Onze bedenkingen tegen de thans bij het beschaafde publiek vrij
bekende leer van Darwin zijn de volgende:
1o. Dat de splitsing van diersoorten in andere soorten, van deze weder
in nieuwe enz. slechts bij uitzondering kan plaats hebben; namelijk,
wanneer de natuur aan eenige diersoort een grooter aantal wijzen
van bestaan aanbiedt dan vroeger en anders belet wordt, door dat
de voortplanting door paring van mannetjes en wijfjes van diezelfde
soort geschiedt.
2o. Dat het uitsterven van diersoorten slechts bij uitzondering kan
plaats hebben, omdat, naarmate van zulk eene soort, binnen dezelfde
uitgestrektheid grond, het aantal exemplaren vermindert, elk dezer
onder levensomstandigheden komt, waarin het beter dan vroeger aan de
oorzaken, deszelfs soort trachtende te vernietigen, kan wederstaan.
3o. Dat het geschikter worden der organisatie van diersoorten, voor
de omstandigheden waarin zij verkeeren, onmogelijk door de natuurkeus
(anders gezegd door de werking van het toeval) kan geschieden.
4o. Dat, zelfs aangenomen, dat de natuurkeus die geschiktwording
kon voortbrengen, hierdoor nog niet verklaard zou worden, hoe
lagere diersoorten van lieverlede hoogere organisatien verkrijgen,
zoodat de leer van Darwin de vraag wat was eerder de kip of het ei,
onbeantwoord laat.
Een wel is waar niet volledig, maar desniettemin vrij voldoend
antwoord op die vraag wordt toch slechts gegeven, wanneer men kan
aantoonen, dat al de thans bestaande diersoorten ontsproten zijn
uit een aantal anderen, elk op den allerlaagsten trap van dierlijke
organisatie staande.
Deze hypothese heeft reeds, voordat de onderzoekingen
der versteeningen, binnen de sedimentaire lagen bevat hare
waarschijnlijkheid aangetoond hadden, den bijval van denkers
genoten. Ten allen tijden hebben deze toch aangenomen, dat het
bijzondere, uit het meer algemeene, het zamengestelde (mits die
zamengesteldheid in eene meer kunstige inrigting bestond), uit het
meer eenvoudige en het hoogere uit het lagere (zoo dit een even
bijzonder karakter als dit hoogere bezat), moest voortspruiten.
De ervaring toonde toch aan, dat in het maatschappelijke en op
het gebied van kunst en wetenschap dit steeds het geval was en
vandaar, dat men stelde, dat die schoone regels ook op het gebied
van het buitenzinnelijke moesten gelden. Raadpleegt men zelfs de Oude
Cosmogonien, zoo ontwaart men daarin eene veelal op kinderlijke, wijze
ontvouwde grondgedachte, dat er, wel is waar, niet een begin van alles,
maar wel van het bijzondere bestaan heeft, namelijk dat de wereld met
al derzelver verscheidenheden zich uit een eenvormigen chaos ontwikkeld
heeft en dat uit een nevelachtigen en een karakter van algemeenheid
bezittende Oergod, de menschen en bijzondere goden voortgesproten zijn.
Men kan gemakkelijk opmerken dat het hoogere, mits dit een even sterk
karakter van bijzonderheid als het lagere bezit, dit laatste noodig
heeft om te bestaan; terwijl het omgekeerde niet doorgaat.
De vleeschetende dieren verslinden bijv. de gemiddeld minder geestelijk
ontwikkeld dan zij zijnde plantetende dieren; terwijl deze zeer
gevoegelijk eerstgemelde kunnen ontberen. De kleine vogels voeden zich
met de lager dan hen staande insecten, deze weder met microscopische
diertjes en zelfs de planten zouden niet kunnen bestaan, zoo er geene
microscopische plantjes en diertjes aanwezig waren, terwijl daarentegen
deze de hoogere planten wel kunnen missen. Zoo toch het regenwater
geene organische bestanddeelen bevatte, zouden er door zouten uit den
bodem gevoerd, maar geene nieuwe zouten door ontbinding dier organische
bestanddeelen, er ingebragt worden. Deze laatste worden nu geleverd
door de microscopische plantjes en diertjes, welke de zouten van den
Oceaan binnen hunne ligchamen opnemen, tijdens het waaijen, door de
beroering der lucht, hoog in den dampkring gevoerd en aldaar binnen
de waterblaasjes en de zich vormende regendruppeltjes opgenomen worden.
Ook op maatschappelijk gebied dient het lagere het hoogere,
als onmisbaar hiervoor, vooraf te gaan. Een leger bijv. zonder
hoofd vormt wel een ordeloozen troep, maar kan niettemin bestaan,
terwijl een officier zonder soldaten onmogelijk zijne functiën kan
uitoefenen. Kinderen kunnen des noods van zelf leeren, maar een
onderwijzer zonder scholieren onmogelijk als schoolmeester werkzaam
zijn.
Tusschen dieren van dezelfde soort en die van naburige soorten bestaat,
naar ons inzien, dit onderscheid, dat mannetjes en wijfjes van naburige
soorten geene en die van dezelfde soort wel neiging tot geslachtparing
bezitten. Hierdoor ontstaan er scherpe kloven tusschen de soorten,
omdat bijv. mannetjes, zekere afwijkingen vertoonende van die, welke
het beste de eigenaardigheden hunner soort vertoonen en alsware
in het midden dier soort staan, in de meeste gevallen met wijfjes,
gelijksoortige afwijkingen dier eigenaardigheden niet vertoonende,
zullen paren, maar door de organisatie der jongen alsware naar die
der exemplaren, zoo als zoo even gezegd is, in het midden der soort
staande, teruggebragt zullen worden.
Dit kan vergeleken worden met het rollen van voorwerpen naar de eene
of andere teen van een dijk, zoo deze geene kruin bezit en men er die
voorwerpen boven laat vallen. De klove tusschen de naburige diersoorten
wordt dan bij die vergelijking voorgesteld door de breedte van den
grondslag van den dijk.
Bestaat de helft der bevolking van een eiland uit blanken en de
andere helft uit negers en is het voor elk hunner onverschillig,
of zij al dan niet met kleurgenooten huwen, zoo zal de eerstvolgende
generatie gemiddeld bestaan uit een kwart blanken, de helft mulatten
en een kwart negers. Dit aantal mulatten bij die generatie kan, wel
is waar, minder, maar even goed meer dan die helft bedragen, en bij
die generatie is voor elken blanken de kans, om met een kleurgenoot
te huwen ¼. Klaarblijkelijk zal dus bij de daarop volgende generatie
het aantal zuiver blanken gemiddeld maar ¼ × ¼ = 1/16 van het geheel
bedragen. Dezelfde redenering, door ons voor de eerste generatie
gedaan, voor de tweede doende, zoo zal men bevinden, dat bij de derde
generatie het aantal zuiver blanken maar gemiddeld 1/16 × 1/16 =
1/256 van het geheel zal bedragen.
Dit ook doorgaande voor de negers en voor de kleurlingen, hetzij naar
de blanken hetzij naar de negers overhellende, zoo zal men ontwaren,
dat na slechts weinig generatien op zulk een eiland enkel mulatten
gevonden zullen worden [1].
De gevolgen der accidentele oorzaken, waardoor de kinderen eenigzins
van hunne ouders en onderling verschillen, worden aldus door eene
constante oorzaak tegengewerkt, zoodat die gevolgen (namelijk de
afwijkingen van het gemiddelde type) aldus zekere sterkte niet kunnen
overschrijden. Bestaat er bij kleurgenooten zekere voorkeur voor
elkander, zoo zal het gemengde ras niet zoo snel, maar niettemin bij
de achtereenvolgende generatie steeds meer gaan predomineren, (hetgeen
bijv. in Brazilië thans schijnt te geschieden). Slechts, wanneer de
personen van elke kleur onmogelijk bij die eener andere kleur kinderen
kunnen verwekken, zal de onderlinge betrekking der blanken, negers,
mulatten enz. bij de achtervolgende generatien dezelfde blijven.
Zoo men aanneemt, dat voor een mannetje eener diersoort, hoe weinig
ook, de mogelijkheid bestaat, om neiging tot paring met een wijfje
eener naburige soort te bezitten, en om bij dit wijfje vruchtbare
jongen te verkrijgen, zullen de bastaarden, ofschoon zeer langzaam,
in aantal toenemen, en eindelijk, al is het ook na zeer langen tijd,
alleen bestaan. Elk dier beide soorten bezit echter nog andere
naburen, waarmede iets dergelijks geschieden kan, zoodat bijv. n
diersoorten in n - 1 tusschensoorten zullen veranderen. Deze zullen
op dergelijke wijze in n - 2 nieuwe tusschensoorten omgezet worden,
en zoo voortgaande, er na een uiterst langen, maar eindigen tijd,
slechts eene resulterende diersoort bestaan, hoe ver ook de beide
uiterste soorten der primitieve reeks van elkander stonden.
Deze werking (de tegengestelde van die door Darwin aangenomen) wordt
echter tegengewerkt, doordat er eene constante oorzaak bestaat, deels
door tusschenkomst van den wil der dieren (de stelling van Lamarck),
doch grootendeels buiten die tusschenkomst, gedurende het leven de
organisatie der dieren, voor de omstandigheden waarin deze verkeeren,
geschikt trachtende te doen worden.
Gesteld bijv. dat bij het op blz. 6 aangegeven voorbeeld de kinderen
steeds de levenswijze hunner vaders volgen en dat hierdoor gedurende
hun leven hunne kleur, trekken enz. tot die dier vaders naderen
(hetgeen overeenkomt met de nadering der bastaarden gedurende hun leven
tot die der twee stamdiersoorten wier levenswijze zij kiezen), zoo zal
bij de eerstvolgende generatie de helft der mulatten, gedurende den
tijd tusschen hunne eigen geboorte en die hunner kinderen verloopen,
de blanke en de andere helft de negertype wat naderen. Hetzelfde
bij de volgende generatie plaats hebbende, zoo zal er eindelijk eene
generatie ontstaan, waarvan de beide helften in uitzigt zoo weinig van
elkander verschillen, dat de zoo even gemelde neiging der kinderen
om gedurende hun leven tot den type hunner vaders te naderen, even
sterk is als die om, (door voor hunne geboorte wat van de type hunner
moeders over te nemen), alsdan van die hunner vaders af te wijken.
Klaarblijkelijk zal, wanneer de zucht tot paren van individuen,
tot verschillende rassen behoorende, zwakker is, dan bij individuen
van hetzelfde ras, dit tegen elkander opwegen van zooeven gemelde
constante oorzaak en die op blz. 6 aangegeven, vroeger en bij
grootere verschillen tusschen de na eenige generatiën bestaande rassen
bestaan. Olie tracht bijv. steeds boven water te drijven, en roert
men beide die vochten, zoo zal eindelijk de vermengende werking dier
beroering gebalanceerd worden door de neiging der olie om op- en die
van het water om nederwaarts te gaan. Hoe zwakker nu die beroering
(vergelijkbaar met de werking der paring tusschen individuen van
verschillend ras) is, hoe zuiverder de olie in het bovenste en het
water in het onderste deel van het vat zullen zijn.
Met de kloven tusschen de diersoorten kunnen vergeleken worden, die
tusschen de volken en die tusschen de belijders der verschillende
godsdiensten bestaande.
Het geriefelijke voor menschen, om de eigenaardigheden van een of ander
volk aan te nemen, of om eenige bestaande godsdienst te belijden en
aldus niet, zoo als bij het geïsoleerd staan tusschen twee volken,
of twee godsdiensten, voor een ieder een vreemdeling te zijn, is
toch met de voorkeur der mannetjes voor de wijfjes van de meest op
hen gelijkende soort te vergelijken.
Naarmate zekere verschillen in organisatie de neiging tot
geslachtparing sterker verzwakken, zullen er kleinere maar meer
diersoorten bestaan en, naarmate, bij minder beschaving, het verkeer
tusschen de menschen en hun geest van zamenwerking geringer is,
er meer natiën bestaan.
Volken ontstaan, doordat niet ieder mensch zijne afzonderlijke
wetten kan bezitten en, zonder aansluiting aan anderen, voor
zijne veiligheid kan zorgen; godsdienstige gezindheden, wegens de
behoefte om gemeenschappelijk de eerdienst te verrigten; diersoorten,
doordat de neiging tot paring niet reeds door de minste verschillen in
organisatie (de sexuele niet in aanmerking genomen), uitgedoofd wordt
en, doordat de voortplanting niet door hermaphroditen plaats heeft;
doch, terwijl tot eene natie, of eene religie menschen kunnen behooren
van zeer verschillende geestelijke, ontwikkeling en overigens onder
verschillende levensomstandigheden verkeerende, is zoo iets bij de
dieren eener zelfde soort veel minder mogelijk.
Voor de verdeeling eener diersoort in verschillende rassen dienen
deelen er van onder andere levensomstandigheden te gaan verkeeren
(hetgeen met het ontstaan van zelfstandige koloniën bij de volken
te vergelijken is). De neiging der organisatiën der dieren, om voor
de levensomstandigheden, waarin deze dieren verkeeren, geschikt
te worden, kan dan maken dat die rassen zooveel van elkander gaan
verschillen, dat de neiging tot paring tusschen hen wordt uitgebluscht,
even als bijv. tusschen de Engelsche en Amerikanen het gevoel van
gemeenschappelijke nationaliteit.
Gaan echter die kortelings ontstane diersoorten later weder onder
dezelfde omstandigheden verkeeren, en met elkander vermengd leven,
zoo zal noodwendig het omgekeerde van zooeven moeten plaats hebben.
Noodigt de aardoppervlakte de dieren steeds tot evenveel verschillende
wijzen van bestaan uit, zoo zullen wel is waar accidentele oorzaken
splitsing van soorten teweeg kunnen brengen, doch zamensmelting
hier van gemiddeld even menigvuldig plaats hebben, doch, wanneer
die mogelijke wijze van bestaan menigvuldiger worden, de soorten dit
insgelijks doen.
Dit laatste schijnt nu het geval geweest te zijn. Primitief was
toch de aardbodem overal met water van even groote diepte en even
hooge temperatuur bedekt en hield de met dikke vochtblaasjes vervulde
lucht de aarde in de schaduw gedompeld. Later ontstonden droog land,
stranden, moerassen, bosschen en meer of minder diep en heet water,
nog later de bloemen ontluikende zonneschijn, groote hoogten, diepe
valleijen, uitgestrekte landen, groot verschil in gewassen en in
temperatuur enz.
Men denke voorts niet, dat enkele exemplaren eener diersoort,
in een ander land en klimaat overgebragt, zich aldaar steeds sterk
vermenigvuldigen. Dit is somtijds het geval geweest, zoo als bijv. met
de paarden en runderen in Z. Amerika, omdat deze dieren aldaar in zeer
gunstige omstandigheden verkeerden en de beschermende hand van den
mensch zich niet terstond van hen aftrok, doch in veel andere gevallen
zijn de per scheepsgelegenheid naar vreemde gewesten overgebragte
tamme dieren aldaar uitgestorven.
Terwijl geheel gemis aan neiging tot paring maakt, dat, ofschoon
op verschillende wijze levende dieren van verschillende soorten,
met elkander vermengd, dezelfde landstreek kunnen bewonen, zonder
dat die soorten te zamen smelten, is dit niet zoo goed mogelijk bij
dieren van aangrenzende rassen, omdat tusschen deze er nog eenige
neiging tot paring bestaat.
Bij die rassen zal dan iets plaats hebben overeenkomende met hetgeen op
blz. 8 aangevoerd is, namelijk, er zal na een aantal generatiën twee
verscheidenheden, minder dan de twee rassen, toen deze met elkander
vermengd gingen leven, van elkander verschillende, ontstaan.
Zoo men het aantal der tusschen die beide verscheidenheden gelegen
kruislingen vermenigvuldigt met derzelver afwijkingen van de eene of
andere verscheidenheid, zal eenmaal dit product niet meer vergrooten,
door het geboren worden van nieuwe kruislingen, als verminderen,
doordat gedurende hun leven al die kruislingen, deels tot de type
der eene, deels tot die der andere verscheidenheid naderen.
Laatstgemelde terugbrenging ontstaat, doordat de dieren, het zuivere
type der verscheidenheden m bezittende voor de levensomstandigheden
waarin zij verkeeren (niet meer zijnde die der beide primitieve rassen)
beter georganiseerd zullen zijn dan die kruislingen.
De dieren schikken niet alleen hunne organisatie naar de
levensomstandigheden waarin zij verkeeren, maar zoeken tevens naar
levensomstandigheden voor hunne organisatie geschikt (even als
bijv. een plotseling verrijkt mensch, niet slechts zijne behoeften
grooter doet worden, maar tevens door werkeloosheid en zorgeloosheid
zijne voor hem te aanzienlijke inkomsten vermindert).
De kruislingen, door paring dier beide primitieve rassen n ontstaan,
zullen dit ook eenigzins doen en aldus wel is waar, zich niet geheel
in voor hunne organisatie geschikte levensomstandigheden bevinden,
maar ook niet meer geheel in die der uiterste van hen het meeste
afwijkende leden van een dier beide primitieve rassen verkeeren.
Voor zooverre nu die kruislingen door achtervolgende paringen
de organisatie dier uiterste leden dier beide rassen meer tot
elkander doen naderen, moet klaarblijkelijk, het opzoeken van
levensomstandigheden voor de veranderde organisatie meer geschikt,
de levensomstandigheden dier uiterste leden der beide rassen n
meer tot elkander doen naderen en deze alsdan in de bovengemelde
verscheidenheden m veranderen.
Hiermede kan vergeleken worden, hetgeen bij twee volken, in karakter,
geest, beschaving enz. van elkander verschillende en elk voor
die qualiteiten geschikte instellingen bezittende, plaats heeft,
wanneer zij met elkander in aanraking komen. Alsdan nemen zij wat
van elkanders zeden en qualiteiten over, beginnen aldus wat meer op
elkander te gelijken en schikken tegelijk hunne instellingen naar
hunne nieuwe qualiteiten.
Even als echter zulk een verkeer tusschen twee volken, hen slechts
tot zekeren graad meer op elkander doet gelijken, zoo zal van
de bovengemelde verscheidenheden m de gelijkenis zekeren grens,
bepaald door de sterkte hunner onderlinge paring, niet kunnen
overschrijden. Niet alleen zoeken, wanneer eene diersoort door eene
andere teruggedrongen wordt en zij in aantal individuen vermindert,
deze (zie blz. 11) plaatsen op, waar zij beter dan vroeger het
bestaan hunner soort kunnen verdedigen, maar bij de door overmaat
van geboorten boven sterfgevallen in aantal toenemende indringers
heeft het tegenovergestelde plaats. Hoe verder deze aldus dringen,
hoe moeijelijker dit geschiedt, zoodat er eindelijk een toestand van
evenwigt zal ontstaan waarbij aanval en verdediging tegen elkander
opwegen. Het is bijv. mogelijk, dat de Indianen der Vereenigde Staten,
in aantal zeer verminderd, zich eindelijk binnen voor den landbouw van
onwaarde en weinig genaakbare streken als jagers en visschers zullen
kunnen staande houden, en dat de olm en andere grotdieren vroeger
buiten de holen leefden, maar in deze alsware teruggetrokken zijn,
eigenschappen, hen geschikt makende, om die duistere verblijfplaatsen
te bewonen, verkregen hebben, en dat thans bij die diersoorten het
aantal geboorten tegen dat der sterfgevallen opweegt.
Niettegenstaande sedert eenige eeuwen binnen het beschaafde Europa
het schadelijke wild met vuurwapens bestreden wordt, weet het zich,
in aantal verminderd, binnen weinig genaakbare plaatsen vrij wel
staande te houden.
Dat, wanneer hoogere rassen met lagere in aanraking komen,
laatstgemelde uitsterven, is onjuist. Het ongedierte bijv. volhardt
met onze ligchamen in aanraking te komen en sterft niet uit. Somtijds
worden de bewoners van eenig land door veroveraars hiervan aan zich
dienstbaar gemaakt en sterven zij, zooals bijv. de Heloten in het Oude
Lacedemon, niet uit. Het lot der plantetende dieren, na de optreding
onder hen der carnivoren, kan hiermede vergeleken worden.
Tijdens den inval der Anglo Saxen in Groot-Brittanje zijn de Celten
door hen teruggedrongen, maar niet uitgeroeid, en die laatste
volkstam neemt thans in Wallis in aantal individuen niet af, maar
integendeel toe.
Een deel der Indianen van Mexico heeft zekeren graad van beschaving
verkregen en, in plaats van uit te sterven, neemt het in invloed toe
en heeft zelfs iemand uit zijn midden den presidentszetel beklommen.
Door opneming in andere stammen, door vermenging hiermede, door
verandering van naam en gewoonten kunnen buitendien volkstammen
schijnbaar van den aardbodem verdwenen zijn en wegens het verkrijgen
van andere organisatien dit met de diersoorten der voorwereld
insgelijks het geval geweest zijn.
Uitsterving van diersoorten en menschenstammen kan naar ons inzien
slechts bij uitzondering en wel voornamelijk, daar waar geschikte
ruimten om er binnen terug te trekken en verschil in localiteiten
gemist worden, plaats hebben.
Wordt ergens het klimaat kouder, zooals bijv. dat van Europa gedurende
en na het tertiaire tijdperk, zoo zal de vegetatie er minder weelderig
worden en aldus minder voedsel aan de plantetende dieren aanbieden. Een
deel hiervan zal zich alsdan terugtrekken naar warmere oorden en
van de overblijvende de organisatie voor het koudere klimaat van
lieverlede geschikt gemaakt worden.
Voor de vleeschetende dieren zal dit eveneens doorgaan, aangezien
de veelvuldigheid van derzelver voorkoming van die der plantetende
afhangt, en zoo iets is nu vergelijkbaar met hetgeen in eenig door een
vreemden stam veroverd land plaats heeft, wanneer voor een deel der
inwoners émigratie mogelijk is. Dit deel gaat alsdan in een vreemd land
hetzelfde vrije leven van vroeger voeren; terwijl de achterblijvers
zich onderwerpen en voor den slavenstaat geschikt worden.
Zoo bij elke generatie een ieder slechts wist hetgeen hij van de
vorige generatie leerde en er niets van zijne eigen vinding bijvoegde,
zou de wetenschap gedurende de achtereenvolgende generatien steeds
achteruit gaan, daar toch de onderwijzers slechts een deel hunner
kennis in den geest hunner leerlingen kunnen doen overgaan.
Nu verkeert misschien de overdragt der deugd der organisatie van
ouders op hunne kinderen, gedurende het vruchtleven dezer, in een
geval met dat van het onderwijs vergelijkbaar. Deugd veronderstelt
toch iets dat verstoorbaar is en dat aldus eene neiging bezit om
te verminderen, wanneer er toevallige veranderingen bij ontstaan,
zooals bijv. bij de bijna goed gerangschikte letters van een woord,
zoo men eenige dier letters blindelings verzet. De kans, dat van de
juiste rangschikking verder afgeweken wordt, is alsdan veel grooter,
dan die dat er toe genaderd wordt.
Om zelfs op eene zeer gebrekkig wijze te bestaan, moeten de dieren
eene organisatie bezitten, zoo weinig van die het beste voor de
omstandigheden, waarin zij verkeeren, geschikt, afwijkende, dat
men toevallige afwijkingen er bij naar de eene of andere zijde,
kan vergelijken met de blindelingsche verzettingen der bijna goed
gerangschikte letters van eenig woord. Iets waarvoor grootere
kans bestaat heeft nu op den langen duur zoo goed als zeker het
veelvuldigste plaats, zoodat, zoo geene constante oorzaak zulks
tegenging, de herhaalde toevallige afwijkingen der jongen van hunne
ouders na eene reeks van generatien de organisatie der dieren zoo
slecht zou maken, dat zij onmogelijk meer zouden kunnen bestaan.
Kan die constante oorzaak nu deze zijn, dat de zeer enkele toevallig
wat beter dan hunne ouders georganiseerde jongen, gemiddeld meer
nakomelingen dan de andere verkrijgen en zulks bij de volgende
generatien insgelijks liet geval is (de zoogenaamde Darwinsche
natuurkeus). [2]
Naar ons inzien niet. Wat zou bijv. Darwin zeggen, zoo men voorstelde
de Engelsche wetten voor den veranderenden maatschappelijken toestand
van Engeland geschikt te maken door de volgende politieke keus? De
ministers stellen in den blinde gedane wijzigingen der wetten
voor en het parlement neemt onder die geheel ondoordacht en dus
natuurlijk slechte wijzigingen betrekkelijk betere aan, naarmate eene
grootere meerderheid er zich voor verklaart. Die meerderheid bij die
politieke keus zou dan overeenkomen met bovengemelden overheerschenden
invloed op de nakomelingschap der betrekkelijk beter georganiseerde
dieren. Klaarblijkelijk zou zulk eene politieke keus van de Engelsche
wetten weldra louter onzin maken.
Hoe volmaakter de organisatie van een dier is, hoe meer gemiddeld
die zijner jongen voor de zijne zal onderdoen, want waar het meeste
te bederven valt, zal de blinde werking van het toeval gemiddeld het
meeste bederven. Na eenige generatien zal aldus, hetgeen bij sommige
individuen der eerste generatie eene deugdzame eigenaardigheid was,
van lieverlede verbasteren en eindelijk niet meer deugdzaam zijn. Bij
de generatie, waarbij dit laatste het geval is, bezitten de die
eigenaardigheid vertoonende individuen aldus niets meer voor boven
hunne soort en tevens tijdgenooten en zullen zij aldus gemiddeld
niet meer jongen dan deze verkrijgen. Om dit te vergelijken met
een voorbeeld op zedelijk gebied, zoo merken wij op, dat iemands
zuinigheid, door zijne nakomelingen op eene onberedeneerde wijze
nagevolgd, bij hen zal ontaarden in eene soort van gierigheid, in
benarde omstandigheden niets voor hebbende boven gemis van zuinigheid.
Gaat eenige diersoort een kouder klimaat bewonen, zoo zullen de
individuen er van, met eene dikkere vacht dan de anderen voorzien,
met betrekking tot de nieuwe omstandigheden, waarin zij verkeren,
volmaakter dan deze zijn, zoo hunne gansche organisatie in harmonie is
met die dikkere vacht. Zoo echter bij hunne nakomelingen die harmonie
van lieverlede verdwijnt, kan het zijn, dat het nut dier overgeërfde
dikkere vacht zulks ook doet.
Wordt bijv. een zwaarder pantser bij een oorlogschip aangebragt,
zonder dat de constructie en bevrachting er van met dit zwaardere
pantser in harmonie gebragt worden, zoo zal zulk een vaartuig te diep
in het water zinken, een tragen gang bezitten, door de geschutpoorten
water ontvangen en in het gevecht ten slotte welligt minder goed
voldoen dan toen het nog ligter gepantserd was.
Darwin gewaagt van de accumulatie van gelijksoortige wijzigingen
gedurende achtereenvolgende generatiën. Zoo echter de deugd
dier wijzigingen niet gepaard is met eene constante oorzaak,
waardoor die accumulatie plaats heeft, wordt deze toevallig en
onwaarschijnlijk. Ziet men bijv. de nakomelingen van twee blonde
menschen gedurende achtervolgende generatiën steeds blonder
worden? Neen het tegendeel heeft eerder plaats, want, zelfs zoo
de voortplanting door hermafroditen geschiedde, zou die toevallige
accumulatie, evenmin plaats hebben, als het blindelings achtereen
trekken van witte ballen uit eene bus, evenveel ballen van die kleur
als zwarte ballen bevattende.
Bloedverwanten zullen dikwijls gelijksoortige eigenaardigheden
bij hunne organisatie bezitten, en ware het nu dat uit een de
opeenstapeling hiervan bij de latere generatiën voor het menschdom uit
een physiologisch oogpunt niet nadeelig ware, zoo zouden huwelijken
tusschen bloedverwanten onmogelijk eene ligchamelijke verbastering
van het nageslacht kunnen voortbrengen. Dit wordt echter beweerd het
geval te zijn en zou gedeeltelijk ontstaan kunnen, doordat alsdan
niet, zooals bij huwelijken tusschen geheel vreemden, man en vrouw
nog al vaak tegenovergestelde vicieuse afwijkingen van eene goede
organisatie bezitten, en bij hunne kinderen die tegenovergestelde
gebreken elkander alsware opheffen.
Dit kan ook de reden zijn der deugd der organisatie van kruislingen
van twee tamme rassen. Het paren bijv. van langbekkige en kortbekkige
duiven kan goedbekkige jongen in het leven roepen.
In den wilden staat zijn het alleen accidentele oorzaken, welke de
organisatie der dieren minder geschikt voor de levensomstandigheden
dezer maken.
In den tammen staat daarentegen leidt hiertoe eene constante
oorzaak, namelijk de kunstkeus. Terwijl aldus in den wilden staat
twee rassen van elkander onderscheiden zijn, omdat zij niet in
dezelfde omstandigheden verkeeren, zijn in den tammen staat twee
door dwang gevormde verscheidenheden aan dezelfde omstandigheden
blootgesteld. Deze kunnen nu voor den tammen kruisling nog gunstig
zijn, terwijl de wilde kruisling geene voor zijne organisatie geschikte
levensomstandigheden kan vinden.
Op blz. 16 hebben wij aangegeven, hoe eene gunstige wijziging,
gedurende de overerving er van, bij de achtervolgende generatiën door
de werking van het toeval hare deugd kan verliezen. Bij de kunstkeus is
dit bij eene opeenstapeling van gelijksoortige wijzigingen insgelijks
het geval voor de dieren zelf, doch niet voor het gebruik, welke wij
van deze wenschen te maken.
Wenscht men bijv. het op blz. 16 gemelde met een zwaarder pantser
voorziene oorlogschip als drijvende batterij slechts binnengaats te
gebruiken, zoo kan die onberedeneerde verzwaring van het pantser
nuttig zijn, doch zij is dit dan slechts, omdat men aan het schip
eene bestemming geeft in strijd met zijne primitieve.
Een vleezig en zelfs nog al vet beest kan zeer gezond zijn, terwijl
zijne nakomelingen, waarbij die eigenaardigheid voortgeplant is,
zulks niet meer zijn, en zelfs zoo deze nog vleeziger en vetter dan
hun voorzaat worden, het ware wanstaltigheden worden. Daar echter,
zie blz. 7, eene constante oorzaak gedurende het leven der dieren
die wanstaltigheden tracht te verminderen, en aldus verwilderde tamme
rassen de organisatie hunner wilde voorouders tracht terug te geven,
kan de uit ons oogpunt beschouwde veredeling der rassen, door middel
der kunstkeus, slechts tot zekere hoogte gedreven worden.
Die grens ligt echter verder zoo men de levenswijze dier dieren
geschikt tracht te maken voor de eigenaardige organisatie, welke zij
verkregen hebben, of zoo men deze door zeker régime te voorschijn
tracht te roepen. De Engelschen noemen dit laatste entrainement en
passen dit niet alleen op de tamme dieren, maar ook op menschen toe,
die zij tot jockeys, boxers enz. bestemmen.
De kunstkeus alleen is even onmagtig om dieren voor de hen door ons
menschen opgelegde levensomstandigheden geschikter te maken, als de
natuurkeus om hen geschikter te doen worden voor de omstandigheden
van het vrije natuurleven.
De sexuele keus, waardoor de best georganiseerde mannetjes, vaders
van meer jongen worden dan de anderen, kan voor de verbetering
der organisatie der latere generatiën geen ander gevolg hebben,
dan hetgeen eigenlijk (zie de noot dier blz.) op blz. 15 gesteld is,
namelijk dat de best georganiseerde hermaphroditen meer nakomelingen
dan de anderen bekomen.
Gewis zou dit van elke opvolgende generatie de gemiddelde organisatie
der exemplaren iets beter doen worden, dan die der voorgaande en
zoo voort, totdat (bij niet verandering der levensvoorwaarden),
de volmaaktheid bereikt zou zijn, zoo de jongen (behoudens het
onderscheid wegens verschil in leeftijd) volmaakt naauwkeurige copijen
hunner ouders waren. Alsdan zou echter bij elke generatie het eene
individu geene betere organisatie dan het andere kunnen bezitten dan
door omstandigheden na de geboorte er van plaats hebbende en wel door
omstandigheden de vrucht van eene constante oorzaak, de organisatie
der dieren trachtende te verbeteren, daar, even goed na de geboorte als
gedurende het vruchtleven, afwijkingen, door het toeval teweeg gebragt,
(zie blz. 15) gemiddeld ten nadeele dier organisatiën zullen strekken.
Het schijnt dat, naarmate dieren jongen kunnen verwekken, beter
georganiseerd voor de levensomstandigheden hunner ouders, de
vruchtbaarheid dezer laatste gemiddeld wat grooter is. Van daar dat
gekruist wordende soorten en bastaarden in het algemeen onvruchtbaar
zijn en gekruist wordende tamme rassen en tamme kruislingen in het
algemeen in vruchtbaarheid uitmunten (zie blz. 17). Dit zou maken, dat
bij de opvolgende generatiën, de op blz. 15 gemelde overheerschende
werking der goed georganiseerde individuen, wat grooter werd,
doch desniettemin zal de natuurkeus evenzeer onvoldoende blijven,
om de organisatie der diersoorten voor hunne levensomstandigheden
geschikter te maken, als bij de politieke keus, op blz. 15 gemeld,
het bestaan eener wat sterkere meerderheid om de verbastering der
wetten te verhinderen.
Ook op zedelijk en maatschappelijk gebied tracht eene constante
oorzaak het een voor het ander geschikt te maken.
Verarmde menschen trachten bijv. hunne behoeften te verminderen,
plotseling rijk gewordene, om zich de beschaving der vermogenden te
geven, handwerkslieden om hun ambacht beter uit te oefenen, gehuwden,
wier huisgezin vergroot, om ruimer te wonen, volken, betrekkelijk
hunne regering in beschaving gestegen, om eene vertegenwoordiging te
verkrijgen enz.
Gebrek aan goeden wil en traagheid kunnen de neiging der menschen, om
alles ten beste voor zich te schikken, om zich naar de omstandigheden
te voegen en voordeelige omstandigheden op te zoeken, gering maken,
doch, zoolang de menschen zich niet geheel blindelings aan hunne
hartstogten overgeven, bestaat die neiging bij hen. Zou deze nu,
zelfs bij zeer groot gebrek aan doorzigt der menschen, ten gevolge
hebben, dat deze zich werkelijk voor hunner levensomstandigheden
geschikt maken? Naar ons inzien wel, zoo de werking der accidentele
omstandigheden en de verandering der omstandigheden vroeger opgedane
ondervinding niet somtijds grootendeels nutteloos maakten en aanleiding
tot dwalingen gaven. Bleven die omstandigheden steeds dezelfde, zoo
zou zelfs de domste mensch, hoe langzaam ook, juist te weten komen,
wat voor hem nuttig en wat voor hem schadelijk is, en het begrijpen
hiervan, kort na verandering dier omstandigheden, stelt dan ook daar,
hetgeen men doorzigt noemt.
Zelfs tracht in het maatschappelijke het eene voor het andere geschikt
te worden door de collectieve werking der menschen, en zonder dat
deze zulk een doel voor oogen hebben. Dit is bijv. het geval met
het verdwijnen van primitief onregtvaardige toestanden, zoo de
omstandigheden niet zoodanig veranderen, dat, bij het niet bestaan
dier neiging tot geschiktwording, die onregtvaardigheden sterker
worden. Wordt bijv. een volk in slavernij gedompeld en verdierlijkt
het hierdoor zoodanig, dat zelfs de minste vrijheid tot ledigheid
en losbandigheid aanleiding geeft, zoo is die toestand van slavernij
niet langer iets onregtvaardig.
Neemt echter daarna de graad van beschaving tegelijk bij de meesters
en slaven toe, zoo wordt die slavernij weder een kwaad, omdat
willekeurige behandeling dit bij een hoogeren graad van beschaving
is. De heerschappij, door de meer geestelijk ontwikkelden over de
betrekkelijk hen minder beschaafde menschen uitgeoefend, dient alsdan
niet in sterkte, maar wel in karakter te veranderen.
Zoo thans eene patentbelasting ingevoerd werd, zouden de winkeliers
en industriëlen onregtvaardig behandeld worden, doch later de tijd
die onregtvaardigheid van lieverlede doen verdwijnen, daar alsdan het
aantal winkeliers en industriëlen zoo lang zou verminderen, totdat elk
derzelve, betrekkelijk den bloei van het gansche land, evenveel zou
verdienen als voor den invoer dier belasting. Wij zeggen betrekkelijk
den bloei van het gansche land, omdat die patentbelasting handel en
industrie zou doen inkrimpen en aldus dien bloei tot zekeren grens
zou doen verminderen. Dit echter niet in aanmerking nemende, zoo zou
alsdan, bij overname eener zaak, de kooper er zooveel minder voor
betalen, dan voor den invoer dier patentbelasting, als ten bedrage
dezer belasting gekapitaliseerd, en het oprigten eener nieuwe zaak,
slechts dan plaats hebben wanneer, bij gelijke kosten van oprigting,
de winsten, na aftrek der patentbelasting, even groot als de winsten
voor den invoer dier belasting zouden worden.
Wanneer eene partij, hoe zwak ook, gegronde grieven bezit, zal
zij trachten deze te doen verdwijnen, en er hiervoor aldus eene
constante oorzaak bestaan. De veroordeelen der meerderheid, waardoor
deze de schade aan het publiek belang door het bestaan dier grieven
teweeggebragt, over het hoofd ziet, worden daarentegen door den
tijd verminderd.
Ook bij de dieren, ofschoon minder dan bij ons menschen, en minder
bij de laag dan bij de hoog ontwikkelde dieren, maakt de werking der
accidentele omstandigheden en de verandering der omstandigheden, dat
de op blz. 7 gemelde poging tot geschiktwording hunner organisatiën
gedurig tegengewerkt wordt, en aldus slechts tot zekeren grens
haar doel kan bereiken. Hoe digter toch bij de volmaaktheid de
organisatie van een dier is, hoe zwakker zooeven gemelde poging
tot verdere volmaking er van zal zijn, (even als bijv. iemand, die
bijna het noodige bezit, minder ijverig zal zijn om het alsdan nog
ontbrekende te bekomen), en hoe meer die variatien der omstandigheden
die organisatien onvolmaakter zullen trachten te doen worden.
Er zal aldus zekere nadering tot den volmaakten toestand zijn, waarbij
die twee tegengesteld werkende oorzaken even krachtig zullen werken.
Bij dien toestand van evenwigt zal de nadering tot de volmaaktheid der
organisatie der dieren minder zijn, wegens het niet steeds op aarde
voortleven derzelfde individuen. Op blz. 15 hebben wij toch gezegd,
dat de jongen slechts gedeeltelijk de deugdzame eigenschappen der
organisatie hunner ouders erven, hetgeen beschouwd kan worden te
ontstaan door de werking van accidentele omstandigheden gedurende
het vruchtleven.
De organisatien der dieren en planten trachten ook voor periodiek
veranderende omstandigheden geschikt te worden. De dieren hebben
bijv. hun slaaptijd geregeld naar de lengte der nachten en de op
hooge breedten groeijende planten, kunnen de winterrust niet ontberen.
De geschiktwording dier organisatie geschiedt echter traag, zoodat
eerst langen tijd, nadat de nieuwe levensomstandigheden ontstaan zijn,
zij den hierboven gemelden niet te overtreffen graad van geschiktheid
kan voortbrengen. De planten bijv. zijn ontstaan, terwijl op alle
breedten er eene vochtige en eene hooge temperatuur bezittende lucht,
ofschoon welligt weinig of geen zonneschijn bestond, en welligt is
de sedert verloopen tijd nog te kort geweest om die planten in koude
klimaten weelderig te doen groeijen.
Accidentele oorzaken kunnen iets kenmerkend bij de organisatie
van vele individuen eener diersoort voortbrengen en door overerving
zullen zulke meestal vicieuse eigenaardigheden zich bij de opvolgende
generatiën voortplanten. De op blz. 7 gemelde geschiktmakende oorzaak
zal dan wel is waar zulke toevallige eigenaardigheden van lieverlede
doen verdwijnen; doch tevens sneller hen voor die dieren nuttiger
maken en alsware eene primaire en tegelijk eener snellere secundaire
verbetering van de organisatie dezer dieren voortbrengen.
De wapens der dieren bestaan bijv. in klaauwen, hoeven, horens,
schilden enz. en voor de gemiddelde levensomstandigheden van
elke diersoort kan eene zekere verhouding tusschen den graad van
ontwikkeling van elk dier wapens de voordeeligste voor haar zijn. De
verschillen der levensomstandigheden der diersoorten wettigen echter
niet zulke verschillen in bewapening en in het algemeen in uitzigt,
als men bij die soorten opmerkt. Die groote verschillen moeten
aldus de vruchten van accidentele omstandigheden zijn, doch terwijl
de oorzaak, waardoor de organisatien dier soorten voor derzelver
levensomstandigheden geschikt worden, bovengemelde verhoudingen tracht
daar te stellen, verbetert zij tevens elk dier wapens en plooit zij
er na de levenswijze van derzelver dragers.
Op maatschappelijk gebied is dit eveneens het geval. Thans en
bij toekomstige hoogere trappen van beschaving nog meer, zal
bijv. gelijkheid van munt in alle beschaafde staten iets zeer
wenschelijk zijn. In sommige Europesche staten is men dan ook reeds
begonnen hier werk van te maken, doch, waar men nog ter naauwernood
aan zoo iets denkt, tracht men de munt tiendeelig te maken en aldus
eene secundaire verbetering daar te stellen.
Als zulk eene secundaire verbetering kan thans gelden, het oprigten
van goede bewaarscholen en als primaire verbetering het onderwijs
der kleine kinderen door hunne moeders.
Hoe grooter de gemeenschap tusschen de volken zal worden en hoe hooger
de wetenschap zal staan, hoe meer de behoefte aan eene universele
wetenschappelijke taal gevoeld zal worden. Die primaire verbetering
zal, hoe langzaam ook ontstaande, niet uitblijven, doch als eene
secundaire verbetering kan de beschaving der verschillende volkstalen
en het geschikt maken dezer voor de uitdrukking van abstracte en
wetenschappelijke denkbeelden aangemerkt worden. Dit toch is bij den
thans bestaanden toestand het eenige middel om de wetenschap en de
bellettri in elk rijk binnen een uitgestrekten kring te verbreiden.
Gedurende de middeleeuwen diende het Latijn als wetenschappelijke
taal, omdat de moderne talen toen nog in staat van kindschheid
verkeerden. Thans zou het eerste door zoo even gemelde secundaire
verbetering tegengewerkt worden, terwijl zulk eene aanwending van
het Latijn, voor het voortbrengen der primaire verbetering van gering
nut zou zijn, omdat het nationale gevoel der volken nog te sterk is,
om hen die laatste verbetering sterk te doen wenschen en om hen de
volkstalen tot ondergeschikte rollen te doen bestemmen [3].
Dat toevallig de Europesche volken gedurende de middeleeuwen het
Latijn konden aanwenden om wetenschappelijke denkbeelden uit te
drukken, heeft echter het hier voor geschiktmaken der moderne talen
vertraagd. Hiermede kan nu vergeleken worden de hulp door den wind en
de insecten aan de planten, ter overbrenging van het stuifmeel van de
meeldraden der mannelijke bloemen naar de stampers, verleend. Deze
hulp maakt dat de oorzaak, de organisatie der planten verbeterende,
slechts weinig tracht om de onderlinge plaatsing der meeldraden en
stampers doelmatiger te doen worden.
Voor het eten van elk der onderscheidene soorten van organische
stof, zooals bladeren, vruchten, dood en levend vleesch enz. zijn er
diersoorten geschikt geworden. Bestonden er alleen plantetende dieren,
zoo zou het totale aantal dieren veel geringer dan thans zijn, evenals
bijv. Engeland minder bevolkt zou zijn, zoo van deszelfs rijkdom
aan delfstoffen geen gebruik gemaakt werd. Onwaar is het echter dat,
bij gemis van carnivoren, de plantetende dieren steeds menigvuldiger
zouden worden.
Hoe hooger de stand van beschaving der menschen zal worden, hoe minder
het klimaat op hunne organisatie van invloed zal zijn en dus hoe
meer zij in alle landen op elkander zullen gaan gelijken. Wanneer in
de verre toekomst dit in hooge mate het geval zal zijn, zal welligt
gelijkheid in geestontwikkeling grootendeels de keuze bij huwelijken
bepalen.
Het kan zijn dat de neiging, om voor de bestaande omstandigheden
eene geschikte organisatie te verkrijgen, ook bestaat bij organische
wezens andere hemelbollen bewonende, hoe of de natuur dier bollen
ook zijn moge, en dus welke omstandigheden die wezens er ook
mogen aantreffen. Naarmate die omstandigheden op zulk een bol meer
verscheiden en veranderlijk zijn, zullen de er op wonende wezens,
naar aanleiding van hetgeen op blz. 20 en 22 gezegd is, minder geschikt
voor die omstandigheden zijn en aldus meer lijden, maar tevens (zooals
later verklaard zal worden), meer in geestontwikkeling toenemen.
Onze aarde kan nu misschien, wegens de ongelijkheid in verhitting
welke zij, wegens hare betrekkelijke nabijheid van de zon ondervindt
en, wegens de verschillen in aantrekking door zon en maan op de
onderscheidene deelen van hare gesmolten kern uitgeoefend, betrekkelijk
andere hemelbollen eene sterke verscheidenheid en veranderlijkheid
van omstandigheden voortbrengen. Dat de zon bestemd is, om haar licht
en warmte mede te deelen is evenmin juist, alsdat de menschen voor
het hun bloed opzuigend ongedierte bestemd zijn, en het is zelfs de
vraag, of het bezit der planeten van zwak elliptische banen en van
eene betrekkelijk digte groepering om de zon, van geen accidentelen
en tijdelijken aard is, en, of die planeten zich niet eenmaal zullen
verspreiden en in derzelver normalen toestand zeer lange en zeer
sterk elliptische banen om elkander, of om andere hemelligchamen
bezitten. Alsdan dienen, derzelver bewoners zich naar geheel andere
omstandigheden, dan de thans er bij-bestaande (waaronder behoort
de gemiddelde uitwerking van de gesmolten aardkern op de aardkorst)
te schikken.
Tegelijk met de oorzaak, de organisatie der dieren, voor de
levensomstandigheden, waarin deze verkeeren (hetzij daardoor die
organisatie hoog of laag, ingewikkeld of eenvoudig wordt) geschikt,
of anders gezegd die dieren betrekkelijk volmaakter trachtende te doen
worden, poogt eene tweede constante oorzaak die organisatiën hooger op
te voeren, dat is hen passende voor de stijgende geestontwikkeling der
hen bezittende wezens te doen worden. Die tweede oorzaak vermindert
meer de betrekkelijke volmaaktheid dier organisatiën, naarmate zij
sterker gedrongen wordt, te werken, evenals bijv. het sterker groeijen
van jongelieden deze teringachtiger doet worden.
Zoo bijv. een dier hoogere levenstoestanden opzoekt verheft zich
zijn geest en dien ten gevolge ook zijn ligchaam, maar, wegens
de werking der traagheid, kan die verheffing (evenmin als de
geschiktwording voor veranderde omstandigheden) in korten tijd in
genoegzame mate geschieden. Vrij geschikt zijnde voor zijne vroegere
levensomstandigheden, wordt het dier aldus ongeschikter voor de
nieuwe omstandigheden en aldus betrekkelijk onvolmaakter. Gaat
het even snel voort met naar hoogere levensomstandigheden te
zoeken, zoo zal zijne organisatie zich eindelijk wel even sterk
als die omstandigheden verhoogen, maar steeds evenveel hierbij ten
achteren blijven en dit in sterkere mate doen, naarmate die zucht
naar hoogere levensomstandigheden sterker is. Die achterblijving kan
bijv. vergeleken worden met de spanning der lijn, waarmede een paard
eene schuit voorttrekt, hoe harder het paard loopt, hoe grooter
de spanning dier lijn wordt. Vandaar dat, van de op deze aarde
levende wezens, die het traagste opwaarts zijn gestegen, zooals de
infusiediertjes en dergelijken, de volmaaktste en wij menschen de
betrekkelijk onvolmaaktste zijn.
De verhooging der organisatie der dieren geschiedt naar ons inzien,
evenals, (zie blz. 7), de geschiktwording er van voor de bestaande
omstandigheden, deels door den wil (of anders gezegd door zekere
soort van eigen denking der dieren) deels zonder, maar wel op
aansporing hiervan, eene wijze van verhooging dier organisatie door den
schrijver der Natuurlijke geschiedenis der Schepping de geheimzinnige
inwendige aandrift genaamd [4]. Een paard alleen kan geen spoortrein
voorttrekken, hierin moet het door de stoomkracht geholpen worden,
doch geschiedt dit laatste slechts in zulk eene mate, dat de trein
iets trager zou bewegen dan het paard zulks verlangt, zoo zal dit
niet alleen tot die beweging bijdragen, maar zelfs de impulsie
er toe geven. De beweegkracht, alsdan door het paard uitgeoefent,
kan vergeleken worden met de verhooging der organisatie der dieren,
ten gevolge van de werking van hun wil, alsmede met de genezing van
patiënten ten gevolge der geneeskundige behandeling. De beweegkracht,
in zulk een geval door den locomotief geleverd, is daarentegen
vergelijkbaar met de verhooging der organisatie der dieren en met de
genezing der patiënten buiten hun toedoen door de Natuur.
Hoe lager, bij gelijkheid van geestelijken aanleg, de geestontwikkeling
en dus gemiddeld ook de ligchamelijke organisatie van eenig dier is,
hoe geringer de invloed van zijn wil betrekkelijk die der Natuur op
de veranderingen zijner organisatie zal zijn; terwijl bij de planten
uitsluitend de Natuur, zoo voor derzelver geschiktwording, als voor
de verhooging van derzelver organisatie zorgt.
De zucht naar het hoogere werkt bij de menschen als een harstogt,
de leiding der rede behoevende, omdat de vooruitgang anders niet
steeds in de goede rigting, of wel te snel geschiedt, zoodat de
geschiktwording voor meer nederige levensomstandigheden er te veel
aan opgeofferd wordt. Hoe menigmalen wordt toch aan de menschen niet
gezegd, dat aanzien, magt, rijkdom en zelfs kennis hen niet gelukkiger
kunnen maken, dat zij met een bescheiden lot tevreden moeten zijn, en
toch trachten zij opwaarts te gaan, en hebben zij in zooverre gelijk,
dat zij betrekkelijke volmaaktheid en geluk niet met volstrekten
stilstand willen koopen.
Een geoefende timmermansknecht zal baas worden, maar hiervoor de
noodige kennis en kapitaal missende, in zijne nieuwe positie meer
bekrompen moeten leven dan in de vorige en misschien zelfs van het
huwelijk moeten afzien. Stelt men nu, dat al de kinderen van zulk soort
bazen insgelijks bazen worden en dat de kinderen van hen, die knecht
gebleven zijn, knechten worden, hoe kunnen dan bij gene de geboorten
de sterfgevallen en bij deze laatste de sterfgevallen de geboorten
overtreffen? Zoo iets zou niettemin noodig zijn, om uit eene generatie,
uit enkel knechten bestaande, andere generatiën te doen voortspruiten
steeds en meer en meer en eindelijk uitsluitend uit bazen zamengesteld,
zoo er geen drang naar het hooge bij de menschen bestond.
Evenmin zal nu een zeehond, de levenswijze van een otter trachtende aan
te nemen en in organisatie wat tot die van zulk een dier naderende,
het beter hebben en meer jongen verkrijgen dan zijne makkers, welke
bij hunne oude gewoonten gebleven zijn. De verhooging der organisatie
der dieren door de Natuurkeus veronderstelt echter zoo iets en kan
aldus niet bestaan.
Naar ons inzien heeft die verhooging plaats gehad, op eene wijze,
in hoofdzaak overeenkomende met de hypothese door den schrijver der
Natuurlijke geschiedenis der schepping op blz. 62 en volgende van
het vervolg van zijn werk voorgesteld.
Gesteld dat de hoogten van organisatie der verschillende thans
bestaande diersoorten aangeduid worden door de lengten der loodlijnen
onder de horizontale lijn a van vorenstaande figuur, en dat, voor
de aanduiding dier hoogte, elke diersoort hare bepaalde loodlijn
bezit en wel eene meer naar den linkerkant, naarmate op hetzelfde
oogenblik die diersoort eene hoogere organisatie bezit, betrekkelijk
die der anderen. Zoo nu, tijdens het geologische tijdvak, waarin
het organische leven op deze aarde begonnen is noemenswaardig te
worden, al de diersoorten, zoo ligchamelijk als geestelijk, uiterst,
weinig ontwikkeld waren, maar in geestelijken aanleg verschilden,
zullen die van grooteren aanleg, zoowel ligchamelijk als geestelijk,
sneller dan die van minderen aanleg voorwaarts gegaan zijn en aldus
de loodlijnen, derzelver ligchamelijke ontwikkeling bij vorenstaande
fig. aanduidende, meer links dan die van die diersoorten van lageren
aanleg gelegen zijn. De loodlijnen, begrepen tusschen de horizontale
a en de schuine lijn b, zullen dan de hoogten, welke de ontwikkeling
der organisatie der verschillende diersoorten op een gegeven tijdstip
bereikt hebben, aangeven.
Zij, welke zich dan het meeste ontwikkeld hebben, zullen
klaarblijkelijk achtervolgens de meeste veranderingen hebben ondergaan
en het meeste aantal keeren schijnbaar uitgestorven zijn.
Op blz. 22 hebben wij gezegd dat, naarmate die soorten sneller in
organisatie veranderen, deze gemiddeld minder geschikt voor de
omstandigheden, waarin die diersoorten verkeeren, zal zijn. Van
daar dat, gedurende zulke snelle veranderingen, diersoorten, of
somtijds werkelijk uitsterven, of althans minder individuen tellen
dan wanneer de verandering van derzelver organisatie trager is. Van
daar welligt het gemis aan overgangsvormen tusschen de gedurende den
voorhistorischen tijd bestaande diersoorten, waarvan de schaarsche
overblijfselen voor den dag gekomen zijn. Van elk dezer soorten is
de stamboom te vergelijken met eene rivier, een snelleren stroom
bezittende, naarmate derzelver bedding kleiner is. De grootte dezer
komt dan overeen met het aantal individuen eener diersoort en de
stroomsnelheid met de snelheid waarmede de organisatie te dier soort
verandert.
Op een later tijdstip dan het bovengemelde zullen de loodlijnen,
tusschen de horizontaal a en de schuine lijn b' begrepen, de hoogten,
welke de organisatie der verschillende alsdan bestaande diersoorten
bereikt hebben, aanduiden, en, wanneer eenmaal de aard en beperktheid
onzer planeet de verdere verhooging der alsdan aanzienlijk geworden
ontwikkeling der diersoorten steeds sterker zal tegenwerken, de
tijdvakken, gedurende welke eene soort een zeker bedrag in organisatie
en geestontwikkeling klimt, al grooter en grooter worden.
Veronderstellende dat bij het punt b' de meest beschaafde hedendaagsche
Europeanen staan, zoo zullen zeer digt links van het snijpunt der
lijnen b' en a de thans bestaande infusiediertjes staan en al de
andere diersoorten, gerangschikt naar hare hoogte, van geestelijke
ontwikkeling, tusschen dit snijpunt en het punt b' verondersteld
moeten worden te staan.
Een dier diersoorten zal nu staan bij het punt waar eene horizontale
lijn, uit het punt b getrokken, de schuine lijn b' snijdt en deze
soort bij minderen geestelijken aanleg, thans even sterk ligchamelijk
en geestelijk ontwikkeld zijn als de bij het punt b staande voorouders
der beschaafde volken van Europa in een uiterst ver verleden.
Klaarblijkelijk heeft de ontwikkeling der diersoorten op eene meer
zamengestelde wijze plaats gehad dan hierboven aangegeven is. Zoo
kunnen bijv. accidentele oorzaken gemaakt hebben, dat eene diersoort
tijdelijk trager in ontwikkeling is toegenomen dan eene andere van
wat minderen aanleg, en alzoo tijdelijk lager dan deze in geestelijke
ontwikkeling heeft gestaan. Iets dergelijks ontwaart men ook in de
geschiedenis der volken. De Chinezen bijv. bezitten klaarblijkelijk
minder aanleg dan de Duitschers, en niettemin waren zij voor achttien
eeuwen beschaafder dan de Germanen. Deze hebben echter de Chinezen
veel meer dan ingehaald, en het schijnt dat de geestelijke aanleg
dezer laatste hunne beschaving thans weinig verder vermag te voeren,
iets dat in de verre toekomst ook voor de Europeanen het geval zal
worden, wegens de op blz. 31 gemelde die vergrooting in beschaving
tegenstrevende invloed der woonplaats der menschelijke ligchamen.
Buitendien zullen de bij de diersoorten van hoogeren aanleg als ware
sterker gegroeide stamboomen, door de bovengemelde loodlijnen van
fig. blz. 29 aangeduid, zich vertakt hebben en wel in meer takken,
naarmate het verschil in ontwikkeling tusschen de gelijktijdig
bestaande diersoorten grooter werd, omdat toen de verscheidenheid
der door de aardkorst opgeleverde levensomstandigheden zulks ook werd.
Somtijds zelfs zullen de stam, of eenige der takken uitgestorven
zijn, somtijds de naburige takken van stamboomen meer of minder
te zamen gegroeid zijn. Iets dergelijks ontwaart men ook bij
menschenrassen. Deze zenden vertakkingen uit, zooals bijv. de
Engelschen, waaruit de Amerikanen, de Nederlanders, waaruit de
Kaapsche boeren voortgesproten zijn, en ook vermengen zij zich
geheel, of gedeeltelijk met elkander, zooals bijv. de Angelsaxen
met de Celtische Schotten, de Franken met de Galliërs enz. De lage
stand der geestontwikkeling der dieren betrekkelijk die der menschen,
maakt echter dat, bij gene naburige soorten slechts door onderlinge
paring eigenaardigheden van elkander kunnen overnemen, terwijl bij
de menschenrassen dit ook door het maatschappelijke verkeer kan
geschieden.
Slechts indirect en wel door strijd kan de eene diersoort de andere
in geestontwikkeling doen toenemen, terwijl, wegens de zamenwerking
der menschen en van deze en de tamme dieren, dit ook bij hen door
onderwijs kan geschieden. Voorts bezitten de dieren niet zoo als
de menschen de middelen, om door kunst voor zich de verschillen
in klimaat, bodemgesteldheid enz. minder te doen worden, en (zie
blz. 26) ten gevolge hiervan, hier en elders meer op elkander te gaan
gelijken. Naarmate echter de geestontwikkeling eener diersoort hooger
staat, is derzelver organisatie minder gevoelig voor verschillen
in levensomstandigheden, of liever geschikter voor eene grootere
verscheidenheid hiervan en is, evenals bij volken van hoogere
beschaving, het leven bij zulk eene diersoort meer gevarieerd.
De op blz. 30 gemelde hypothese wordt door de paleontologie bevestigd,
daar deze toch leert, dat, hoe ouder de sedimentaire lagen zijn,
hoe lager de hoogst ontwikkelde dieren zijn wier overblijfselen zij
bevatten, alsmede dat van twee opvolgende sedimentaire lagen de lagere
dier vormen in ontwikkeling minder dan de hoogere verschillen. Bij
fig. blz. 29 wordt dit laatste aangeduid door het kleiner zijn der
verticale distantiën tusschen de schuine lijnen b en b', naarmate
men de snijpunten dier lijnen met de horizontaal a nadert.
Het is mogelijk, dat thans bestaande diersoorten in enkele gevallen
toevallig zoo gelijken op er mede in ontwikkeling gelijkstaande
fossile soorten van hoogere en aldus individuen van meer aanleg
bezittende stamboomen, dat men hen voor dieren van zeer naverwante
soorten aanziet. Evenzoo waande eene Engelsche touriste, bij het
zien der Fellahs van Opper-Egypte, zich in de tijden der aartsvaders
verplaatst en aldus de voorouders der thans, wegens hun grooten aanleg,
zoo beschaafde Israëlieten te ontmoeten. Even als de thans bestaande
diersoorten eene reeks vormen van af de laagst staande infusiediertjes
tot de Frankrijk, Duitschland en Engeland bewonende menschen, zoo
ontwaart men thans op onze aarde volken op allerlei trappen van
beschaving staande en in geestelijken aanleg nog al verschillende,
zooals de wilden van Zuid-Australië, de Maories, de Ashantijnen,
de Kabijlen, de Japanezen, de Columbianen, de Russen en eindelijk
de Franschen.
Eene eeuw geleden stonden deze laatste minder hoog in beschaving dan
thans en evenaarden zij hierin de Russen van heden. Even als thans
in Rusland, was toen in Frankrijk de lage volksklasse in onwetendheid
gedompeld, de burgerij in snelle opkomst en de adel nog bevoorregt.
Tijdens de bloedige burgeroorlogen der Ligue waren de Franschen
nog minder beschaafd dan gedurende de vorige eeuw en in beschaving
evenaarde zij de thans bestaande en in bloedige twisten gedompelde
Columbianen.
Tijdens den bloei van het leenstelsel en de zamenspanningen der
leenmannen tegen de koningen was de beschaving der Franschen nog
lager dan tijdens de Ligue en kon zij met die der Japanezen van heden
gelijkgesteld worden.
Ten tijde van Cesar was de beschaving der Galliërs niet hooger dan die
der hedendaagsche Arabieren van Algerië en vervulde Vincengetorix,
de kampioen der nationaliteit in den krijg tegen de beschaving,
eene rol, veel op die door Abdelkader gespeeld, gelijkende. Bij de
oudere Galliërs deden de Druïden ter eere der Goden binnen teenenpoppen
menschen verbranden, en thans ziet men de Ashantijnen menschen offeren
ter eere hunner goden en overleden vorsten.
Gaat men nog verder terug, zoo ontmoet men digt bij Frankrijk de ruïnen
der meerdorpen, namelijk die der woningen van een volk dat, even als
thans de Maories, sterkten bouwde, stoffen weefde en onbekend was met
het gebruik der metalen, even als thans de Maories nog zouden zijn,
zoo er geen Europeanen op hunne eilanden geland waren.
Eindelijk in Frankrijk een laatsten terugtred doende, zoo ontmoet
men aldaar de tijdgenoten van den mammouth en van den holenbeer,
namelijk een volk wiens beschaving wel niet hooger dan die der thans
minst ontwikkelde stammen van Australië gesteld kan worden.
Bij volken van minder geestelijken aanleg ontbreekt de toename
in beschaving door eigen ontwikkeling niet. Toen bijv. de hooger
in aanleg dan de oude Mexicanen zijnde Spanjaarden onder Cortes in
Mexico kwamen, waren zij gedurende de toen laatst verloopen eeuwen
meer in beschaving dan de Mexicanen toegenomen, doch de oorkonden
dezer laatste maakten melding van hervormers en van het ontstaan van
vrij groote rijken aldus van toename in beschaving.
Constante oorzaken van verschil in zeden, godsdienst wetenschap,
moraal en uitzigt der menschen zijn den trap van geestontwikkeling of
beschaving, de grond en luchtgesteldheid en den volksaard. Accidentele
omstandigheden maken echter, dat, even als bij de diersoorten, (zie
blz. 22), die onderscheidene zaken bij de volken meer uiteenloopen,
dan ten gevolge dier verschillende constante oorzaken, even als
bijv. bij personen van denzelfden leeftijd, beroep en woonplaats,
de wijze waarop zij gekleed gaan, zoo zij zich niet op de voor hen
doelmatigste wijze kleeden, maar onafhankelijk van elkander ook hunne
grillen en individuele opvattingen van schoonheid raadplegen. [5] Wel
tracht de op blz. 20 gemelde tot geschiktwording leidende oorzaak,
die onderscheidene zaken zoo doelmatig mogelijk voor de volken,
met inachtneming van derzelver stand van beschaving, karakter en
landsklimaat te doen worden, doch gedurig worden zij hierin door
op nieuw ontstaande accidentele omstandigheden gestoord. Dit een en
ander maakt nu, dat er tusschen eenig thans bestaand volk, en de op
een even hoogen trap van ontwikkeling als dit staande voorzaten van
een thans beschaafder volk zekere gelijkenis, maar tegelijk ook zeker
verschil bestaat, waarvoor men bijv. de Galliërs met de Kabijlen van
heden kan vergelijken. Evenzoo zullen de thans bestaande grootste
apensoorten tegelijk gelijken op en verschillen met de voorouders
der Europeanen, toen deze op den trap van geestontwikkeling dier
hedendaagsche apen stonden.
In elke maatschappij bestaan er voor menschen, op dezelfde hoogte
van geestontwikkeling staande, verschillende geschikte werkkringen,
terwijl er beroepen bestaan voor de meest en anderen voor de minst
beschaafde leden van een zelfde volk geschikt.
Gesteld nu dat leden van een zeer onbeschaafd volk beroepen kiezen,
dat de meest ontwikkelde onder hen krijgsman en priester en de
minst ontwikkelde landbouwer en lastdrager worden: voorts, dat die
beroepen erfelijk zijn en eindelijk, dat zulk een volk van lieverlede
in beschaving klimt tot die thans in Nederland bestaande, wat zal er
dan plaats hebben?
De met dierenvellen omhangen en met knods en werpspies gewapende
krijgslieden van voorheen verkrijgen tot nakomelingen soldaten in
laken gekleed en met achterladers gewapend. De met amuletten omhangen
priesters herkennen hun toga en bef dragende nakomelingen niet. Van den
in eene uit boomtakken zamengestelde hut wonende en met een ruw steenen
werktuig den bodem omwroetende landbouwer van voorheen, bewonen de
nazaten hofsteden en wordt door hen de voor den ploeg gespannen paarden
gemend, terwijl van den naakten lastdrager de nakomelingen gekleed
zijn, handwagens voortduwen, of wel als koetsier fungeren. Buitendien
zijn de beroepen in aantal vermeerderd, de onbeschaafde krijgsman van
voorheen bezit tot nakomelingen infanteristen, artilleristen, mineurs
enz.; van de fetische priesters stammen af professoren in de theologie,
aalmoezeniers en monniken, de primitieve landman bezit tot nazaten
wijngaardeniers, bouw- en weiboeren en de lastdrager van voorheen,
koetsiers, fabriekarbeiders, matrozen enz. Een hiermede vergelijkbaar,
maar veel grooter verschil bestaat er nu tusschen de thans bestaande
diersoorten en de alleroudste uiterst weinig ontwikkelde stichters
hunner stamboomen. De wijzen waarop de dieren hun voedsel magtig
worden, kunnen namelijk met de beroepen der menschen vergeleken worden.
Zeer verschillende wijzen van voeding kunnen van dieren evenveel
geestontwikkeling vorderen, doch dit is volstrekt niet altijd het
geval. Meer geestontwikkeling wordt er bijv. vereischt bij dieren,
welke moeten klauteren, om vruchten en noten te plukken, dan bij die
zich met gras en kruiden voedende, meer, wanneer zij vleesch moeten
eten en aldus vlugtende en zich verbergende prooijen moeten vangen,
dan wanneer zij slechts naar plantenvoedsel te zoeken hebben, meer,
wanneer hunne prooijen grooter zijn en dus schaarser voorkomen,
dan, wanneer deze uit overal fladderende insecten bestaan, meer,
wanneer zij, vleeschetende zijnde, het land, dan wanneer zij de zee
bewonen enz.
De primitieve op blz. 30 gemelde uiterst weinig ontwikkelde diersoorten
kunnen nu verschillende wijzen van voeding en alzoo ook van leven
(natuurlijk veel minder van elkander verschillende, dan die der
heden bestaande diersoorten) aangenomen hebben. Van die primitieve
diersoorten kunnen er nu twee zeer weinig in aanleg verschild hebben
en de eene plant- en de tweede vleeschetende geworden zijn, echter
met dien verstande, dat de laatste slechts gemakkelijk te vangen
prooijen te bemagtigen had.
Van elk tijdperk moeten echter de hoogst ontwikkelde diersoorten
doorgaans de krachtigste en best gewapende diersoorten van dit tijdperk
geweest zijn.
Zoo nu elk dier primitieve diersoorten derzelver wijze van voeding op
hare nakomelingen overgedragen heeft, deze weder op de hare enz. tot
op heden, zoo is het gemakkelijk te begrijpen, dat hare zoo veel meer
dan zij ontwikkelde nazaten, een veel minder dan voorheen uniformen
bodem bewonende, veel meer dan zij van elkander in organisatie en
wijze van leven moeten verschillen.
Aan de thans bestaande roofdiersoorten staan die van het katten en
hondengeslacht hooger dan de insectenetende zoogdiersoorten alsmede
dan de gras en kruidenetende diersoorten, doch dat zij hooger staan
dan de verschillende op boomen klauterende en noten bolsterende
apensoorten is zeer twijfelachtig.
Dieren, in gedaante en levenswijze veel verschillende, kunnen in aanleg
en geestelijke ontwikkeling zulks veel minder doen dan met andere
dieren, waarmede zij in uitzigt meer overeenkomen. Olifanten moeten
bijv. in geestontwikkeling minder met honden dan met rinocerossen
verschillen. Die laatste dieren leven toch niet zooals de eerste
gezellig bij elkander, en buitendien zijn zij ontembaar en bezitten
zij niet de geestontwikkeling voor het gebruik maken van een langen
snuit gevorderd wordende.
Voor de diersoorten van hetzelfde geslacht kunnen de voorouders hun
bloed eenigzins met elkander vermengd hebben, en, zoo zij van eene
enkele soort afstammen, moet deze nog al lager dan hen gestaan en
betrekkelijk zeer veel vroeger dan hen bestaan hebben.
Zoo bijv. de verschillende soorten van het kattengeslacht afgestamd
zijn van eene enkele soort van katachtige dieren, moeten deze,
in eene even ontwikkelde en verscheiden natuur als hunne nazaten,
geleefd hebben. Het is aldus moeijelijk te verklaren, hoe voor de
verschillende groepen dezer, de levensomstandigheden zoo zeer met
elkander zijn gaan verschillen, dat, naar aanleiding van hetgeen
op blz. 9 gezegd is, elk dier groepen zoo in soortkenmerken van de
andere moest gaan verschillen, dat de lust tot paring met deze verdween
[6]. Zoo echter die gemeenschappelijke stamvaders der katachtige dieren
ver achterwaarts van hen staande zeedieren geweest zijn, laat zoo iets
zich beter verklaren, doch het is de vraag, of de geslachtkenmerken
eener diersoort niet geheel onafhankelijk van den invloed der andere
soorten van ditzelfde geslacht, door de op blz. 7 gemelde neiging
tot geschiktwording voor gelijksoortige levensomstandigheden, in
verschillende landen kunnen ontstaan.
De noodzakelijkheid om bijv. in streken, sterk door groote plantetende
dieren bewoond en aldus in het bezit eener weelderige vegetatie zijnde,
hunne prooijen in eene hinderlaag af te wachten en hen te bespringen,
kan dezelfde geslachtkenmerken gegeven hebben aan de leeuwen in
Afrika, aan de gestreepte tijgers in Azië, en aan de jaguars in
Z.-Amerika. Dezelfde strijdwijze heeft bijv. aan de tirailleurs der
verschillende legers vrij gelijksoortige uitrusting en bewapening
doen geven, zonder dat het eene leger daarvoor het voorbeeld van
het andere noodig had. De ondervinding, door elk leger opgedaan,
was hiervoor voldoende.
De onjuistheid onzer laatste stelling zou alleen aangetoond worden, zoo
bijv. onder de geslachtkenmerken der katachtige diersoorten er gebreken
voorkwamen, door accidentele oorzaken ontstaan, door overerving
voortgeplant en door de meergemelde oorzaak van geschiktwording
van lieverlede uitgeroeid wordende. Zulke gebreken kunnen aan elke
diersoort van een geslacht moeielijk anders dan bij het bestaan van
bloedverwantschap tusschen hen medegedeeld zijn, even als bijv. het
bezit van beerenmutsen door tirailleurs van verschillende legers
moeijelijk anders dan door navolging te verklaren is.
Zoo daarentegen de diersoorten van een geslacht, door in ontwikkeling
toe te nemen, eene gemeenschappelijke vroegere wijze van leven voor
eene nieuwe vaarwel gezegd hebben, kunnen zij, wegens de werking
der traagheid, allen nog eene zelfde eigenaardigheid, goed voor
die vorige, maar ondoelmatig voor die nieuwe wijze van bestaan,
bezitten. Zulke veranderde eigenaardigheden (zooals bijv. de
zwemvliezen der pooten der nimmer zwemmende fregatvogels) vormen
alsdan gebreken, welke echter veel minder zeker dan de hierboven
gemelde op bloedverwantschap tusschen die verschillende diersoorten
wijzen. Evenzoo vindt men bijv. in vele legers heden nog kurassiers,
ofschoon de thans bestaande vuurwapenen het nut der kurassen hebben
doen verdwijnen. Deze bestaan echter, niet doordat de departementen
van oorlog van verschillende staten eene gril eener hunner nagevolgd
hebben, maar wel, doordat allen te traag geweest zijn, om het vroeger
wel, maar thans niet meer doelmatige bij tijds afteschaffen.
Om de op blz. 30 ontwikkelde hypothese te bewijzen, zouden de geraamten
van althans eenige leden van elk der vroegere generatien van elken
stamboom opgedolven moeten worden en men, bij die stamboomen steeds
achterwaarts gaande, gemiddeld tot steeds lagere, maar in wijze van
voeding eenigzins met elkander overeenkomende diervormen moeten
komen. [7] Om het onmogelijke, vooral voor de overblijfselen van
landdieren, hiervan na te gaan, behoeft men slechts te bedenken,
dat van die dieren het verrotten der beenderen slechts kan worden
belet, wanneer hunne lijken overdekt worden met veen, vulcanische
asch, opgestoven zand, of in holen nederploffende kalk en wanneer
zij door beken of rivieren naar opslibbende, of verzandende meeren,
of zeevakken gevoerd worden.
Wij hebben zooeven gesproken van gemiddelde verlaging, daar bij
uitzondering de latere generatien eener diersoort eene lagere
organisatie dan derzelver voorouders kunnen verkrijgen. De Schrijver
der Sporen der Natuurlijke geschiedenis der schepping, stelt bijv. dat
de nazaten van althans sommige der groote landhagedissen van het
secundaire tijdvak gedurende het tertiaire tijdvak de slangenvorm
aangenomen hebben.
Nu kan het zijn dat, toen de magtige landzoogdieren en landvogels
in groote hoeveelheden optraden, het land als ware door twee legers
veroverd geworden is en dat hierdoor die landhagedissen tot binnen
holen en digt struikgewas terug gedrongen en in aantal vermindert zijn.
De drang tot geschikt wording voor nieuwe en lagere
levensomstandigheden kan toen laatstgemelde dieren sterker achter,
dan die tot het hoogere voorwaarts hebben doen gaan, zoodat eene
resulterende verlaging en voor de nieuwe levenswijze der dieren
betrekkelijke verbetering hunner organisatie later op die terugdringing
gevolgd is en het cijfer der geboorte weder op dat der sterfgevallen
gebragt heeft, zie blz. 12.
Iets hiermede vergelijkbaar wordt ook bij den strijd tusschen de
volken waargenomen.
Verovert bijv. een dezer het grondgebied van eenig ander volk en dringt
het dit terug tot binnen woeste bergstreken, zoo zal laatstgemeld
volk, om zich in zijne nieuwe positie beter te handhaven en er
voor geschikt te worden, op een lager standpunt van beschaving dan
vroeger moeten gaan staan, en, in plaats van te leven van landbouw
en handel, zulks grootendeels van stroopen moeten gaan doen. In zulk
een geval kunnen bijv. de Montenegrijnen, na den inval der Turken in
het Illyrische schiereiland, verkeerd hebben. Thans echter kan die
drang tot geschiktworden voor zekeren toestand bij hen weder zwakker
dan die tot verhooging geworden zijn en zij aldus, na een tijdelijke
achteruitgang, thans weder in beschaving stijgen.
Wanneer een volk een ander, of leden daarvan, op gelijken trap
van beschaving als dit eerste volk staande, gaat overheerschen,
zooals bijv. plaats heeft bij volken, hunne krijgsgevangenen tot
slavernij veroordeelende, zal de neiging tot geschikt wording voor
nieuwe toestanden dit eerste volk in beschaving vooruit en het tweede
achteruit doen gaan.
Bij beiden te zamen genomen kan dan die dwang tot geschiktwording
den graad van beschaving even groot laten. Staat het eerste volk in
beschaving hooger dan het tweede, iets dat gemiddeld plaats zal hebben,
zoo zullen die voor en achteruitgang beide kleiner worden en zelfs
kunnen omkeeren, omdat bijv. het contact met zijne meer beschaafde
meesters, de levensomstandigheden van het in dienstbaarheid gebragte
volk sterker kan verhoogen, dan die dienstbaarheid, op zich zelf
genomen, het verlaagt. Dit bijv. was het geval met de uit Afrika naar
N. Amerika gevoerde en aldaar tot slavernij veroordeelde negers.
Heeft daarentegen het omgekeerde plaats, zoo zal de verhooging in
beschaving van het overheerschende volk en die in barbaarschheid van
het dienstbare sterker zijn dan in het eerste geval.
Zoo iets heeft plaats gehad na den inval der barbaren in de wingewesten
van het Romeinsche rijk, en zoo men nu zamen voegt de beschaving der
barbaren en die der onderdanen van Rome voor dien inval, en die som
vergelijkt met die na den inval, is het de vraag of de eerste som
veel kleiner dan de tweede geweest is, tengevolge dat accidentele
omstandigheden de verlaging der eene natie grooter dan de verhooging
der andere hebben doen worden. Buitendien bedenke men wel, dat de
beschaving, niet enkel uit intellectueele, maar tevens uit morele
ontwikkeling bestaat. Beide trachten nu op eene overeenkomstige hoogte
te gaan staan, zoodat de intellectuele ontwikkeling, door onderwijs
bevorderd wordende, de zedelijke ontwikkeling absoluut grooter zal
doen worden, ofschoon het de vraag is, of de eischen der maatschappij
dan niet eveneens gestegen zijnde, de menschen alsdan beter hier aan
zullen voldoen en betrekkelijk deugdzamer en volmaakter dan vroeger
zullen zijn. [8]
Verhooging, zoowel in zedelijke als in intellectuele ontwikkeling,
vereischt zekere inspanning, en zelfs wordt zekere inspanning,
waaraan wij allen gewoonlijk behoefte hebben, vereischt, om de
geestontwikkeling niet te doen dalen. Ontstaat er nu door zekere
verzadiging van rijkdom en magt, gebrek aan veerkracht en matheid,
zoodat men zich zelf die inspanning niet gunt, zoo daalt eerst
de zedelijke ontwikkeling en sleept zij de intellectuele in haren
val mede.
Dit bijv. was het geval in de Romeinsche wingewesten ten tijde van
den inval der barbaren.
In morele ontwikkeling stonden deze welligt hooger dan de door hen
overwonnen volken, even als tijdens het begin der Romeinsche republiek
zulks bij de zegevierende Romeinen het geval was. Bij deze stond
toen de morele ontwikkeling hooger dan de intellectuele. Dat voorts
toeneming in beschaving en dus ook in absolute welvaart en rijkdom
met zedebederf gepaard zou gaan, is geheel bezijden de waarheid. De
beschaving toch versterkt de maatschappelijke banden en dus ook het
onderling hulpbetoon en de beredeneerde opoffering voor de publieke
zaak. Zij maakt dat men meer om de toekomst geeft en aldus minder aan
de neigingen van het oogenblik toegeeft, zij verhoogt de werkzaamheid
en vervangt den blinden moed door eene uit plichtbesef ontstaande
dapperheid.
De hooger geestelijk ontwikkelde menschen overheerschen de minder dan
zij geestelijk ontwikkelden, hetgeen bewezen wordt door de betrekking
tusschen meesters en dienstboden, door die tusschen de hooger standen
en de lagere volksklassen, door het kiezen van hoofden onder de meer
beschaafden door het gepeupel en door de betrekkingen tusschen de
Europeanen en de inboorlingen hunner kolonien.
Dit heeft eveneens plaats bij de dieren, doch bij deze bestaat er
geene zamenwerking tusschen de heeren en de onderdanen, maar slechts
een leven der eersten ten koste der laatsten.
Zoo bijv. verslinden de roofvogels de lager dan zij in
geestontwikkeling staande granen etende vogels, vele kleine vogels
verslinden insecten, zeevogels visschen, deze weder weekdieren;
terwijl, wanneer de lager staande dieren eene grootere ruwe kracht
bezitten dan de hooger staande waarmede zij in contact komen, deze
laatste middelen bezitten om, of gene te ontwijken, of zoodanig aan
te vallen dat hunne kracht nutteloos wordt.
Even als eene gansche kudde schapen eene grootere totale ruwe kracht
bezit dan een wolf en niettemin deze eenige van de schapen rooft,
zonder dat deze makkers door collectieve handeling zich hiertegen
weten te verzetten, zoo overheerscht een betrekkelijk klein aantal
Europeanen millioenen Hindoes of Javanen en in beide gevallen
heeft de duur van die en de berusting in die overheersching haar
gerechtvaardigd. Klaarblijkelijk zouden toch de schapen, zoo zij
vonden op eene voor hunne eigene geestontwikkeling door de wolven te
vernederen de wijze behandeld te worden, zie blz. 43, hunne positie
omhoog trekken, even als bijv. de Israëlieten zulks gedurende en na
de middeleeuwen, de meest beschaafde Galliers (onder anderen die tot
geestelijken stand behoorende), zulks na den vermeestering van Gallie
door de Franken en zooveel tot groot aanzien gekomen vrijgelaten
slaven, zulks onder de Romeinsche keizers gedaan hebben.
Dat de roofdieren beter gewapend zijn dan de dieren welke zij
bemagtigen, spruit althans in de meeste gevallen voort uit hunne
meerderheid in geestontwikkeling, want op blz. 28 hebben wij
aangegeven, hoe de impulsie tot verhooging der organisatie door
den eigen wil der dieren ontstaat. Buitendien zouden de wapens der
roofdieren hen van weinig nut zijn, zoo eene hoogere geestelijke
ontwikkeling dan die van de door hen bemagtigde dieren, hen niet in
staat stelde er een doelmatig gebruik van te maken.
Een rund met de tanden en klaauwen van een leeuw, en zich alleen met
vleesch kunnende voeden, zou van honger sterven, zoo hij niet even als
dit roofdier prooijen wist op te sporen, zijn sprong wist te meten,
en de opvoeding zijner jongen zoover wist te drijven, als dit bij de
roofdieren het geval is.
Beschaafde volken overwinnen wilde stammen, door tegenover de pijlen en
lanzen en onzamenhangende werking dezer stammen, te stellen vuurwapens
en zamenwerking. Voor dit laatste wordt er eene hoogere geestelijke
ontwikkeling gevorderd dan die der wilden, en eigenlijk is zulks voor
het gebruik van vuurwapens ook het geval, wegens de noodzakelijkheid
om het geschut te transporteren, de vuurwapens te repareren, buskruid
te vervaardigen enz.
Waren de dieren ligchamelijk onsterfelijk, stoorde geene
accidentele oorzaken van de op blz. 22 gemelde constante oorzaak
tot geschiktwording gedurig de werking en bestond er geen drang
tot verhooging der geestelijke ontwikkeling, zoo zou eindelijk elke
diersoort, over anderen in ontwikkeling lager dan zij staande soorten,
eene heerschappij, geevenredigd met derzelver overmaat van geestelijke
ontwikkeling, uitoefenen, en zij daarentegen door anderen, hooger
dan zij staande diersoorten, op hare beurt in reden van het verschil
tusschen hare geestontwikkeling en die dezer hooger staande soorten
overheerscht worden.
Geen dier zou dus alsdan eenige reden bezitten om over zijn toestand
ontevreden te zijn en de aarde worden een eentoonig paradijs, waarin
van vooruitgang geene sprake meer zou zijn.
De drang tot vooruitgang maakt echter, dat, bij eene volgens de
opgegeven wijze bepaalden graad van overheersching, de overheerschte
soorten de over haar uitgeoefende heerschappij gemiddeld even sterk
zullen trachten te verzwakken (zooals bijv. door het beter ontvlugten
van roofdieren) als de heerschappij voerende soorten haar nog sterker
zullen trachten te doen worden (zooals bijv. door het behendiger vangen
van prooijen door roofdieren). Hierdoor zal er tusschen die heerschers
en beheerschter een strijd ontstaan, van beide zijden met gemiddeld
evenveel kracht gevoerd wordende en waarin aldus gemiddeld aan beide
zijden evenveel voordeel behaald zal worden, zoodat de verschillen
in geestontwikkeling tusschen beide soorten even groot blijvende,
de heerschappij der eene over de andere zulks gemiddeld ook zal doen.