De luitenant keek voorzichtig over de borstwering en vergat een

oogenblik bijna, dat hij vervolgd werd, om te genieten van het

verrassende gezicht, dat deze massa daken hem opleverden, die hij overal

rondom zich zag. Het eene laag, het andere hoog, kleinen en grooten, en

allen bevolkt met vrouwen, want de dakterrassen zijn het eigendom van

den harem, waar de vrouwen der Mooren en Arabieren zich amuseeren.

Overal was leven en beweging, vrouwen van allerlei ouderdom en kleur

vermaakten zich als kinderen met hare dartele spelen. De meesten droegen

een lang afhangend kleed, een soort van kaftan van allerlei kleuren en

een gekleurden zijden doek om het hoofd gebonden, waaronder bij de

meesten een paar buitengewoon lange haarvlechten te voorschijn kwamen.

De kaftan was om het midden gesloten door eene hemelsblauwe of vuurroode

ceintuur. Bovendien droegen zij nog een vest of jakje zonder mouwen, dat

openhing. Uit de wijde mouwen van den kaftan staken de fraai gevormde

armen en handen met de door middel van hennep gekleurde nagels. Onder

het korte gewaad kwam de wijde broek uit; de naakte voeten, met kostbare

ringen om de enkels, waren in gele pantoffels gestoken.

Dit alles zag de luitenant, en het was waarlijk geen wonder, dat hij den

toestand, waarin hij was, geheel vergat. Doch hij werd al spoedig door

een groot geraas op de trap uit zijne beschouwingen gewekt. Snel wendde

hij zich om, juist nog bijtijds om den dolksteek van den Arabier te

ontgaan, die stil achter hem geslopen was. Het was de gewaande heilige.

--Ha, ellendige sluipmoordenaar! riep de luitenant uit, op hem

toespringende; ditmaal zult ge mij niet ontgaan! en terwijl zijne

linkerhand den kerel de keel dichtkneep, zocht hij met de rechter zijn

ponjaard.

--Sterf, vervloekte Christen! Wraak voor mijn broeder! gilde de kerel en

deed een stoot naar den luitenant.

Doch op hetzelfde oogenblik dat zijn dolk den luitenant de wang

schramde, stiet deze den heilige den dolk in de borst.

De kerel stortte brullende achterover, terwijl hem het bloed uit de wond

vloeide.

Dit alles was sneller geschied dan het kan beschreven worden, en de

luitenant had nauwlijks zijnen vijand nedergestooten, of hij hoorde de

overigen van den troep naderen.

Toen kreeg Frank op eens een goeden inval. Hij greep zijn verslagen

vijand bij de beenen, en hem tot aan de opening voortslepende, wierp hij

hem met inspanning van alle krachten naar beneden op de opklimmende

aanvallers.

Een onbeschrijflijk rumoer volgde, want het zware lichaam op den voorste

neerkomende, deed dezen naar beneden tuimelen en op den volgende vallen.

En de geheele troep gespuis, dat zich op de trap verdrong om naar boven

te komen, stortte onder een stroom van verwenschingen en vervloekingen

naar beneden.

Het gedruisch van het gevecht had intusschen de bewoners der naburige

terrassen opmerkzaam gemaakt op hetgeen er gebeurde, en toen de

luitenant over den muur keek om te zien hoe hij het best kon wegkomen,

ontmoette zijn blik honderden schoone oogen, die op hem waren gericht.

De uitwerking zijner verschijning deed hem, ondanks het benarde van

zijnen toestand, in lachen uitbarsten, want de talrijke dames, na hem

eenige oogenblikken verbaasd te hebben aangestaard, vlogen eensklaps

hals over kop weg en verdwenen van de terrassen.

Intusschen begreep de luitenant dat hij moest zien weg te komen, want

zijne vijanden, voor eenige oogenblikken opgehouden, zouden spoedig het

lijk hebben weggeruimd om verwoeder dan ooit op hem aan te vallen.

Na eenige oogenblikken te hebben rondgezien, was zijn besluit weldra

genomen, en vlug sprong hij op den muur die het terras omgaf, vanwaar

hij met een goed berekenden sprong het naastgelegen terras bereikte.

Zoo, van het eene terras op het andere springend, zette hij zijne vlucht

over de daken voort, toen hij tot zijne groote teleurstelling voor eene

breede straat kwam, welker overzijde hij onmogelijk kon bereiken. Hij

blikte rond en wist niet wat te beginnen--de sprong was te groot.

Vooruit kon hij dus niet, teruggaan en eene andere gelegenheid opzoeken,

was evenmin mogelijk, daar zijne vervolgers boven waren gekomen en

besloten schenen hem te vervolgen.

In dezen nood bemerkte de luitenant een verbazend hoogen palmboom, die,

op ruim een meter afstand verwijderd van de plaats waar hij stond, zich

met den top een aanmerklijk eind boven het terras verhief en in den

grooten tuin stond van het huis op welks dak hij zich bevond.

--Ha, riep hij verheugd, 't is mijn goed gesternte dat mij dezen weg

heeft uitgevoerd, en met een flinken sprong bereikte hij den boom en

klom snel naar beneden.

Hij bevond zich in een grooten tuin. Aan weerszijden liep een lange laan

van oranje- en citroenboomen. Een van deze lanen liep hij in, zorgende

de richting te volgen waarin Aroesi had gezegd, dat de Paarlstroom liep.

Ongemerkt snelde hij voort en stuitte aan het einde der laan op een

hoogen muur. Hij heesch zich daartegen op aan de takken der boomen en

keek over den muur. Een andere tuin liep dwars achter dezen. Hij liet

zich behoedzaam afzakken, liep dezen tuin weder door en na vervolgens

zijne vlucht op die manier te hebben voortgezet, bevond hij zich

plotseling aan het eind van een uitgestrekten tuin, waar hij dacht een

muur te vinden aan den oever van den Paarlstroom.

De vermoeide luitenant verborg zich hier in een dicht boschje om een

weinig uit te rusten en te overleggen, hoe hij verder zou handelen.

Aan de overzijde van den stroom lag het nieuwe Fez. Er waren slechts

twee middelen om zijne vlucht voort te zetten, namelijk den stroom over

te zwemmen en zich daar een weg naar eene der poorten te zoeken, of het

bijna onmogelijke en veel gevaarlijker plan om ongemerkt het huis door

te komen, wat hem den overtocht over de rivier zou besparen. Voor beide

wegen echter had hij de duisternis noodig, daar het onmogelijk was zich

in zijne kleeding van Christen in Fez te vertoonen. Wijslijk besloot hij

dus den avond af te wachten, en intusschen te overleggen welke uitweg

hem het best toescheen. Hij zette zich in het dichtst van het boschje

neder, en daar er geen teeken van leven in den tuin te bespeuren was,

stak hij eene sigaar aan en bleef wachten.

Hoe was het intusschen met de overigen van het gezelschap gegaan?

Toen men in den tuin was gekomen, snelde een ieder naar een punt van den

muur om er over te klimmen. Selam en Dries waren er in een oogenblik

over. De kapitein, die aan een anderen hoek over den muur was geklommen,

kwam daardoor in een anderen tuin terecht dan die, waar Dries en Selam

waren. Wat Aroesi betreft, zich plotseling alleen ziende, begreep hij,

dat het 't best was voor zichzelf te zorgen, en door zijne bekendheid

met de naburige gebouwen was hij binnen korten tijd, na een paar muren

te zijn overgeklommen, in eene naburige straat. Hij begreep echter zeer

juist, dat naar huis te gaan gelijkstond met den dood te gemoet te

snellen, en daar hij tevens inzag dat de stad Fez voortaan geen veilige

woonplaats meer voor hem was, besloot hij zich naar het kamp bij zijne

vrienden aan den oever van den Paarlstroom te begeven. Onopgemerkt wist

hij de stad te verlaten en volgde toen behoedzaam den oever.

Dries en Selam, die in elkanders gezelschap bleven, wisten, dank

zij Selams bekendheid met Fez, na gedurende een half uur over muren

geklommen en door tuinen gedwaald te hebben, den oever van den

Paarlstroom te bereiken. Toevallig waren zij een groot eind van den

rechten weg afgedwaald, en kwamen zij dicht bij de wallen der stad uit.

Die buitenwijk was als uitgestorven; geen levende ziel zag men in de

straten en deze omstandigheid redde hen. Zonder aarzelen wierpen zij

zich in den stroom en zonder gedruisch voortzwemmende, waren zij na

een minuut of tien zwemmens buiten de stad. Toen snelden zij, zonder

opgemerkt te zijn zoo spoedig hunne vermoeide ledematen het toelieten

naar de legerplaats, in de hoop tijdig genoeg aan te komen om de rij-

en lastdieren en de bagage te redden.

Was het hun betreklijk gemaklijk gevallen om te ontsnappen, niet alzoo

den kapitein. Nadat deze toch in den tuin was doorgedrongen en een paar

muren overgeklommen, zag hij zich opeens, na een zeer hoogen muur met

behulp van de daarbij staande boomen te zijn overgekomen, te midden van

een gezelschap vrouwen, die, evenals de luitenant zulks op de daken had

gezien, zich in dien tuin vermaakten met allerlei vroolijke spelen. De

plotselinge verschijning van een man in den tuin van de harem deed onder

de dames een grooten angst ontstaan en gillende vloden zij naar huis.

Eer de kapitein van zijne verbazing was bekomen, trad er van achter een

boschje citroenboomen een Moor te voorschijn, die met den dolk in de

hand op hem toesnelde. Aanstonds haalde de kapitein zijne revolver voor

den dag, maar de woedende Moor deed een schel gefluit hooren, in een

oogwenk verschenen drie bedienden, eveneens met dolken gewapend.

--Ha, ha! zeide de kapitein, het begint meenens te worden. Komaan

schurken, uit den weg! en hij snelde naar den muur.

Doch de Mooren sprongen hem snel achterna en de kapitein had nog slechts

den tijd om zich om te wenden, en zich met den rug tegen den muur

plaatsende, maakte hij zich gereed tot verdediging.

De drie bedienden schenen er echter niet veel zin in te hebben om een

kogel in den kop te ontvangen, althans zij bleven op een eerbiedigen

afstand; maar de Moor, die klaarblijklijk de huisheer was, drong verwoed

op den kapitein in.

--Het schijnt, dat gij met alle geweld een kogel wilt hebben, zeide de

kapitein. Welnu, ziedaar! en hij schoot twee zijner loopen af.

De Moor liet den dolk vallen en stortte voorover.

Toen stoven de verschrikte bedienden gillend en schreeuwend uiteen, en

de kapitein maakte van deze gelegenheid gebruik om snel over den muur te

klimmen.

Maar het alarm achter hem bracht ook de naburige huizen in beweging, en

weldra zag men overal hoofden verschijnen, die naar de oorzaak van al

dat leven uitkeken.

--Mordieu! zeide de kapitein, ik geloof dat ik in een waar wespennest

zit. Hoe er uit te komen? En hij klauterde weder over een tuinmuur.

Hij was er echter spoediger uit dan hij had gedacht, want nauwlijks had

hij zich laten afglijden, of hij zag dat hij zich in eene straat bevond.

--Oef! zeide hij, ik ben ten minste uit die vervloekte tuinen. Zien we

nu goedschiks naar eene der poorten te komen.

Maar terwijl hij zich gereedmaakte om de straat in te gaan, sprongen

twee Mooren over den muur en schoten op hem toe. Men kon zien, dat zij

zich in allerijl hadden gewapend, want de een was met het lange geweer,

dat alle Arabieren en Mooren dragen, de andere met eene turksche

kromsabel gewapend.

De kapitein weinig lust gevoelende om zich nog langer op te houden,

en bovendien bevreesd om zich nog meer volk op den hals te halen door

het rumoer van een gevecht, vloog de straat in. Door zijne vijanden

achtervolgd, liep hij snel voort en was hun weldra een heel eind voor.

Hij liep eene smalle straat rechts in, toen nog een links en weder

links, ten einde zijne vervolgers op een dwaalspoor te brengen. Toen hij

omkeek, zag hij ze niet meer.

Hij was thans in een overdekt gedeelte van eene straat gekomen en bleef

een oogenblik staan.

--Zie, zeide hij, 't is hier zoo donker als de nacht en ondanks dat

alles zouden mijne vijanden mij van verre zien door dat vervloekte

lichtgekleurde kostuum. Kon ik er mij maar van ontdoen!

Zoo sprekende trad hij in eene nis in den muur en ontdeed zich snel van

zijne kleeding, onder welke hij evenals de luitenant zijne eenvoudige

uniform droeg.

--Ziezoo, dat lucht! zeide hij, en hij wilde weder uit de nis treden,

toen hij naderende stemmen vernam; hij trok zich snel terug en hield den

adem in.

Een oogenblik daarna gingen de twee Mooren hem strijkelings voorbij.

--Komaan, zeide de kapitein, mijn gelukzon is nog niet ondergegaan. Had

ik dat vervloekte kostuum nog aangehad, dan hadden zij me stellig

gezien.

Behoedzaam keek hij rond en luisterde. Niets deed zich hooren;

gerustgesteld kwam hij te voorschijn en ging de straat in die hij was

afgekomen.

Op goed geluk liep hij voort, een aantal straatjes door, toen hij

eindelijk niet verder kon; de straat liep dood en hij was genoodzaakt

weder terug te gaan.

--Wat vervloekte stad is dit, bromde de kapitein; 't is eene

aaneenschakeling van doolhoven. Men wordt er gek van. Hoe kom ik er

ooit uit. En hij sloeg, wederom op goed geluk, een dier straatjes in.

Toen hij aan het eind kwam, hoorde hij stemmen en voor hij den tijd had

zich te verbergen, kwamen twee mannen den hoek om.

De kapitein en die twee mannen bleven als versteend staan, zich aldus op

eens weder tegenover elkaar ziende. Het waren de twee Mooren van daar

straks, die hem ondanks zijne Europeesche kleeding herkenden. Het waren

twee bloedverwanten van den Moor, dien hij had neergeschoten en den

kapitein dadelijk waren achterna gesneld.

Van het oogenblik van verbazing maakte de kapitein gebruik om snel zijne

revolver op hen aan te leggen.

De Franschman was woedend aldus door die kerels vervolgd te worden.

--Uit den weg, honden! schreeuwde hij, zoo ge niet wilt dat ik u dood!

In antwoord daarop spande de eene Moor den haan van zijn geweer en hief

het op, doch vóór hij tijd had om te schieten lag hij, door de volle

lading van des kapiteins revolver doodelijk getroffen, op den grond

badende in zijn bloed.

Toen greep de kapitein zijne tweede revolver om ook den ander neer te

schieten; doch deze, dien de schrik om het hart was geslagen, koos

ijlings de vlucht, de straat door zijn geschreeuw in opschudding

brengende.

Zonder zich een oogenblik te bedenken zette de kapitein het op een

loopen en liep voort als een waanzinnige, zonder ergens op te letten.

Daar hij zijn Moorsch hoofddeksel had weggeworpen, was hij blootshoofds.

Bovendien was door het klimmen zijne uniform op verscheidene plaatsen

gescheurd; kortom, niemand zou in dien haveloozen, met bloed en stof

bedekten man een kapitein van het Fransche leger hebben herkend.

Maar na een grooten afstand aldus te hebben afgelegd, bleef de kapitein

eensklaps als van den donder getroffen staan op het hooren van eene

lieflijke stem, die in de Fransche taal eene bekende opera-aria zong.

Die stem kwam vanuit een kleinen tuin, aan den voet van welks muren de

kapitein zich bevond.

--Sacré Dieu! riep de kapitein riep uit, eene Fransche, eene landgenoote

in Fez en hij bleef eenige oogenblikken staan luisteren.

Zijn besluit was snel genomen. In een oogwenk was hij boven op den muur

en sprong in den tuin neer. Maar de muur was hooger aan de tuin dan aan

de straatzijde, dat wil zeggen, de bodem van den tuin lag lager dan de

straat. In zijn doodsangst was de kapitein op den muur gekomen zonder

dat hij zelf wist hoe, en zonder de hoogte te meten sprong hij driftig

naar beneden en sloeg met het hoofd tegen een boomstam aan, zóó hevig,

dat hij bewegingloos bleef liggen, terwijl het bloed hem uit eene wond

aan het hoofd vloeide.

XVI.

EEN GEVAARLIJK OOGENBLIK.--DE SCHOONE JODIN.

Wij hebben den luitenant verlaten op het oogenblik, dat hij zich bedaard

uitstrekte in het citroenboschje en eene sigaar ontstak om den tijd te

dooden.

Nadat hij eenige oogenblikken zwijgende en rookende had doorgebracht,

begon hij rond te zien en zich te vermaken met eenige roode mieren gade

te slaan, die met groote bedrijvigheid aan het werk waren. In dien

tusschentijd werd het avond en de duisternis breidde zich zoo snel

uit over het aardrijk, dat de luitenant er bijna door verrast werd.

--Komaan, zeide hij, aan het werk, het wordt tijd. En hij had een

besluit genomen.

Stoutweg begaf hij zich naar den muur, die den tuin van de binnenplaats

afscheidde. Hij voelde naar de deur; zij was niet gesloten, evenmin de

volgende, die op de binnenplaats uitkwam. De luitenant opende deze

behoedzaam en betrad de plaats. Op de inrichting van Aroesi's huis

afgaande, moest daar recht tegenover eene deur naar het voorportaal

zijn. Die deur was er ook en de luitenant was nu in den langen gang,

die om de geheele binnenplaats liep.

Een sterke geur van specerijen kwam hem te gemoet en de tonen van eene

vroolijke luidruchtige muziek deden zich opeens hooren. Eene lantaarn

wierp een flauw licht in den gang, en bij dat licht zag hij eene deur

vanwaar de tonen der muziek kwamen. Naast die deur bevond zich een

nisje, waarin eenige paren pantoffels stonden.

--Ha, ha! zeide de luitenant, men viert feest. Dat komt mij juist

gelegen. Hoe meer rumoer hoe liever, des te minder zal men mij hooren.

Hij ging verder en trad op de deur toe, die naar buiten leidde.

Het was hier tamelijk duister, maar ondanks die duisternis zag hij in

den hoek bij de deur eene donkere gestalte neergehurkt.

--Misschien slaapt hij, dacht de luitenant, maar in elk geval moet ik

oppassen. En hij nam zijn ponjaard in de hand.

Het was een gevaarlijk oogenblik. De luitenant trad nader, de gedaante

bewoog zich niet; nog een stap en hij was bij de deur. De wachter sliep.

De luitenant strekte de hand uit om de deur open te doen, altijd met de

oogen op den wachter gericht. Nog één seconde en hij was gered.

Maar opeens bewoog de kerel zich en zich bliksemsnel oprichtende, stond

hij voor den luitenant. De wachter keek dezen met de grootste ontzetting

aan en deed verbaasd eene beweging om achteruit te gaan. Die aarzeling

was hem noodlottig, want op hetzelfde oogenblik voelde hij zich de keel

dichtknijpen door den ijzeren greep van den luitenant, en de punt van

den ponjaard flikkerde hem voor de oogen.

De arme kerel was halfdood van schrik; hij begon over al zijne leden te

beven en zoo de sterke arm van den luitenant hem niet had opgehouden,

zou hij gevallen zijn!

De luitenant liet hem los, maar hield den dolk dreigend opgeheven. Hij

legde den vinger op de lippen, ten teeken van zwijgen en wees hem op de

deur.

De Arabier opende de deur.

De luitenant vatte hem bij den pols en trok hem met zich voort de straat

op, en de Arabier, in bedwang gehouden door den ponjaard, volgde zonder

tegenstribbelen.

Nauwelijks was men buiten, of de luitenant stootte met den voet ergens

tegen. Terstond bukte hij en tastte met de hand rond. Het was een ezel,

dien hij in zijn slaap stoorde. Aan een ring in den muur was hij

vastgemaakt. Waarschijnlijk was het een ezel van een der gasten, die in

huis feestvierden.

--Drommels, zeide de luitenant, het kon niet beter. Komaan, grauwtje,

sta op! En hij trok den onwilligen muilezel op.

Toen beduidde hij den Arabier op te stijgen en deze voldeed snel

daaraan. Tegelijk sprong de luitenant achter hem en dreef den ezel door

een prik met zijn dolk voort.

Na eenige oogenblikken te zijn voortgegaan, deed hij den ezel ophouden

en noemde den Arabier den naam der poort, die hij uit wilde gaan.

Blijkbaar had de kerel hem begrepen, want hij knikte. De luitenant

haalde een handvol geldstukken uit den zak en liet die den kerel zien.

Wederom knikte deze. Ten slotte haalde de luitenant zijne revolver te

voorschijn en duwde hem die onder den neus. De arme kerel begon weder te

beven en maakte eene heftige afwijzende beweging.

--Goed! zeide de luitenant, de schurk begrijpt mij. Vooruit dan! en hij

zette den ezel weder aan.

De Arabier was gansch niet op zijn gemak. Hij was geheel in de macht van

den Christen, wiens dolk hij aanhoudend voelde, want de luitenant, den

Arabier met de eene hand om het middel houdende, liet hem gestadig de

punt van den ponjaard tusschen de schouders voelen.

Zoo reed men een kwartier lang door, welk tijdsverloop den luitenant

eene eeuwigheid toescheen. Na tal van straatjes te zijn doorgegaan, kwam

men eindelijk aan de poort. Niemand bevond zich daar dan een paar

slaperige wachten, die geen de minste aandacht schonken aan den ezel,

die door de poort stapte.

Toen de luitenant buiten de poort was, blikte hij rond.--Goddank! zeide

hij verheugd, daar is de Paarlstroom! en hij beduidde den Arabier den

ezel in draf te zetten.

Daar had grauwtje echter weinig zin in, en de dolk van den luitenant

moest hem aansporen tot gehoorzaamheid.

Na een half uur in flinken draf te hebben gereden, hield de luitenant

stil en steeg af.

--Ziezoo, mijn vriend! gij wordt bedankt, zeide hij tegen den Arabier;

ziedaar uw loon, en hij gaf hem een handvol geldstukken.

De verwonderde Arabier was opgetogen en zijne oogen schitterden van

blijdschap.

--Ga heen! zeide de luitenant, gij althans zult mij niet verraden,

daarvoor houdt ge te veel van het lieve geld. Ge zoudt vreezen, dat men

het u afnam, indien ge verhaaldet, hoe gij er aan gekomen zijt. En hij

gaf den kerel een wenk om te vertrekken.

Deze liet zich die vergunning geen tweemaal zeggen en verdween snel in

de richting der stad.

--Gered, zeide de luitenant, gered! Zullen de anderen dat ook kunnen

zeggen? Zullen zij het allen ontkomen zijn? Wij zullen zien, doch ik

vrees er voor. En na den stroom genaderd te zijn ging hij langs den

oever voort in de richting van het kamp.

Wij zullen hem, nu wij weten dat hij gered is, zijn weg laten vervolgen,

om te gaan zien wat er met den kapitein was voorgevallen.

Na den val, door den sprong omlaag veroorzaakt, was de kapitein

bewusteloos blijven liggen. Die verdooving duurde echter niet lang,

want na verloop van een minuut of tien opende hij weder de oogen en

staarde tot zijne verbazing in een paar fraaie donkere kijkers, die

vol bezorgdheid op hem gevestigd waren en aan een schoon meisje

toebehoorden, dat over hem gebogen was.

Toen herinnerde de kapitein zich de stem, die hij had hooren zingen, en

hij begreep, dat hij de zangeres voor zich zag.

Hij lag met het hoofd in haren schoot, en de natte doek, dien zij in de

fraai gevormde hand hield, bewees dat zij gepoogd had hem tot bewustzijn

te brengen.

De kapitein richtte zich halverwegen op en poogde op te staan, doch

het gelukte hem niet. Alles begon hem voor de oogen te draaien, eene

doodelijke bleekheid overtoog zijn gelaat en hij zette zich snel neder.

Zoodra bemerkte het meisje niet wat er plaats had, of zij sloeg

onbeschroomd haar arm om zijn schouder en ondersteunde hem om hem voor

vallen te behoeden.

--Het was slechts eene voorbijgaande duizeling, zeide de kapitein. Ik

gevoel mij weder beter. De angst, de uitputting, de tooneelen der

laatste uren schijnen mijne kracht zeer te hebben aangetast. Maar zeg

mij eens, mijn lieve schoone, waar ben ik?

--Wees gerust, zeide het meisje, gij zijt bij vrienden.

--Maar hoe komen hier Christenen te wonen? vroeg de kapitein. Ik wist

niet, dat die te Fez waren.

Het meisje glimlachte.--Gij zijt ook niet bij Christenen, zeide zij, ten

minste niet als gij het woord naar de letter opvat.

--Hoe? zeide de kapitein, verklaar mij dat raadsel, bid ik u!

--'t Is al heel eenvoudig, dat raadsel, zeide de kleine lachend; gij

zijt in den Mellah, dat is in de Jodenwijk van Fez.

--Dus ben ik bij Israëlieten, zeide de kapitein, en heb mijne redding te

danken aan eene schoone Esther.

--Ik heet geen Esther, zeide de Jodin; mijn naam is Rebecca en wat uwe

redding betreft, begrijp ik u niet goed, maar zoo die bestaat, dan hebt

gij uzelf gered.

Dit zeggende was zij opgestaan en hielp den kapitein op de been.

--Ziezoo, zeide deze, 't is weer voorbij. Ik moet eene rare buiteling

hebben gemaakt.

--Ja, gij kwaamt met uw hoofd tegen dezen boomstam terecht, en hebt u

duchtig gewond, zeide zij, op de wond aan zijn voorhoofd wijzende.

--'t Heeft niet veel te beteekenen, zeide de kapitein; het had erger

kunnen zijn. 't Is een wonder, dat ik nog leef!

Het Jodinnetje verbleekte.--Wat dreef u aan tot dien gewaagden sprong?

vroeg zij.

--Parbleu! de vrees voor mijn leven.

--Werd ge dan vervolgd?

--Sinds eenige uren werd ik gejaagd als een wild dier. Ik geloof, dat

geheel Fez in oproer is. Zie slechts mijne kleeding en mijn aangezicht.

--Kom, zeide de kleine, in dat geval zijn we hier niet veilig. Men zou u

mogelijk gevolgd zijn en ons hier kunnen hooren. Ga mede, en zij liep

voor den kapitein uit op het huis toe, dat zich aan het einde van den

tuin bevond.

Terwijl de kapitein zijne schoone geleidster volgde, bewonderde hij hare

schoone figuur. Het was eene dier fraaie slanke gestalten, niet te groot

en niet te klein. Zij scheen ongeveer achttien à twintig jaar oud te

zijn. Haar lang hoofdhaar, zwart als de vederen van den raaf, hing in

twee lange dikke vlechten achter op den rug en reikte tot aan haar dun

middel. Zij droeg de kleurige kleedij, die aan de Joden in het Oosten

eigen is, en had aan de voetjes, die onder den rok uitkwamen, rood

marokijnen muiltjes.

Terwijl de kapitein dit opmerkte, was men het huis genaderd, en verzocht

zij hem een oogenblik plaats te nemen in het priëel, dat zich daar in

den hoek van den tuin bevond, en verdween in het huis om hare

huisgenooten het onverwachte nieuws mede te deelen.

Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen · 第 14 / 22 段