--Maar, dat moeten millioenen en millioenen geweest zijn, zeide Dries.

--Ja, zeide de kapitein, men kan van hen met recht zeggen: zij zijn

ontelbaar als de zandkorrels in de woestijn en als de sterren aan den

hemel.

--Neem nu eens in aanmerking, zeide de luitenant, dat de sprinkhanen

ongeveer 40 eieren leggen. Men kan dan een weinig begrijpen, vanwaar die

ontelbare massa dieren komt.

--Behalve het zoeken naar eieren, om die te verbranden, is er al heel

weinig tegen hen te doen. Het eenige, dat met succes gedaan wordt, is,

ze met groote goed rookende vuren te beletten om neder te dalen. De

negers in Midden-Afrika beproeven dit ook door een oorverscheurend

concert van helsch gekrijsch aan te heffen. Hierdoor doet men echter

natuurlijk niets anders dan de ramp verplaatsen; ge jaagt ze daardoor

van uw land naar dat van uwen buurman en hierdoor ontstaan meermalen

bloedige oorlogen. In Hongarije moet men eens beproefd hebben ze te

verjagen door middel van kanonschoten, en het moet geholpen hebben ook.

--'t Is een vloek! mompelde Aroesi.

--Ja, zei Selam, een vloek, verwoesting, ellende, hongersnood, dood en

pest. Toorn van den Profeet. Allah behoede ons arm land!

Intusschen had men het sprinkhanen-leger uit het gezicht verloren en

trok men den bergpas in. De geheele weg, dien men langs kwam, was dor en

als uitgestorven; geen plant, geen grasje bespeurde men. Gelukkig dat

men voeder voor de beesten had, anders zou men gevaar hebben geloopen,

dat ze van honger waren omgekomen. Den bergpas uitkomende, zag men

opeens weder de uitgestrekte vlakte van den Seboe voor zich, en men

sloeg daar het kamp op, om den anderen morgen vroeg de vlakte te

betreden onder eene hitte van 45 graden Celsius. Na een rit van vier

uren werd het kamp aan den oever van den Seboe opgeslagen, want het was

onmogelijk onder de hitte, die toen reeds tot 47° was gestegen, voort te

gaan. Ook hier vond men de sporen van den doortocht der sprinkhanen, en

de oppervlakte van den Seboe was zoodanig overdekt met de drijvende

lijken, dat het water er groen van zag als ware het een groen veld.

XXI.

ARABISCHE VERTELLINGEN.

Het was geen uitlokkend terrein, waar men dien middag kampeerde. De kale

bodem was vol scheuren en gaten, waar de hagedissen in de zon lagen te

blakeren om de kleine vliegende insecten te snappen, en verschillende

kleine slangen nu en dan uit de scheuren kwamen kijken. Na eenige uren

in eene onbeschrijflijke hitte te hebben doorgebracht, trok men tegen

den avond evenals op de heenreis op eene oude schuit den Seboe over;

daar het een zeer lichte avond was, besloot men door te marcheeren om

den anderen dag te kunnen rusten en de hitte des daags te ontgaan, en na

een aangenamen rit kwam men tegen den morgenstond, na Karia-el-Abbassi

gepasseerd te zijn, op een paar uren afstand van Larasch aan, waar het

kamp werd geplaatst en allen weldra in diepe rust waren verzonken.

Dien dag bleef men daar halt houden en het was tegen den avond, dat

Selam het gezelschap amuseerde met een paar verhalen, die ik hier laat

volgen.

DE TWEE BROEDERS.

Eens, reeds eeuwen geleden, woonden er te Larasch twee broeders. Zij

waren arm en hadden geen ouders. De jongste Hamet, was een stille goede

knaap; de oudste Saladin, een driftige, wreede en boosaardige jongen.

Beiden waren visschers en brachten het grootste gedeelte van hun tijd

door op de Bahr-el-Dholma[5] (de zee der duisternis), waarbij echter

Hamet steeds het meeste werk deed en Saladin zich vergenoegde met lui

in de boot te liggen, zijne armoede, die hem tot gemeenen handenarbeid

dwong, verwenschende. Als dat gebeurde, zag Hamet zijnen broeder

bestraffend en bedroefd aan, herinnerde hem aan hunnen gestorven vader,

die zijn geheele leven visscher en evenwel een gelukkig man was geweest,

die door geheel Larasch als een braaf, werkzaam en rechtvaardig man

bekend stond. Maar dat werkte op Saladin zoo goed als niets uit, en

met het grootste leedwezen zag Hamet, hoe die afkeer van werken hoe

langer hoe meer bij Saladin toenam en al zijne vermaningen en zijn goed

voorbeeld vruchteloos bleven.

[5] De Oceaan.

[Illustratie: en van zijne vederen straalde een schitterend licht.

Bladz. 201.]

Wanneer de broeders hun dagwerk volbracht en hunne visschen verkocht

hadden, nam Saladin het grootste gedeelte van het geld en gaf zich aan

allerlei luidruchtige ongebonden vermaken en uitspattingen over, terwijl

Hamet, wiens grootste vermaak in leeren bestond, zich naar een heiligen

man begaf, die op een uur afstands van Larasch in de bergen der kust

woonde, en ontving van dezen, tegen eene kleine vergoeding in eetwaren,

onderricht in het lezen en schrijven. De heilige kluizenaar verklaarde

hem de wonderen der natuur en wekte in het gemoed van Hamet een

onleschbaren dorst naar kennis op.

Zoo was het leven der broeders, toen opeens een wonder eene groote

verandering daarin bracht.

Op zekeren dag waren zij weder te zamen uitgegaan om te visschen, en

nadat zij een voldoenden voorraad hadden gevangen, lagen zij met de boot

stil op het watervlak een weinig uit te rusten. Hamet over den rand der

boot gebogen, zocht de geheimenissen der zee te doorgronden en verdiepte

zich in gedachten, terwijl Saladin lusteloos achterover liggend naar den

blauwen hemel keek en ouder gewoonte zijne armoede verwenschte.

Opeens zag men aan den horizont eene nauw merkbare stip verschijnen,

die nader komende een groote zeearend bleek te zijn, welke zich met

snelle vleugelslagen dicht over den waterspiegel in hunne richting

voortspoedde. Maar hoe ontstelden de twee broeders, toen zij zagen dat

de vederen van den vogel geheel van goud waren. Het zonlicht gleed

fonkelend over de gouden pluimage en deed den vogel op een wezen van

glansende stralen gelijken.

Verwonderd en bevreesd tevens waren de twee broeders opgesprongen, en

staarden zij met blikken, waaruit ontzetting sprak, op deze wonderbare

verschijning.

Saladin was de eerste, die het zwijgen verbrak.

--Hamet, zeide hij, Hamet mijn broeder, als we dien vogel konden

bemachtigen, waren wij rijk. Wij bezaten dan gouds genoeg om ons er een

paleis van te bouwen en ons in weelde te baden.

--Hoe, zoudt ge dien vogel willen vangen? zeide Hamet; 't is geen dier

van deze aarde, 't is een afgezant van den Profeet, een dienaar uit

het Paradijs. Bezondig u niet tegen den grooten Profeet door zulke

gedachten, strek de hand niet uit naar iets wat heilig is; Allah zou u

straffen!

--Gij zeurt, zeide Saladin wrevelig, zie, had ik mijn goed geweer hier,

ik schoot hem neer zoo waar als ik hoop in het Paradijs te komen.

Hamet antwoordde niet, maar keek naar den vogel, die steeds naderde en

zich ten laatste op de punt der boot nederzette.

Hamet kruiste de armen over de borst, viel op de knieën en boog het

hoofd voor de als diamanten schitterende oogen van den adelaar.

En Saladin, door vrees aangegrepen, viel insgelijks neder.

Toen zeide de vogel:--Vreest niet, o Hamet! ik ben afgezonden door den

Profeet om u gelukkig te maken.

Hamet en Saladin hieven verheugd het hoofd op.

--Allah is groot en Mahomed is zijn Profeet, zeide Hamet. Ik weet niet

welk geluk voor mij is weggelegd, maar ongelukkig ben ik niet.

--Wat praat ge toch voor zotteklap! zeide Saladin. Noemt ge onze armoede

dan geen ongeluk? Zie, wij werken in het zweet onzes aanschijns en we

verdienen nog ternauwernood genoeg om het leven te behouden.

--Laat uw mond geen leugentaal spreken, zeide de vogel. De Profeet heeft

u beiden gadegeslagen. Hij heeft gezien, hoe gij u tijd doorbracht met

luieren en twisten, terwijl uw broeder werkte en kennis vergaarde; hoe

gij het geld, door uw broeder in harden arbeid verdiend, met kwistige

hand doorbracht in losbandige vermaken, die den braven Muzelman niet

passen.

--Reken het hem niet te zwaar toe, o gezant van den profeet, zeide Hamet

biddend, hij wist niet wat hij deed.

--Welnu, zeide de vogel, ik zal ook u helpen ter wille van uw broeder.

Denk er aan, dat welk geluk u beschoren zal zijn, gij het aan hem te

danken hebt.

--Wat moeten wij doen? vroeg Saladin begeerig.

--Volgt mij slechts, zeide de vogel, en ik zal u naar eene plaats

voeren, waar gij de keuze van uwe toekomst zelven kunt doen.

En als door eene onzichtbare macht voortbewogen, gleed de boot over de

golven, en daarboven voor de boot uit zweefde de gouden adelaar en wierp

eene ontzaglijke schaduw over de beide broeders, die van de felle hitte

niets te lijden hadden.

Na een half uur in de grootste spanning te hebben doorgebracht, kwam men

aan den ingang van eene grot, die men binnenvoer.

Het was eene lange, breede en hooge grot, van binnen boogvormig gewelfd.

Er heerschte eene diepe duisternis, maar de vogel bleef steeds boven de

boot op korten afstand voortzweven en van zijne vederen straalde een

schitterend licht, dat op de boot afdaalde en de rotswanden verlichtte,

die uit een ruwe zwarte marmersoort met roode aderen bestonden. Aan het

einde der grot stuitte men op een hoogen rotsmuur, die de grot scheen af

te sluiten. De twee broeders keken elkaar verwonderd aan.

--Dit is de eenige hinderpaal, dien gij op dezen weg hebt te overwinnen,

zeide de vogel. Onder dezen muur moet gij doorduiken om verder te kunnen

gaan. Hebt ge er den moed toe, zoo ga!

En de vogel, opstijgend tot bijna aan het gewelf der grot verdween door

eene opening boven in den muur.

Als visschers waren Saladin en Hamet ook uitstekende duikers, en om

onder dezen muur door te duiken was voor hen geen zware taak. Beiden,

aangevuurd door hunne nieuwsgierigheid om te weten wat er aan de andere

zijde van den muur zou zijn, wierpen zich na eenige oogenblikken

aarzelens in den stroom. Op eene manslengte diep vonden zij eene groote

opening, en toen zij na eenige seconden aan de andere zijde van den

rotsmuur boven water kwamen en zich het vocht uit de oogen wreven,

zweefde daar weder de adelaar om hun den weg te wijzen. Tot hunne

verbazing zagen Hamet en Saladin, dat zij dicht bij het strand waren. De

plaats waar zij waren opgedoken met een paar fiksche slagen verlatende,

voelde zij weldra den zandigen bodem onder hunne voeten en betraden na

eenige oogenblikken het strand.

Toen daalde de adelaar neder en op hetzelfde oogenblik, dat hij het

zand aanraakte, veranderde hij als door een tooverslag van gedaante en

voor de twee verbaasde en verschrikte broeders, stond een wijze, een

Derwisch, in een lang kerskleurig gewaad, en met langen golvenden baard

en haren.

Toen deze zag hoe de broeders ontzet bleven stilstaan, zeide hij:

--Wat vreest gij? Slechts de boozen hebben te vreezen. Volgt mij, u zal

geen leed geschieden.

Gerustgesteld door deze woorden traden Hamet en Saladin voort en volgden

den Derwisch over de smalle strook van het strand, dat met allerlei

prachtige horens en schelpen was bezaaid. Zij hadden dit strand nooit

gezien, hoe menigvuldige tochten zij ook langs de kusten hadden gedaan.

Na een paar honderd pas landwaarts in te zijn gegaan, zag men twee

kleine heuvelen, welke verbonden waren door een muur, waarin zich eene

ontzettend groote en zware poort bevond.

De Derwisch strekte met een gebiedend gebaar de hand uit naar deze

poort, en door eene onzichtbare macht geopend, draaide zij onhoorbaar op

hare scharnieren en de broeders gingen door de poort.

De plaats, die men binnentrad, was eene groote kamer in de rotsen

uitgehouwen, hetgeen men gemakkelijk aan de wanden en het gewelf kon

zien. De vloer bestond uit wit marmer met hemelsblauwe aderen. In het

midden was eene fontein, die een dikken waterstraal omhoogspoot, welke

klaterend in het bekken neerviel, zoodat het water over den rand

stroomde in een bekken op den grond. Deze fontein en de bekkens waren

van zilver en maakten met de blauwwitte en donkere kleur der rotswanden

eene verbazend schoone uitwerking. In het midden hing aan kettingen van

zilver een diamanten bol van ontzettenden omvang, die de geheele kamer

met zijn glans verlichtte. Ter linker- en ter rechterzijde bevond zich

in de wanden der kamers eene deur; die ter rechterzijde was wit als

sneeuw, die ter linkerzijde zwart als ebbenhout.

Sprakeloos van verwondering blikten de beide broeders eene wijle rond en

sloegen toen het oog op den Derwisch.

--Knielt neder! zeide deze op een ernstigen indrukwekkenden toon. Knielt

neder, ontdoet u van uwe kleederen en wascht en reinigt u van het stof

der aarde, van de besmetting der wereld, want de grond, dien gij gaat

betreden, is heilige grond.

Hamet en Saladin traden naar de fontein, ontdeden zich van hunne

kleederen en dompelden zich in het welriekende frissche water.

--En zegt mij thans, zeide de Derwisch, wat gij begeert. Wat wenscht gij

op aarde te zijn? Maar bedenkt u goed!

--Ik wensch roem en eer, rijkdom en macht! zeide Saladin stout.

De Derwisch zag hem droevig aan.--Weder een eerzuchtige, zeide hij,

weder een die rijkdom en macht verlangt. Er zijn vele wegen, die u

hierheen voeren; welken weg kiest gij?

--Dien van den krijgsman, antwoordde Saladin zonder aarzelen. Geef mij

een paard, dat onvermoeid, onbevreesd en onkwetsbaar is, een zwaard, dat

altijd scherp blijft en steeds treft, en maak mijzelf onkwetsbaar.

--Dwaas, die gij zijt! zeide de Derwisch; gij verlangt uw eigen

ondergang, want wie bloed vergiet, diens bloed zal vergoten worden. Maar

het zij zoo, gij zult hebben wat gij verlangt!

--En gij, vroeg de Derwisch, zich tot Hamet wendende, wat wenscht gij,

wilt gij deelen in den wensch uws broeders?

--Neen, zeide Hamet. Ik ben geen man des gewelds en des doods, en hij

blikte somber in het vroolijke gelaat van zijn broeder. Wat ik wensch,

dat is verstand en kennis.

--Ha! riep de Derwisch verheugd uit, er is toch eindelijk een verstandig

mensch gevonden. Kom, volg mij, en hij trad op de deur toe, die zich ter

rechterzijde bevond en welke op een wenk van hem openging.

Toen trad men binnen eene ruime grot, waar alles, de wanden, het

verwulf, de vloer wit waren als sneeuw. In het midden dezer schitterend

witte zaal stond op een zilveren voet een kristallen koffer en op den

achtergrond der grot bestond de wand uit één grooten spiegel.

De Derwisch trad op dezen spiegel toe en zich tot de broeders wendende

zeide hij:--Ziet!

Toen strekte hij de hand gebiedend uit naar den kolossalen spiegel, en

terstond zag men daar wolken en damp te voorschijn komen; het was als

een chaos.

--Dit is de wording der wereld, zeide de Derwisch.

Opeens veranderde het tooneel, en men zag de aarde woest en ledig,

maar allengs begon er beweging in het tafereel te komen. Men zag den

sterrenhemel; bergen verrezen, valleien zonken neder, zeeën, stroomen,

meren, planten en boomen kwamen te voorschijn.

Toen verschenen er ook levende wezens; eerst kleine nauwlijks zichtbare

dieren, deze verdwenen allengs en zoo zag men trapsgewijze insecten,

vogels, zoogdieren en eindelijk den mensch verrijzen. Alles werd

duidelijker. Men zag geheele landstreken. Hier vertoonden zich

berglanden met rookende vulkanen, daar woestenijen, gindsch welige

landauwen, bosschen en zoo voorts.

--O, hoe schoon! riep Hamet uit, op de knieën vallende, geef mij kennis,

schenk mij wetenschap.

--Gij hebt gekozen, zeide de Derwisch, wees een wijze, mijn zoon! En de

hand uitstrekkende hief hij Hamet op, en tegelijk verdween alles en zag

men niets meer, uitgenomen den spiegel.

Een wenk van den Derwisch riep Hamet naar den kristallen koffer, en deze

openende haalde hij er een boek uit.

Het was geheel wit en op den rug stond in zilveren letters te lezen:

»_In mij is de wetenschap, de waarheid, de wijsheid. Wie mij bezit zal

gelukkig zijn tot het einde zijner dagen_."

Met bevende handen vatte Hamet het boek aan en deed het open. Maar

teleurgesteld keek hij den Derwisch aan, toen hij slechts witte

perkamenten bladen zag.

De Derwisch glimlachte.--Wees gerust, mijn zoon! zeide hij; wanneer gij

uw boek wenscht te gebruiken, hebt gij slechts te zeggen: »_In den naam

van de waarheid, de wetenschap en het verstand,_ _onderricht mij!_" en

het zal zich openen, uwe gedachte van wat gij weten wilt radende, en op

deze witte bladen zult gij lezen wat gij verlangt.

En Hamet, opgetogen van vreugde, viel neder voor den Derwisch en kuste

den zoom van zijn kleed.

--Sta op, zeide de Derwisch, en volgt mij beiden.

Men ging weder terug, de witte deur opende zich, en men bevond zich

andermaal in den voorhof.

De Derwisch, gevolgd door de gebroeders, liep op de zwarte deur toe, en

toen deze zich opende, bevond men zich in eene grot gelijk aan de

vorige, doch hier was alles zwart als ware het met rouwfloers behangen.

Aan het einde bevond zich eveneens een kolossale spiegel, en aan

weerszijden waren de wanden der grot behangen met allerlei prachtige

fonkelende wapens.

Evenals in de witte zaal trad de Derwisch op den spiegel toe en Saladin

wenkende, zeide hij:--Zie!

Toen zag men in den spiegel opeens het tooneel van een hevigen strijd.

Er werd een groote slag geleverd. De gewonden lagen bij duizenden op het

slagveld, paarden zonder ruiters galoppeerden wild dooreen, en ruiters

en voetknechten streden met de grootste verbittering. Het veld was

doorweekt van bloed, en de gewonden staken de bloedige stompen der

afgeschoten ledematen omhoog als om wraak van den hemel af te smeeken.

Hamet rilde, maar Saladin stond daar met fonkelende oogen, het tafereel

als het ware verslindend.

--Zie wat het geweld is! zeide de Derwisch.

Opeens veranderde het tooneel. Men zag eene belegerde en uitgehongerde

stad; de bewoners vielen als wolven op het rottend aas aan, en sloegen

elkaar dood om de stukken en brokken. Zelfs de lijken der verslagenen

werden opgegeten. De vrouwen hieven hunne uitgeteerde kinderen ten

hemel, en doodden ze om ze niet in handen van den woesten vijand te

laten vallen, kortom, het was een verschriklijk beeld van jammer en

ellende.

Wederom veranderde de verschijning nu om een beeltenis te geven van

een door den oorlog verwoest land, waar de pest de overgeblevenen, die

het zwaard had gespaard, ten grave sleepte. Overal heerschte jammer

en ellende; ingevallen huizen, verwoeste ontvolkte steden, een

uitgemergelde landstreek!

Hamet, door ontzetting buiten zichzelf, wierp zich op de knieën om

zijnen broeder te smeeken van zijnen wensch af te zien. Deze stond daar

met bliksemende oogen, trillende neusgaten en zwoegende borst, als een

paard, dat den kruitdamp opsnuift en het krijgsrumoer aanhoort. Met eene

woeste beweging duwde hij Hamet opzijde, en zich tot den Derwisch

wendende, zeide hij:

--Zoo zal ik niet doen. Mijne macht zal ik niet anders aanwenden dan

om den boozen te straffen. Ik zal niet anders dan rechtvaardig zijn en

wensch slechts het hoofd van een machtig volk te worden, dan zal ik

tevreden en gelukkig zijn. Geef, wat gij mij beloofd hebt!

Medelijdend staarde de heilige hem aan en hoofdschuddend deed hij de

verschijning verdwijnen, terwijl hij zeide:

--Gij zult hebben, wat gij begeert. Gij verkiest de verwoesting, het

verderf en den dood boven rustig geluk. Uw wil zal geschieden; maar,

wee u! zoo gij een onrechtvaardig gebruik mocht maken van de uw gegeven

macht: »_Hij, die u dit door mijne hand laat geven, zal u ook weten te

treffen, zoo ge een geesel voor u volk mocht worden en uwe hartstochten

niet weet te bedwingen._" En naar den wand gaande, nam hij er een zwaard

af, dat hij Saladin overreikte.

Dat zwaard zag er vreemd uit. De greep was zwart als ebbenhout. De kling

was zoodanig overdekt met zwarte figuren en letterteekens, dat het

geheel zwart scheen en de punt was rood als ware deze in bloed gedoopt.

Daarna nam de heilige een fleschje met een zwart vocht, dat hij Saladin

over het hoofd uitgoot. Het vreemdste hiervan was, dat Saladin geen

vochtigheid voelde en het zwarte vocht geenerlei spoor achterliet op de

plaatsen waar het viel.

--Thans zijt ge onkwetsbaar, zeide de Derwisch. Nu nog uw paard, en

terwijl hij de hand uitstrekte naar het einde der grot, verdween opeens

de spiegel, en uit de opening, daardoor veroorzaakt, kwam een koolzwart

ros aansnellen.

De oogen schoten vuur en de hoeven kletterden op den grond als waren zij

van staal. Uit zijne wijd geopende neusgaten blies hij met kracht den

adem bij wolken uit, die er door de roode kleur der neusgaten als vurige

rookwolken uitzagen.

Het fiere ros bleef plotseling voor Saladin staan en legde den kop

vertrouwelijk op zijnen schouder.

Een zegevierende glimlach en eene uitdrukking van onbeschrijflijken

trots vlogen over Saladin's gelaat, terwijl hij den arm om den slanken

hals van zijn ros sloeg en het liefkoosde.

--Volgt mij, zeide de Derwisch, en door de twee gelukkige broeders

gevolgd verliet hij deze groote gewelven. Hij bracht hen aan den ingang

van een diepen bergweg, die door hemelhooge rotswanden was begrensd.

Dáár bleef hij staan.

--Luistert, zeide hij, zich tot de broeders wendende: U is gegeven, wat

gij wenschtet; handelt naar de grootheid der u bewezen gunst. Gij, Hamet

de wijze, ga heen, onderwijs uwe medemenschen van wat ras of geloof zij

ook mogen zijn. Onderricht hen, scherp hun verstand, geef hun kennis,

deel hun mede van uwe wetenschap. Doe dat in den naam van de kracht, die

uit stof alles formeerde. Doe het in den naam van Allah!

--En gij Saladin, onkwetsbare, onverwinlijke krijger! ga gij tot hen,

die onderdrukt worden door gewetenlooze tirannen, ga naar de wouden

en de bergen, waar de bewoners door monsterachtige dieren gedood

en verslonden worden. Ga daar henen en verschijn als een bevrijder

der bedrukten. Uwe roeping is schoon, doch laat uw hoogmoed u niet

verblinden; ga, en dat de goede geesten u begeleiden en bevrijd houden

van de inblazingen van den booze. Op hetzelfde oogenblik kromp de hooge

gestalte ineen, en terwijl de mensch verdween, verhief zich de gouden

adelaar met forsche vleugelslagen in de lucht en was binnen weinige

oogenblikken verdwenen.

Roerloos van verbazing stonden de beide broeders nog eene wijle, en

oogden den wegsnellenden adelaar na.

--Kom, broeder! zeide Saladin ongeduldig, laten wij gaan, en hij sprong

op zijn ros.

En Hamet streek zich met de hand over het gelaat, als om zich te

bezinnen waar hij was; en zich omwendende, drukte hij het kostbare boek

vaster tegen zich aan.

En naast hem reed Saladin op zijn vurig ros, dat sprong en trappelde,

zoodat de sterke hand van Saladin moeite had het in toom te houden.

Eindelijk betrad men, uit den bergpas gekomen, eene heuvelachtige

streek. De broeders zagen rond.

--Hé, zeide Saladin, zijn dat niet de heuvelen van Larasch? Zie, dat is

vreemd, we hebben aan de zeezijde de stad verlaten en komen er aan de

landzijde weder in.

--Inderdaad, antwoordde Hamet, het is Larasch, dat daar gindsch ligt. De

betoovering is van ons geweken, broeder!

Tegelijkertijd keken zij, door dezelfde gedachte bezield, om naar den

bergweg waarlangs zij gekomen waren, want geen van beiden kende dien

weg. Maar wie beschrijft hunne verbazing, toen zij niets meer van dien

weg gewaar werden en achter zich niets dan hooge heuvelen zagen.

--Waar gaat gij heen, broeder? zeide Saladin.

--Naar Larasch, antwoordde Hamet, en gij?

--Ik, antwoordde Saladin, ik ga naar de bergen van de kust, waar zich

de roovers ophouden. Ik ga ze verdelgen om het land van die plaag te

bevrijden.

--Goed, zeide Hamet, ga, ge zult er een goed werk mede verrichten. Maar

mijn broeder, zult gij denken om de woorden van den heilige, en bovenal

wordt niet hoogmoedig; stel u met uw deel tevreden en begeer niet de

geheele wereld.

--Wees gerust, antwoordde Saladin, ik zal niet hoogmoedig worden;

vaarwel Hamet, mijn broeder! spoedig zie ik u weder. Gij hebt een

schraal deel gekozen. Ik zal u schatten komen brengen!

--Ik begeer ze niet, zeide Hamet, anders had ik ze genomen. Vaarwel

broeder, wanneer gij gelukkig zijt, zal ik het dubbel zijn! En hij

omarmde Saladin, die daarop te paard springend zich snel verwijderde.

En Hamet, die hem naoogde, zag hoe hij voortsnelde op zijn zwart ros,

als waren ruiter en paard één. De vonken sprongen uit de rotsen waar de

hoeven van Saladin's paard die aanraakten, en zijn berijder, het kromme

zwaard in de hand, snelde voort als een booze geest.

--Hij zal niet hoogmoedig, niet trotsch worden, mompelde Hamet, treurig

het hoofd schuddend; hij heeft gelijk, want hij is het reeds! En hij

verwijderde zich in de richting der stad.

Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen · 第 19 / 22 段