Eenige oogenblikken daarna verscheen de schoone Rebecca weder aan den

ingang en over haren schouder keek het gelaat van een oud man. Hij

schoof het meisje zonder complimenten op zijde, en trad onder het maken

van een aantal buigingen glimlachend nader.

--Wees welkom, Christen! in het huis van den ouden Isaäc. God zegene

u voor de eer mij aangedaan. 't Is al vijf jaren geleden, dat ik een

fatsoenlijk Christengelaat heb aanschouwd en mijn hart is verheugd, nu

ik weder eens met een beschaafd man kan spreken. Maar kom in huis, bid

ik u, reeds te lang hebt ge buiten verwijld. Gij zult wel vermoeid zijn

en er behoefte aan hebben om u te verfrisschen en met een goed maal te

versterken!

Dit zeggende stapte de Israëliet met een minzaam gebaar het huis binnen,

en de kapitein volgde hem na een blik op Rebecca te hebben geworpen.

Deze was, na door den ouden man zoo ruw op zijde te zijn geschoven,

blijven staan, doch eene snelle samentrekking der wenkbrauwen deed

bemerken, dat zij boos was. Eene zonderlinge uitdrukking van haar gelaat

toen zij den man nakeek, wekte bij den kapitein het vermoeden, dat zij

hem niet erg genegen was.

Toen de kapitein de deur intrad, ontmoetten hare oogen de zijnen en de

toornige uitdrukking maakte plaats voor een donkerrooden blos die zich

over haar gelaat verspreidde. Zij sloeg de oogen verlegen neder voor den

vrijmoedigen blik van den Franschman.

Het huis, of liever de kamer, waarin de kapitein werd geleid, was

tamelijk groot maar zag er armoedig uit. Het meubilair was een

rommelzoo, waarvan geen twee dingen bij elkaar pasten en alles er even

gebrekkig uitzag.

Nadat de kapitein daar eenige oogenblikken had vertoefd, bracht de Jood

hem naar eene kleine benauwde kamer of hokje, dat door een getralied

raampje op den tuin uitzag en eene slaapkamer scheen te zijn, althans te

oordeelen naar de meubelen en de verschillende kleedingstukken, die op

eene rij tegen den wand hingen. Hier verfrischte de kapitein zich door

een bad, en na zich eens flink gewasschen en zijne kleeding van stof

gezuiverd en wat in orde gebracht te hebben, trad hij de kamer weder

binnen.

Een sober avondmaal stond daar voor hen gereed, doch de kapitein had

honger, en hij deed zich recht te goed aan het onooglijke zwartachtige

brood met eieren en koffie.

Toen hij gereed was, schoof hij zijn stoel een weinig dichter naar de

praatzieken grijsaard, die reeds al dien tijd had zitten babbelen, en

begon zijn wedervaren van dien dag te verhalen.

De Jood sloeg de handen in elkaar, toen hij in korte trekken de

avonturen van den kapitein vernam, en kromp ineen van vrees, als gold

hem de vervolging, toen de kapitein verhaalde, hoe dikwijls hij in

gevaar was geweest.

Geheel anders was het met Rebecca. Met de handen achter zich stond zij,

recht over den kapitein tegen den muur geleund, achter den Jood. Als de

kapitein sprak van het gevaar, waarin hij telkens had verkeerd om in

handen der dweepzieke Mooren en Arabieren te vallen, opende zij wijd

hare fraaie oogen, terwijl zij met ingehouden adem luisterde en de

handen op de borst drukte, als om het hevige jagen van haar boezem te

beletten. Bij de schildering zijner worstelingen, waarin hij overwinnaar

bleef, werd het zwakke meisje als het ware meegesleept door de vurige

krachtige taal van den Franschman en kleurde een donkere gloed hare

wangen.

Nu en dan wierp de kapitein een snellen blik op die schoone gestalte,

en kon niet nalaten met bewondering te zien op die lieve bloem,

prijkende in zoo'n doodsche, akelige omgeving.

Het gesprek kwam ten laatste ook op de Joden en hunne levenswijze te

Fez.

--Wij wonen allen bij elkaar, zeide de Jood. We hebben onze eigene wijk,

den Mellah. Wij mogen den God onzer vaderen dienen en hebben slechts

eene matige belasting op te brengen. 't Is waar, wij zijn niet altijd

even veilig, de Mooren zijn dweepziek; doch wij maken hier goede zaken

en dat is de hoofdzaak. Het grootste gedeelte van den handel is in onze

handen en het is voornamelijk de geldhandel, die ons voordeel oplevert.

Met dat al moeten we jaren en jaren zwoegen en werken, eer wij een

duitje bij elkaar hebben.

Terwijl hij zoo sprak, teekende zich op Rebecca's gelaat eene groote

minachting, en eene ongeduldige beweging verried den kapitein haar

drift. Echter sprak zij geen woord.

--Gevoelt ge nooit lust om naar het beschaafd Europa weer te keeren?

vroeg de kapitein.

--Ach! zeide de Jood klagend, hoe zou ik het kunnen? Wat ik heb

bijeenvergaard is nog ternauwernood voldoende voor mijne schrale

levenswijze. Ik ben oud en kan weinig meer uitvoeren. Dikwijls denk ik

aan het schoone Spanje, waar ik mijne jeugd heb doorgebracht. Ik gevoel

lust er weder te keeren om den korten tijd, die mij op aarde overblijft,

daar in rust te slijten, maar dat gaat niet. Mijn geld zit in

verschillende zaken mijner geloofsgenooten; zoo ik vertrok, ware het

verloren en zonder dat zou ik niet kunnen leven.

Eene plotselinge ongeduldige beweging van Rebecca trok de aandacht van

den kapitein. Haar gelaat was rood van toorn en zij schudde het hoofd op

heftige wijze als om te kennen te geven, dat de Jood onwaarheid sprak.

Het werd intusschen donker in de kamer.

--Rebecca! zeide de Jood, steek licht aan.

Het meisje trad naar het midden der kamer, waar eene oude roestige

lichtkroon hing en ontstak een paar kaarsen. De Jood volgde scherp

toeziende al hare bewegingen.

--Maar meisje, wat doet ge nu? riep hij plotseling; twee kaarsen te

ontsteken, waartoe dient toch die verkwisting? Is één niet reeds genoeg?

Zij trok toornig de wenkbrauwen samen, toen zij zich omwendde en den

Jood in het gelaat zag.

--Ik dacht oom, dat gij van avond ter eere van uwen gast wel een kaars

meer durfdet branden, zeide zij scherp.

--In Godsnaam dan, zeide de Jood met eene diepe zucht en hij wierp zich

achterover in zijn stoel, als iemand die in iets verschriklijks moet

berusten.

Intusschen had de kapitein aan zijne vrienden gedacht en begon zich nu

ook de vraag te doen, hoe hij uit Fez zou komen. Hij was voorloopig

veilig, maar kon hier toch onmogelijk blijven. Wie weet wat er

voorgevallen was en hoe zijne vrienden hem konden noodig hebben. Hij

pijnigde zich tevergeefs af door allerlei plannen te maken en besloot

ten slotte den Jood te raadplegen.

--Ja, zeide deze, dat is geen gemaklijk te beantwoorden vraag. Het beste

zou zijn, dat gij van de duisternis partij trokt om nog heden de stad te

verlaten.

--Maar oom! viel Rebecca hem in de reden, hoe kunt ge zoo iets zeggen?

Gij weet hoe onveilig het zelfs voor ons in den avond is, zoodat wij ons

bijna niet op straat durven vertoonen.

--God zegene me! zeide de Jood, daar bemoeit ge u weer met zaken,

waarvan gij geen verstand hebt. Hij kan toch op klaarlichten dag mijn

huis niet verlaten. De Mooren zouden mij spietsen of ophangen. Gij denkt

niet eens om onze veiligheid!

--Ik wil in geenen deele uwe veiligheid in gevaar brengen, zeide de

kapitein. Bezorg mij slechts een Moorsch kostuum om mij te vermommen, en

ik vertrek oogenbliklijk. Hier hebt gij geld! en hij haalde eenige

goudstukken uit den zak.

De oogen van den Jood fonkelden; met eene haastige beweging greep hij de

geldstukken van de tafel en bekeek ze onderzoekend.

Rebecca wierp een smeekenden blik op den kapitein.--Oom! zeide zij met

aandrang, als mijnheer zich moet vermommen, kan hij ook evengoed op den

dag vertrekken.

--Hm, zoo, ja! zeide de Jood, door het gezicht van het geld verteederd;

misschien was dat beter.

--Waarom zou ik nu maar niet vertrekken? zeide de kapitein.

--Omdat gij groot gevaar zoudt loopen het leven te verliezen, zeide

Rebecca snel. De poorten zijn nu reeds gesloten en de wachten zullen u

niet doorlaten. Eene poging om uit de stad te komen zou den argwaan

slechts opwekken, terwijl morgen op den dag niemand op u zal letten.

Zij sprak zoo overredend en op zoo angstigen toon, dat de kapitein

overtuigd werd. Bovendien hadden hare schoone oogen hem geheel

betooverd.

De Jood had op het geheele gesprek geen acht geslagen. Met de wellust

des gierigaards liet hij de goudstukken door de handen glijden.

--Goed goud! mompelde hij bijna onhoorbaar op vergenoegden toon,

deugdelijk geld, daar zijn zaken mede te doen.

De kapitein wekte hem uit zijne overpeinzing.--Nu, zeide hij, hoe denkt

mijn gastheer er over? Wilt gij mij toestaan hedennacht bij u te

verblijven, dan wil ik u gaarne voor de moeite, die ik u veroorzaak,

schadeloos stellen.

--Ik geloof dat Rebecca gelijkheeft, zeide de Jood. Het is beter dat ge

blijft, en zich tot het meisje wendende zeide hij: Zorg er voor de

blauwe kamer voor mijnheer gereed te maken.

--Nu dat afgesproken is, vervolgde hij, zich tot den kapitein wendend,

zal ik voor een kostuum gaan zorgen en moet dus eenige oogenblikken uw

aangenaam gezelschap verlaten. Zaken gaan voor, mijn waarde heer!

De kapitein knikte en de Jood, na een lang donkergekleurd kleed, een

soort van kabaai, te hebben omgeslagen en een rooden zijden doek om het

hoofd te hebben geknoopt, vertrok. Even nog stak hij het hoofd binnen om

zijne nicht toe te roepen, dat zij het mijnheer toch vooral aan niets

zou laten ontbreken.

De kapitein was thans alleen met zijne schoone redster.

--Ge hebt u boosgemaakt? zeide de kapitein vragend.

--Wie zou zich niet boos maken op den ellendigen geldwolf en leugenaar?

zeide Rebecca. Zie, toen hij u daarstraks al die leugens op de mouw

speldde, kookte mijn bloed.

--Sprak hij inderdaad onwaarheid? vroeg de kapitein.

--Of hij onwaarheid sprak? zeide Rebecca opgewonden. Leugens sprak hij,

toen hij zich arm hield; hij, de millionair! Leugens, toen hij van zaken

sprak, hij, de woekeraar, die niet alleen zichzelf het noodige onthoudt,

maar zijnen broeder in het geloof, die bij hem komt om geld, uitzuigt

erger dan de kaïd of de gouverneur; leugens, toen hij sprak over de

verhouding tusschen de Joden en Muzelmannen, en van jaren zwoegens om

iets te verdienen, en van de verdraagzaamheid der Mooren. Ziet ze na,

zooals zij daar gaan door de straten van Fez, mijne geloofsgenooten. Op

de bloote voeten moeten zij loopen, zoodra zij buiten hunne wijk komen.

Geen versiersel durven zij te vertoonen. Tegen den Mahomedaan, die u een

slag in het gezicht geeft, moogt ge de hand niet opheffen, niet eens u

verdedigen als ge wordt aangevallen; slechts in uwe woning moogt ge

tegenweer bieden.

De kapitein keek bewonderend naar haar op, en zij was schoon in haar

toorn, zooals zij daar stond met fonkelende oogen, een hoogrood over het

gelaat verspreid en de handen op de borst gedrukt.

--En dat is nog niet alles, vervolgde zij. Voor de rechtbank mag een

Israëliet niet getuigen en slechts met het hoofd ter aarde gebogen

antwoorden. Zij mogen niet te paard rijden en geene bezittingen buiten

hunne wijk hebben. Slechts eene donkere kleeding is hun geoorloofd

te dragen. Belastingen worden naar willekeur geheven. Vóórdat de zon

is ondergegaan, moeten zij in de Jodenbuurt zijn en mogen die vóór

zonsopgang niet verlaten. Aan den Sultan moeten zij vergunning vragen

om te huwen en dergelijke zaken meer. En alsof die onderdrukking, die

uiting van fanatieken haat tegen de levenden niet genoeg is, strekt

deze zich ook nog tot de dooden uit, want in plaats dat wij onze dooden

eene passende begrafenis mogen geven, moeten deze op een draf naar het

kerkhof gedragen en snel onder de aarde gestopt worden, uit vrees voor

ontreiniging. Is het nu niet aanloklijk om hier te blijven?

Zij stond daar vóór den kapitein, de fiere gestalte met bliksemende

oogen, wier gelaat van verontwaardiging gloeide, en de kapitein,

betooverd door haar hartstochtlijke taal, gloeide evenals zij van

verontwaardiging.

--En duldt uw volk dat? vroeg hij.

--Ja, helaas! dat duldt mijn volk. O, 't is niet meer het Israëlitische

volk van vroeger. Zij laten zich trappen, mishandelen en dooden, en

hebben slechts luide weeklachten daar tegenover te stellen. Zie, wanneer

ik een man was, zou ik zoo iets niet dulden. Ik zou mijn volk willen

opwekken. Ik zou hun willen toeroepen: Schudt af dat juk van slaafsche

vernedering! Stoot neer dien Moor, die u een slag in het aangezicht

geeft. Staat op, grijpt de wapenen op tegen uwe onderdrukkers; en

vertrekt uit dit barbaarsche land, zooals gij weleer uit Egypteland

zijt getrokken, toen Farao u liet versmachten in harde dienstbaarheid!

Zie, dat alles zou ik willen doen, maar ik zal het niet. De bevreesde

kinderen Israëls zouden mij uitlachen en bespotten. Zij blijven liever

hier en verdragen alles, wanneer zij maar kunnen schacheren en woekeren.

Voor elke beleediging hun aangedaan, nemen zij revanche door eenige

percenten meer te nemen. Ziedaar hunne ellendige wraak! eindigde zij,

schamper lachende.

--Mijn God, zeide de kapitein, hoe is het mogelijk, wat ellend...

vergeef mij, ik wilde zeggen, wat deemoedig volk.

--O, zeg het maar, hernam zij bitter, voleindig maar; mij zult ge er

niet mede kwetsen! Ja, 't is een ellendig volk; dit openbaart zich 't

meest in de verachtelijke rol, die zij bij alle gelegenheden, ieder

op zijne beurt, spelen. Wanneer de soldaten van den Sultan van hunne

moordtochten terugkomen, beladen met de afgehouwen hoofden hunner

vijanden, worden deze aan de poorten der verschillende steden

tentoongesteld. Welnu, zoodra zoo'n bezending koppen aankomt, wordt de

een of andere Jood geprest die koppen de hersenpan te verbrijzelen, er

de hersenen uit te nemen en de holte op te vullen met werk en zout. Ik

geloof niet, dat er ooit een den moed heeft zich tegen zoo'n handelwijze

te verzetten. Men prest hen tot de afschuwlijkste dingen. Onder de

regeering van Sultan Soliman werd den Israëlieten vergund op straat

pantoffels te dragen. De Mooren, woedend over dit besluit, vermoordden

op klaarlichten dag alle Joden, die zich op straat vertoonden. En wat

deden zij? Toen was de maat dan toch overvol, toen scheen het dan toch,

dat de tijd was gekomen om op te staan tegen de gehate dwingelanden.

Niets van dat alles! Zij haastten zich om naar den Sultan te gaan en van

dezen in het stof kruipend de intrekking van het besluit te verzoeken.

--En ondanks dat alles blijven zij hier? zeide de kapitein. Een dwaas,

die zich hun lot aantrekt. Een volk, dat zich laat trappen, zal nooit de

kracht terugkrijgen om zich op te heffen.

--Ja, zeide Rebecca, gij hebt gelijk. Geld verzamelen is hun eenig doel,

en waarom? Om het ten laatste weg te bergen of in den grond te begraven

ten einde den argwaan en de hebzucht der Mooren niet op te wekken.

O, ik haat Fez, die gevloekte stad, dat hart van het barbarisme en de

onverdraagzaamheid, en ik heb een afkeer van mijn zoo diep gezonken

volk!

De kapitein verzonk in diep nadenken; sedert eenige oogenblikken was bij

hem eene gedachte opgekomen, die hem geheel bezighield.

Opeens hief hij het hoofd op en greep de hand van het meisje, dat voor

hem stond. Zij liet hem die en staarde hem verwonderd aan, maar bij die

aanraking verbleekte zij.

--Gij haat Fez en hebt een afkeer van uw volk, zeide de kapitein, hare

eigene woorden gebruikende, en zeker is er niemand van wien ge houdt of

aan wien eenige band u bindt?

--Niemand! zeide zij met doffe stem en op bitteren toon. Ik ben minder

dan eene dienstmaagd bij mijnen oom, van wien ik, voor het werk dat ik

verricht, nog niet eens het noodige voedsel en de noodige kleeding

ontvang en eene harde behandeling op den koop toe.

--Welnu, zeide de kapitein, wilt ge Fez, wilt ge uw oom verlaten, wilt

ge met mij medegaan naar het beschaafd Europa, naar Frankrijk?

Zij staarde den kapitein als ontzet aan en een onuitspreeklijk blijde

toon lag in hare stem, toen zij zeide:

--Ik zou Fez verlaten, met u medegaan, onder beschaafde menschen

verkeeren?

--Ja, zeide de kapitein, waarom niet?

--Neen, antwoordde zij, 't was eene illusie van mij; ik dacht er niet

aan, dat ik gebonden ben door de wet. En haar schoon gelaat werd wit als

marmer.

--Hoe, vroeg de kapitein, wat belet u mijn voorstel aan te nemen?

--De wet van den Sultan, zeide zij, die eene Joodsche vrouw verbiedt Fez

of Marokko te verlaten.

--Wat! riep de kapitein toornig, houdt men zoo de Joden te Fez? Maar dat

is schandelijk!

--Niet waar? zeide Rebecca, en een tranenvloed ontsprong aan hare oogen.

Dat was meer dan de kapitein kon verdragen.--Welnu! zeide hij, wanneer

ik u wil medenemen, zou ik den man wel eens willen zien, die zich

daartegen zou verzetten. Bovendien kunt gij u kleeden als de Moorsche

vrouwen, en onder den sluier zal men geene Jodin zoeken. Voor het

overige, ik heb een sterken arm en mijne dappere Hollanders zullen mij

terzijdestaan.

Rebecca sprong op van vreugde, en eer de kapitein het verhoeden kon,

viel zij op de knieën.

--O, heb dank! riep zij uit; ja, neem mij mede, ik wil uwe dienstmaagd,

uwe slavin zijn, maar red mij uit dit land.

--Neen, zeide de kapitein, niet mijne dienstmaagd en niet mijne slavin,

maar mijne vrouw zult ge zijn als ge wilt, en hij hief haar op van den

grond.

--Wat, riep zij, uwe vrouw, ik de vrouw van een kapitein van het

Fransche leger! Ik, de arme verachte Jodin? en zij deed een stap

achteruit, den kapitein aanziende of hij ook met haar spotte.

--Nu, waarom? zeide de kapitein haar hand vattend. Waarom zoudt ge dat

niet kunnen worden als ik het wil, tenzij gij uwe liefde niet aan mij

zoudt kunnen schenken?

--Stil, riep zij snel, stil, spreek zoo niet. Neen, ik dacht dat gij met

mij spottet. Ik kon mij zoo'n groot geluk niet voorstellen.

De kapitein trok haar glimlachend tot zich en sloeg zijne armen om haar

heen. En toen hij hare schoone armen om zijnen hals voelde, toen hij

staarde in die schoone oogen, half gevuld met tranen van geluk en

vreugde, toen hij haar warmen adem over zijn gelaat voelde strijken en

dien vollen boezem tegen zich aangedrukt voelde zwoegen en zwellen van

het nameloos geluk, dat hij in hare oogen las, toen boog zij het hoofd

en drukte een langen, innigen kus op die bevende, brandende lippen en

staarde haar lang aan vóór hij haar losliet.

Een geschuifel in den gang stoorde het minnend paar in hun zoet geluk.

Het was de oude Isaäc, die terugkwam, beladen met verschillende Moorsche

kostuums.

In het kort verhaalde nu de kapitein, toen Rebecca zich op een wenk van

hem had verwijderd, wat er in zijne afwezigheid had plaats gehad. En

schoon de Jood zeer verwonderd was, gleed eene duidelijke uitdrukking

van vreugde over zijn gelaat. Hij beschouwde het als een groot geluk

aldus van een meisje af te komen, dat hem zoo verschriklijk veel kostte

in dezen duren tijd. Hare diensten rekende hij voor niets. Haar zoo

gemaklijk kwijt te raken, voor wie de tijd van in dit land te huwen

reeds lang voorbij was, rekende hij als een buitenkansje. Want de

Jodinnetjes in Fez huwen reeds op haar tiende en twaalfde jaar. Het is

eene zeldzaamheid, dat een ouder meisje huwt; voor Rebecca, die reeds

ruim zestien jaar oud was, was dus alle kans verkeken. Trouwens, zij

had ze steeds versmaad, die woekerende, schacherende jongelieden, wier

geheele ziel reeds was ingenomen door hetgeen zij zoo hevig verachtte en

haatte.

Met behulp van Rebecca zocht de kapitein nu een passend kostuum uit.

In plaats van het schitterende gewaad van den rijken Moor nam hij

het eenvoudige kleed van den bediende, en verzocht Isaäc nu ook een

vrouwenkostuum te willen medebrengen, dat geschikt was voor eene

Moorsche vrouw uit den bemiddelden stand. Isaäc voldeed volgaarne aan

dien wensch, want hij maakte dien avond dubbel goede zaken.

De vlucht werd bepaald op den anderen morgen vroeg, en nu alles geregeld

was, begaf de kapitein zich ter ruste om Rebecca niet te hinderen in

hetgeen zij nog had te verrichten.

Wat ging zij blijmoedig aan den arbeid, wat schitterden die oogen van

genot, wat klonk die stem vol en helder door het huis, waarin zoo langen

tijd geen vroolijk lied was gehoord. Het was haar te moede als ging zij

morgen naar een feest, in plaats van eene wisselvallige gevaarlijke reis

te ondernemen. De koortsachtige gejaagdheid verdreef den slaap van hare

oogen, en nooit werd door iemand de aanbrekende dag met zooveel vreugde

begroet als door Rebecca den dag van haar bevrijding, den dag van haar

geluk!

XVII.

AAN DEN OEVER VAN DEN PAARLSTROOM.

Het wordt tijd dat wij terugkeeren tot de overige personen van ons

verhaal, die wij onwillekeurig uit het oog hebben verloren.

Nadat Selam en Dries zich zwemmende hadden gered, stapten zij langs den

oever van den Paarlstroom met haastigen tred voort om het kamp bijtijds

te bereiken. Zij waren de eersten van de vijf personen, die het

vereenigingspunt, het kamp, bereikten.

Mohammed liep onrustig heen en weer, bezorgd als hij was over het lang

uitblijven van het gezelschap, en toen hij onze vrienden nat en beslijkt

zag aankomen, begreep hij dadelijk dat er iets voorgevallen was. De arme

jongen was ontroostbaar over het lot van den kapitein.

In allerijl begon men nu de bagage in te pakken om ze op de kameelen

te laden, ten einde zoo noodig spoedig een goed heenkomen te zoeken.

Ongelukkig waren de kameelen een groot eind al grazende afgedwaald en

kostte het veel moeite eer men de onwillige dieren, die niet gaarne de

weide verlieten, in het kamp had teruggedreven.

Terwijl men hiermede bezig was, kwam Aroesi aan en weldra was, dank zij

diens voortvarende hulp, een der kameelen beladen met de voornaamste

voorwerpen, waaronder zich alles bevond wat men op de reis had

opgezameld.

Aroesi had intusschen Selam uitgezet als wacht om een wakend oog

over de streek te laten gaan, en deze voorzorg bleek gansch niet

overbodig. Nauwlijks toch had Selam eenige oogenblikken op den heuveltop

doorgebracht, of zijn scherpen blik bemerkte eene buitengewone drukte

langs den oever en weldra kwam hij tot de zekerheid, dat de groote bende

volks, die steeds den stroom volgde, geen goede bedoelingen had.

Hij stormde den heuvel af en deelde mede wat hij had gezien. Men was nog

in het geheel niet klaar met inpakken. De twee tenten stonden daar nog,

benevens de veldbedden en eenige andere dingen. Met vereende krachten

wist men de groote tent op een der kameelen te laden, maar toen was het

ook tijd om op te breken, want de troep naderde snel. Selam en Mohammed

bestegen hunne ezels, de kameeldrijvers namen hunne dieren bij den toom

en Aroesi en Dries bestegen de paarden, terwijl Dries het derde paard

medevoerde. Met een enkelen oogopslag overzag Aroesi den kleinen stoet,

plaatste zich aan het hoofd, en liet toen het voorwaarts hooren.

--Waar heen? vroeg Dries.

--Volgt mij slechts, zeide Aroesi, ik zal u in veiligheid brengen.

--Goed, zeide Dries, wij volgen.

Na een eind onder bedekking van een heuvel te zijn voortgegaan, daalde

Aroesi af in den stroom. Het was eene ondiepe plaats en de dieren gingen

slechts tot den buik in het water. Meer moeite veroorzaakte de oneffen

bodem, doch na korten tijd was men aan de overzijde, waar men langs een

dicht hoog kreupelhout voortmarcheerde. Eenige oogenblikken later sloeg

Aroesi links af naar een smallen bergweg. Deze was niet meer dan een

kwartier gaans lang en toen kwam men aan eene open vlakte met een bont

bloemtapijt getooid. Deze vlakte stak men dwars over en achter het

dichte groen zag men plotseling uitgestrekte korenvelden voor zich,

tusschen welke men de donkere toppen van een paar tenten zag uitsteken.

--Hier zijn we veilig, zeide Aroesi. Deze velden behooren mij en hier

kunnen wij ons verborgen houden tot we allen vereenigd zijn, wat God

geve!

Door het dichte koren gaande, hetwelk zoo hoog was, dat men niets

bemerkte van den ruiter die er doorheen reed, was men weldra bij de

tenten. Deze waren verlaten. Men ontlaadde de kameelen en liet de last-

en rijdieren zich te goed doen aan het malsche gras, dat op de kleine

vlakte rondom de hutten groeide. Toen, daar men hier voorloopig voor

niets had te vreezen, begaven Aroesi en Dries zich naar den stroom om te

zien wat er voorviel.

Nauwlijks waren onze beide vrienden den stroom doorgegaan, of zij bleven

opeens als op commando staan en zagen verwonderd voor zich uit, daar

zich boven de heuvels plotseling een roode gloed afteekende tegen het

azuur der lucht.

--Ha, zeide Aroesi, de schurken hebben de tent in brand gestoken; kom

mee, laten we zien wat er voorvalt! en zij ijlden zoo snel als zij

konden naar de heuvels, waar zij zich nederlegden om onder bedekking van

eenige struiken te kunnen zien, zonder gezien te worden.

Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen · 第 15 / 22 段