de stad zou kunnen bezichtigen, en zij bovendien zoozeer hare schoonheid
roemden, besloot men in de nabijheid te overnachten en Mechinez den
anderen dag te bezoeken.
Zoo was men dan, o wonder! eindelijk in eene Marokkaansche stad
aangeland, waar men zonder levensgevaar kon rondwandelen. Nog grooter
wonder was de aangename verrassing van breede straten aan te treffen;
geen steegjes, zooals bijna overal, geen hemelhooge muren, die het
daglicht uitsloten; neen, hier waren breede straten, lage huizen en lage
tuinmuren, waarboven het frissche groen kwam uitkijken.
Door eene der poorten, waarachter eene tweede poort, kwam men in de
stad, welke door drie muren met tinnen gekroond omgeven was. Wel waren
de straten niet recht maar vreeslijk kronkelend, doch dat zag men gaarne
over het hoofd om het vele schoone, dat men aantrof. De indruk was
zoozeer verschillend van wat men in de andere steden had gezien, dat
onze vrienden geen woorden konden vinden om hun gevoelen lucht te geven.
Niet alleen de breede straten en het frissche groen, maar nog veel meer
schoons was het, dat hun aangenaam aandeed. Men vond er ruime pleinen,
waar prachtige eike- en vijgeboomen prijkten, frissche klaterende
fonteinen en telkens werd het oog bekoord door prachtige proeven van
Moorschen bouwtrant.
Bovendien was de frissche landelijke lucht bezwangerd met allerlei
bloemengeuren en heerschte overal eene rust, die onbeschrijflijk
aangenaam was.
Een der fraaiste bouwwerken was ongetwijfeld het paleis van den
gouverneur, dat op een plein stond, en waarvan de gevel uit een
heerlijk mozaïek bestond. Die kleuren, door het vroolijke zonlicht
beschenen, deden denken, dat de gevel van dat paleis was ingelegd met
edelgesteenten. Het fonkelde en schitterde in alle schakeeringen;
kortom, het was een tooverpaleis uit de »Duizend en één nacht." Niet
minder trok de fraai bewerkte boog van eene oude poort hunne aandacht.
Het was geen wonder, dat het onzen vrienden moeite kostte deze schoone
plaats te verlaten. Doch de tijd was beperkt en Aroesi, zoowel als
Selam, drong er op aan spoed te maken. Echter was de luitenant niet te
bewegen heen te gaan vóór hij met vlugge trekken een paar schetsen van
den gevel van des gouverneurs paleis en van de schoone poort had
gemaakt.
Het was zeer vroeg in den morgen, dat men dit uitstapje had gemaakt.
De drijvers waren intusschen met de kameelen vooruitgegaan en ons
gezelschap reed zoo snel als de hitte het slechts veroorloofde, ten
einde hen zoo spoedig mogelijk in te halen. Hier werd de landstreek,
als om het eentonige van de vorige dagen te vergoeden, weder bij uitstek
schoon en lieflijk; heuvels, die bijna geheel bedekt waren met de
fraaiste rozenstruiken en dicht geboomte, afgewisseld door alleenstaande
palmen of aloë's en de lucht bezwangerd met de aangenaamste geuren. Dien
avond kampeerde men onder beschutting van een laag bosch op eene vlakte,
die geheel met bloemen was overdekt.
Het was op dezen avond, dat in het gesprek, hetwelk voornamelijk over de
schoone stad Mechinez liep, ook de beruchte kif ter sprake kwam, en de
luitenant, die Aroesi verdacht van kif bij zich te hebben, den wensch
uitte om eens eene proef daarmede te nemen. Na eenig tegenstribbelen gaf
Aroesi nog half onwillig toe, daar Frank hem verzekerde, dat het alleen
was om bij ondervinding te kunnen spreken van de zoozeer geroemde
gewaarwording, die men daarvan moet ondervinden.
De kif, door geheel het Oosten om hare bedwelmende kracht beroemd, is
het blad van den haschisch, een soort van hennep. Men gebruikt het op
tweeërlei manier, namelijk men rookt het met tabak vermengd, of eet
het gemengd in een zoet, uit boter, honig, kruidnagelen en muskaatnoot
bestaand deeg, hetwelk men madjaen noemt. Vooral in Marokko wordt het
veel gebruikt.
Het gezelschap zat in de tent bijeen, toen Aroesi aan Frank de kif
toediende. Het was een klein stukje, dat hij uit een gouden doosje nam.
Het zag er week, deegachtig uit en was violet van kleur.
Op het gelaat van Dries en den kapitein was eene uitdrukking van angst
te bespeuren, toen de luitenant het stukje in den mond stak.
--Dat is een rare smaak, zeide de luitenant, echt oostersch, 't smaakt
als gesuikerde pomade.
--Smakelijk eten! zeide de kapitein.
Een half of drie kwart uur verliepen zonder dat zich eenig verschijnsel
openbaarde, en reeds dacht men dat de dosis te klein was geweest, doch
opeens begon de luitenant op opgewekten toon druk mede te praten.
Aroesi gaf den kapitein en Rebecca een wenk, en Dries hield, met eene
angstige uitdrukking op het gelaat, de oogen op zijnen heer gevestigd.
Al drukker en drukker begon de luitenant te praten, en zijne
vroolijkheid steeg zonder eenige reden ten top.
--Het begint al te werken, zeide Aroesi lachend tot den luitenant.
Deze lachte hartelijk.
--Hoe gevoelt gij u? vroeg de kapitein.
--Opperbest! antwoordde de luitenant, en hij begon schaterend te lachen.
Eene uitbundige uitbarsting van vreugde volgde hierop. De luitenant keek
vroolijk rond, lachte om al wat er werd gezegd, om de blikken die men op
hem wierp, om de voorwerpen die hij ontwaarde, kortom alles wekte zijn
lachlust op.
Dries zette een boos gezicht.
Opeens sprong de luitenant op en zijn glas opheffend, riep hij met eene
van aandoening trillende stem:--Vrienden! ik ben gelukkig, en ik zou
u allen ook gaarne gelukkig willen zien. Aroesi, mijn wakkere trouwe
vriend! gij gaat met mij mede naar Holland. Ik ben millionair en zal u
rijk maken.
--Parbleu! zeide de kapitein, dan ga ik ook mede.
--En Selam, aldus ging de luitenant voort, Selam dien dapperen knaap,
hem zal ik laten opvoeden, zooals het betaamt. Na een kundig man te
zijn geworden, zal hij naar zijn land terugkeeren en Minister, misschien
wel Sultan worden, en zijn land beschaven. Dries, Mohammed, Selam waar
zijt gij, mijne dapperen? gij, die elk oogenblik bereid zijt uw leven
voor ons te geven, om u voor ons op te offeren. Komt allen hier. Ik ben
gelukkig! Komt, laat ik u omhelzen.
Hij ging weder zitten, en Dries stond op en ging de tent uit.
--Het wordt mij hier te benauwd, mompelde hij. Waarvoor, bij alle
duivels, heeft hij ook dat goed te eten, 't is vergift!
Eenige oogenblikken bleef Frank stil zitten. Telkens hief hij het hoofd
op, en keek het gezelschap aan, als wilde hij iets zeggen.
--'t Was op den 19en Februari van het jaar 1865, begon hij. Ik moest
naar.... wat drommel! waarheen moest ik ook. O ja, ge weet wel,
kapitein, dat we te Tanger die kloppartij hebben gehad?
--Ja, zeide de kapitein.
Maar Frank antwoordde niet. Hij keek stil voor zich, als had hij geen
woord gesproken.
De kapitein keek Aroesi aan. Deze glimlachte, en de kapitein werd weder
gerust.
--Jongen, Dries! begon de luitenant opeens weder op droefgeestigen toon.
Weet ge wel, dat we die reis naar Marokko nooit hadden moeten doen.
Denk eens hoeveel onschuldige menschen wij hebben gedood, en als we te
huis waren gebleven, was dat alles niet gebeurd. Weet ge nog wel dien
Heilige? Ik hoop dat hij mij zal hebben vergeven, dat ik hem naar de
andere wereld heb gezonden.
En de luitenant smolt weg in tranen. Na nog eenige malen tevergeefs te
hebben beproefd iets te vertellen, legde hij het hoofd op de armen en
ging liggen slapen; twee of drie malen lichtte hij plotseling het hoofd
weder op en glimlachte. Toen bleef hij voortslapen.
Aroesi gaf nu den kapitein een wenk; men nam den luitenant op en legde
hem op zijn bed neder, waar hij binnen eenige oogenblikken in een
onrustigen slaap verzonken lag.
Een paar uren daarna opende hij de oogen en rees overeind.
--Drommels, zeide hij, heb ik geslapen?
--Mooi zoo! zeide de kapitein, die doet een dut van een paar uren, en
vraagt dan nog, of bij ook geslapen heeft!
--O duivels, zeide de luitenant, nu herinner ik het mij... de kif!
--Ja, de kif! zeide de kapitein, en ge hebt u aardig aangesteld, dat
moet ik zeggen.
--Hoezoo? vroeg Frank.
Men verhaalde hem wat hij had gedaan en gezegd, en hij lachte er
hartelijk om.
--Ik wil het best gelooven, zeide hij. Ik denk, dat ge ook wel zoudt
gelachen hebben. In het begin was het mij, of al wat ge zeidet eene
geestigheid was. Alles kwam mij even belachlijk voor. Gij zaagt er
in mijn oog allen even bespotlijk uit. Terwijl de een opeens een dik
opgeblazen hoofd had, had de andere een lang smal gezicht, of vertrokken
of mismaakte gelaatstrekken. Vervolgens kreeg ik allerlei verwarde
gedachten, die bliksemsnel oprezen, om nog sneller te verdwijnen. Het
kwam mij voor dat ik een knap wijsgeer was, doch mijne wijze ideeën niet
kon vasthouden. Daarna kreeg ik een gevoel van nameloos geluk. Ik wist
niet wat mijn geluk eigenlijk uitmaakte, maar ik was zóó gelukkig,
dat ik de geheele wereld wel zou kunnen omhelzen, tot zelfs de oude
schoonen, die ons met gebalde vuisten hebben verwelkomd. Na het gevoel
van geluk maakte zich dat van droefheid van mij meester. Ik vond, dat
ik niet leefde als een mensch. Ik wilde pogen zooveel mogelijk mensch
te zijn. Talrijke tooneelen, zoowel uit mijn vroeger leven als uit den
laatsten tijd, kwamen mij in de gedachte, en ik verweet mijzelf menige
slechte daad te hebben verricht. En het slot van alles was, dat ik
gestorven was en mij in eene geheel andere wereld meende te vinden.
--Nu, zeide Aroesi, het is nu geschied. Maar het is voor de eerste en
ook voor de laatste maal!
--Natuurlijk, antwoordde Frank, 't was mij ook maar om een proef te
doen.
--En ik, zeide Dries, ik ben blijde dat het voorbij is. Ik werd er
akelig van, toen ik u zoo zag, en ik liep naar buiten, omdat het mij
hier te benauwd werd. Zie, 't was mij net alsof gij krankzinnig waart en
daarom was ik zoo beangst.
--Ik wist niet, dat ik er je zoo ongerust mede had gemaakt, antwoordde
de luitenant; vergeef het mij dus.
XIX.
DE WILDE ZWIJNEN EN DE LUIPAARD.
Het was op den vijfden dag ná het verlaten van Fez, dat ons gezelschap
reeds vóór zonsopgang op marsch was gegaan, om vóór dat de grootste
hitte begon, een flinken afstand te kunnen afleggen.
Na de druk begane wegen tusschen Fez en Mechinez, trok men nu weder door
eene eenzame landstreek, doch de landschappen, die zich in de schoonste
afwisseling aan het oog vertoonden, deden de eenzaamheid vergeten en
vervroolijkten allen. Overal lagen dicht begroeide dalen, waar men onder
de schaduw van het lage hout voorttrok. Moest men al eens nu en dan eene
zonnige, onbeschutte streek door, dan was het vooruitzicht straks weder
in de schaduw te zullen zijn voldoende om hun de hitte minder te doen
gevoelen.
Het was tegen den middag, dat men een met dicht hout begroeid dal
naderde, en de luitenant besloot daar te rusten tot tegen den avond,
toen Selam het gezelschap op de sporen van een troep zwijnen opmerkzaam
maakte.
--Parbleu! zeide de kapitein, dat kan te pas komen. Als die knapen zich
niet te ver van dezen omtrek ophouden, zullen we eens zien, waarde
luitenant, of we heden avond niet een paar karbonaden bij ons souper
kunnen krijgen.
--Dat zou eene aangename afwisseling zijn, zeide de luitenant.
--Nu als ze er zijn, zeide Dries, dan zullen wij ze wel opsporen
kapitein, niet waar?
--Luistert! riep Selam op eens, en hij hield zijnen ezel in.
Het geheele gezelschap hield stil, en nu hoorde men uit het dichte
kreupelbosch opeens een vervaarlijk geknor en gegil, dat hoe langer hoe
duidelijker werd. De takken kraakten, de struiken schudden en sidderden,
en eenige oogenblikken daarna brak een troep van een twintig zwijnen
door het hout en stak dwars den weg over.
De kapitein en Dries spoorden hunne paarden aan en vlogen op den troep
in.
Toen eerst bemerkte de zwijnen het jachtgezelschap; en na eenige
seconden verbaasd rondgekeken te hebben, stortte de aanvoerder zich in
het dal, gevolgd door den luid gillenden en knorrenden troep.
--Gaat je gang maar! riep de luitenant. We zullen alvast hier ons bivak
opslaan; maar denk er aan, dat ik op de karbonades reken, hoor!
Mohammed snelde zijnen heer na, die, gevolgd door Dries, den troep
achterna zette.
Als een wervelwind vloog de troep zwijnen door het dal, hier door een
boschje brekend, dáár zich van een heuvel afstortend, en het was bijna
onmogelijk ze in het oog te houden.
--Verduiveld, wat loopt dat goed hard! zei de kapitein tegen Dries.
Zie, daar gaan ze waarachtig te water. En hij wees naar eene beek, die
eene bloemrijke vlakte doorsneed, waar de geheele troep op het voorbeeld
van den aanvoerder zich in stortte.
--Als we dien aanvoerder eens konden neerschieten, zeide Dries, alvorens
den overtocht te probeeren. Wat dunkt u, kapitein?
--Dat was zoo kwaad niet, zeide deze. Welnu, laten we gelijktijdig op
den schobbejak aanleggen op het oogenblik, dat hij den oever bereikt.
Zie, zij zijn er bijna!
Beiden stegen af en legden aan. De twee schoten klonken bijna te
gelijker tijd en de aanvoerder stortte met een woesten gil neder.
--Hoera! riep de kapitein, nu er op af! en hij dreef zijn paard te
water, gevolgd door Dries en ook door Mohammed, die juist aankwam.
De beek was, hoewel helder en snelvlietend, niet diep, zoodat op de
diepste plaats het water slechts tot aan de borst der paarden kwam.
Aan de overzijde hadden de zwijnen zich luid knorrend rondom hun
gevallen aanvoerder verzameld en besnuffelden hem aan alle kanten. Dat
duurde echter slechts kort, want opeens stoof de troep naar alle kanten
uit elkaar, en op hetzelfde oogenblik rees de doodgewaande aanvoerder
weder op, en vloog als een pijl uit den boog voort, heuvel op en af.
Ons drietal bleef verbaasd een oogenblik staan, maar daarop barstte men
onwillekeurig in een schaterlach uit.
--Adieu, karbonades! riep de kapitein op koddig bedroefden toon.
--Nu, die heeft ons mooi bij het lijf, zei Dries. Maar wacht even,
vriend! ontkomen zal je toch niet, en hij gaf zijn paard de sporen en
snelde het gewonde zwijn na.
De kapitein reed de andere zijde op waar hij een paar zwijnen zag
voortrennen, en na Mohammed gelast te hebben, om te pogen hen tot
staan te krijgen, reed hij ze achterna, terwijl Mohammed de beek weder
overtrok, om die een eind verder weder over te steken, want de zwijnen
trokken in een grooten halven cirkel weder op de beek aan.
Terwijl de kapitein ze nu opdreef, was Mohammed weder den stroom
overgetrokken, en had zich dwars in hun weg gesteld, ten einde ze te
beletten te water te gaan.
Het was een troepje van vijf zwijnen, voor het meerendeel nog jongen.
Toen zij dicht genoeg genaderd waren, gaf Mohammed een luiden schreeuw.
Verwonderd hielden de zwijnen stand en bleven besluiteloos staan.
Dat oogenblik van aarzeling maakte de kapitein zich ten nutte, en
Mohammed een wenk gevend, vuurden beiden op de dieren nog vóór zij van
hunne verwarring bekomen waren.
[Illustratie: en onder een donderend gebrul wierp zich een groote
luipaard op hem. Bladz. 187.]
Met een luiden gil vlogen zij uit elkaar en terwijl er een terugkeerde,
stortten de overigen zich vooruit om de beek over te steken.
Niet zoodra had de kapitein bemerkt, dat een van den troep op hem
aankwam, of hij stelde zich op zijn weg. Knorrend stoof het dier hem
voorbij, en terwijl de kapitein zich ter zijde bukte, loste hij den
geheelen inhoud van zijne revolver op hem. Nog een twintig pas liep het
waggelend voort; toen stortte het neder.
Met een vreugdekreet sprong de kapitein van het paard en maakte het
stervende dier met zijn jachtmes af.
Maar plotseling sprong bij verschrikt overeind op het hooren van een
ontzettenden gil. Hij wendde het hoofd om, en daar zag hij aan het einde
van den hollen weg, waar Mohammed was achtergebleven, hoe de muilezel,
door de zwijnen, die zich links en rechts langs hem heen in den stroom
wierpen, verschrikt, steigerde en zijnen berijder in den stroom werpend
in volle vaart voortholde.
Te paard te springen, het dier de sporen in de zij te drukken en het in
den stroom te drijven, was voor den kapitein het werk van een oogenblik.
De arme Mohammed, die niet kon zwemmen, had het kwaad genoeg, want de
arme jongen poogde tevergeefs vasten voet te krijgen. De snelheid van
den stroom sleurde hem een heel eind mede, en eerst na eenige vreeslijk
angstige oogenblikken, na eenige honderden passen te zijn voortgesleept,
mocht het hem gelukken een in het water hangenden boomtak te grijpen en
zich daaraan vast te klemmen, totdat de kapitein hem was genaderd en hem
op het paard trok.
Mohammed was door de worsteling met het water te afgemat om te kunnen
staan. De kapitein zette hem met den rug tegen een boom en snelde toen
den muilezel na. Nauwlijks was hij aan het eind van den weg gekomen of
daar stond de muilezel bedaard te grazen, terwijl de teugel in de
struiken was blijven zitten.
Toen, na Mohammed in den zadel geholpen en de beste stukken van het
zwijn afgesneden te hebben met de handigheid van een jager, dacht de
kapitein opeens om Dries.
Maar hoe hij ook uitkeek, deze was nergens te zien en de kapitein
troostte zich met de gedachte: hij zal reeds in het kamp terug zijn! Hij
nam dus den terugtocht aan, toen hij in het kamp aangekomen tot zijn
schrik vernam, dat men Dries niet had gezien.
--Nog niet weerom? zeide de kapitein, waar duivel kan hij dan zitten? En
hij verhaalde, hoe Dries het aangeschoten zwijn was nagesneld. Welnu,
zeide hij, Dries zal zich door zijn jachtlust hebben laten meeslepen en
een weinig afgedwaald zijn. Ziedaar alles!
--Neen, antwoordde de luitenant, hij zal den weg naar het kamp niet
kunnen vinden en mogelijk verdwaald zijn; wij moeten hem zoeken.
--Dat is mijn idee ook, zeide de kapitein, gaan wij in de richting die
ik hem heb zien inslaan, dan kan Selam met de drijvers de legerplaats in
groote kringen omtrekken; zoodoende zullen wij hem wel vinden.
Zoo gezegd zoo gedaan, en terwijl Aroesi met Rebecca en Mohammed
achterbleven, gingen de luitenant en de kapitein op weg, en Selam met de
drijvers trok om de legerplaats in altijd grooter kringen om den
verlorene op te sporen.
Wat was er intusschen van Dries geworden? We zullen het zien.
Het zwijn, dat Dries nasnelde, hoewel door twee kogels getroffen, was
evenwel nog vlug ter been, zoodat het hem weldra een heel eind vooruit
was. Heuvel op en heuvel af ging de jacht; vervolgde en vervolger waren
even onvermoeid. Nu en dan snelde het zwijn door een boschje, dat Dries
dan genoodzaakt was om te trekken. Zoo had hij reeds meer dan een half
uur in galop of draf doorgereden zonder nog iets op het zwijn te hebben
gewonnen. Hij spoorde zijn paard gedurig aan en eindelijk bemerkte hij
tot zijne voldoening, dat de loop van het zwijn minder snel werd. Op den
top van een heuvel gekomen, zag hij het dier met onzekeren loop de
helling afdraven.
--Ha, ha! riep hij, ge houdt het niet lang meer uit, oude jongen! Wacht
maar, ik zal je spoedig den genadeslag geven! en hij snelde de helling
af.
Opeens bleef het zwijn, toen het den heuvel afgehold en in een lagen
weg, met kreupelhout begrensd, was aangekomen, stilstaan en terwijl het
den snuit in de hoogte stak, snoof het onderzoekend de lucht op en
trilde over alle leden.
--Wat duivel scheelt hem nu! riep Dries, die dat van verre aanzag. Maar
op hetzelfde oogenblik bleef zijn paard insgelijks als aan den grond
genageld staan.
--Kom, zeide Dries, kom, oude jongen, vooruit! en hij spoorde het aan.
Het paard verhief zich op de achterpooten, draaide in een halven cirkel
rond en bleef toen staan, sidderende en snuivende.
--Wat donder scheelt je! riep Dries kwaad uit, wil je voortgaan of niet?
Weder steigerde het paard op zijne aansporing, toen deed het opeens een
vreeslijken sprong en Dries, daar niet op voorbereid, stortte op den
grond. Krampachtig hield hij den teugel vast. Het paard snoof en blies
en deed voor den op den grond liggenden ruiter een sprong achteruit, de
teugel brak af en in wilden galop vloog het den heuvel op, dien het was
afgekomen.
De vrij onzachte val op den rotsigen grond deed hem een oogenblik als
verdoofd liggen, doch bemerkende dat er niets aan hem gewond of gebroken
was, wilde hij opstaan, toen hij bemerkte, dat hem zulks onmogelijk was.
Het linkerbeen deed hem zoo zeer, dat hij een schreeuw gaf van pijn.
--Dat is een mooie zaak, zei Dries, daar leg ik nu zonder op te kunnen
staan en zonder paard. Had ik dat nog, dan kon ik mij misschien met wat
moeite in den zadel hijschen, maar nu is 't een drommels leelijke
positie waarin ik door dat leelijke zwijn ben gebracht.
Toen hij naar het zwijn omkeek, zag hij, dat het neergevallen was en lag
te hijgen, en ondanks zijne benarde positie kwam de jachtlust weder bij
hem boven.
--Jou zal ik ten minste je paspoort geven! mompelde Dries, en op handen
en voeten naar het zwijn kruipende, stiet hij het zijn ponjaard in den
hals.
Plotseling hoorde Dries in het langs den weg staande hout een gekraak
van takken en bladeren, alsof iemand behoedzaam naderde. Hij kroop zoo
snel hij kon terug naar de plaats waar hij zijne buks had laten liggen,
en laadde die snel. Toen, zich met den rug tegen een paar rotsblokken
plaatsende, wachtte hij af wat er zou gebeuren.
Een minuut of tien verliep in de grootste stilte; alleen verhief zich
eene groote vlucht duiven en andere vogels onder groot gekrijsch en
getjilp boven het hout.
--'t Is toch niet pluis, mompelde Dries, anders zouden die vogels niet
zoo schreeuwend opvliegen. Zeker de een of andere schooier van een
Arabier, die mij hier verraderlijk wil neerschieten.
Nauwlijks had hij dit gezegd of het kraken begon opnieuw, en thans
dichter bij, en toen hij scherp uitkeek zag hij iets bewegen.
--Dacht ik 't niet, riep Dries, dat 't zoo'n schoeltje was; ik zie zijne
bruine huid. Wacht vriend, ik zal je vóór zijn, en hij bracht de buks
aan den schouder.
Toen, tegelijk met den knal van het schot, klonk een vreeslijke kreet,
een schor gebrul uit het hout, dat hem de haren te berge deed rijzen, en
hem onwillekeurig naar zijn ponjaard deed grijpen. Een verschriklijk
gekraak volgde daarop en eer Dries wist wat er aan de hand was, werd het
hout ter zijde gedrongen en onder een donderend gebrul wierp zich een
groote luipaard op hem.
De worsteling, die nu volgde, was ontzettend. Dries op de knieën
liggend met den rug tegen het rotsblok geleund, had gelukkig zijne
tegenwoordigheid van geest behouden, maar toen hij het woedende monster
op zich zag toespringen, achtte hij zich verloren. Eene grenzenlooze
wanhoop maakte zich van hem meester, en juist dit was het wat hem de
kracht gaf het dier te weerstaan. Als men den dood voor oogen ziet,
vertiendubbelen de krachten. Dries, reeds verdrietig over den
ongelukkigen afloop van zijne jacht, werd woedend. De luipaard sloeg
zijne scherpe klauwen in zijne schouders, en blikte hem eene seconde
lang met oogen als vuurballen aan. De wijdgeopende muil liet de
vreeslijke kegelvormige puntige tanden en de roode tong, die hem
uit zijn bek hing, zien. Dries voelde den heeten stinkenden adem van
het ondier in zijn aangezicht, en uit afschuw bracht bij het hoofd
achterover, toen de luipaard hem in het gelaat poogde te bijten. Met
eene snelle beweging bukte hij zich tusschen de voorpooten van het dier,
en toen het monster zijne scherpe tanden in zijn hals sloeg, stak Dries
hem den langen ponjaard in de zijde.
De luipaard deed een ontzettenden sprong en stoof een paar passen
achteruit. Ook Dries sprong op om zijn heil in de vlucht te zoeken. De
doodsangst deed hem bijna geen pijn meer voelen, en hinkende was hij
reeds een heel eind voortgesneld, toen het dier in een paar sprongen
weder bij hem was. Dries liet zich weder op de knieën vallen en klemde
den ponjaard in de hand, dat het bloed er voor stond. Een slag in het
gelaat met den scherpen klauw deed hem omvertuimelen, en in het volgende
oogenblik stortte de luipaard zich op hem.
Langer dan tien minuten rolden beiden over den grond. Dries steken
toebrengend waar hij zijn vijand maar kon raken. De luipaard, die hem
op den rug zat, had wederom de klauwen in de reeds gewonde schouders
geslagen en beet hem in hoofd en hals. Dries voelde hoe de scherpe
tanden over zijn schedel gleden en krasten. Bossen haar werden hem
uitgetrokken en de arme jongen brulde even hard van pijn en woede als de
luipaard.