't Was zooals Aroesi had gezegd. De bende straatgemeen, hunne

slachtoffers uit Fez gevlogen ziende, was, onder aanvoering van den

heilige, naar het kamp gekomen, doch ook daar niemand vindende, koelden

zij hunne wraak met het verbranden van de tent en wat zij er nog van de

bagage vonden.

--Haal je hart maar op, zei Dries, 't beteekent niets; het beste is

toch in veiligheid.

--'t Was tijd dat we ons wegmaakten, zeide Aroesi. Ge ziet, de schurken

waren ons dicht op de hielen.

--He! zeide Dries, de handen jeuken mij om dien schoft van een heilige

neer te leggen; ik zou hem van hier zoo mooi kunnen neerschieten.

--Pas op, zei Aroesi, we zouden den geheelen troep op het lijf krijgen.

--Jammer genoeg, antwoordde Dries, 't is hard zoo'n mooie gelegenheid

ongebruikt voorbij te laten gaan.

Intusschen was het gepeupel bezig een paar kleine kisten open te slaan.

Een was gevuld met allerlei levensbehoeften, en het was grappig de

verwondering en de grimassen dezer lieden te zien bij het openen van de

verschillende bussen en doozen, daar zij niet wisten wat dat alles was.

In de tweede kist waren eenige flesschen wijn, rum en spiritus. Zij

bekeken de flesschen aan alle zijden, ontkurkten ze en lieten een weinig

van het vocht op de hand loopen. Zij begrepen echter spoedig wat het

was, en schoon zij als goede Mahomedanen geen wijn mochten gebruiken,

konden zij toch niet nalaten van het begeerde vocht te drinken, doch het

bepaalde zich nog slechts tot proeven.

--Ziet zulk kanalje, zeide Dries, dat vergast zich aan onzen wijn en

rum, en wij zullen op de geheele terugreis ons slokje moeten missen.

Terwijl dit gebeurde, begon het duister te worden. De hemel tooide zich

met millioenen flonkerende sterren, en na eenigen tijd kwam de maan in

al haar luister op en hulde het geheele landschap in eene zee van licht.

Het dunne doek der tent was spoedig verbrand, maar hetgeen nog van de

bagage in de tent stond, onder anderen twee veldbedden, begonnen nu

door te branden en de hooge vlam en de dikke rook gaven thans een veel

verschriklijker aanzien aan den brand dan hij werkelijk was.

Op eens hief de heilige, die zich eveneens hard te goed deed aan het

geestrijke vocht, het hoofd op en luisterde; daarop wendde hij snel het

hoofd naar den stroom en keek scherp uit.

--Wat duivel ziet die schurk? zeide Dries.

--Ik zie slechts eene beweegbare schaduw, zeide Aroesi, daar ginds bij

den stroom.

Maar het scheen dat de heilige meer bespeurde, want na snel eenige

onverstaanbare woorden tegen zijne metgezellen te hebben gezegd wees

hij naar de bedoelde plek, sprong eensklaps op en snelde in die richting

voort, gevolgd door den huilenden, halfdronken troep.

--God in den hemel! riep Dries, wat gaan zij nu weer uitvoeren, en hij

sprong onwillekeurig op en snelde ze na.

Ook Aroesi begreep, dat er iets aan de hand was en snelde eveneens

voort.

Plotseling klonk in de duisternis eene donderende stem, die in de

Arabische taal de bende halt toeriep, en op hetzelfde oogenblik knalde

een schot.

--'t Is de luitenant, riep Dries. Voorwaarts, te hulp! sla dood dat

gebroed!

Werkelijk was het de luitenant, die, zooals we gezien hebben, na gered

te zijn zich langs den stroom had voortgespoed.

Halverwegen was hem bij eene kromming van den stroom de brand in het oog

gevallen, en een vreeslijk vermoeden had zich van hem meestergemaakt.

Hij twijfelde geen oogenblik of het kamp stond in brand, en hoe was het

met zijne vrienden? Doch hij dacht niet lang na, maar snelde als een

pijl uit den boog voort om zoo mogelijk te redden wat nog te redden was

of eene vreeslijke wraak te nemen.

Het geoefend oor van den paardendief had echter het geluid van die

haastig naderende voetstappen vernomen, en hij begreep dadelijk dat het

een zijner vijanden zou zijn, die uit de stad ontsnapt was.

Toen het schot van den luitenant viel, bleef de dronken troep een

oogenblik weifelend staan. Doch de wraakzuchtige heilige vloog zonder op

de kogels te letten op zijn vijand toe.

De luitenant liet hem bedaard naderen, en eerst toen hij dicht bij hem

was, bemerkte hij, dat hij zijn dood gewaanden vijand weder voor zich

had.

--Ha, ha! riep de luitenant, leeft ge nog schelm? Voorwaar, gij hebt

eene harde hersenpan, maar ik beloof u, ik zal er een gat in boren,

waaraan gij genoeg hebt.

Opgewonden door den drank en zijne wraakzucht wierp de heilige zich als

een razende op den vijand, doch op hetzelfde oogenblik kreeg hij een

kogel in den kop, die hem achterover deed tuimelen.

--Ziezoo, zeide de luitenant, zich tot de andere aanvallers wendende,

wie heeft nog lust?

Een lange halfnaakte Arabier, een reus, sprong op dit oogenblik als

een tijger op den luitenant toe en greep bliksemsnel de hand, die de

revolver hield. Het schot ging af, doch zonder den kerel te raken, die

een ponjaard ophief om zijn vijand te doorsteken.

Gelukkig voor Frank had Dries het gevaar, waarin deze verkeerde,

gezien. Snel sprong hij toe en zijne buks als eene knots gebruikend,

gaf hij den reus een zoo vreeslijken slag op den schedel, dat bij als

een blok neerviel.

Ook Aroesi was in het gevecht gewikkeld, en zijne Turksche kromsabel

flikkerde en schitterde, en deelde houw op houw uit. Maar de schelmen,

opgewonden door het weinige geestrijke vocht, waaraan zij niet gewoon

waren, betoonden eenige dapperheid, zoodat zij niet als naar gewoonte

weken.

De toestand werd bedenklijk en het was onmogelijk deze bende lang het

hoofd te bieden. Aroesi begreep dit terecht en sloeg voor te retireeren

naar de plaats waar men door de rivier kon waden.

Zoo gezegd, zoo gedaan en men begon al vechtende te retireeren.

Doch eensklaps zag de luitenant zich den weg versperd door den heilige,

die, op handen en voeten voortkruipende, zich op zijnen vijand wilde

storten.

--O, zeide de luitenant, woedend aldus in zijnen voortgang te worden

belemmerd. Gij hebt dus nog niet genoeg. Het schijnt, dat men met u moet

handelen als met een adder, die men doodtrapt waar men ze aantreft.

Sterf dan ellendeling, ditmaal zal ik u terdege dooden! En hij schoot

zijne revolver af.

Er waren nog drie schoten, die den schurk allen in de borst troffen, en

reutelend zonk hij neder met het met bloed overstroomde gelaat in het

gras, dat rood geverfd werd door die aanraking.

In een paar sprongen was de luitenant weder bij zijne vrienden, en met

haastige schreden vervolgde men den aftocht naar de doorwaadbare plaats.

Dáár verschenen aan de overzijde tusschen het hout Selam en Mohammed,

met de buks in de hand. In een oogwenk begrepen zij wat er aan de hand

was, en openden een geregeld snelvuur op de bende, waardoor ons drietal

gelegenheid vond behouden over te komen.

Thans was men veilig. De aanvallers, bevreesd voor het vuur, dat nu

door allen op hen gericht werd, trokken vloekend en tierend terug

naar de plaats waar het kamp was geweest en waar nu nog slechts een

kleine, smeulende en rookende zwarte plek de plaats aanduidde waar de

tent had gestaan. Nog meer opgewonden dan daar straks begonnen zij de

geestrijke dranken, die zij eerst met kleine teugen hadden gedronken,

te verzwelgen, en het woeste getier van den dronken troep klonk over de

rivier als een concert van duivelen.

Als voorzorgsmaatregel bleven Selam en Mohammed patrouilleeren op

den oever om een wakend oog over hen te houden, terwijl de afgematte

luitenant zich met Aroesi en Dries naar de schuilplaats in het korenveld

begaf.

Terwijl de luitenant, Dries en Aroesi elkaar hunne avonturen verhaalden,

begon de lucht, die daar straks nog zoo schoon en schitterend was, te

betrekken. Donkere wolken pakten zich samen en de sterren verdwenen. De

maan werd aanhoudend verduisterd en weldra begonnen dikke regendroppelen

te vallen. Aroesi trad naar buiten, en na de lucht te hebben bekeken

zond hij een der kameeldrijvers uit om Selam en Mohammed te roepen.

--'t Zal verschriklijk weer worden, zeide hij bij het binnenkomen;

't schijnt dat we een dier onweders zullen krijgen, die hier zoozeer

gevreesd worden, en die zooveel verwoesting aanrichten, daar zij de

rivieren buiten hare oevers doen treden.

En zoo was het werkelijk. Nauwlijks waren Selam en Mohammed in de tent

terug, of de storm brak in al zijne hevigheid los. De regen viel in

stroomen neer, en had spoedig de lage gedeelten van de vlakte in groote

plassen herschapen. Van de hellingen stroomde het water aan alle kanten

als zoovele beekjes af, en sleepte de losgeraakte aarde en steenen mede.

De hevige orkaan deed de struiken ontwortelen en voerde ze mede de

lucht in, als waren het stroohalmen. De hier en daar verspreid staande

boomen werden gebroken als riet, en daar tusschen door donderde het met

ontzettende slagen en werd de landstreek nu en dan opeens in blauwen

lichtgloed gezet door den bliksem, die onophoudelijk het luchtruim

doorkliefde.

In al dat weer moest men naar buiten om de dieren te binden. Men kon

zich bijna niet staande houden; en toen men hen eindelijk de pooten had

gekluisterd, hen goed vastgezet, en men met veel moeite in de tent was

gekomen, was iedereen druipnat.

Het weer nam hoe langer hoe meer in hevigheid toe. De ratelende

donderslagen volgden elkaar gedurig sneller op, en de bliksem was bijna

niet meer van de lucht. Dat flikkeren van het blauwe licht deed vooral

de beken, poelen en stroomen zien, door den geweldigen regen gevormd.

Slechts enkele struiken en boomen weerden zich nog tegen den orkaan,

en werden gezweept als ware de wind woedend over dien tegenstand. De

regen, in beken van de omringde heuvelen stroomende, viel klaterend

in den Paarlstroom, die kokend en bruisend daar henen snelde als eene

reusachtige slang, die, van hare kluisters ontslagen, schrik verspreidde

over het land. Gevoed door zoovele bronnen zwol hij, daar straks nog

doorwaadbaar, tot een wilden woesten stroom, die ten laatste zijn water

over den omtrek uitstortte.

En de Paarlstroom zwol en zwol, en buiten zijne oevers tredend

overstroomde hij al het laaggelegen land. Hij baande zich een weg

naar de verwoeste legerplaats, waar die woeste barbarenhorde, arme

slachtoffers van fanatieke dweepzucht, tuk op roof en moord, in

walgelijken dronkenschap lag te ronken. Zij hoorden het ruischen en

brullen van het water niet, noch zagen het bliksemvuur van den hemel. En

intusschen naderde de onverbiddelijke stroom en overstelpte hen den een

na den ander, en toen hij ze verstikt had in zijn drabbig schuimend

water, hief hij de lijken van Moor en Arabier, van neger en kleurling

op, om ze onder woest gebruis weder neer te slingeren, en vervolgde

zijnen loop om elders nog meer schrik en verderf te verspreiden.

Toen het weder na eenige uren had uitgewoed, ging Aroesi met Selam

naar buiten om eens rond te zien. Dank zij den afstand, die hen van

den stroom scheidde, en voornamelijk de ligging van het grasveld op

de helling van een berg, was men voor verdrinken bewaard gebleven.

--Die arme dwazen daar ginds aan de overzijde, zeide Aroesi in de

tent terugkeerende, zullen vreeslijke oogenblikken hebben beleefd. De

Paarlstroom is buiten zijne oevers getreden en heeft een groot gedeelte

van het omliggende land overstroomd. Zoo zij niet afgetrokken zijn of op

de heuvelen gevlucht waren, zijn zij verdronken. Misschien worstelen zij

thans met den dood in de golven van den Paarlstroom.

Nadat de storm bedaard was, werd het weder weer even schoon als het

eerst was geweest. Duizenden gissingen werden gemaakt over het lot van

kapitein Daumas, en weinig vermoedde de luitenant dat, terwijl zij daar

buiten in vreeslijk gevaar waren door het woeden der elementen, de

kapitein een der schoonste oogenblikken had beleefd, die een mensch in

het leven zijn gegeven.

--Enfin! zeide de luitenant, als de kapitein morgen mocht terugkomen,

zullen wij oogenbliklijk vertrekken. De nabijheid van Fez kon ons

noodlottig worden, en bovendien houdt niets ons langer hier terug. Keert

hij echter, hetgeen God verhoede, niet terug, dan, ja bij God, dan

zullen we hem zoeken, des noods in Fez, al stond geheel Fez tegen ons

op, want zonder mijn vriend, levend of dood terug te zien, vertrek ik

niet.

Des anderen daags stond men zoo laat op als nog nimmer gedurende de reis

was gebeurd. De vermoeienissen van den vorigen dag en het bewustzijn

volkomen veilig te zijn, deed ieder de zoo hoog noodige rust volop

genieten.

Wat zag er die landstreek uit, toen men eens ging rondzien, wat

verschriklijke verwoestingen hadden de orkaan en het water aangericht.

Onwillekeurig begaf men zich naar den Paarlstroom, tegenover de plaats

waar het kamp had gestaan. Er was geen spoor meer van te vinden; de

plaats was zelfs niet meer te herkennen. Maar hier en daar lagen de

offers verspreid, die het water had geëischt. Daar lagen de verminkte,

misvormde lijken van de vijanden. En daar bij die kleine groep struiken,

die de storm had gespaard, lag het duchtig toegetakelde lijk van den

valschen heilige met van woede verwrongen trekken, den ponjaard in de

verstijfde vuist geklemd.

--Nu is hij wel degelijk dood, de ellendeling! zeide de luitenant, zich

met walging afwendend.

--Ja, zeide Dries, en 't is een leelijke doode ook, die heilige!

--Hij heeft zijn loon ontvangen naar gerechtigheid, zeide Aroesi

plechtig; Allah is rechtvaardig! De dweeper zal het zwaar te

verantwoorden hebben als hij geoordeeld wordt. Hij heeft den dood van al

die anderen op zijn geweten. Geen eerlijke begrafenis zal hem ten deel

vallen. Ginds komen de gieren reeds. Zoo straft God de ondeugd. God is

groot! Er is maar één God en Mahomed is zijn profeet!

--Amen! zei Selam.

XVIII.

OP DEN TERUGTOCHT.--MECHINEZ.--DE KIF.

't Was reeds een paar uren nà zonsopgang en nog kwam de kapitein niet

opdagen.

De luitenant werd onrustig en wandelde, vergezeld van Dries, langs den

stroom in de richting der stad.

De morgen was heerlijk. Het sinds eenige dagen zoo droge, schrale groen

was door den overvloed van water meer dan verkwikt, en zag er zoo frisch

uit, dat men zich wel had willen uitstrekken op het mollige frissche

tapijt. Tallooze soorten van insecten vlogen rond, kropen tegen de

stengels en bladeren der planten en boomen op, of bewogen zich snel

tusschen het gras.

De luitenant vond eene goede gelegenheid om zijnen voorraad aan te

vullen en verdreef zoo den tijd, die hem, wachtende op zijn vriend,

bizonder lang viel. Dries, die zijne buks had medegenomen, schoot op de

wilde duiven en reigers, die hier in menigte waren te vinden.

Juist schoot hij onder eene vlucht duiven. Een paar daarvan vielen op

den grond, toen opeens een roofvogel bliksemsnel toeschoot, een der

geschoten duiven aangreep en er even snel mede wegvloog.

--Drommels, zei Dries, dat is knap gedaan en je mag je buit behouden; ik

zal niet op je schieten.

--'t Is een havik, zeide de luitenant; dat goed is erg brutaal, maar zoo

heb ik het nog nooit gezien.

--Kijk, zei Dries eensklaps, daar komt eene Moorsche dame aan op een

ezel, met een bediende bij zich. Maar zie eens, luitenant, wat wil die

kerel? Men zou haast zeggen, dat hij ons wenkt.

De luitenant hield de hand boven de oogen en keek in de aangeduide

richting.

--Dat begrijp ik niet, zeide hij. Wat die Moorsche dame of die kerel

toch van ons willen?

--Wie weet, zei Dries, misschien is het wel een bode, door den kapitein

afgezonden.

--In elk geval, zeide de luitenant, zullen wij hun te gemoet gaan;

bevreesd behoeven wij niet te zijn. Kom, Dries!

Men liep snel voort in de richting der vreemdelingen en verdiepte zich

in allerlei gissingen, wie of wat het kon zijn.

De vreemdeling maakte ook spoed. De bediende hield den ezel bij den

teugel en spoorde hem met woorden en stokslagen aan harder te loopen.

Toen bleef Dries stokstijf staan.

--Nu, vroeg de luitenant, wat is er?

--Bij mijne ziel, zeide Dries, als ik het niet beter wist, zou ik

zeggen, dat ik dien Moor meer heb gezien. De kerel heeft zoo'n bekende

houding en gang, waar duivel kan ik hem gezien hebben?

--Ja, mij komt hij ook bekend voor, antwoordde de luitenant, en toch

weet ik hem mij niet te herinneren.

Een honderd pas verder bleef Dries weder staan en greep den arm van den

luitenant.

--God in den hemel, luitenant! ziet ge niet wie het is? riep hij uit. 't

Is de kapitein, en zijn geweer wegwerpend, snelde hij den naderenden te

gemoet.

De kapitein had zijn ezel losgelaten en was, toen Dries op hem

toesnelde, een eind vooruitgeloopen.

--Parbleu, mijn brave vriend, leef je ook nog! zeide de kapitein, nadat

de eerste verbazing voorbij was.

Thans was ook de luitenant genaderd, en de vreugde van het wederzien was

zoo hartelijk als alleen onder vrienden, die veel gevaar met elkaar

gedeeld hebben, zulks kan zijn.

--Maar wat weerga, kapitein, zei de luitenant, wat in 's hemels naam

hebt gij nu toch weer voor een dollen streek uitgevoerd. Hebt ge eene

Moorsche schoone geschaakt?

De kapitein begon hartelijk te lachen.

--Geschaakt heb ik haar niet, zeide hij. Zij is mij uit vrije beweging

gevolgd. Maar dit zal ik u later verhalen; volg mij en ik zal u aan haar

voorstellen.

De kapitein deed, zooals hij had gezegd en toen Rebecca haren langen

sluier opsloeg, zagen de luitenant en Dries, in plaats van eene

Moorsche, het schoone gelaat der Jodin, die verlegen hoewel glimlachend

onze vrienden aankeek.

De luitenant maakte eene beleefde buiging en drukte haar hartelijk de

hand, terwijl Dries er zich met eene linksche buiging en een militair

saluut afmaakte.

--Hoe het zij, zeide Frank tot den kapitein, 't is hier de tijd noch de

plaats voor verdere ophelderingen, doch wie gij medebrengt, die is van

harte welkom. Laten wij ons nu naar onze schuilplaats spoeden, dáár

kunnen wij praten! En men begaf zich terstond op weg.

--Duivels, mompelde Dries, nu en dan een blik op Rebecca slaande, men

kan niet zeggen, dat de kapitein een slechten smaak heeft.

--Moeten we nog niet haast den stroom over? vroeg de kapitein, naar het

kamp rondziende.

--Wel neen! zeide de luitenant. O, 't is waar, gij weet het nog niet,

ons kamp bestaat niet meer.

--Wat! riep de kapitein, bestaat het niet meer?

--Volg ons maar, hernam de luitenant, en ge zult zien, dat wij geen

slechten ruil hebben gedaan.

--En hoe is het met mijn getrouwen Mohammed en Selam en onzen vriend

Aroesi?

--Allen nog springlevend, zeide Dries.

--Goddank, zeide de kapitein, dat is mij een steen van 't

hart.--Drommels! ge moogt zeggen wat ge wilt, maar ik vind, dat wij

buitengewoon gelukkig overal doorheen rollen.

--Tot heden ja, antwoordde de luitenant, maar wij zijn nog niet terug;

wie weet wat er nog kan gebeuren!

--Ba! zeide de kapitein, op zijne gewone luchtige manier, ik gevoel mij

tweemaal zoo sterk als anders. Al kwam de duivel, ik zou hem weerstaan.

--Zie, zeide de luitenant, dat komt er van als men verliefd is en eene

schoone vrouw medevoert.

Men was intusschen de plaats genaderd, waar de uitgestrekte graanvelden

begonnen, en wilde juist het koornveld betreden, toen allen opeens

schrikten van eene gestalte, die zich bliksemsnel voor het verbaasde

gezelschap vertoonde, alsof zij uit den grond verrees.

De schrik duurde echter slechts kort; 't was niemand anders dan

Mohammed, die uit een soort van greppel opstond, waarin hij had gelegen.

Niet zoodra zag hij den kapitein onder het gezelschap, of hij sprong

als een wilde op hem toe, greep zijne handen en bedekte die met kussen,

terwijl de tranen hem uit de oogen sprongen. Toen rees hij overeind en

vloog als een pijl uit den boog door het korenveld, om Selam en Aroesi

de blijde tijding te brengen.

Selam vermaakte zich met op de vogels te schieten, die hij uit het koren

opjoeg, en had reeds een paar dozijn duiven naast zich liggen, toen hij

den snellen loop van Mohammed vernam en deze hem in het volgend

oogenblik om den hals vloog.

--Mohammed mijn vriend! zeide Selam, die het onder die omhelzing te

benauwd kreeg, bij Allah, je worgt me; wat is er aan de hand?

--De kapitein! was al wat de verheugde Mohammed kon uitbrengen.

--De kapitein? riep Selam. Maar laat me dan toch los, ik stik half.

Met moeite onttrok hij zich aan de al te onstuimige omhelzing en volgde

Mohammed.

Na de begroeting zat men eindelijk in de tenten. 't Was daar echter

spoedig benauwd, en weldra zat men buiten rondom een paar heldere op den

grond uitgespreide kleeden, waarop Selam en Mohammed binnen korten tijd

een keurig diner opdischten, verrijkt met een paar dozijn vette heerlijk

gebraden duiven.

Toen men met smaak had gedineerd, kwamen de geurige koffie en de sigaren

voor den dag. Onderwijl werd het gesprek levendig, en de één voor, de

andere nà, verhaalde nu aan den kapitein zijn wedervaren op dien dag, en

natuurlijk biechtte ook de kapitein zijne avonturen op, hoewel hij veel

van hetgeen Rebecca betrof, en wat hij niet voor ieders ooren geschikt

achtte, voor zich hield om het den luitenant later mee te deelen.

--En waart gij niet bevreesd herkend te worden? vroeg de luitenant.

--Ja, daar was ik nu en dan wel eens bevreesd voor als de Arabieren of

Mooren mij zoo onderzoekend aankeken. Maar, Goddank! dat duurde slechts

een half uur. Toen waren wij buiten de stad. Maar die hevige regen van

gisteren avond noodzaakte ons een grooten omweg te maken, anders waren

wij reeds eer hier geweest.

Intusschen had de luitenant last gegeven de goederen op de beesten te

laden en alles klaar te maken voor de afreis. Dit spoedige vertrek

geschiedde op raad van Aroesi, die bevreesd was, dat de fanatieke

bevolking van Fez het wel eens in het hoofd kon krijgen, om de

Christenen op te sporen en te vervolgen. En daar men licht kon weten

vanwaar ons gezelschap gekomen was, werd er besloten om, ten einde alle

mogelijke vervolging te vermijden, een anderen weg voor de terugreis te

kiezen.

Een paar uren later trok de kleine karavaan, thans met twee personen

vermeerderd, behoedzaam en zich zooveel mogelijk verborgen houdend,

voort op den weg, die van Fez naar Mechinez loopt, welke stad, de parel

van Marokko genoemd, op vijftig kilometer afstand van Fez ligt.

Dat was eene hitte op dien dag! En het was nogal nà den middag, dat wil

zeggen na de grootste hitte. Het was dan ook bijna onmogelijk voort

te trekken. Daarbij kwam de eentonige landstreek, die niets anders

opleverde dan wat men op de heenreis dagen lang had gezien: bebouwde

velden met graan, gierst enz. Het eenige verschil bestond op sommige

plaatsen daarin, dat men aan het maaien was. Hier en daar stonden een

paar mastboomen of dwergpalmen. Men passeerde kleine uitgedroogde

riviertjes en alles zag er dor en droog uit. Eindelijk dwong eene hitte

van 42 graden Celsius (107° Fahrenheit) ons gezelschap de eenige

overgeblevene tent op te slaan. Selam, Mohammed en de drijvers, die

hunne tent zeer misten, hadden echter spoedig een paar lange takken

afgesneden, en na die op een paar meter van elkaar in den grond te

hebben gestoken, zoodat zij een vierkant vormden, boog men de topeinden

naar elkaar toe, bond die te samen en wierp er alle kapmantels over, die

men kon missen. Zoo was men ten minste eenigermate tegen de brandende

hitte beveiligd.

--Wat een hitte! zuchtte de luitenant.

--O, zeide de kapitein, wees maar stil; we hebben nog maar tweehonderd

mijlen vóór ons.

--En de zekerheid van elken dag zoo'n hitte te hebben, zeide de

luitenant.

--Een prettig vooruitzicht! merkte Dries aan.

Men beproefde te slapen, doch daar was geen denken aan. Men bleef stil

liggen totdat de insecten zich begonnen te vertoonen, en deze droegen er

niet weinig toe bij om onze vrienden wanhopend te doen worden. Toen het

al te erg werd, bestrooide men den grond weder met kruit, en dat hielp.

Eindelijk, na langen tijd rusteloos te hebben liggen wenden en keeren,

gelukte het hun laat in den nacht in slaap te komen.

Den tweeden en derden dag was het eveneens heet. De hitte verminderde

niet, ja vermeerderde eer. Voor het overige bracht het tamelijk drukke

verkeer op den weg tusschen Fez en Mechinez een weinig afwisseling in

den marsch. Men ontmoette troepen Arabieren met hunne zeissen, die

uit maaien gingen, groote karavanen van beladen kameelen, paarden, vee

enz.; dat alles ging naar de markt. Daardoor ook werd men gewaar dat men

Mechinez naderde, en den derden dag van de terugreis zag men tegen den

avond opeens op een heuvelrug de stad vóór zich, omgeven van muren

waarboven witte minarets en palmen uitstaken.

Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen · 第 16 / 22 段