit. Vaak toch

bedriegen de menschen zich zelf en zien zij hetgeen zij raadzaam

achten te zien.

Wij hebben hierboven de directe en niet de indirecte gevolgen der

verschijnsels in het oog gehad. Zoo is bijv. zeeziekte een direct

gevolg der schommelingen van schepen ten gevolge der deining, maar

de door deze teweeg gebragte bewondering en vrees, moet niet als een

direct gevolg der golving der zee, maar als dat van zekere zinnelijke

indrukken in verband met eene bestaande gemoedsgesteldheid beschouwd

worden. Men heeft hierbij als ware eene andere reeks van oorzaken en

daarmede gelijkslachtige gevolgen.

Behalve de gemiddelde plaats hebbende vergrooting der geestontwikkeling

der soorten bestaat die der wisselende individuen dier soorten.

Deze, zeer gering bij de geboorte, klimt gedurende een beperkt

aantal jaren tot de hoogte welke die der soort gedurende een veel

grooter aantal eeuwen bereikt heeft; en daar die snelle verhooging

der geestontwikkeling der individuen het gevolg moet zijn van eene

snelle verhooging der levensomstandigheden, zoodat die individuen

gedurig aan hoogere eischen moeten voldoen, zoo zal, wegens de

werking der traagheid, bij elk individu die geestontwikkeling meer

te kort schieten, dan bij de soort, zoo deze bijv. uit steeds op

aarde voortlevende individuen bestond. In dit geval zou gewis de

toename in geestontwikkeling der soort sneller zijn dan thans,

daar bijv. eene generatie, op zeker tijdstip op den graad van

geestontwikkeling harer soort staande, na bijv. 30 à 40 jaren een

hooger standpunt van geestontwikkeling zal bereikt hebben, dan zoo

op dit eerste tijdstip die generatie van ongeveer nul af aan alles

moet leeren. In dit laatste geval zal zij echter gedurende zekeren

tijd sneller in geestontwikkeling toenemen dan in het eerste, omdat

in dit eerste geval er geen prikkel bestaat om zich op de hoogte der

kennis van voorgangers te stellen. Dit geldt ook voor individuen van

volgende generatiën met betrekking tot individuen van voorgaande,

en vandaar dat bijv. menschen van hunne geboorte tot hun dertigste

jaar meer leeren dan van af dien leeftijd tot hun zestigste jaar.

Van af den achttienden tot den dertigjarigen leeftijd is de verhooging

der eischen der levensomstandigheden op het sterkste en vandaar

dat alsdan de geestontwikkeling, wegens de werking der traagheid,

het meeste te kort schiet, de menschen uit gebrek aan ondervinding

de meeste dwaasheden en euveldaden verrigten en zich daardoor het

meeste benadeelen. Zelfs de uitmuntendste opvoeding kan dit kwaad

slechts gebrekkig wegnemen, daar de menschen veel minder van andere

menschen dan door eigen ondervinding kunnen leeren.

Niet slechts dat, de snelle verhooging der menschen

levensomstandigheden, de voor de vervulling der eischen dier

omstandigheden gevorderde wijsheid meer te kort doet schieten, maar

ook de accidentele veranderingen dier omstandigheden zullen, al wordt

er hierdoor geene verhooging dier eischen daargesteld, wijsheid en

ondervinding (wegens de op blz. 63 gemelde werking der traagheid)

in gebreke doen zijn, wanneer er door, alsware nieuwe en onbekende

toestanden daargesteld worden. Dit nu zal veel meer het geval zijn

bij vrij kort, dan bij zeer lang op deze aarde vertoefd hebbende

wezens, en aldus reeds wegens twee oorzaken de sterfelijkheid der

individuen voor hen eene bron zijn van te kortschieten in wijsheid en

ondervinding en dus ook van ramp, maar tevens van sterkere toeneming

in geestontwikkeling gedurende een bepaalden tijd.

Evenzoo als des menschen geest ten achteren blijft betrekkelijk de

eischen der levensomstandigheden, doet het ligchaam zulks betrekkelijk

den geest. Dit vooruit-zijn van deze laatsten, waardoor op het

ligchaam eene vooruittrekkende werking uitgeoefend wordt, doet dit

lijden en kan het zelfs ongeschikt maken om tegelijk met eene juiste

werkdadige denking te bestaan. Vandaar het somtijds idioot worden

van geleerde kinderen.

Buitendien kan men op eene gebrekkige wijze op de hoogte zijn van

hoogere levensomstandigheden dan die waarin men verkeert. Een kind

kan bijv. in sommige opzigten te wijs zijn voor het kinderleven,

zonder zelfs in dit opzigt, aan de eischen der levensomstandigheid

van meervolwassenen te kunnen voldoen, niet wegens eene te lage,

maar wegens eene scheve opvatting dier eischen. Zoo zal bijv. de

republikeinsche regeringsvorm voor de Fransche natie, wanneer bij

deze de eerbied voor de wet grooter en de bekoorlijkheid van het

prestige van naam en roem geringer geworden zal zijn, geschikt worden,

doch de alsdan vigerende republikeinsche constitutie waarschijnlijk

beter zijn dan die gedurende het laatst der voorgaande eeuw en

aldus in Frankrijk te vroeg ingevoerd [15]. Thans noemen zich

de materialistische pantheïsten eene zeer geavanceerde partij

op godsdienstig gebied, doch, wanneer het gros van het publiek op

hunne hoogte gekomen zal zijn, zal dit geene hooger staande en minder

kinderlijke, maar wel betere en minder eenzijdige godsdienstbegrippen

dan zij aankleven. Krankzinnigheid, vaak ontstaande door het onvervuld

blijven van wenschen, en waarbij het denken niet in overeenstemming

is met de eischen der werkelijkheid, gaat, zooals bijv. bij sommige

asceten, dikwijls gepaard met valsche voorstellingen van hoogere

toestanden. Vandaar dat de geestelijke ontwikkeling van krankzinnigen

gemiddeld niet lager is dan die van andere menschen en bijv. door

Cervantes, bij Don Quichotte, zonder dezen onmogelijk te maken,

vooral in het zedelijke op een hoog standpunt gesteld kon worden [16].

Het achterlijk zijn van het eene met betrekking tot het andere,

ontstaat alleen doordat de vooruitgang van het laatste dit alsware ten

deele vernieuwd heeft, en is aldus een bijzonder geval der uitwerking

der traagheid waardoor, wanneer iets verandert, iets anders, er mede

in verband zijnde, niet terstond eene overeenkomstige verandering

ondergaat.

Wat doen nu de geavanceerde beginselen bezittende menschen en partijen?

Zij ontwerpen instellingen, geschikt behoorende te zijn niet voor

den bestaanden, maar voor toekomstige toestanden, en neemt men nu in

aanmerking, hoe, door veranderingen in het verledene, de bestaande

toestand nog min of meer nieuw is, zoo zal men beseffen, hoe veel

meer nieuws veronderstelde toekomstige toestanden zullen opleveren,

en hoeveel moeijelijker het wordt, om de eischen en aard hiervan dan

van een bestaanden toestand te bepalen. Door menschen van evenveel

talent en doorzigt ontworpen, zoo zullen ontwerpen van geavanceerde

instellingen noodwendiger gebrekkiger zijn dan die van instellingen

voor bestaande toestanden bestemd.

Door de ondervinding ingelicht, zullen daarentegen de ontwerpers

van instellingen voor verleden toestanden bestemd, deze volmaakter

maken dan de instellingen werkelijk gedurende die verleden toestanden

bestaan hebbende, mits de aard dezer niet te zeer onbekend geworden is.

Zoo weten de menschen gemiddeld beter wat zij vroeger hadden behooren

te doen, dan zij zulks vroeger geweten hebben en weten zij minder

goed wat zij later zullen moeten verrigten, dan zij zulks later

zullen weten.

De miskenning der eischen van dezen thans bestaanden toestand, het

zonder zulks te weten, voor oogen houden van hoogere toestanden dan den

thans bestaanden, benevens de zeer gebrekkige kennis van den aard en

eischen er van, hebben aanleiding gegeven tot het ontwerpen en zelfs

tot het voor een deel in praktijk brengen van allerlei wel is waar

buitensporige instellingen, wetten en gebruiken, maar waarbij de meeste

der ontwerpers, deze in dit opzigt, gene in eenig ander opzigt, iets

voorgesteld hebben werkelijk voor hoogere maatschappelijke toestanden

geschikt. Die ontwerpers zijn te vergelijken met de pionniers, welke

in Amerika en Australie de ontginners van den bodem in de wildernis

voorafgaan, dikwerf verdwalen zij, doch niettemin wijzen zij aan het

hen achterna komende gros van het menschdom den te volgen weg.

Op wetenschappelijk en godsdienstig gebied is dit nu evenzeer het

geval. De hierop geavanceerde stellingen en hypothesen, hoe eenzijdig,

gebrekkig en somtijds zelfs buitensporig, bevatten meestal eenige

vroeger onbekende waarheden, die wel vaak lang onbegrepen blijven,

maar, telkens op nieuw verkondigt, eindelijk wortel schieten; terwijl,

de tegelijk met hen voorgedragen dwalingen, van lieverlede in de

vergetelheid geraken. Daar echter de wetenschap gemiddeld steeds

voorwaarts gaat, houdt het opwerpen van geavanceerde stellingen niet

op. Zekere dosis dwalingen, en wel gemiddeld eene grootere, naarmate

de voortschrijding der wetenschap sterker is, blijft aldus steeds

in omloop.

Nemen wij bijv. de stelling van Bouddha, dat alle bestaan een kwaad

is, zoodat de mensch, door onderdrukking zijner begeerten en door

zedelijke veredeling, moet trachten op te gaan in het Nirwana en zich

te onttrekken aan eene wedergeboorte. Vooreerst verstonden Bouddha

en zijne aanhangers onder Nirwana het niet, of wel de oplossing in

de oneindige onveranderlijke denking onder verlies der eigenaardige

menschelijke natuur, en verstonden zij onder bestaan alle zijn hoe

ook, of wel gevarieerde op die van ons menschen gelijkende wijzen van

bestaan. De tweede onderstelling komt ons de aannemelijkste voor,

daar de stelling, dat men zich door veredeling moet voorbereiden

voor het niet ongerijmd is, en omdat daarop, zelfs bij de traagste

Oosterlingen, geen godsdienst te bouwen is.

In zooverre had echter Bouddha gelijk, dat veranderlijkheid bij het

bestaan, wegens de werking der inertie-wet, ramp te weeg brengt,

zoodat slechts eene, met onze geestelijke natuur niet overeenkomende

onveranderlijke wijze van bestaan, met volmaakte zaligheid te

vereenigen is en ook had hij gelijk door te stellen dat onderdrukking

der begeerten, tot geluk leidt, doch hij had er bij moeten voegen,

ook tot stilstand.

Was toch die tweede stelling van Bouddha aanbevelingswaardig,

zoo zouden de menschen, even als Diogenes, hunne stoffelijke en

geestelijke behoeften moeten trachten te verminderen, en in zooverre

als de ontwikkeling van handel, industrie en wetenschap meer dient om

nieuwe stoffelijke en geestelijke behoeften te scheppen, dan om aan

reeds bestaande behoeften te voldoen, zij gebreideld moeten worden. Bij

het onderwijs zou dan alles wat kan strekken om de leerlingen een

hoogeren graad van beelding, dan voor den maatschappelijken toestand

hunner ouders past, te doen geven, zorgvuldig geweerd moeten worden.

De indeeling der maatschappij in kasten behoorde alsdan weder te

worden ingevoerd. Schadelijk voor den vooruitgang dier maatschappij,

omdat de geest van routine er door opgewekt wordt en rijk begaafde

individuen uit de lagere standen er door belet worden om op de

maatschappij eene opheffende werking uit te oefenen, zoo bevordert

daarentegen zulk eene indeeling de rust en tevredenheid, wanneer de

kinderen van jongs af opgeleid worden voor de bekwame vervulling van

den ouderlijken werkkring.

De gilden en het staatstoezigt over handel en industrie zouden alsdan

weder ingevoerd en vrije handel afgeschaft moeten worden. De vrije

concurrentie gaat toch gepaard met een strijd, waarin de knapste

industrielen de andere ten gronde trachten te rigten, waarin zij op

middelen peinzen, om in het bedriegen van het publiek elkander de loef

af te winnen en waarin een ieder dus maar, ten bate der verhooging

zijner geestontwikkeling, maar moet zorgen om niet de verliezende

partij te zijn.

Wilden zou men slechts moeten trachten in den wilden toestand in

gunstige omstandigheden te doen leven, maar zich overigens wel

hoeden moeten om hen te beschaven, kortom men zou enkel aan de

zucht tot geschiktmaking gehoor moeten geven. Dit echter wordt door

de instinctmatige zucht tot vooruitgang, den mensch in veel hoogere

mate dan de dieren deelachtig, onmogelijk gemaakt, maar tevens wordt,

door het gehoorgeven aan die zucht, verklaard hoe de mensch, getooid

met eene schoone, maar met distelen doorvlochte kroon, tegelijk is

het verhevenste en het betrekkelijk onvolmaaktste, het edelst en het

ongelukkigste wezen der aarde.

Even als bij snellen gang troepen niet meer opgesloten blijven, maar

zich verdeelen op den weg, doet de betrekkelijke snelle toeneming in

geestontwikkeling van den mensen een groot verschil in verhevenheid

ontstaan tusschen zijne denkbeelden betreffende de eene en de andere

zaak. Van daar zekere disharmonie, zekere tegenstrijdigheid bij zijn

wezen, die gevoegd bij de uitwerking der met elkander strijdende

neigingen naar geluk en naar vooruitgang, hem in zijn eigen oog,

zooals Pascal zeide, tot een onbegrijpelijk monster maken [17].

Des menschen geest neemt te snel in ontwikkeling toe, om voor

blijvende aardsche ligchamen geschikt te zijn, daar de aarde zelve

het streven dier ligchamen naar hoogere ontwikkeling (volstrekt niet

in vergrooting der gezondheid bestaande) belemmert. Het is dan ook

verkeerd te beweren, dat de waarde van den geest hand aan hand gaat

met die van het ligchaam uit het oogpunt van gezondheid en goede

werking der verschillende organen.

De menschen bijv. bezitten meer wijsheid, kennis en zelfs in het

algemeen eene grootere geestelijke ontwikkeling, wanneer op hoogen

leeftijd hun ligchaam gebrekkig geworden is, dan toen dit in vollen

bloei verkeerde. Wanneer echter de zintuigen beginnen te begeven en

alle bewegingen moeijelijker en vermoeijender worden, let men minder

op hetgeen in de omgeving geschiedt en gezegd wordt. Geestelijk

leeft men dan minder in het heden en op de plaats zelve waar men

zich bevindt, en van daar het schijnbare gemis aan geheugen en die

schijnbare botheid van geest welke de grijsaards met afgetrokken en

diepzinnige personen gemeen hebben. [18] Bij de kinderen heeft het

tegenovergestelde plaats, hunne denkvormen gelijken meer op die der

dieren dan die der volwassenen. Geheel vervuld met het heden en de

omgeving, ontgaat er weinig aan hunne opmerkzaamheid, doch worden

hunne vroeger gemaakte denkbeelden snel uitgewischt door andere,

ten gevolge van nieuwe zintuigelijke indrukken ontstaan.

Ofschoon aan het leven gehecht, zouden de meeste menschen niet

andermaal hun levensloop willen herhalen. Wel zouden zij wenschen hun,

door inspanning en wegens gebrek aan ondervinding, onder betaling van

leergeld, vooruitgeganen geest, aan een verjongd ligchaam te koppelen,

doch niet in geestontwikkeling tot den kinderlijken toestand terug

te keeren.

De geest kan overigens bij alle graden van ontwikkeling jong of oud

zijn, daar zulks afhangt, of dat hij zekere toestanden en omgeving

sedert kort begonnen is met bewustheid te aanschouwen, of dat hij

hieraan reeds lang gewoon geworden is, of, met andere woorden, van het

verkrijgen van nieuwe denkbeelden, of van het behouden der vroegere.

Werkte, bij de op eenigen hemelbol aanwezige ligchamen van wezens

slechts de oorzaken hen voor de omstandigheden, door den aard van dien

hemelbol opgeleverd, geschikt trachtende te maken, zoo zou zulk eene

beschadiging dier ligchamen, dat het organische leven er niet meer

bij mogelijk is, bij elke volgende generatie moeijelijker dan bij de

voorgaande plaats hebben. Gemiddeld zou aldus elke generatie langer

leven dan de haar voorgaande en van de, na een oneindig langen tijd

bestaande, de ligchamen onsterfelijk zijn; terwijl reeds thans dit

het geval zou zijn, zoo die constante oorzaak reeds gedurende eene

eeuwigheid alleen gewerkt had.

Tegelijk er mede heeft echter de oorzaak, de organisatie dier

ligchamen trachtende te verhoogen, gewerkt, en daar nu de snelheid

waarmede zulks geschiedt, zoo als op blz. 72 verklaard is, juist

het tegengestelde effect der voorgaande oorzaak te weeg brengt,

beide oorzaken, vereenigt werkende, de organische ligchamen uit de

stoffen van zekere hemelbollen gevormd, wel meer zamengesteld van

bouw en hooger ontwikkelt, doch tegelijk meer teer en vernielbaar

dan bij het gemis dier laatste oorzaak doen zijn.

Hoe geringer de toeneming in geestontwikkeling en aldus ook

de verhooging der organisatie der ligchamen van wezens is, hoe

zwakker de werking van de tweede der boven gemelde oorzaken wordt,

en hoe bezwaarlijker aldus het leven der ligchamen van zulke wezens

uitgebluscht moet kunnen worden. Van daar de taaiheid van het leven

en den meer onbeperkten groei der lagere dieren. Het optreden van hen

overheerschende namelijk bestrijdende hoogere dieren heeft echter voor

die lagere dieren veranderde levensomstandigheden daargesteld, waarvoor

eerstgemelde constante oorzaak, wegens de binnen geen beperkten

tijd te overwinnen werking der traagheid, hen niet geheel geschikt

kon maken. Hunne ligchamen moeten aldus voor die hoogere dieren

verslindbaar zijn, en, korteren tijd bestaande, door groeijen niet

zulk een omvang verkrijgen, als die der mede in ontwikkeling gelijk

staande dieren, aan zulk eene overheersching niet blootgesteld. Van

daar dat welligt de (zie blz. 30) binnen de sedimentaire lagen gevonden

fossile weekdieren, levende voor dat de visschen optraden, grooter

waren dan de heden bestaande weekdieren en dat de kruipende dieren

van het secundaire tijdperk grooter waren dan de heden bestaande door

vogels en zoogdieren overheerschte kruipende dieren.

Naar ons inzien kan aldus gesteld worden, dat kortere duur van het

leven van ligchamen gemiddeld een teeken is van snelle toename in

ontwikkeling en tevens van betrekkelijke onvolmaaktheid van geest

en ligchaam.

Neemt een volk in beschaving af, zoo zullen na zekeren tijd, deszelfs

instellingen en geestelijke ontwikkeling op de hoogte der eischen van

den verminderden graad van beschaving zijn, een maximum bereikt hebben,

na dien dalen, en voor de eischen der afnemende beschaving, wegens de

werking der traagheid, te hoog blijven (zie Noot blz. 72). Al bleven

echter de individuen steeds voortleven, zoo zou zulk een volk geruimen

tijd in beschaving moeten achteruitgaan, voordat de nog stijgende

geestelijke ontwikkeling dier individuen in elk opzigt op zulk eene

hoogte zou gekomen zijn, dat zij aan de eischen der omstandigheden,

door den trap van beschaving daargesteld, zou voldoen.

Nu kunnen zulke afnamen in beschaving slechts bij uitzondering,

gedurende betrekkelijk korten tijd en gedurende den leeftijd der

individuen slechts in geringe mate plaats hebben. Voor deze blijven

aldus de eischen der levensomstandigheden gedurende hun leven toenemen,

zoodat hunne geestelijke ontwikkeling er beneden en buitendien, wegens

andere soorten van verandering dier omstandigheden (zie blz. 71),

onvoldoende zal blijven. [19]

Hoe, wanneer de beschaving toeneemt, de zedelijke ontwikkeling der

volken absoluut kan toenemen en nogthans even onvoldoende blijven,

blijkt bijv. uit het gemis aan eerlijkheid, waarover men thans niet

minder dan vroeger klaagt. Welligt zijn wij in geldzaken eerlijker dan

onze voorouders vier à vijf eeuwen geleden, doch hoe uitgebreider is

het finantieel verkeer geworden, hoe noodzakelijker het is geworden,

dat men op de eerlijkheid van anderen staat kan maken.

De opvoeding van een timmerman duurt bijv. korter dan die van een

staatsman, en niettemin levert gene gemiddeld beter werk dan deze

en zullen er over de kunsten van koorddansers gemiddeld minder

aanmerkingen dan over de verzen van dichters te maken zijn. Slechts

in zooverre de lagere klasse aan dezelfde eischen als de hoogere moet

voldoen, vertoont zij zich betrekkelijk onvolmaakter dan deze, terwijl,

wanneer die eischen evenredig zijn met de graden van beschaving van

beide klassen, de lage het in betrekkelijke zedelijke volmaaktheid van

de hooge wint. Dit zou echter het geval niet zijn, zoo de menschen

tot hoogere klasse behoorende, langer en alsware langzamer leefden

dan die van lagere klassen, zoodat zij niet sneller dan deze in

geestontwikkeling moesten toenemen.

De graad van beschaving of geestelijke ontwikkeling der menschen zal,

na gedurende zeker tijdvak vertragende gestegen te zijn, dit op deze

aarde eenmaal niet meer noemenswaardig moeten doen.

De beperktheid der zintuigelijke aanschouwing is toch onvereenigbaar

niet eene onbepaalde geestontwikkeling en, naarmate de drang

tot vergrooting hiervan zwakker is, zal die grens, waarboven de

geestontwikkeling niet meer noemenswaardig stijgt, lager gelegen zijn,

even als, naarmate een steeds aanhoudende wind zwakker is, de er door

voortgebragte toenemende, maar eindelijk in sterkte circa standvastig

wordende golving, geringer is.

Dit laatste nu ziet op de hoogere en lagere dieren, want ook deze

bezitten, ofschoon in veel zwakkere mate dan de mensch, bewuste

aanschouwing en zucht tot uitbreiding hiervan.

Zoo elk mensch steeds op deze aarde bleef voortleven zou hij, nadat

zulk een eindtoestand der beschaving bereikt is, alles weten wat

hij maar eenigzins in zijn stand wenschelijk zou achten te weten,

omdat hij een onbepaalden tijd ter zijner beschikking zou hebben om

een bij de maatschappij niet noemenswaardig meer toenemende dosis

kennis op te doen. Hoe langer de individuen leven, hoe sneller het

gansche menschengeslacht bij gelijken aanleg in kennis zal toenemen,

omdat elke generatie alsdan meer tijd zal hebben om hare verkregene

kennis aan het opkomende geslacht mede te deelen.

Hoe hooger de beschaving is, hoe meer elke generatie zal moeten

leeren, en hoe betrekkelijk gebrekkiger de opvoeding zal worden,

al is het dat alsdan, wegens de grootere zamenwerking en onderlinge

gemeenschap der menschen, de mededeeling van wetenschap aan de jeugd

gemakkelijker geschiedt.

Elke generatie zal aldus op lateren leeftijd meer in kennis moeten

toenemen, om zich op de hoogte te stellen der kennis door het vorige

geslacht bereikt. Dit zal nu gemiddeld wel geschieden en zelfs iets

meer dan dat, zoolang de beperktheid der zintuigelijke aanschouwing

die vergrooting der wetenschap der aardbewoners niet belet, maar de

zoo even gemelde oorzaak de vergrooting der kennis van het menschdom

trager doen toenemen.

Van deze kennis zal alsdan elk individu een kleiner deel zich eigen

kunnen maken dan tijdens het bestaan van een minder gevorderden trap

van beschaving, elk individu alsdan, met betrekking tot het dan zoo

zamengesteld geworden maatschappelijk leven, meer in ondervinding

te kort schieten; zij alsdan gedurende hun leven wel sterker in

geestontwikkeling dan thans toenemen, doch tevens meer teleurstellingen

ondervinden; met betrekking tot hetgeen zij wenschen te leeren en te

doen, minder en gebrekkiger leeren en doen, in een woord betrekkelijk

onvolmaakter zijn dan tijdens het bestaan van lagere trappen van

beschaving.

Zij die de individuen geschikt voor het leven op deze aarde

wenschen te zien, zullen aldus door de toeneming der beschaving niet

bevredigd worden. Wel integendeel zij, die de toename der geestelijke

ontwikkeling der individuen, al zij het dat hierdoor hunne ligchamen

gesloopt en hun leven verkort wordt, als het doel hiervan beschouwen.

De aanhangers van eerstgemelde levensbeschouwing (die der geschiktheid

voor het aardsche), waartoe behooren de epicuristen, voegen den mensch

toe: gedenk te leven, in den zin van gedenk op eene oordeelkundige

wijze te genieten, tracht uwe gezondheid en welvaart te bevorderen,

in vrede met andere menschen te verkeeren, bedenk dat slechts

in een gezond ligchaam eene gezonde ziel kan huizen en weet dat

onnieuwsgierigheid een zacht hoofdkussen voor een welgevormd hoofd is.

De aanhangers der tweede levensbeschouwing (die van den vooruitgang),

waartoe de rationele stoïcijnen behooren, roepen daarentegen de

menschen toe: gedenk te sterven, namelijk leef zoodat uwe geestelijke

ontwikkeling op het oogenblik van het verscheiden hoog opgevoerd zij,

offer hieraan op gezondheid en welvaart, schroom niet in strijd met

anderen te komen en oneenigheid te stichten, wanneer het beginselen

geldt het menschdom naar hooger leidende en tracht zoover mogelijk,

door peinzen en denken, op het gebied van het buitenzinnelijke door

te dringen.

Een gemiddelde tusschen beide soorten van levensbeschouwing komt ons

voor de voorkeur te verdienen.

Dat onze geest ons ligchaam noodig heeft om werkdadig te denken en

om indrukken van de buitenwereld te verkrijgen en dat de bloeijende

toestand van het ligchaam, bij gelijke hoogte der organisatie hiervan,

maakt dat het de streving opwaarts van den geest gemakkelijker kan

volgen, en die streving aldus dan minder tegenwerkt, maakt het noodig,

dat men in zekere mate een geschikt ligchaamsleven leidt en dat onze

geest zich bezig houdt met het verkrijgen van hetgeen noodig is voor

de behoeften van het ligchaam en aldus de wetenschap beoefent met het

oog op het materiele en praktische nut. Dit een en ander maakt tevens

dat wij aan den bloei van het ligchaamsleven en aan de welvaart van

anderen zorgen moeten wijden, terwijl het leven in vrede met deze

zamenwerking met hen gemakkelijker maakt, hetgeen weder strekt ter

bevordering der vergrooting der geestelijke ontwikkeling. Eindelijk

moet de beperktheid der zintuigelijke aanschouwing grenzen stellen aan

het doordringen van den geest op buitenzinnelijk gebied (zie later).

Van den anderen kant moet het ligchaam dienstbaar gemaakt worden

aan de toename der geestontwikkeling om aldus de machine, slechts

in zooverre in goeden staat gehouden worden, als de eischen van

het gebruik er van zulks toelaten. Zelfs behoort men, om aan die

eischen te voldoen, niet te schromen om de machine te verslijten en

aan gevaar voor vernieling bloot te stellen. Ook moet de wetenschap,

met het oog op die toename der geestontwikkeling, zelfs ten koste

van stoffelijke welvaart beoefent worden.

Voorts behoort men zich jegens anderen zoo te gedragen, dat men

hunne materiele welvaart in zekere mate ondergeschikt maakt aan de

toename hunner geestontwikkelingen moet de deze bevorderende strijd

van denkbeelden en beginselen niet aan eene te ver gedreven zucht naar

eensgezindheid en vrede opgeofferd worden [20]. De liefde voor anderen

moet niet alleen ten doel hebben om hen van lijden te bevrijden, of

anders gezegd om hen geschikt te maken voor de omstandigheden waarin

zij verkeeren, maar tevens om de zedelijke ontwikkeling, zoowel van hem

die liefde betoont als van hem aan wie zij betoond wordt, te verhoogen,

en zij aldus ook ten bate van den vooruitgang der individuen strekken.

Slechts, wanneer de liefde op deze wijze beschouwd wordt, kan het

verstandig geacht worden zich groote offers op te leggen, ten einde op

eene onzekere wijze het lijden van anderen een weinig te verminderen.

Het is waar dat, hoe hooger de geestelijke ontwikkeling der menschheid

is, hoe meer de menschen zich om hunne natuurgenooten en om de belangen

hunner eigen toekomst bekreunen en dit kunnen doen, doch het is er

verre van af, dat het directe nut dat men, zoo voor anderen als voor

zich zelf, op deze aarde sticht, de hiervoor genomen inspanning loont.

Ook nemen de menschen (tenzij oppervlakkig op gezag) niet gaarne

onderrigt en teregtwijzing van anderen aan, zij leeren liever zelf

en nemen hierdoor wel is waar trager in kennis toe, doch deze wordt

alsdan dieper, inniger en minder vergeetbaar, terwijl hunne grootere

en meer langdurige inspanning ten gunste van hun intellectuelen aanleg

en van hunne geestontwikkeling in het algemeen werkt. Om een anders

ideën goed te begrijpen, dient men zelfs (al zij het meer onbepaald

en minder naauwkeurig) van zelf op die ideën gekomen te zijn.

Hoe moeten nu de aanhangers der epicuristische levensbeschouwing zich

gevoelen op het gezigt eener omgeving weerbarstig in het aannemen

van onderrigt, en wel is waar grif in het aannemen van materiele

hulpmiddelen, doch slechts wanneer zij hierover naar goedvinden kunnen

beschikken; op het gezigt van min of meer direct ten gevolge van hun

individuelen vooruitgang lijdende menschen en dieren, waarvoor zij

slechts zeer weinig kunnen doen? Zij die zulk eene levensbeschouwing

aanhangen, het doel van het lijden aldus niet begrijpen en aan

de liefde geene hoogere beteekenis geven dan om dit lijden te

verzachten en, zoo der naasten als hunne eigen geestontwikkeling,

elk oogenblik met vernietiging bedreigd achten, moeten geleid worden

tot moedeloosheid, tot minachting van zich zelf en van anderen, tot

gemis aan zedelijke kracht en moed om zich offers te getroosten ten

behoeve van anderen of van eigen toekomst; tot het zich verdooven in

de beslommeringen en genietingen van het heden; tot het ontvlugten

van het lijden van anderen en zelfs tot ontkenning er van, omdat dit

lijden een protest is tegen die slechts geschiktheid bij een aardsch

bestaan noodig achtende levensbeschouwing.

Wanneer deze dan ook door de massas in praktijk wordt gebragt,

moet zedelijk verval het gevolg zijn, zooals bijv. bij de Grieken en

Romeinen tijdens het begin onzer jaartelling. De natuurwet, dat van

een verschijnsel oorzaak en gevolg aan elkander tegengesteld zijn, deed

echter toen hare werking gevoelen, namelijk dit zedelijke verval deed

eene tegengestelde levensbeschouwing een kerkelijk gewaad aantrekken

en, aldus geschikt geworden voor de massas, tot binnen deze dringen

[21].

Te weinig wijsgeerig om te weten, dat het lijden een gevolg is der

werking der traagheid bij het veranderlijke en aldus ook bij het

zich verheffende (zie blz. 63), zoo hebben de menschen niettemin een

zeker besef, dat er geleden moet worden om opwaarts te streven en dit

besef nu werd levendig in de levensbeschouwing van het Christendom,

dat het lijden heiligt, op den weg ter heerlijkheid plaatst en door

het zich omhoog heffende kruis zinnebeeldig voorstelt.

De aanhangers der épicuristische levensbeschouwing verdiepen zich

ongaarne in de beschouwing der individuen, maar liever in die der

in beschaving toenemende maatschappij, in die harer kunstgewrochten,

in die der schoone en jaarlijks herlevende natuur. Doch is de duur van

dit alles zoo zeker, kunnen betrekkelijk snelle en groote veranderingen

bij de aardkorst en het gasvormige omkleedsel onzer planeet dit alles

niet vernietigen? Buitendien die schoone organische natuur maskert een

slagveld, een strijdperk waarop dieren en planten al strijdende hoogere

organisatiën verkrijgen en zich individueel trachten te verheffen en

buitendien, waartoe leidt die toenemende beschaving? Naar aanleiding

van het op blz. 83 gemelde, tot sterkeren vooruitgang der individuen

gedurende hun leven, maar volstrekt niet tot hun geluk of geschiktheid

voor de omstandigheden waarin zij verkeeren.

De maatschappij wordt gevormd door zamenwerkende individuen, en in het

belang van beider vooruitgang is het noodig dat die individuen zekere

zelfstandigheid behouden, en dat zij aldus geene levensbeschouwing,

de individualiteit in minachting brengende, aanhangen.

Om te begrijpen, hoe het zedelijke verval eener maatschappij, derzelver

beschaving achteruit moet doen gaan, behoeft men slechts te bedenken,

welk een nadeeligen invloed vermindering van arbeid en vertrouwen op

handel en industrie uitoefent. Zoo bijv. de menschen slechts werken om

geld te winnen, zal hun arbeid geene vruchten opleveren van zulk eene

gehalte, als wanneer men hem tevens ter vergrooting der geestelijke

ontwikkeling, zoo van anderen als van zich zelf, doet strekken. Dit

verschil, niet noemenswaardig bij grof handenarbeid, zal grooter

worden, naarmate die arbeid van meer verheven aard wordt. Verder zal,

zoo de winsten geringer worden, de productie van den arbeid insgelijks

verminderen, en ook weder in sterkere mate, naarmate de aard hiervan

meer verheven is [22].

De vergrooting der hulpmiddelen der wetenschap maakt dat de vruchten

van den arbeid grooter worden, terwijl de vergrooting der digtheid

der bevolking eene tegenovergestelde werking uitoefent. Gedurende de

toeneming der beschaving en der volkrijkheid komt ons de toeneming der

hulpmiddelen der wetenschap eerst en die der digtheid van bevolking

later de overhand te moeten hebben.

Volstrekte overbevolking, wegens gebrek aan te bebouwen bodem, kan

wel is waar niet gezegd worden te bestaan, zoolang die bodem nog een

mud graan, of het voedsel voor een rund meer kan opbrengen, iets wat

overal het geval is, doch dit belet niet, dat, het digter worden

der bevolking, den arbeid, noodig om bijv. een mud graan voort te

brengen, grooter doet worden. Minder arbeid zal er dus, naarmate (bij

denzelfden trap van beschaving) die digtheid der bevolking grooter

wordt, besteed kunnen worden aan de vervaardiging van voorwerpen

niet volstrekt onmisbaar voor de menschen onderhoud, minder van

zulke voorwerpen zullen er aldus dan te verkrijgen zijn voor hen,

die hen dan met de winsten, door hun arbeid opgeleverd, willen koopen.

Wel is waar zullen de meer beschaafde menschen steeds meer

behoeften hebben dan de andere en grootere rijkdom aldus voor hen

eene noodzakelijkheid blijven, doch dit overwigt in geestelijke

ontwikkeling zich (wanneer de digtheid der bevolking grooter is met

betrekking tot de beschaving) meer door hare innerlijke waarde en

minder door uiterlijk vertoon veropenbaren.

De kleinere verschillen in rijkdom, bij het kleiner zijn der winsten

van den arbeid, kan men vergelijken met het meer opgesloten zijn

der op blz. 77 gemelde manschappen, naarmate deze gemiddeld trager

loopen. Het verschil in snelheid tusschen de verschillende manschappen

zal hierdoor evenzoo verminderen, als dat der gemaakte overwinsten

door het mindere gemak om overwinsten te verkrijgen. De neiging der

manschappen tot opsluiting komt bij deze gelijkenis overeen met de

uitwerking der verdeeling der rijkdommen bij het erven, met die der

giften aan behoeftigen en met het effect van den grooteren prikkel

voor armen dan voor rijken om geld te winnen, zie blz. 49.

Tegen hetgeen op blz. 86 gezegd is, zal men welligt aanvoeren, dat

het kwaad, in ongeschiktheid van het een voor het ander bestaande,

het zedelijke kwaad eerder moet af- dan toenemen, wanneer de menschen

zich geschikter voor hun aardsch leven trachten te maken. Men dient

hierbij echter te onderscheiden de eischen van het maatschappelijke

en zedelijke leven van den mensch en die van zijn zinnelijk of

ligchaamsleven.

De drang tot vooruitgang maakt dat de menschen die eerste eischen

zoodanig verhoogen, dat, wegens de werking der traagheid, hunne

geestontwikkeling er bij te kort schiet. Verlagende op deze werken nu

de eischen van het zinnelijke leven en verlagende op de organisatie van

het ligchaam de onbewerktuigde aardt. Deze vier zaken, waarvan nu de

laatste onveranderlijk is, trachten op gelijke hoogte te komen en aldus

voor elkander geschikt te worden, en, zoo nu de eerste verlaagd wordt,

namelijk zoo de menschen trachten de maatschappij meer barbaarsch te

doen worden en naar het dierlijke terug te brengen, zullen zij tot

elkander naderen en de menschen werkelijk betrekkelijk beter worden.

Zoo bijv. eene generatie in geestontwikkeling minder toeneemt

dan de vorige, zal de werking, de toeneming in ontwikkeling van

het ligchaam bevorderende, hierbij ook eenigzins kleiner dan bij

de vorige generatie zijn. De laatste generatie zal aldus aan hare

kinderen wat minder hoog ontwikkelde ligchamen achter laten dan zij

van hare ouders ontvangen heeft, en de ligchamen dier kinderen zullen,

door de werking van den geest, wat moeijelijker dan die hunner ouders

in ontwikkeling kunnen toenemen. Bij die derde generatie zal aldus

de toeneming der geestontwikkeling nog wat zwakker zijn dan bij de

tweede, zoo zij zich, betrekkelijk haar standpunt van ontwikkeling,

niet meer dan deze inspant, en dit zoo voortgaan; zoodat de mensch

dan langs den op blz. 30 gemelden stamboom, alsware terug zal gaan,

en, aangezien de geest der dieren ook opheffende en de onbewerktuigde

aarde verlagende op hunne ligchamen werkt, die teruggang niet ophouden,

voordat het punt van aanvang van dien stamboom weder bereikt is [23].

Wanneer de menschen hunne geestelijke ontwikkeling, onder tegenwerking

der eischen der zinnelijkheid, bijzonder verhoogen, zal zij, wel is

waar, steeds in het een of ander ten achteren staan bij de eischen

van het zedelijke en maatschappelijke leven, doch die eischen en

die ontwikkeling digter bij elkander komen en gene sneller opwaarts

gedreven worden.

Het tegengestelde zal daarentegen plaats hebben, zoo, wegens den drang

tot vooruitgang, men die eischen wel tracht te verhoogen, maar de

geestelijke en vooral de zedelijke ontwikkeling, door het toegeven aan

de eischen de zinnelijkheid, daalt. Dit laatste dan kan in zulk eene

mate geschieden, dat de eischen van het zedelijke en maatschappelijke

leven en aldus ook de beschaving er sterker door omlaag getrokken, dan

door den drang tot vooruitgang omhoog gedrongen worden. Zulk een geval,

op blz. 86 bedoeld, is vergelijkbaar bij eene schuit, die een paard

stroomopwaarts tracht te trekken, maar daartoe onvermogend is, zoodat

dit paard (met die eischen der beschaving vergelijkbaar) achterwaarts

moet stappen, omdat de spanning der treklijn (met de betrekkelijke

zedelijke slechtheid der menschen vergelijkbaar) groot is.

De groote afstand tusschen de beschaving der menschen en de organisatie

van hun ligchaam maakt dat de beschaving middelen aanbiedt om zinnelijk

te genieten en tevens dit ligchaam te benadeelen, iets dat bij dieren

slechts in veel zwakkere mate bestaat, en bijv. het geval is bij hen,

welke de epicuristische levensbeschouwing op eene verbasterde wijze in

praktijk brengen, namelijk bij hen die zich aan grove zinnelijke lusten

overgeven en onverschillig worden voor de geestelijke ontwikkeling

zoo van anderen, als van zich zelf, zie blz. 87.

De verbasterde opvatting der tegenovergestelde levensbeschouwing

ontmoet men bij de asceten, die, om alle zinnelijkheid te vernietigen,

hun ligchaam martelen, dit alzoo minder bekwaam maken, om op eene

indirecte wijze de vergrooting der geestelijke ontwikkeling te

bevorderen en deze laatste zooals zij die opvatten, zoodanig ter

harte nemen, dat zij andersdenkenden vervolgen [24].

Vele menschen zijn in het eene punt de eene en in tegengestelde

het andere de levensbeschouwing toegedaan, doch steeds zullen die

onderdeelen hunner levensbeschouwing zich in harmonie met elkander

trachten te stellen.

Een gemiddelde tusschen beide dient echter in innigheid en

wetenschappelijkheid toe te nemen, naarmate de beschaving zulks

doet, en aldus de instinctmatige aandrang en tot geschiktheid en tot

vooruitgang, bij de dieren, zie blz. 64, voldoende, alsdan meer te

kort schieten om de menschen in de school van het leven te leiden.

Het humanisme, zooals de aanhangers der epicuristische

levensbeschouwing dit opvatten, zou slechts kunnen bestaan, zoo de

menschen steeds op aarde bleven voortleven, de onbewerktuigde natuur

niet de op blz. 91 gemelde terugtrekkende werking op der menschen

ligchamen uitoefenende en de beschaving niet meer toenam. Wegens

de neiging der dingen om, wanneer geene oorzaken dit tegengaan,

harmonisch met elkander te worden, zouden dan de eischen van zedelijke

en maatschappelijke leven, de geestontwikkeling, de eischen van het

zinnelijke leven en de organisatie der menschelijke ligchamen zich

op dezelfde hoogte stellen, en de betrachting van het goede geene

opoffering meer kosten en niet meer in strijd zijn met het genieten

in het heden.

Die toestand zou echter, zelfs bij zulk eene aardsche onsterfelijkheid

deelachtige wezens, niet mogelijk zijn, zoo de onbewerktuigde aarde

de organisatie hunner ligchamen omlaag trok, daar dit tegengegaan

zou moeten worden door eene even sterke hen omhoog trekkende werking

en deze niet zou kunnen bestaan, zoo der menschen geestontwikkeling

niet hooger dan die hunner ligchamelijke ontwikkeling stond, en

door hoogere eischen van het zedelijke en maatschappelijke leven,

die geestelijke ontwikkeling niet, tegen omlaagtrekking er van door

de eischen van het zinnelijke leven, behoed werd [25].

Een trap van beschaving, wegens de terugtrekkende werking der

onbewerktuigde aarde voor geene verdere verhooging vatbaar, zal,

wegens de op blz. 71 gemelde oorzaak, bij sterfelijke wezens niet zulk

eene hoogte kunnen bereiken als bij ligchamelijk onsterfelijke. Die

beschaving, door den eenen mensch in dit en door den anderen in

andere opzigten opgedreven, zal eischen stellen voor het zedelijke

en maatschappelijke leven, waaraan de menschen, wegens den korten

duur van hun leven, nog minder zullen voldoen, dan zoo zij steeds

op deze aarde bleven voortleven, aan den eenigzins hoogeren trap van

beschaving, die dan bereikbaar zou worden.

In dit laatste geval zou toch die beschaving het werk zijn van de

alsdan levende menschen, terwijl tot de werkelijk op deze aarde

bestaande beschaving de vroegere generatiën bijgedragen hebben,

zoodat zij voor elke volgende iets nieuws is.

De korte duur van ons leven maakt aldus dat wij in denzelfden tijd,

om even goed te voldoen, in geestontwikkeling sneller moeten toenemen,

dat wij dit wel eenigzins sneller doen, doch niet in zulk eene mate

dat wij even goed voldoen als bij langer leven, dat onze taak zwaarder

dan in dit laatste geval is en dat, wegens dien gevorderden snelleren

aanwas in geestontwikkeling, de eischen van het zinnelijke leven meer

ten achteren staan bij die van het maatschappelijke en zedelijke leven,

zie blz. 71.

Bedenkingen tegen de Leer van Darwin Gevolgd door beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen. · 第 7 / 13 题