fraaiheid van versiering uitsteekt boven al wat er van dien aard in het
land bestaat. Onder alle zalen is er echter eene, die het schoonst moest
zijn, wijl de Sultan daar zijne gelukkigste oogenblikken wil slijten in
het bijzijn zijner geliefdste vrouwen. De vier wanden der zaal moesten
volgens zijne begeerte geheel bestaan uit spiegels van zeldzame
schoonheid, in gouden lijsten gevat welke met allerlei kostbare
gesteenten waren bewerkt.
--Deze spiegels moesten door de Nazareners worden vervaardigd en
hierheen gevoerd. Dit geschiedde ook, maar op de reis herwaarts leed het
schip der ongeloovigen schipbreuk en verdween met al wat er op was in de
zee der duisternissen.
--Toen de Sultan dit hoorde, was hij zeer bedroefd, en hij loofde groote
prijzen uit aan dengeen, die hem zijne spiegels terug gaf. Vele duikers
beproefden het, doch tevergeefs. Toen dacht ik aan u, mijn weldoener; ik
verhaalde mijnen broeders de edele daad, die gij aan mij hebt verricht,
en deelde hun mijn plan mede.
--Zonder bedenken stelden allen zich ter mijner beschikking, daar zij
meenden, dat gij verdiendet beloond te worden.
--Mijne broeders nu zijn talrijk als het zand en de schelpen. Wij
bewonen de zee en de zoete wateren, en duizenden trokken met mij mede
naar het gezonken schip. Wij vonden, door de goede geesten geleid, de
kist waarin de spiegels waren geborgen, en van deze alwetende geesten
vernamen wij ook, dat de spiegels wegens de zorgvuldige inpakking niet
waren beschadigd.
--De kist nu lag op den zandigen bodem der zee. Op verschillende punten
begonnen wij nu ons er onder te werken en plaatsten op die ondergraven
punten platte steenen, die niet wegzakten en beletten zoo de kist verder
in het zand te zakken. Zoodoende kwamen wij er weldra in genoegzamen
getale onder, om ons met onzen last in beweging te stellen en dien tot u
te brengen. Begeef u nu morgen met het aanbreken van den dag op weg naar
Fez en verhaal den Sultan, dat gij zijne spiegels hebt, en dat hij zijne
lieden kan zenden om ze te halen. Hij zal u rijkelijk beloonen, en gij
zult geld genoeg bezitten om er een huis van te bouwen en zelve kudden
schapen te hebben.
Nauwlijks had de kreeft uitgesproken, of hij en zijn geheel
kreeftenleger riepen als in koor:--Wij groeten u, o Civo! wees
gelukkig!--En eer Civo van zijne verbazing was bekomen, was de geheele
bende in de zee verdwenen.
Nog vóór het licht werd in het Oosten, was Civo den anderen morgen reeds
aan het werk om den ingang der grot dicht te maken. Na eerst eene laag
groote rotssteenen vóór de opening te hebben gerold, overdekte hij die
met aarde; daarna nam hij eenige handen zaad van onkruid dat zeer snel
opwies en strooide het in de aarde. Toen ging hij gerust heen, overtuigd
dat binnen eenige dagen het onkruid opgewassen zou zijn tot boven aan
de opening en deze alzoo voor de oogen van hem, die toevallig hierheen
mocht langs dwalen, verborgen zou zijn.
Na zijn vader verteld te hebben, dat hij eene reis moest doen naar Fez
om hen allen gelukkig te maken, droeg hij dezen de zorg voor de kudden
zijns oom op en vertrok.
Daar aangekomen, begaf hij zich terstond naar het paleis van den Sultan
en verhaalde, dat hij de spiegels in zijn bezit had. Niet zoodra hoorden
de bedienden dat, of zij brachten Civo vóór den Sultan, die hem met vele
vreugdeblijken ontving. En Civo, de eenvoudige, rondborstige knaap,
verhaalde den Sultan eerlijk ten aanhoore van het geheele hof, hoe de
kreeften de kostbare spiegels uit de zee hadden opgehaald.
Natuurlijk waren de Sultan en het geheele hof zeer verwonderd over
Civo's verhaal. De Sultan zeide:
--Hoor Civo, uw verhaal heeft ons zeer verwonderd, want wat gij vertelt,
is nog nooit gehoord. Nu zou ik wel gaarne de spiegels laten halen, maar
ik ben zoo nieuwsgierig naar uwe kreeften, dat ik wel eene geheele stad
uit mijn keizerrijk zou willen geven om te zien wat gij gezien hebt.
Hoor dus, wat ik van u verlang. Gij gaat weer naar uwe woonplaats terug
en verzoekt den kreeften mij hunne vondst zelven te willen brengen, en
voegt er bij dat, ingeval zij aan mijnen wensch willen voldoen, ik u
het dubbele, ja het driedubbele van de uitgeloofde belooning zal geven.
Bovendien zullen de kreeften tot dank eene gunst van mij mogen vragen.
Civo boog en door de bedienden weggeleid, werd hij met een schitterend
nieuw kleed begiftigd. Daarna zette men hem de keurigste spijzen voor,
en na eenige uren te hebben geslapen, ontving hij een sterk paard en
eene beurs met geld om zich op den weg overvloedig van verkwikkend
voedsel te voorzien en vertrok naar huis.
Hoewel Civo nu geen oogenblik twijfelde aan de macht der kreeften om het
begeerde te kunnen doen, twijfelde hij evenwel zeer aan hunnen wil, want
die reis was geene kleinigheid. Doch de wenschen van den Sultan kon hij
niet weerstreven en er zat dus niets anders op dan het te beproeven.
Des avonds in zijne hut aangekomen, begaf Civo zich den anderen morgen
naar de grot om te zien of zijn schat er nog was. Tot zijne groote
geruststelling was alles nog onaangeroerd en het hoog opgeschoten
onkruid verborg de opening geheel. Na eenigen tijd gewacht te hebben,
kwam zijn vriend, de kreeft, hem opzoeken om den uitslag van zijne
zending te vernemen. Aarzelend deed Civo verslag van zijn wedervaren,
doch wie beschrijft zijne verwondering, toen hij aan het einde zijner
rede gekomen den kreeft op verheugden toon hoorde uitroepen:--O, wees
gerust, Civo! gij brenger van zoo gezegend nieuws. Zie, wat gij dacht
dat mij zou bedroeven, verheugt mij; wij zullen de spiegels naar
Fez brengen en als gunst van den Sultan verzoeken, dat ons geslacht
voortaan in vrede zal kunnen leven, zonder door de visschers gevangen
en opgegeten te worden. Geloof mij, geene opoffering zal ons te zwaar,
geene moeite ons te veel zijn om de gunst te verwerven van onbevreesd
te kunnen leven. Wacht slechts een oogenblik en gij zult zien, dat ik
de waarheid spreek.
Snel begaf zich de kreeft naar het strand en begon met zijne groote,
sterke scharen op een grooten kinkhoorn, die daar lag, te slaan en
bracht daardoor een luid klinkend geluid voort. Dadelijk kwamen de
kreeften van alle kanten te voorschijn, uit de zee, uit de beken en de
bergen en uit de stroomen, en na verloop van niet langer dan een half
uur waren de hellingen der kustbergen en het geheele strand daar ter
plaatse zwart van de kreeften.
Toen verhaalde de kreeft aan de toegevloeide scharen, waarom hij hen had
opgeroepen en nadat hij in vurige taal het vorstlijke van de gunst had
geschetst, die niet alleen hun, maar hun geheel volgend geslacht ten
goede zou komen, toen ging er uit die geheele schare éen enkele kreet
op, en daverend klonk het over het strand, rolde over de zee,
weerkaatste tegen de rotsen en vloeide samen met het gedonder der
branding:--Wij willen, wij willen!
En reeds des anderen daags begon de wondervolle reis en de Marokkaansche
bevolking werd op het nooit geziene tooneel vergast van eene door
duizenden kreeften gedragen reusachtige kist van buitengewonen vorm. En
boven op het vlak der kist zaten rustig rondziende in geregelde rijen
even zoovele kreeften als het gevaarte droegen, want begrijpende, dat
men vele malen genoodzaakt zou zijn te rusten, had de kreeft deze
voorzorg genomen. Zoodra nu de dragers vermoeid werden, losten de
anderen ze af, en als de versche troepen hunne plaats hadden ingenomen,
verwijderden de anderen zich van onder het gevaarte en begaven zich er
boven op om uit te rusten tot den volgenden tocht. En bij dien vreemden
optocht reed Civo op zijn paard als gids en leidsman vooraan.
Toen werden de wegen, waar men langs trok, overstroomd van volk; de
stedeling verliet zijne bezigheid, de landman huis en hof, de maaiers
legde de zeissen bij het koren en de houthakker de bijl bij den boom.
Iedereen kwam er naar zien; geen oud wijf, geen kind bleef te huis.
Zelfs de schriftgeleerden, de heiligen, de krijgers, ministers, pacha's,
kortom, al wat gaan kon liep uit en allen verwonderden zich over deze
verschijning. De wijzen en geleerden stonden verbaasd en vroegen
zich af, of zij waakten of droomden, en de bijgeloovigen riepen met
ontzetting uit, dat de laatste dag gekomen was en dat de wereld zou
vergaan. En overal bracht men het noodige bijeen om de vreemde gasten
te spijzen. De meeste nieuwsgierigen dachten niet om heengaan; het
was alsof men door eene onweerstaanbare aantrekkingskracht werd
medegesleurd. Men vergat huis en hof en bezigheden, vrienden en
bloedverwanten, om slechts mede te gaan. Zoo trok men voort en de
ontzettende sleep groeide en groeide steeds aan. En toen men na dagen
lang te zijn voortgetrokken de stad Fez naderde, scheen het alsof men
gansch Marokko achter zich medevoerde. Velen, die nooit Fez hadden
gezien, die niet eens wisten waar het lag, kwamen nu naar deze stad.
De mare van deze algemeene beweging was hen reeds vooruitgegaan, en toen
de Sultan het vernam, trok hij uit met zijn geheelen hofstoet, zijn
ganschen sleep van hovelingen en krijgers, van wijzen en dwazen, van
vrouwen en bedienden. En toen hij daar dien wonderlijken optocht zag
aankomen, bleef hij staan om dien goed te kunnen zien, en daar het volk
steeds opdrong als eene ondoordringbare massa, liet hij een gedeelte van
zijn leger een cordon vormen om den stoet, waardoor het volk op een
behoorlijken afstand werd gehouden. Zoo deed Civo met zijn kreeftenleger
zijnen intocht binnen Fez.
Daar gekomen, wachtte de Sultan hen op eene groote vlakte aan den oever
van den Paarlstroom op, en toen de kreeften tot vóór zijnen troon waren
genaderd, liet de Sultan hen door eene menigte bedienden van den last
bevrijden en in bijzijn van de toegevloeide menigte de kist openen.
Toen zag men vier buitengewoon fraaie spiegels te voorschijn komen,
fonkelnieuw alsof zij zooeven de werkplaats van den Nazerener hadden
verlaten. Er was geen spoor van beschadiging door zeewater of door de
schipbreuk te bespeuren, en de Sultan werd vervuld van vreugde over dit
geluk.
Nu kwam de beurt aan Civo, en nadat de Sultan hem zijne eigene kleederen
had laten aantrekken en had laten omhangen met de kostbaarste
versierselen, liet hij hem plaats nemen aan zijne rechterhand onder den
stoet van hovelingen.
Voor den voet van zijnen troon was het kreeftenleger in
bewonderenswaardige orde opgesteld; de lievelingskreeft van Civo kwam
nu vooruit, en terwijl hij zijne groote scharen ter aarde boog sloeg
hij er mede tegen den grond, en terstond herhaalde de geheele drom
dit, hetwelk klonk als het wapengekletter en het dreunen van een
aankomend leger. En in de stilte, die daarop ontstond, hoorde men den
kreeft zeggen:--Allah bescherme u, o groote Sultan! Weldoener van uw
volk. Zijt gij tevreden over de geringe bewoners der wateren, die uw
rijk bespoelen en doorstroomen?
--Ja, zeide de Sultan, spreek, ik heb u eene gunst toegestaan, zeg wat
ge wilt, en als het niet boven mijne macht gaat, zal het u worden
toegestaan!
--Allah bescherme u, o groote Sultan! In naam van al mijne broeders, die
hier voor uwen troon staan, vraag ik om voortaan rustig te kunnen leven,
ongemoeid door de listen en lagen der menschen.
Toen zeide de sultan op plechtigen toon:--Uw wensch is toegestaan. Hoor,
mijn volk! wat ik u beveel. Van stonden aan zal het een iegelijk op
doodstraf verboden zijn een kreeft te vangen, te wonden of te dooden, of
op eenige andere wijze te hinderen.
Dit bevel zal zich uitstrekken over gansch Marokko en over al de landen,
die ik onder mijnen scepter heb. Die hun weldoet, zal een goed werk
doen. En het zal geboekt worden in de geschriften, opdat onze nazaten er
zich aan zullen houden en weten, welk wonder dit besluit heeft
veroorzaakt.
En al de kreeften bogen zich ter aarde en onder het slaan hunner scharen
riepen zij als uit één mond:--Allah bescherme onzen Heer, den grooten
Sultan!
Een daverend vreugdegeroep van het volk beantwoordde dit en iedereen
schreeuwde opgewonden:--Allah bescherme onzen Heer, den grooten Sultan,
den rechtvaardige!
Op hetzelfde oogenblik keerde het kreeftenleger zich om en wierp zich in
den Paarlstroom. En den anderen dag reed Civo met geschenken overladen
naar zijne woonplaats; hij kocht zich een huis, hield groote kudden en
bezat weldra uitgestrekte velden. En vóór zijn huis prijkte, in marmer
uitgehouwen, een reusachtige kreeft ter herinnering aan zijn geluk.
--Ziedaar, aldus eindigde Selam, waarom nog zeer langen tijd daarna de
kreeften door het volk werden beschermd. Doch thans is dit anders. Alles
is veranderd; zelfs spreken de beesten niet meer.
BESLUIT.
Na Arizila verlaten te hebben, bereikte ons gezelschap den volgenden
dag Ain-Daliah (de wijnbron), dezelfde plaats waar men op de heenreis
had gekampeerd, en twee dagen later reed men omstuwd door eene groote
menigte, door de poort van den Sóc-di-Barra, Tanger binnen.
* * * * *
Het was duidelijk op de gelaatstrekken der toegestroomde menigte te
zien, dat zij er geen oogenblik aan getwijfeld had of ons gezelschap,
dat zij hadden zien vertrekken en welks doel men kende, zou Tanger nooit
hebben weergezien, en veler gelaatstrekken drukten spijt en toorn uit
over hunne behouden zegenvierende terugkomst. Eén ding was echter zeker,
dat zij nu vrij wat meer eerbied en ontzag schenen te hebben voor dien
kleinen troep Nazareners, die dat stoute waagstuk zoo glorierijk had
volbracht.
Sinds men Larasch had verlaten, was de toestand van Dries aanmerkelijk
beter geworden, en het rustige leven te Tanger bracht hem weer binnen
enkele dagen geheel op de been. Vóór men vertrok, hadden de kapitein en
de luitenant, aan den vurigen wensch van Selam gevolg gevende, hem, dank
zij den invloed van den kapitein, eene vaste betrekking bezorgd als
koerier aan het Fransche Consulaat, zoodat de wakkere knaap niet meer
bevreesd behoefde te zijn voor zijne toekomst en thans eene zeer goede
positie onder zijne landslieden bekleedde. Ook vernam men hier nog door
een bode, die een brief bracht van Sid-Abd-Allah, dat deze, dank zij
zijne stoutheid van zelf den Sultan te gaan spreken, de verlangde
aanstelling had verkregen en thans in vrede heerschte als landvoogd over
zijn volk, zich bezig houdende met handel en nijverheid onder hen te
bevorderen. Hij zond zijne beste groeten aan zijne vrienden en bad Allah
voor hunne behouden tehuiskomst.
En veertien dagen na de terugkomst in Tanger vertrokken luitenant Frank
met Dries, de kapitein met zijne aanstaande vrouw en Mohammed met het
stoomschip naar Marseille, tot aan het strand uitgeleid door den trouwen
Selam en door Aroesi, en zoolang men elkaar nog kon onderscheiden zag
men de twee brave, dappere en trouwe Mooren op Afrika's strand staan, de
boot naoogende, die hunne vrienden wegvoerde naar het beschaafd Europa,
de vrienden met wie zij lief en leed, vreugde en gevaar hadden gedeeld
in het waarlijk barbaarsche Barbarije.
Te Marseille scheidden ook de kapitein en de luitenant van elkaar, daar
de eerste van daar zou vertrekken naar Algiers en de laatste weder met
Dries naar Nederland zou terugkeeren.
Voor het laatst voeren wij den lezer nog even bij onze vrienden binnen.
't Is een koude winterdag, dat we de woning van Frank te 's-Gravenhage
binnentreden, en het gesprek afluisteren, dat tusschen Frank en Dries
wordt gevoerd. Het onderwerp daarvan was voorzeker gewichtig, namelijk
een brief van kapitein Daumas uit Algiers. De luitenant las aan Dries er
het volgende uit voor:
* * * * *
Sedert eene maand ben ik gehuwd en geniet al de zaligheden van het
huwelijk. Na Rebecca een jaar ongeveer te Marseille te hebben gelaten om
haar opvoeding te voltooien, zijn wij thans gehuwd en elken dag zegen
ik u, die de oorzaak is van mijne reis naar Fez en dus de eigenlijke
aanleiding, dat ik Rebecca heb ontmoet. Maar niet alleen ik, ook mijn
lief vrouwtje verzoekt mij u te doen weten, dat zij u dankt eenmaal het
idee te hebben gehad, om de barbaarsche hoofdstad van Marokko, de stad
der verschrikking, te bezoeken. Als ik mij die reis voor den geest haal,
dan kan ik nu nog niet begrijpen, hoe wij het er heelhuids hebben
afgebracht, want hoe luchtig wij er somtijds over dachten, zaten we toch
somwijlen verduiveld in den brand en meer dan eens heb ik tot mijzelven
gezegd: George, George, hier kom je niet levend van daan!
Maar enfin, 't is voorbij met al zijn leed, en bij nader inzien hebben
wij toch nog al pret gehad ook. Weet ge nog, amice! hoe wij ons als
schooljongens vermaakten met die insecten, die ons formeel aanvielen, en
de _heiligen_, denkt Dries er nog wel eens aan? En dan onze romantische
ontmoeting met den roover, onzen stouten vriend Sid-Abd-Allah en nog
zooveel meer, dat mij tebinnenschiet als ik rustig in mijne studeerkamer
zit en mijne aanteekeningen doorblader.
Maar wacht eens even, ik zeide daar, rustig te zitten; helaas! mijn
vriend, dat was een leugen! Want nauwlijks zit ik eenige oogenblikken
stil, of die twee kleine guiten van mij sluipen onhoorbaar binnen,
totdat ik op eens hunne tegenwoordigheid gewaar word door een verwoed
gevecht onder mijne schrijftafel. En als ik dan driftig opspring om de
kleine rustverstoorders een tik om de ooren te geven en de kamer uit
te jagen, dan voel ik opeens een paar armen om mijn hals en staat dat
kleine barbaarsche Marokkaansche vrouwtje achter mij en houdt mij
waarachtig tegen.
Parbleu! noemt ge dat niet erg, eene maand getrouwd en reeds geen baas
meer te zijn in mijn eigen huis? Zoo spant me dat vrouwtje samen met
de kleine bengels, en dan blijven ze in de kamer; zij zet zich bij mij
neder en van dat oogenblik af aan hoor ik geen kik meer. Nu, wat moet je
doen om rustig te kunnen werken.
Bij al mijn geluk heb ik echter nog slechts één wensch, namelijk deze,
dat ge ook eens mocht overkomen om Algiers te zien. Ik hoop, dat
ge daartoe spoedig lust zult gevoelen; het zou een mijner grootste
genoegens uitmaken u en onzen vriend Dries nog eens bij ons te zien.
Niet alleen van mijne kleine barbaarsche, maar zelfs van mijne beide
jongens moet ik u groeten, en ge zult wel zoo goed willen zijn mijn
vriend Dries voor Rebecca en mij de hand te drukken. Ik zeg niet
vaarwel, maar tot weerziens, want ik reken er vast op, dat ge te eeniger
tijd bij ons komt.
Uw toegenegen
~GEORGE DAUMAS.~
Toen de luitenant dit had voorgelezen, keek hij Dries aan.
--Wel, zeide hij, wat zegt ge er van?
--Wel, antwoordde Dries, ik ben zoo verheugd over het geluk van den
kapitein, dat ik het niet weet uit te drukken.
--Ik ook, zeide Frank, maar wat zegt ge van zijne uitnoodiging om naar
Algiers te komen?
--O, wat dat betreft, antwoordde Dries, zou ik, als u lust had er heen
te gaan, geen enkele reden weten om het niet te doen. Duivels, we zijn
wel in de beruchtste gewesten van Marokko geweest, en hebben Fez
bezocht, wat niet iedereen kan zeggen, die Marokko heeft bereisd.
--Dat is zoo, antwoordde de luitenant, en nu wij eenmaal met reizen zijn
begonnen, is de lust in mij opgewekt, het niet bij die eene reis te
laten; als een begin was deze tamelijk gevaarlijk en vrij ongemakkelijk.
--Ja, zeide Dries, ik geloof, dat Algiers niet half zooveel bezwaren zal
op leveren als Marokko.
--Neen, dat zeker niet, antwoordde Frank. En ik zeg nog niet «neen» op
het verzoek van den kapitein. Wie weet, wat we den volgenden zomer
zullen doen. Maar als we naar Algiers gaan, Dries! reken er op, dat we
dan ook de woestijn zullen bezoeken.
EINDE.
INHOUD.
Bladz.
I. Een man over boord 5
II. Luitenant Frank en zijn oppasser 12
III. Tanger, de Moorsche stad.--De zegen van den Heilige 16
IV. De nieuwe reisgenoot.--Selam, de gids 26
V. Naar Fez.--De kapitein verhaalt zijne geschiedenis 32
VI. De monsterpad en de witte ezel van Selam 46
VII. Alkazer-el Kibir 55
VIII. De ontmoeting 64
IX. Door insecten overrompeld.--De tarantula 74
X. De sterren en het zandmannetje 87
XI. De Beni-Hassen 97
XII. Sid-Abd-Allah, de geweldige 109
XIII. Fez de stad der verschrikking 120
XIV. De wapenschouwing 135
XV. Verraden.--Redde zich wie kan 144
XVI. Een gevaarlijk oogenblik.--De schoone Jodin 153
XVII. Aan den oever van den Paarlstroom 166
XVIII. Op den terugtocht--Mechinez.--De kif 173
XIX. De wilde zwijnen en de luipaard 182
XX. Het sprinkhanenleger 191
XXI. Arabische vertellingen. _De twee broeders_ 200
XXII. Arabische vertellingen (vervolg) _De herder en de kreeft_ 214
Besluit 225