Tripoli, ja zelfs tot aan gene zijde der Sahara twee namen, die het volk
niet zonder bewondering uitsprak. Het waren de namen der twee broeders.
Saladin de Zwarte, de onverwinlijke, de onkwetsbare, na de geheele
kuststreek van roovers gezuiverd te hebben, trok op tegen den
toenmaligen Sultan van Fez, een vreeslijk tiran. En of deze al leger
op leger tegen hem afzond, het baatte niet. De uitgezogen bevolking
ontving den bevrijder met open armen of sloot zich allerwegen bij hem
aan. Binnen eenige weken was de legermacht van den Sultan verslagen
of overgeloopen en hijzelf had zich uit wanhoop het leven benomen.
De overige Sultans der Barbarijsche staten bevreesd dat hun hetzelfde
lot zou ten deel vallen, verbonden zich daarop om Saladin ten onder
te brengen. Doch waar de nieuwe Sultan eenmaal een slag won, wilden
de soldaten niet meer tegen hem strijden, daar zij van zijne
onverwinlijkheid en onkwetsbaarheid ten volle overtuigd waren. Spoedig
dan ook was Saladin niet alleen Sultan van gansch Marokko, maar allengs
breidde hij zijne veroveringen uit over geheel Barbarije, zoodat hij
ten laatste Sultan van geheel Noord-Afrika was en de grenzen van zijn
land bepaald werden door den Oceaan ten westen, ten noorden door de
Middellandsche Zee, ten oosten door Egypte en ten zuiden door de
woestijn de Sahara.
Maar noemde men den naam van den grooten Sultan niet zonder vreeze, niet
minder geëerd en beroemd was de naam van Hamet. De roep van zijne nooit
gekende wijsheid drong in het geheele land door. In eene schoone vallei
bij Mechinez woonde deze in eene eenvoudige tent, het volk leerende en
onderwijzende. Van heinde en verre kwam men hem raadplegen, en Hamet
sloeg slechts zijn boek open, dat, telkens als hij het noodig had, zich
vanzelf opende en op de witte bladen verschenen letterteekens, welke
Hamet kon lezen. De bevolking in den omtrek beijverde zich om den
heiligen man van het noodige te voorzien en meer wenschte Hamet niet.
Hij was tevreden en gelukkig door de vereering, die men hem toedroeg.
Geen dag ging voorbij dat de vallei, waar hij woonde, niet overvol was
met kameelen, paarden en ezels van de karavanen, die van oost en west,
van zuid en noord kwamen om bij Hamet den heilige raad en hulp te
zoeken. Men kon zeggen, dat er twee Sultans waren van Noord-Afrika, de
eene gevreesd en ontzien, de andere geacht en geëerd, bijna aangebeden.
Toen Sultan Saladin zag hoe groot zijn aanzien was, begon hij zijne
macht te misbruiken. Als er iemand was, die hem durfde weerstreven, liet
hij hem geeselen of dooden. Was er iets dat hij begeerde en men wilde
het niet afstaan, dan werd men eenvoudig opgelicht en geworgd, en de
eigendommen vervielen aan den Sultan. Zijn harem bevatte de mooiste
meisjes van gansch Barbarije, want geen vader dorst zich tegen de
wenschen van den Sultan te verzetten. Als Saladin hem liet weten, dat
hij op een bepaalden tijd zijne dochter in zijn harem begeerde te
hebben, voldeed men er bereidwillig aan.
Nu gebeurde het dat Hamet, de heilige, die een jong en schoon man was,
tot zichzelven zeide: Zie, ik ben gelukkig, maar ik ben alleen. En wat
anders zou mijn geluk kunnen volmaken als eene vrouw en kinderen? Het
is niet goed, dat de mensch alleen blijve. Hij heeft evengoed zijnen
plicht, zijne bestemming te vervullen als al wat door eeuwige kracht
is voortgebracht. Hij mag zich niet aan de natuurlijke eischen der
maatschappij onttrekken. En Hamet nam eene der schoone en deugdzame
vrouwen van Mechinez tot echtgenoote.
De geheele bevolking verheugde zich over dat besluit van Hamet, en van
alle oorden waren de nieuwsgierigen saamgestroomd om getuigen van dit
feest te zijn en vreugde te bedrijven.
Doch zie, op den dag dat Hamets huwelijk voltrokken was en hij zijne
vrouw met zich voerde naar zijne tent, gebeurde er een verschrikkelijk
ongeluk; want toen Hamet op weg was naar zijn verblijf, ontmoette hij de
soldaten van den Sultan, die zijne vrouw kwamen opeischen en haar,
ondanks het tegenstreven van Hamet, medevoerden.
Toen nam Hamet een paard en vertrok naar Fez naar zijnen broeder, om
zijne vrouw van hem te eischen, want de arme Hamet dacht niet anders, of
zijn broeder had zijne vrouw laten weghalen, zonder te weten wie haar
echtgenoot was.
Hamet had nooit gezegd, dat Saladin zijn broeder was; en Saladin, te
trotsch geworden om zijne geringe afkomst te willen weten, had er
evenmin van gerept. Toen Hamet nu te Fez aankwam en niet werd toegelaten
tot den Sultan, zeide hij, dat hij Hamet de broeder van den Sultan was.
Eenige oogenblikken daarna werd hij voor den Sultan gevoerd.
Dáár op de binnenplaats, omringd door een schitterenden stoet van
krijgslieden en hovelingen, zat Saladin te paard, terwijl een twaalftal
soldaten een troonhemel boven hem omhooghielden, ten einde hem voor de
zon te beschermen. Het was wel dezelfde Saladin, die eenmaal een arme
visschersknaap was geweest. Hij zag er even fier uit als vroeger; zijn
paard was hetzelfde zwarte ros en aan zijne zijde bengelde het
vreeslijke kromme zwarte zwaard met de roode punt.
Hamet wilde zijnen broeder te gemoet snellen, maar de koele ontvangst,
die hem te beurt viel, hield hem daarvan terug. Eene wijle stond hij als
verlamd, als vernietigd naar zijnen broeder te kijken, toen verdween de
verwondering allengs van zijn gelaat en op bitteren toon mompelde hij:
--'t Is mijn broeder niet meer!
--Wie is het, klonk op eens de stem van den Sultan, die zich den broeder
van den Sultan durft noemen?
--'t Is Hamet van Mechinez, die vroeger visscher was te Larasch.
Herinnert Saladin zich zijnen broeder niet meer, met wien hij dag aan
dag ging visschen, toen wij te Larasch woonden?
Een onderdrukt gemompel van verwondering doorliep den hofstoet.
Saladin haalde de schouders op.
--De man is krankzinnig, zeide hij, zich tot zijne volgelingen wendende.
Maar wat wilt gij? vroeg hij, zich tot Hamet wendende.
--Ik verlang de vrouw terug, die de soldaten mij hebben ontnomen, en
waarmede ik juist was gehuwd. Zie, zeide Hamet, ik ben een man des
vredes. Ik onderwijs het volk in de vallei van Mechinez; nooit heb
ik nog eene onrechtvaardige daad begaan, noch de hand tegen iemand
opgeheven. Geef mij het geluk terug, dat mij werd ontnomen. Wilt gij
uwen broeder niet erkennen, o Saladin, 't zij zoo; het is er mij niet
om te doen in den glans van uwe macht te verkeeren, maar geef mij ten
minste mijne vrouw weder. Maar Saladin fronste de wenkbrauwen.
--Men brenge den onbeschaamde weg, die zich eerst voor mijnen broeder
uitgeeft, en het daarna durft wagen de handelingen van den Sultan te
beoordeelen. Men verwijdere hem en zoo hij zich weder vertoont, zal men
hem het hoofd vóór de voeten leggen.
Bleek als een doode stond Hamet op en een vernietigenden blik op den
Sultan werpende, zeide hij op indrukwekkenden toon: Luister, o Sultan,
Saladin de groote! _Hij, die u groot heeft gemaakt, zal u ook weten te
treffen nu ge een geesel voor uw volk zijt geworden en uwe hartstochten
niet weet te bedwingen!_
Ontzet over die taal en bevreesd voor straf grepen de wachten Hamet aan
en voerden hem weg.
Treurig en in diepe overpeinzingen verzonken, ging Hamet de stad uit.
Hoe zou hij nu zijne geliefde, zijn geluk weerom krijgen? Met geweld
viel tegen Saladin, den onkwetsbare, niets uit te richten. Met list
zijne vrouw te bevrijden ging evenmin, want hoe zou het hem mogelijk
zijn haar uit het sterke, door een drom van krijgers omringde en
bewaakte paleis te voeren. En Hamet, de wijze, wist geen raad; hij was
diep ongelukkig.
Maar opeens, toen hij buiten de stad tusschen de heuvelen was gekomen,
trof een vreemd klapwiekend geluid zijne ooren en opziende, zag Hamet
den gouden adelaar boven zijn hoofd zweven.
--Wees gegroet, o Hamet! gij gezegende onder uw volk. Wat is het, dat uw
gelaat de uitdrukking van treurigheid heeft gegeven? zeide de vogel.
Hamet, op de knieën vallende voor zijnen weldoener, verhaalde wat er was
gebeurd.
--Wees gerust, Hamet, vrees niet! Uwe vrouw is de uwe, zij zal tot u
komen. Luister!
En nederdalende, veranderde de vogel in den Derwisch en zeide toen:
--De maat is vol! Uw broeder Saladin heeft geen goed gebruik gemaakt van
de macht, die hem gegeven werd. Zijn rijk is uit. Hij heeft zich geneigd
tot de inblazingen van den booze, die hem met eene onbegrensde eerzucht
heeft vervuld. Hij heeft veroverd, verwoest en gemoord uit lust, zonder
noodzaak. Reeds zou hij gevallen zijn, zoo ik niet gewacht had of hij
zich nog wilde beteren. Maar helaas! hij is verstokt, en denkt dat zijne
onkwetsbaarheid en onverwinlijkheid hem niet meer kunnen ontnomen
worden. Thans, nu hij zelfs zijnen broeder heeft verloochend, gehoond en
beroofd van zijn geluk, thans is de maat zijner euveldaden vol. Hij zal
sterven.
--O neen! riep Hamet, laat hem leven om zich te beteren!
--Hij zal zich niet beteren, zeide de Derwisch. Gij weet dat ik in zijn
hart kan zien. Nooit zal hij zich verbeteren. Maar om uwentwille, om den
wille van uw schoon leven, dat gij zoo nuttig besteedt, om het goede dat
gij gedaan hebt, wil ik u nog één gunst toestaan. Hij zal leven als hij
zich betert, maar zoo hij nog eenmaal de hand tegen u, zijnen broeder,
opheft, zal ik hem verdelgen van de aarde. Wacht hier eene wijle.
En na weder in een adelaar veranderd te zijn, vloog hij weg in de
richting der stad.
Nauwlijks had Hamet in angst en vreeze eene poos daar vertoefd, of zie,
daar zag hij den adelaar wederkeeren, maar niet alleen, want met zich
voerde hij eene witte duif.
Verbaasd wachtte Hamet. De vogels kwamen al nader en nader, en streken
neer bij Hamet. En op hetzelfde oogenblik, dat zij den grond raakten en
de adelaar in een Derwisch veranderde, onderging ook de duif eene
gedaanteverwisseling en voor den verheugden Hamet stond zijne vrouw.
Met een vreugdekreet snelden de twee geliefden elkaar in de armen.
Toen zeide de Derwisch: Ga heen, neem uwe vrouw op uw paard en verwijder
u, want uw broeder komt om u te zoeken. Ik hoor reeds den hoefslag van
zijn paard, doch vrees niet, ik zal over u waken.
En Hamet tilde zijnen geliefden last op het paard, sprong in den zadel
en reed weg onder de zegeningen van den Derwisch.
Daar klonk opeens de kletterende hoefslag van Saladin's ros en met eene
snelheid aan den bliksem gelijk kwam de woedende Sultan aanrennen, zijn
verderf aanbrengend zwaard in de vuist geklemd.
--Geef over die vrouw, o Hamet! donderde hij reeds van verre den
vluchtende toe, en met een paar ontzettende sprongen was hij voor hem en
sneed Hamet den weg af.
--Broeder! smeekte Hamet, in den naam onzer ouders, in den naam van
Allah, in den naam van hem, die u groot heeft gemaakt, laat mij door.
Hef uwe hand niet tegen mij op, want het zal uw verderf zijn. Gij, die
zooveel bezit, laat mij dit weinige!
--Geef over die vrouw, zeg ik u! brulde Saladin. Gij kent mijne macht,
die onwederstaanbaar is; noodzaak mij niet u te dooden!
--Laat af, broeder! bad Hamet; laat af, het verderf nadert u! Laat af in
den naam van haar, wier borst ons beiden heeft gezoogd.
--'t Is lang genoeg gefemeld, brulde Saladin, en zijn zwaard zwaaiend
wilde hij zich op zijnen broeder werpen.
Daar klonk op eens de verschrikkelijke stem van den Derwisch: Sta
Saladin! ellendige slaaf uwer hartstochten! Tiran van uw volk, die u met
de booze geesten hebt verbonden. _Ik, die u groot heeft gemaakt, die u
de macht heeft gegeven, ontneem u die, nu ge een geesel voor uw volk
zijt geworden en uwe hartstochten niet weet te bedwingen._ Verga!
En op hetzelfde oogenblik opende zich de grond voor zijne voeten, en
onder het slaken van een vreeslijken kreet verdwenen ros en ruiter in
den afgrond.
Toen vloog Hamet, door ontzetting aangegrepen, als een pijl uit den boog
voort, onder het slaken van jammerkreten over het noodlottige en
verschrikkelijke einde van zijnen broeder.
Hamet kreeg na verloop van tijd de rust en den vrede weer, die hij door
zijns broeders dood had verloren, daar hij dwaaslijk zichzelf als de
oorzaak daarvan beschouwde. Na eenigen tijd riep het volk hem tot Sultan
uit. De vrede en het geluk keerden weder in Barbarije. Hij herstelde
enkele onttroonde vorsten in hunne waardigheid en regeerde nog vele
jaren tot heil van zijn volk, dat hem als den grootsten heilige na den
Profeet vereerde.
Aldus besloot Selam zijn eerste verhaal.
XXII.
ARABISCHE VERTELLINGEN.
_[Vervolg.]_
Na den volgenden dag Larasch zonder eenige noemenswaardige voorvallen te
hebben bezichtigd, ging men weder op weg.
Larasch is eene van de voornaamste havensteden van Marokko. Zij heeft
ongeveer 4000 inwoners, meerendeels Mooren en Joden. Zij is gebouwd op
de helling van een heuvel aan den linkeroever van de uitmonding der
rivier de Koes. Die uitmonding vormt eene ruime haven, die wel veilig
is, doch ongenaakbaar voor groote schepen, daar er eene groote zandplaat
vóór ligt. De witte stad op het donkergroen van den heuvel maakt eene
sierlijke, lieflijke vertooning op deze dorre eenzame kust. Echter is
ook deze stad zeer vervallen van hetgeen zij eenmaal is geweest, want,
zooals de kapitein verhaalde, werd zij in de 15e eeuw door de Berbers
gesticht en in het laatst dierzelfde eeuw door Moelei-ben-Nassar
aanmerkelijk versterkt en verfraaid. In 1610 in het bezit der
Spanjaarden gekomen, werd zij door Moelei-Ismaël in 1689 weder
veroverd, en nog in het begin van deze eeuw was Larasch eene bloeiende
handelsplaats.
Met den Oceaan in het gezicht trok men over de heuvelen voort. Alles
was hier woest en eenzaam, geen levend wezen, geen blijk van bewoonde
of bebouwde plaatsen trof men aan, en het eenige geluid, behalve de
branding die daar beneden op het strand hare golven brak, was het
eentonig ruischen der zee. Na een rit van vier uren bereikte men
Arzilla, de oude stad, door de Carthagers Zilia en door de Romeinen
Julia Traducta genoemd. Na de Romeinen kregen de Gothen haar in bezit
en in de helft der 10e eeuw werd zij door de Engelschen vernield.
Toen, na dertig jaren als een groote puinhoop te hebben gelegen, liet
Abd-er-Rhamen-ben-Ali, Kalif van Cordova de stad weder opbouwen. Doch
ook toen bleef zij niet in het bezit der Mooren. Eerst kwam Arzilla
weder in de macht der Portugeezen, die de laatste vreemde bezitters
waren, en later in het bezit van Marokko. Arzilla is een klein, rustig
stadje met een deels Moorsche, deels Joodsche bevolking van slechts 1000
zielen. Hooge met kanteelen gekroonde muren omringen de plaats aan de
zee- en de landzijde.
Toen men daar des avonds de tenten had nedergeslagen, vervolgde Selam op
algemeen verzoek zijne Arabische vertellingen met het volgende verhaal:
DE HERDER EN DE KREEFT.
Civo was een arme herdersknaap. Van zijne jeugd af, dat wil zeggen van
zijn tiende jaar af, had hij de schapen van zijnen oom gehoed. Zijn
dagelijksch werk was des morgens zijne hut in het gebergte te verlaten
en den daarnaast staanden stal te openen. Vervolgens dreef hij de
schapen de bergen in en met een langen stok in de hand liep hij er
achter, het oog op de kudde gevestigd houdende en zorgende, dat er geen
afdwaalde. Tegen den avond keerde hij weder, dreef de schapen in den
stal en begaf zich in zijne hut. Werd er een schaap ziek of kreeg er een
een ongeluk, dan maakte Civo het af en bracht het naar zijnen oom. Een
weinig brood en een schotel koeskoessoe, op de zondagen met een stukje
schapenvleesch er bij, was alles wat Civo tot loon ontving.
Men kan licht nagaan, dat de arme Civo zich bij deze bezigheid
verveelde. Geheele dagen lag hij te turen over de randen der afgronden
of keek over de zee der duisternis (den Oceaan), die zich langs de
bergen uitstrekte, en als een goed Mahomedaan vervloekte hij de schepen
der Nazareners (Christenen), die hij in de verte zag voorbijvaren.
Andere dagen lag hij in het groen en keek naar de werkzaamheid der
insecten, haalde de eieren uit de vogelnesten, en zocht de jonge hazen
op om eens een lekker maal te hebben. Ook ving hij nu en dan wel eens
een paar visschen in de beken in het gebergte, en zoo had hij ten
laatste geheel geleerd zich in zijne sobere eenzame levenswijze te
behelpen, en als men eens vergat zijn schotel koeskoessoe te brengen,
leed hij daarom nog geen honger, maar had altijd het een of ander in
voorraad.
Eens op een dag, dat Civo bezig was aan den oever van eene beek zijne
vischlijnen op te halen, werd hij een kreeft gewaar, die met moeite
voortsukkelde om het water te bereiken en telkens opzijde viel.
Civo was een goede knaap. Het lijden van een ander schepsel deed hem
leed al was dat schepsel ook maar een dier, en nooit zou hij dus een
dier hebben kwaad gedaan. Dat hij er nu en dan eentje nam om op te
peuzelen was eene andere zaak; Civo moest leven en kreeg niet altijd
genoegzaam eten van zijn meester.
Civo dan liep naar den kreeft, nam hem voorzichtig op en bekeek hem. Het
dier was zwaar verwond, twee van zijne pooten hingen er om zoo te zeggen
bij, en de anderen waren ook beschadigd.
Na hem voorzichtig in het groen te hebben gelegd, liep Civo naar de
beek, schepte zijne waterkruik vol en vulde zoo een klein natuurlijk
bekken in den rotsigen oever waar hij den kreeft in plaatste. Daarna gaf
hij hem wat waterdieren en zich bij het bekken nedervlijende, sloeg hij
hem gade.
[Illustratie: en als een goed Mahomedaan vervloekte hij de schepen der
Nazareners. Bladz. 216.]
Verheugd plaste de kreeft zooveel zijne gewonde pooten het toelieten
in het heldere water rond, en met vreugde zag Civo zijnen kleinen
beschermeling opknappen. Toen hij des avonds met de kudde naar zijne
hut terugkeerde, overdekte hij het bekken met groene takken, opdat de
kreeft niet door roofdieren zou worden opgemerkt en verslonden.
Zoo gingen dagen en weken om en onder de trouwe verzorging van Civo werd
de kreeft hoe langer hoe beter, en met vreugde sloeg hij het wederkeeren
zijner krachten gade. Dit kleine wezen had aan hem het leven te danken
en dat deed hem goed.
Eindelijk, na een verblijf van eene maand in het bekken, was de kreeft
weder zóó kloek geworden, dat Civo besloot hem in de beek te brengen.
Hij nam dus den kreeft op en bracht hem te water.
Maar nauwlijks had deze zijn element bereikt, of hij kroop tegen oever
den op, en tot vóór de voeten van zijn redder en weldoener komende,
zeide de kreeft:
--Civo, ge hebt een goed hart, ge zijt een goed mensch.
Want 't was toen nog in den tijd, dat de beesten spreken konden, zeide
Selam met den grootsten ernst tegen zijne toehoorders.
Civo lachte goedig.
--Ja, vervolgde de kreeft, gij zijt een goede knaap, want in plaats van
mij te dooden en op te eten, toen ge mij gewond vond liggen, hebt ge mij
voorzichtig opgenomen en in het bekken geplaatst. Gij hebt mij voorzien
van voedsel en mijne schuilplaats in uwe afwezigheid bedekt, opdat ik
niet wederom zou gewond of gedood worden door de groote vogels, waarvan
een mij had gewond, en die vooral op ons loeren. Gij hebt mij verzorgd
als ware ik uw kind geweest en hebt mij het leven weergegeven.
Toen Civo den kreeft zoo ernstig hoorde praten, lachte hij niet meer,
maar luisterde met genoegen naar hem.
--Daarvoor, Civo! ben ik u dank verschuldigd, vervolgde de kreeft, en
vroeg of laat zal ik het u vergelden.
--'t Is niet noodig, zeide Civo, ik deed het enkel om den tijd te
dooden.
--Maar, hernam de kreeft, 't is niet hetzelfde hoe men den tijd doodt.
Verveling leidt dikwijls tot ondeugd, en daarom zijt gij nog meer te
prijzen. Ik zeg u, o Civo! ik zal u weldra mijnen dank betuigen en hoop
u gelukkig te maken. Wacht mij!
De kreeft kroop in de beek en Civo ging zijne kudde verzamelen en naar
den stal drijven.
Dagen, weken en maanden gingen voorbij, en reeds dacht Civo volstrekt
niet meer aan den kreeft, toen hij op een morgen uit zijne hut komende
den kreeft er voor zag zitten.
Verwonderd en verheugd keek Civo hem aan.
--Ik kom de belofte vervullen, zeide de kreeft, die ik u gedaan heb.
Begeef u heden avond tegen zonsondergang naar de bergen aan de zee, waar
gij zoo dikwijls hebt liggen turen op de vooruitstekende rotspunt en ge
zult daar door mij uw geluk deelachtig worden.
Tegelijk dook hij in de beek, die ook langs Civo's hut vloeide, en was
verdwenen eer Civo er op bedacht was.
Brandende van nieuwsgierigheid, begaf Civo zich met zijne kudde naar de
bergen en tegen den avond zorgde hij op de bedoelde rotspunt aanwezig te
zijn, waar hij zich behaaglijk neervlijde in afwachting van de dingen
die komen zouden, want Civo twijfelde geen oogenblik aan de woorden van
den kreeft.
Zoo lag hij ongeveer een uur in de zon te blakeren, doch Civo was een
te gehard bergbewoner om zich voor de zon te verschuilen. Hij keek naar
het strand, dat bezaaid was met tallooze schelpdieren en andere vreemde
voorwerpen. Hij luisterde naar het geraas der branding, die op de
klippen brak, en naar het zachte schuren van de aanrollende golvenrijen
over het strand. Hij keek naar de watervogels, die over de golven
scheerden, nu onderdompelend in het schuimende nat om den een of
anderen waterbewoner aan zijn element te ontrukken, dan weder hoog
opwaartsstrevende om met den buit naar de bergen te vliegen, waar de
hongerige jongen in het nest op voedsel wachtten. Hij zag de witte
zeilen der aan den horizont voorbijsnellende schepen, en de wolken, die
door de ondergaande zon met gouden randen werden omgezoomd. Doch buiten
dit alles zag of bemerkte hij niets. Echter werd Civo niet ongeduldig,
hij wachtte.
Opeens werd Civo's rusteloos rondturend oog geboeid door eene zwarte
stip, die dicht bij hem, bijna op de plaats waar de golven op het strand
rolden, uit de zee opdook. Die stip werd allengs grooter. Zij werd
een driehoekig plat vlak en rees en werd grooter en grooter, en na
verloop van eenige oogenblikken zag Civo een plat vierkant voorwerp van
ontzettende afmeting uit de zee oprijzen. Het scheen of het op de golven
dreef, en toch was dit zoo niet, want plotseling zag Civo, hoe het vlak
de zee verlatend op het strand kwam en daar voortging naar de heuvelen,
recht op de plaats aan waar hij lag.
Toen kon Civo, die als door verlamming getroffen daar onbeweeglijk lag,
met oogen die uit hunne kassen puilden, de verschijning beter opnemen.
Het was een vierkant voorwerp van minstens vier menschenlengten lang en
half zoo breed, terwijl de dikte van dat reusachtig vlak niet meer dan
de lengte van twee menschenvoeten bedroeg. Het geheel zag er dof en
zwart uit.
Was Civo reeds ontzet over dat vreemde voorwerp, nog meer was hij dit
over het voortbewegen, want het was zoo laag boven den grond, dat men
zou zeggen dat het er bijna op lag.
Civo was dapper en een goed Muzelman. Toen hij het gevaarte op zich
zag aankomen, riep hij den bijstand van Allah en den Profeet in, trok
zijn stilet en bleef wachten wat er zou gebeuren. En toen het vreemde
voorwerp hem dichter was genaderd, bukte Civo onwillekeurig om er onder
te zien en met een kreet van blijdschap en verwondering sprong hij
overeind. Het raadsel der voortbeweging had zich opgelost.
Want dat groote vlakke voorwerp werd voorbewogen door honderden
kreeften, die het op hunne ruggen getorscht droegen. In geregelde orde
waren zij er onder geplaatst en liepen vast aangesloten voort, terwijl
Civo's beschermeling er voor liep om hun den weg te wijzen.
Voor Civo gekomen, bleef de stoet plotseling staan en de kreeft
vooruittredende, zeide:
--Wees gegroet, o Civo! wij verheugen ons dat gij gekomen zijt en naar
mijne woorden hebt gehoord. Tot dank voor uwe vroeger aan mij betoonde
hulp zal ik u rijk maken, luister slechts naar mij. Ik zal u verhalen
wat er gebeurd is, doch vooraf zullen wij uwen schat in veiligheid
brengen; de last is zwaar, kom mede om ons te helpen.
Weinige passen verder gegaan zijnde, trok de stoet eene ruime grot
binnen. Toen schoven de achterste kreeften een weinig naar voren,
waardoor het vlak met dien kant op den grond zakte, maar vooraan was
het nog altijd opgeheven.
--Steek nu uwe handen hieronder, zeide de kreeft, en til het op om het
tegen den wand te plaatsen.
Snel voldeed Civo aan dat verzoek; zijne handen onder het vlak
brengende, tilde hij het op, en met inspanning van alle krachten gelukte
het hem het voorwerp rechtop tegen den rotswand der grot te plaatsen.
--Luister nu, zeide de kreeft tot Civo, en ik zal u verhalen wat er is
voorgevallen.
Civo zette zich neder en de kreeft, aan het hoofd van zijne geheele
bende voor hem staande, begon aldus: