Maar opeens zag Dries, dat zij al worstelende genaderd waren aan den

rand van een steilen rotswand. Daar beneden, wel honderd voet diep,

strekte zich een ravijn uit. Hij zag hoe zij onvermijdelijk daarin

moesten storten, en in zijne wanhoop kreeg hij met eene snelle beweging

de hand weder vrij en dreef het monster den ponjaard in den strot. Toen

waren zijne krachten uitgeput, beiden rolden in snelle vaart naar

beneden langs eene steile glooiing en het scheen dat de dood over

beiden de hand had uitgestrekt, want zij bleven onbeweeglijk liggen op

een paar passen van elkaar.

Ongeveer een half uur was er verloopen, toen Dries weder bijkwam.

Zijne flauwte was hoofdzaaklijk veroorzaakt door de geweldige

krachtsinspanning, en hoewel hij vrij belangrijke wonden had ontvangen,

wist hij zich dadelijk te herinneren wat er was gebeurd, en was na

eenige oogenblikken in staat zich op te richten. Maar o wee! wat een

pijn; alle leden deden hem zeer. Het was alsof hij overal gekneusd,

alsof hij geradbraakt was. Daar bij hem lag zijn vijand bloedend uit

verscheidene wonden. Hij was dood, daar was niet aan te twijfelen, de

bek was wijd geopend en de tong hing er uit, terwijl eene groote

bloedplas zich rondom den kop uitstrekte.

Het was een fraai dier. Op de bleekroodgele huid vertoonde zich

donkerbruine vlekken door ringen omgeven. Vooral op de bovendeelen was

de geelroode kleur bizonder schoon. De zeer lange staart was donkerbruin

geringd en de onderdeelen van het dier waren vuilwit van kleur.

Zwijgend beschouwde Dries eenige oogenblikken zijnen vijand, toen werd

zijne aandacht getrokken door een rauw gekrijsch en opziende, zag hij

een wolk van raven, kraaien en eene kleine giersoort, die boven de kloof

dwarrelden, elkaar als het ware toeroepende, dat hun daar beneden een

goede maaltijd wachtte. Onwillekeurig rilde de brave jongen op de

gedachte, dat, zoo hij gestorven ware, die vogels wellicht zich aan zijn

lijk zouden vergast hebben.

--Dat gaat je neus voorbij! zeide hij flauw glimlachende. Maar ik moet

zien hieruit te komen. Als men mij zoekt, waaraan ik niet twijfel, dan

zou men mij voorbijloopen zonder mij te zien. Ik moet er dus uit, dat

is zeker. Komaan, laten we beginnen. En de dappere knaap begon tegen de

glooiing op te kruipen.

Was dat al een lastig en uitermate vermoeiend werk voor iemand die

gezond en krachtig is, hoe veel te erger moest het dan niet zijn voor

den armen Dries, gewond als hij was en aan alle leden gekneusd door den

val. Bovendien brandde de zon met alle kracht in de kloof.

Niettegenstaande dit alles begon Dries zich naar boven te werken zich

aan planten en struiken ophijschende, en nu en dan eens rustende. Na

verloop van een kwartier was hij nog niet verder dan een vierde gedeelte

van zijn weg gevorderd. Het angstzweet brak hem uit, en hij beefde over

alle leden. Een onuitstaanbare dorst kwelde hem bovendien, maar hoe aan

water te komen? Twee malen poogde hij verder te komen, doch het ging

niet. Daar boven hem was een spleet. Na veel moeite gelukte het hem

de hand er in te krijgen en weder was hij een eindje hooger, toen

hij opeens voelde dat zijne hand vochtig was. Met de uiterste

krachtsinspanning heesch hij zich zoover op, dat hij met het hoofd op

gelijke hoogte van de spleet was. Hij vond een steunpunt voor zijne

voeten en o vreugde! toen hij in de spleet keek, zag hij water.

Een kreet van vreugde ontsnapte hem. De spleet was ongeveer een meter

lang en een voet diep. De regen had deze gevuld, en daar er een weinig

hooger een paar struiken groeiden, had de zon het weinige water nog niet

kunnen verdampen. Met de hand het water scheppend leschte Dries zijn

brandenden dorst en verkoelde er zijn vreeslijk gewonde hoofd en hals

mede. Hij voelde het bloed langs zijn nek vloeien, en toen hij naar

de oorzaak zocht, bemerkte hij tot zijnen schrik, dat zijn oor was

afgescheurd. Het koele water frischte hem terdege op, en na zijn zakdoek

goed nat gemaakt te hebben, bond hij zich dien om het hoofd en begon nu

weder omhoog te klimmen. Toen ging het aanmerklijk beter en na eene

moeilijke klimpartij gedurende bijna een kwartier, was hij boven.

Daar bleef hij eerst een poosje rusten. Het zwaarste werk was achter den

rug en hij twijfelde er geen oogenblik aan, dat men hem zou opsporen.

Opeens hoorde hij een schot vallen.

--Ha! zeide Dries, men zoekt mij.

Toen herinnerde hij zich zijn geweer, en hij sleepte zich voort naar de

plaats waar de luipaard hem had aangevallen. Toen hij geschoten had,

klonk dadelijk een schot tot antwoord en snel schoot hij weder zijne

buks af. Op hoe langer hoe korter afstand werden de schoten gehoord,

en daar aan het eind van den hollen weg, zag hij op den heuveltop den

luitenant en den kapitein verschijnen, die zijn paard medevoerden.

Toen de luitenant en de kapitein hem gewaar werden, spoorden zij hunne

paarden aan en waren in een oogenblik bij hem.

--Mijn God! riep de luitenant, wat is er gebeurd?

--O, zeide Dries, niets dan een klein vechtpartijtje met een tijger.

--God in den hemel, mijn arme vriend, wat ziet ge er uit! riep de

kapitein verschrikt.

--Dus ge hebt met een tijger gevochten? vroegen beiden.

--Zie maar, zeide Dries, ginder in die kloof.

--Een luipaard! riep de kapitein verbaasd. En geen kleintje ook. Hebt ge

met dat monster gevochten? Parbleu, ge zijt dapper!

--Als men den dood voor oogen ziet, is men altijd dapper, zeide Dries.

Maar het is hem leelijk opgebroken, dien sinjeur. Hij heeft zijn bekomst

gekregen.

--Kom, zeide de luitenant, laten we voortmaken. Zoudt ge te paard kunnen

zitten, arme jongen?

--Als ge mij goed in den zadel zet, zal het nog wel gaan, antwoordde

Dries.

Met vereende krachten tilde men hem in den zadel, en hem tusschen zich

nemende sloeg men stapvoets den weg naar de legerplaats in.

Daar verwekte de aankomst van Dries geen geringe ontsteltenis en niet

minder verbaasd was men, toen deze zijn avontuur verhaalde; en toen

Selam en Mohammed des avonds den dooden luipaard waren gaan halen, en

men het groote, prachtige dier daar uitgestrekt zag liggen, begreep men

eerst recht, welk een zwaren kamp de arme jongen moest hebben gestreden.

--Gij hebt hem terdege geraakt ook, zeide de luitenant, toen men het

fraaie vel had afgestroopt; zie eens de huid is vol gaten.

--Met dat al hebt ge eene schoone tropee veroverd, zeide de kapitein

lachend, dat is een buitenkansje waarop wij geen van allen kunnen

roemen.

--'t Zal eene herinnering zijn aan mijne reis door Marokko, die mij het

langst zal heugen, zeide Dries.

XX.

HET SPRINKHANENLEGER.

Onder zeer treurige omstandigheden trok men den volgenden dag verder. In

den afgeloopen nacht namelijk had Dries eene hevige wondkoorts gekregen.

Men had zijne wonden onderzocht, en hoewel niet gevaarlijk, waren zij

talrijk, en hij had veel bloed verloren. Het ergste was zijn hoofd.

Behalve dat de luipaard hem een oor had afgescheurd, waren op den

schedel en in den nek allerwege de sporen van de tanden te vinden; en

door een paar beten in het gelaat had Dries een stuk of vijf tanden

verloren. Daarbij waren zijne schouders geheel ontvleescht. Het een kwam

bij het ander. Eerst de val van zijn paard, dat de luipaard had geroken

en daarom geweigerd had voort te gaan, daarna de worsteling, de val in

de kloof, de afmatting van den zwaren arbeid om in den brandende zon

zich naar boven te werken; dat alles had den wakkeren knaap zeer

aangegrepen.

't Was gedurende de ziekte van Dries, dat men eerst recht verheugd was

eene vrouw bij het gezelschap te hebben. Rebecca toch, de schoone Jodin,

was het, die hem onverpoosd oppaste, zijne wonden telkens wiesch en

verbond, hem allerlei versterkende middelen klaar maakte, kortom, die

hem verzorgde, zooals alleen eene vrouw dat kan.

Zoo goed en zoo kwaad als het ging, had men een rustbed vervaardigd,

dat tusschen de twee muilezels van Selam en Mohammed was opgehangen,

waardoor de patiënt een gemaklijk leger had en niet blootgesteld was aan

schokken. Scheen de zon te fel, dan spreidde men op een paar voet boven

hem een stuk doek uit, en zoo lag Dries zoo goed het maar kon.

Met dat al was het treurig, zoo bijna aan het einde der reis, na tal

van avonturen en na den dood meer dan eenmaal onder de oogen te hebben

gezien, nog in zoo'n verschriklijken toestand te komen. De anders zoo

vroolijke knaap lag nu stil daar neder, en 't was net of met hem ook al

de vroolijkheid was geweken. Wel poogde de kapitein hem nu en dan door

een of anderen geestigen zet wat op te beuren; doch wanneer dit al

geschiedde, was het toch slechts voor weinige oogenblikken.

Zoo reed men treurig voort, zoolang de hitte en de toestand van den

zieke het gedoogden, en tegen den middag hielt men halt in eene met

welig groen bedekte vallei, waar men tot aan den avond zou blijven, want

Selam had het gezelschap aangekondigd, dat men binnen een paar uren aan

de groote kale vlakte van den Seboe, in het land der Beni-Hassen, zou

zijn, en het was wel zaak eerst door eenige uren rust, en een flink

diner zich wat te verfrisschen.

Men sloeg de tenten op, en na het maal gebruikt te hebben, gaf men zich

in de schaduw van het geboomte aan een zalig nietsdoen over.

Doch die rust zou niet lang duren, want Selam, die reeds eenigen tijd

met een onrustbarend gezicht naar den horizont had gekeken, kwam toen

hard aanloopen onder het geroep van: »de sprinkhanen! de sprinkhanen!"

Iedereen sprong bij het vernemen van deze Jobstijding op.

--Waar ziet ge ze? vroeg de luitenant.

--Daar bij den ingang van den bergpas van Beb-el-Tinea, zeide Selam,

ziet ge die wolk die zich hierheen beweegt? Dat zijn ze.

[Illustratie: Met eene ontzettende snelheid daalde de wolk en viel als

een levende hagel neer. Bladz. 193.]

Het geheele gezelschap tuurde uit naar de aanwijzing van Selam.

Inderdaad zag men heel in de verte eene ontzaglijke donkere wolk, die

uit het zuiden van de vlakte van den Seboe kwam opdagen.

--Zij komen recht op ons aan, want de oostenwind drijft ze hierheen,

zeide Selam op angstigen toon.

--Welnu, zeide de kapitein, vertrekken we. Het wordt tijd. Ik ken dat

goedje.

--Vertrekken, vroeg Dries, die in de schaduw lag uitgestrekt,

vertrekken, en waarom dan?

--Waarom, antwoordde de kapitein, omdat straks over een uur, een half,

een kwartier misschien reeds, die wolk zal neerdalen in deze met welig

groen bedekte vallei en alles zal bedekken, het gras, de planten, de

boomen, kortom alles, en, nadat het al wat maar plant is, zal hebben

opgegeten, ons zal overstelpen.

--Ja, zeide de luitenant, komaan Selam, maak voort.

Dat behoefde voor Selam niet herhaald te worden. In een oogenblik was

alles gereed, en eer een kwartier was verloopen, reed men voort naar den

bergpas van Beb-el-Tinea.

Maar het sprinkhanenleger was sneller in zijne bewegingen dan men had

gedacht, en reeds zag men ze met schrik naderen. 't Was eene wolk van

ontzettenden omvang. Zij kwam al nader en nader. Op eens hoorde men een

gefluit als dat hetwelk een storm voorafgaat, vermengd met een geloei en

gedruisch als van een woedenden orkaan. Op hetzelfde oogenblik werd het

duister, alsof de nacht inviel. De levende wolk bevond zich voor de zon

en onderschepte haar licht. Menschen en dieren werden door ontzetting

aangegrepen. De kameelen begonnen te brullen, de paarden brieschten van

vrees, en steigerden en sloegen woedend om zich heen. Gelukkig waren de

twee muilezels, tusschen welke Dries op zijn rustbed lag, te stevig aan

elkaar gekoppeld om zich los te rukken, maar de beesten stonden nu op de

vóór- dan op de achterpooten, en Dries kon zich niet anders dan door

zich stevig vast te klampen, voor vallen behoeden. Om de verwarring te

vermeerderen begon de levende wolk te dalen.

Selam stiet een angstkreet uit, en zijnen ezel aansporend schreeuwde

hij:--Vooruit, vooruit, naar den pas!

Iedereen poogde hem te volgen en spoorde zijn viervoeter aan, maar het

was reeds te laat. Met eene ontzettende snelheid daalde de wolk en viel

als een levende hagel neer. Boom en plant, mensch en dier waren in een

oogwenk door dat heir van ongedierte overdekt en het was onmogelijk

verder te komen. Toen werden de dieren opeens als door eene verlammende

vrees overvallen en bleven staan. Geen sporen, geen zweepslagen, niets

hielp. En dat wriemelende ongedierte overdekte alles, kroop in de mouwen

en plooien der kleederen, in de ooren der paarden, in den loop der

buksen zoodat men geen handen genoeg had om zich dat tuig van het lijf

te houden.

Binnen weinig tijds was de geheele omtrek kaal gegeten. Daar vóór hen

uit kwam het leger, steeds opmarcheerende, recht op hen aan. Het was

een groen veld, dat zich voortbewoog. Met eene wanhopige poging gelukte

het eindelijk de dieren voort te krijgen, en men galoppeerde over dien

beweegbaren bodem. Het kraakte en piepte onder de hoeven der paarden,

en telkens gleden zij uit zoodat zij bijna vielen. Dan bleven de dieren

weer een oogenblik als versuft staan, maar de sporen en stokslagen

dreven hen verder.

Eindelijk, na een half uur in woedenden galop te zijn voortgegaan, was

men ter linkerzijde buiten den grooten hoop gekomen. Hier waren nog

slechts enkele afgedwaalden. Toen hield ons gezelschap halt, schudde en

sloeg de dieren van zich af, en bleef een oogenblik uitblazen om den

voortgang van dat verwoestende heir gade te slaan.

En het was waarlijk een merkwaardig schouwspel, dat vernielende leger

te aanschouwen. Allengs trok de massa zich samen en vormde eene kolonne,

wier lengte niet juist te bepalen was en ter breedte van 10 à 20 voeten.

In geregelde orde marcheerde deze kolonne voort door de vallei, hier

zich verspreidend, daar, waar den bodem zandig of steenachtig was, zich

samentrekkend, en toen men den bergpas van Beb-el-Tinea bereikt had, na

een rit van drie uren, zag men eerst de achterhoede van dat geduchte

leger.

Een treurigen en ontzettenden aanblik leverde de streek op. Het was

alsof men opeens in den winter was verplaatst. Geen boom, waaraan nog

een blad of twijg te vinden was. Zij stonden daar als dood, hunne naakte

takken ten hemel heffend, als smeekten zij om wraak over die plotselinge

vernietiging; van velen was zelfs de schors afgevreten. Evenzoo het lage

hout en de struiken; die bosschages, daar straks zoo dicht, zoo groen,

men kon er thans doorheen zien. De planten, het gras, met één woord,

alle wasdom, alle plantengroei was in eenige uren verdwenen.

Het was alsof men door eene doode landstreek trok, alsof men zich in

eene woestijn bevond. Er was geen plant of grashalm van een vinger

lang te vinden. Daarentegen was de aarde als overstroomd van allerlei

kleine zoogdieren, kruipende dieren en insecten, die naar alle kanten

een goed heenkomen zochten, opgejaagd uit hunne schuil- of woonplaatsen,

en voor die allen schoot voor het meerendeel niets anders over dan

de hongerdood. De eenigen, die feesthielden, waren de roof- en

insecten-etende vogels, welke in groote zwermen van heinde en ver

aanrukten om de achterhoede en de flanken van het sprinkhanenleger te

bestoken.

--Daar gaan zij, de verwoesters tegen wie niets bestand is, zeide de

luitenant; eerst de verwoesting, en daarna de hongersnood en de pest.

--Allah behoede ons land, zeide Selam! 't is een vloek des hemels, 't is

eene tuchtroede die over het land komt!

--Ja, zeide de kapitein, ik heb ze meer gezien, die verwoesters, dien

schrik van den landbouw. In 1845 kwam die geesel over Algiers. Daarna

hoorde men er in langen tijd niets van, maar in 1866 veroorzaakten zij

eene vreeslijke ramp. De sprinkhanen kwamen uit de Sahara. In de maand

April begon de inval van dat ongedierte. Komende uit de bergengten en

valleien van het zuiden, stortten zij zich neer in de Mitidja en den

Sahel van Algiers. Zij waren in zoo'n ontzettend getal aanwezig, dat

hunne wolken de zon verduisterden. Zij verslonden het koolzaad, de

haver, het graan, de gerst, de groenten, kortom al wat plant was en

drongen zelfs in de huizen door. De Arabieren beletten door het branden

van groote vuren, die een dikken rook van zich gaven, en door een

geweldig leven de sprinkhanen neder te dalen.

--Maar nog erger werd het op het einde van Juni, toen de dieren waren

uitgekomen en de daardoor vermeerderde sprinkhanen zich in grooten

getale overalheen verspreidden. De kanalen en zelfs de stroomen werden

letterlijk door hen gedempt. De grond was er zoo mee bedekt als bij

menschengeheugenis het geval niet was geweest Om de lijken der doode

dieren te verwijderen, vereenigden verscheidene duizenden soldaten zich

met de kolonisten en de inlanders, doch hunne pogingen stuitten af op

het onnoemelijk aantal.

--Omstreeks denzelfden tijd werden de provinciën Oran en Constantine

door hen bezocht. Hier vernielden zij te Sidi-Bel-Abbès, te Sidi-Brahim

en te Mostaganem de tabak, den wijnstok, de vijgen en zelfs de olijven,

ondanks hun bitter gebladerte. Te Pelizane en te Habra vernielden zij

de katoen. De weg van Mascara tot Mostaganen was er over zijne volle

lengte van 80 kilometers mede overdekt. In de provinciën Constantine

overweldigden zij het land van den Sahara tot aan de zee en van Bougie

tot aan Galle, verwoestende de omstreken van Batna, Setif, Constantine,

Guelma, Bona en Philippeville. Deze vreeslijke plaag veroorzaakte over

dit geheele gedeelte van Barbarije een grooten hongersnood.

--Drommels, zeide Dries, ik wist niet, dat dat kleine groene beest zoo'n

verschriklijke vijand is.

--Ba, zeide de kapitein, 't is een walgelijk, schandelijk ontuig, en ik

weet waarachtig niet waarvoor dat goed op de wereld is.

--O, zeide de luitenant, zij zijn bekend sedert de vroegste tijden,

ja, men kan zich geen nog zóó lang verleden denken, of men vindt de

verwoestingen, door deze dieren aangericht, en den daarop gevolgden

hongersnood en pest opgeteekend.

--Pest, zeide Dries vragend, ook dat nog? Duivels! hongersnood kan ik

mij begrijpen, wijl zij alles verslinden, wat voor den mensch bestemd

is, maar waardoor komt de pest, luitenant?

--'t Is heel natuurlijk, antwoordde Frank. Van die millioenen en

millioenen sprinkhanen worden er ook millioenen gedood. Zij verdrinken

in de stroomen en kanalen, bronnen, enz., worden vertreden en door

rook verstikt. Deze doode insecten, blootgesteld aan eene brandende

Afrikaansche zon, gaan spoedig tot ontbinding, tot rotting over.

Een paar dezer dieren, ja een honderdtal zou nauwlijks genoeg stank

verwekken om opgemerkt te worden, maar die soms meer dan een palm dikke

laag rottende diertjes verontreinigt door den afschuwelijken stank de

lucht en het water en veroorzaakt daardoor de pest.

--Dank u, zeide Dries, nu is het mij duidelijk.

--Deze vernielende sprinkhaan, aldus vervolgde de luitenant, komt

gewoonlijk uit de woestijnen van Arabië en Tartarije in Azië opzetten.

De oostenwinden voeren die ontzaglijke wolken hierheen. Het is gebeurd,

dat schepen op 60 à 80 mijlen van de kust er mede overdekt werden.

Niet alleen Afrika, maar ook Europa is meermalen door hen geteisterd.

Bizonder was dit het geval in 1747, 1748 en 1749. In 1748 kwam een dier

sprinkhanen-wolken tot in Engeland. Gij hebt straks gezien, hoe zij

onzen marsch vertraagden; welnu, ik zal u een nog erger staaltje noemen

van hetgeen zij vermogen. Toen Karel XII, de dappere, avontuurlijke,

maar ongelukkige Zweedsche Vorst, nog slechts 27 jaar oud, na de Denen,

de Russen en de Polen overwonnen te hebben, opnieuw den oorlog met

de Russen begon om de Ukraine te veroveren, werd hij voor 't eerst

overwonnen door de Russen onder Czaar Peter I, die door de ondervonden

nederlagen het oorlog voeren beter had geleerd. Dat was op den 2den Juli

1709 en de nederlaag van Pultawa, waar de Zweden door de overmacht der

Russen werden verpletterd, was oorzaak, dat Karel op Turksch grondgebied

de wijk moest nemen. Het was toen, op dezen terugtocht in Bessarabië,

dat het leger, zich in een bergpas bevindende, werd overvallen door de

sprinkhanen, die met een geweld als van een orkaan kwamen aanzetten, de

zon verduisterden en een geluid maakten als het geloei van de verbolgen

zee. Het geheele leger werd een tijdlang hierdoor opgehouden.

--Parbleu! zeide de kapitein, men moet respect voor dat ongedierte

hebben.

--Zoo kreeg elk land, elk werelddeel zijne beurt, vervolgde de

luitenant. In Indië, in de landen van de Mahratten, zegt men eene

kolonne gezien te hebben van 80 mijlen lang en verscheidene voeten

breed, die vast aaneengesloten, alles verwoestende, voortrokken.

In 1835 werd China door deze plaag bezocht. Zon en maan werden door

hunne wolken verduisterd. Het geheele plantenrijk niet alleen, maar

zelfs de oogst in de voorraadschuren en de kleederen in de woningen

werden verslonden. Den inwoners sloeg de schrik om het hart, en men

vluchtte naar het gebergte. Barrow en Levaillant verhalen, dat hunne

verwoestingen in Zuid-Afrika ontzettend zijn en alle beschrijving te

boven gaan. De rivieren en stroomen vonden zij er als het ware door

gedempt, en het land was niet alleen kaal maar zag er uit, als ware

het geëgd. Hier in Marokko veroorzaakten zij in 1780 een vreeslijken

hongersnood.

--Ja, zeide Aroesi, 't is waar. Allah heeft ons arm land toen zwaar

bezocht. Er heerschte zoo'n nood, dat men van de opgegraven wortelen

leefde. De armen zochten de graankorrels uit den drek der kameelen,

om zich er mede te voeden.

--Vreeslijk, zeide de kapitein, verschriklijk!

--Ja, wel verschriklijk, antwoordde de luitenant. In Senegal werd op

het einde van 1864 de geheele aanplant der koffie door hen verwoest, en

men nam waar, dat hunne voorhoede eene wolk vormde van vijftien mijlen

lengte. En generaal Levaillant heeft te Philippeville eene wolk gezien,

die 3 à 4 myriameter lang was, en toen deze nederstreek, vormde zij eene

laag van 3 palm dikte.

--'t Is waarlijk niet te verwonderen, zeide Dries, dat er de pest door

ontstaat.

--De eenige voldoening, die men er nog van heeft, zeide de kapitein, is,

dat men wraak op hen kan nemen door ze te eten.

--Eet men dat tuig? vroeg Dries. Nu spot ge zeker, kapitein!

--Neen, waarlijk ik spot in het geheel niet, antwoordde de kapitein. De

Bedouïnen,[3] de Kabylen,[4] de Mooren en de negers eten ze. De gewone

soort van sprinkhaan, door de inlanders djerab-el-arbi genaamd, wordt

veel door hen gegeten. Zij snijden den kop af onder het prevelen van

Bism-Allah (in den naam van God). Daarna rukken zij ze de vlerken en de

lange pooten uit en eten het lichaam met een weinig zout.

[3] Bedouïnen of zwervende Arabieren zijn de bewoners der vlakten, die

een nomadenleven leiden.

[4] Kabylen zijn de bergbewoners in Algerië.

--Een lekker kostje, zeide Dries. Ba! als ik er om denk, word ik

misselijk. Hoe is het mogelijk zulk walgelijk ongedierte te eten.

--Nu, onaangenaam smaken ze niet, antwoordde de kapitein. Ik heb ze

geproefd; zij smaken eenigszins als kreeften.

--Wel moge 't u bekomen! zei Dries, maar ik dank er voor.

--Ja, zeide de luitenant, ik bewonder uw moed, maar hoe hartstochtelijk

minnaar van insecten ik ben, geloof ik toch niet, dat ik den moed zou

hebben ze te eten. Overigens zijn het niet alleen de Arabieren en

Mooren, die ze als voedsel gebruiken; in alle Oostersche landen is dat

gebruiklijk. Men kookt en braadt ze, en discht ze zelfs in de

koffiehuizen op als dessert en lekkernij.

--De Arabische vrouwen en kinderen rijgen ze aan een draad even als een

rozenkrans, en brengen ze na ze gedroogd te hebben in den handel. Ook in

Zuid-Afrika worden zij door de inwoners niet versmaad; de Hottentotten

houden er veel van, en als het land, zooals nu hier het geval is, door

sprinkhanen-zwermen wordt overstroomd, verzamelen zij ze en zouten ze in

aarden potten in, om ze te kunnen bewaren.

--Maar is er geen middel op, om dat gevaarlijk insect te verdelgen?

vroeg Rebecca.

--Wat zal ik u daarop antwoorden, zeide de luitenant, men heeft nu en

dan maatregelen daartoe genomen. Reeds bij de oude Grieken bestond eene

wet, die in zoodanig geval elken burger verplichtte een zeker getal

maten sprinkhanen te leveren. Somtijds heeft men er premiën uitgeloofd

voor het opzoeken der eieren. Zoo gaf men in 1613 in Provence voor een

kilogram eieren ongeveer 25 cents en voor een gelijk gewicht sprinkhanen

de helft. Marseille gaf toen aan premiën 20.000 francs en Arles 25.000

francs uit, en nog kort geleden betaalde men in dezelfde streken aan

premiën in verschillende jaren van 2200 tot 6200 francs per jaar.

--Dat heeft men in onze kolonie (Algerië) ook gedaan, zeide de

kapitein. In 1850 betaalde het gouvernement voor een zak sprinkhanen

ongeveer 12 cents en er werden zoovele zakken aangebracht, dat men

telkens eene partij van 30 à 40 kameelenvrachten naar Medeah bracht.

Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen · 第 18 / 22 段