Had men zich eenige voorstelling van eene wapenschouwing gemaakt gelijk

die in Europa, dan had men zich deerlijk bedrogen. Het tooneel toch, dat

zich aan de oogen onzer vrienden voordeed, was zoo geheel verschillend

van wat men had verwacht, dat de luitenant en den kapitein onwillekeurig

uitriepen:--Is dat eene wapenschouwing, is dat eene legerafdeeling?

Op het plein bevond zich eene menigte soldaten, die groepsgewijs waren

verspreid. Die soldaten, bestaande uit jongens, volwassen mannen en

grijsaards, waren allen in het rood gekleed, afgedragen uniformrokken

der Engelsche soldaten, die te Gibraltar worden opgekocht. Voeg daarbij

naakte beenen in gele pantoffels gestoken en een tulband op het hoofd

geplaatst, en ge kunt u eenig begrip maken van hun bespottelijk

voorkomen. Zij waren gewapend met de bekende lange geweren, die er allen

even roestig en onbruikbaar uitzagen en waarop zij bajonetten droegen

van alle mogelijke modellen. Bovendien waren vele van die bajonetten

krom of verbogen. Aan de zijde van het plein vanwaar de Sultan moest

komen, stond eene lange rij soldaten op tamelijken afstand van elkaar,

allen in de positie die hun het best voorkwam. Er was volstrekt geen

orde of regelmaat. De een stond met het geweer in den arm, een ander had

de handen over de tromp saamgevouwen en liet de kin op de handen rusten,

een derde, met de beenen wijd uit elkaar gezet, teekende met de bajonet

lijnen in het zand. Velen hadden de slip van hunne openhangende jas over

het hoofd geslagen om zich tegen de brandende zon te beschermen.

Op de lengte der militairen was evenmin gelet als op den afstand, zoodat

reusachtige kerels naast kleine jongens stonden, die nauwelijks in

staat waren het geweer te dragen. Kortom, het was een troep, die elken

officier tot wanhoop zou hebben gebracht, en nadat onze vrienden van

hunne bevreemding bekomen waren, begonnen zij eens hartelijk te lachen.

In de schaduw bij een der muren bevonden zich eenige tamboers en

trompetters en een vijftal vaandeldragers, die roode, gele, witte,

groene en oranjekleurige vaandels droegen.

In het midden van het plein was de artillerie opgesteld, die uit vier

kanonnen bestond, elk omgeven door een troep soldaten. Men was aan het

schijfschieten. De artillerie scheen echter niet voltallig te zijn,

want op een afstand was een troep soldaten bezig met een stuk geschut,

waarvoor twee muilezels waren gespannen, naar het plein te rijden.

Dit ging echter niet gemakkelijk. De muildieren, onder veel geschreeuw

voortgedreven, bleven niet altijd in die verlangde richting en dan was

het een schreeuwen en ranselen, dat er hooren en zien van verging. De

arme dieren waren mager als geraamten, en de bebloede ruggestrengen

toonden de hoeveelheid slagen aan waarop zij werden onthaald. Langer dan

een halfuur duurde het eer de afstand, een paar honderd pas slechts, was

afgelegd en het stuk bij de anderen stond.

Behalve de soldaten, die op eene rij geschaard stonden, hield het

overige van het leger zich bezig met wat ieder wilde. De meeste

volwassen soldaten lagen op den grond met een slip der jas over het

hoofd voor de felle zon. Anderen oefenden zich in het schermen, waarbij

zij allerlei schrik inboezemende of belachelijke houdingen aannamen en

de zotste sprongen deden. De geheele schermpartij deed denken aan eene

kermisvertooning. Nog anderen ontspanden zich met dansen. Een kring

van toeschouwers leverde telkens een paar nieuwe dansers. Het was een

soort van dans als de negers uitvoeren onder het trekken van allerlei

gezichten en het aannemen van allerlei onmogelijke houdingen, vergezeld

van luidruchtige grappen, die door de omstanders met luid gelach werden

begroet. De jonge soldaten deden hun jongensaard uitkomen door het

spelen van krijgertje, verstoppertje of haasje-over, of zij vertoonden

in kleine groepjes het uitvoeren van vonnissen, zooals het afhakken van

handen en hoofden.

Aan den oever van den stroom lag een troep kerels, in de gewone witte

kapmantels gehuld, onbeweeglijk bij elkaar.

--Wat is dat voor een troepje? vroeg de luitenant aan Aroesi.

--Het zijn veroordeelde misdadigers, antwoordde deze; zie slechts goed

toe, en ge zult ontwaren, dat hun de armen en beenen met ketenen aan

elkaar zijn geklonken.

't Was inderdaad zoo, want toen men hen met behulp van den kijker opnam,

bleek het waar te zijn.

--Het leger voert steeds eenige veroordeelden mede, zeide Aroesi, om hen

te pronk te stellen als een voorbeeld ten afschrik voor anderen.

--En die troep menschen van allerlei rang en landaard, vroeg de

kapitein, die daar dicht bij elkaar staan bij die rij soldaten?

--Dat zijn zij, die een verzoek aan den Sultan te doen hebben,

antwoordde Aroesi. De Sultan verleent bij elke wapenschouwing, dus

driemalen 's weeks, audientie aan ieder zonder onderscheid van natie,

rang, ouderdom of kunne.

--Een navolgenswaardig voorbeeld voor de gekroonde hoofden in Europa,

merkte de luitenant aan. Heerschte dat gebruik ook bij ons, menigeen zou

dan gehoor vinden op somtijds zeer rechtmatige verzoeken of klachten,

die nu in den doofpot worden gestopt door de individu's, waarmede onze

vorsten meestal zijn omringd.

--Onder die menschen, zeide Aroesi, zijn er somtijds die van het andere

einde van Marokko komen om hier bij den Sultan recht te zoeken. En zij

kunnen verzekerd zijn gehoord te zullen worden, dat verzeker ik u!

Op dit oogenblik begonnen op eens de trommen te roffelen en de

trompetten te schallen. Eene plotselinge beweging beroerde het leger,

een ieder vloog overeind, vatte de wapenen op en zette zich ergens

neder. Eene rilling liep door de menigte, en terwijl de soldaten

het geweer presenteerden, trilde over den stroom en het plein een

langgerekte oorverdoovende kreet van: »Allah bescherme onzen Heer!" en

te midden van dat tumult reed de Sultan met zijn gevolg het plein op.

De Sultan, dien men zich door de geschiedkundige herinneringen, welke de

kapitein had verhaald, voorstelde als een woeste Arabier, was een rijzig

jongman, schoon als een romanheld. Zijne lichtbruine gelaatskleur,

gevoegd bij den fraaien arendsneus, de fonkelende groote oogen en den

korten zwarten baard, toonde een aangenaam gelaat, dat bij het hagelwit

van zijnen kapmantel, waarvan de kap over het hoofd was getrokken,

scherp afstak. Zijne naakte voeten waren in fraaie geellederen

pantoffels gestoken, zooals door de Arabieren algemeen worden gedragen.

Hij bereed een prachtigen sneeuwwitten Arabischen hengst, welks tuig

eene heldere hemelsblauwe kleur had, overal met goud afgezet. De voeten

staken in gouden stijgbeugels, uit welk metaal ook het gebit was

vervaardigd. Naast hen stond de parasoldrager, een forsche neger, die

den Sultan voor de zon beschermde met een parasol van drie meter hoog,

van fraaie zijde met figuren in gouddraad gestikt en een grooten gouden

appel boven op den stok.

Het overige gevolg van den Sultan, dat bij plechtige gelegenheden zeer

talrijk en schitterend is, bestond nu slechts uit enkele personen,

meest Moren. Op aller gelaat was een diepe eerbied, eene grenzenloozen

toewijding te lezen. Zij stonden daar als steenen beelden, als vreesden

zij door de minste beweging tekort te zullen doen aan den eerbied.

Geen van hen had de oogen op iets anders gericht dan op den Sultan.

Het is onmogelijk meer eerbied te betoonen jegens eene godheid.

De parasoldrager hield de oogen bescheiden neergeslagen, slechts

tusschenbeide opziende of hij de parasol goed hield. Aan weerszijden van

het paard stonden twee Mooren, welke bezig waren de vliegen te verjagen,

die zich op de naakte beenen van den Sultan wilden neerzetten; terwijl

een andere van tijd tot tijd met een onmogelijk te beschrijven eerbied

langs den langen witten kapmantel van den Sultan streek om het stof en

de verontreiniging der lucht af te wisschen.

De Sultan wendde zijn paard thans naar den troep smeekelingen en de

audientie begon.

Eene hooge edele gestalte, een Arabier, met witten kapmantel trad

vooruit. Met over de borst gekruiste armen boog hij voor den Sultan,

bracht een knie op den grond en weder opstaande kuste hij eerbiedig den

zoom van zijn kleed. Daarna bleef hij staan en zijne fiere trotsche

gestalte, die niet onderdeed voor die des Sultans, trok dadelijk ieders

aandacht.

--He, zeide de luitenant, 't is of ik die gestalte ken.

--O! riep Aroesi naar den Arabier turende, eensklaps op een toon van

schrik, terwijl hij verbleekte.

--Wat is het? vroeg de luitenant verwonderd.

--Allah bescherme den vermetele. Zie, herkent ge hem niet? riep Aroesi

zacht uit.

--Wie? vroeg de luitenant ongeduldig, wie dan?

--Sid-Abd-Allah, de geweldige, zei Aroesi op een doffen toon.

--Bij God, gij hebt gelijk, riep de kapitein, zie slechts, en hij

overhandigde den luitenant den kijker.

--Mijn hemel! wat vermetel man is dat, zeide de luitenant.

--De ongelukkige! voegde de kapitein er bij. Men zal hem gevangennemen

en het hoofd afslaan.

--God moge hem helpen! zeide Aroesi. Ik begrijp de zaak; daar de

onderhandelingen niet vorderden, gelijk ik vernomen heb, is de dappere

zelve gekomen.

--Ja, zeide de kapitein, hij heeft gezegd ons wellicht te Fez te zullen

wederzien.

--Stil, zeide de luitenant, zie de Sultan praat met hem. Misschien is

het juist deze vermetelheid, die hem zal redden. Een zoo ridderlijk

vorst als deze, moet den moed hoogachten, zelfs in zijnen vijand.

Werkelijk onderhield de Sultan zich met Sid-Abd-Allah, en na eenige

oogenblikken, die onzen ongeduldigen vrienden buitengewoon lang vielen,

zag men hoe Sid-Abd-Allah, na nogmaals het kleed van den Sultan te

hebben gekust, ter aarde boog en tusschen de andere verzoekers verdween.

Het geheele gezelschap haalde ruimer adem en keek elkaar verbaasd aan

over zooveel stoutheid, die blijkbaar eene goede uitwerking had gehad.

Doch dadelijk vestigde men de oogen weer op het plein.

Na Sid-Abd-Allah kregen alle anderen eene beurt, totdat ten laatste

allen zich hadden verwijderd.

Zoodra de Sultan op het plein was gekomen, waren alle soldaten, nadat de

begroeting was afgeloopen, weder aan hunne vroegere bezigheden gegaan.

De Sultan reed van de eene groep soldaten naar de andere, keek naar

hunne werkzaamheden, maakte enkele aanmerkingen en eindelijk begonnen de

troepen te defileeren.

Aan den voet van een der torens was een soort van troonhemel, met een

scherm overdekt, geplaatst. Hier nam de Sultan plaats en het defileeren

begon, hetwelk daarin bestond, dat alle soldaten ongewapend achter

elkaar met eene tusschenruimte van ongeveer twintig pas voorbij den

troon trokken, evenals de ganzen in de gerst, zou Fritz Reuter zeggen.

De luitenant, de kapitein en Dries konden zich dan ook niet bedwingen om

te lachen over deze zonderlinge manier van defileeren.

Hiermede was de wapenschouwing afgeloopen. Bij het geroffel der trommen

en het geschetter der trompetten vertrok de Sultan onder den donderenden

kreet van: »Allah bescherme onzen Heer!" uit duizenden monden geuit; een

kreet, die weerklonk van den eenen oever van den Paarlstroom tot den

anderen en weerkaatst werd tusschen de muren van het plein.

Toen de volksmassa zich verdeelde, wendden ook onze vrienden den teugel,

om zich, ingevolge Aroesi's uitnoodiging, naar diens woning te begeven.

Nauwelijks echter had Selam mede zijn ezel gewend, of hij verschrikte

zoo merkbaar, dat Dries naar de oorzaak omzag.

En ook hij verschrikte, want daar vlak voor zijn paard stond weder

dezelfde heilige, de roover uit het land der Beni-Hassen.

Onwillekeurig greep hij naar zijne revolver, doch trok zijne hand weder

terug toen hij zag, dat de kerel zich waggelende en zingende

verwijderde.

Onmerkbaar wist hij naast den luitenant te komen en hem zijne ontdekking

mede te deelen. Zich houdende alsof hij iets aan den stijgbeugel

verschikte, boog de luitenant het lichaam voorover en keek omzichtig

achter zich om. Zijne oogen zochten den heilige, dien hij weldra

bemerkte tusschen de groepen pratende Mooren en Arabieren. Een oogenblik

zag hij het gelaat van den kerel, maar dat was ook genoeg om hem te

herkennen. Hij liep pratende en zegenende van de eene groep naar de

andere, en toen de luitenant weder doorreed, kwam het hem voor of

iedereen naar hen keek, of honderden oogen onderzoekend op hen rustten.

Zijne groote tegenwoordigheid van geest deed hem echter bedaard blijven,

en hij reed tusschen de verschillende groepen door om zich bij zijne

vrienden te voegen, alsof hij niets bemerkte. Toch was hij bijna

overtuigd reeds verraden te zijn, en een oogenblik kwam de lust bij hem

op, om den heilige een kogel door de hersenen te jagen, doch hij bedacht

zich, dat in dit geval eene overijlde handeling hem en zijne vrienden

aan het grootste gevaar zou blootstellen.

Eenmaal uit de volksmassa zijnde, reed men in flinken draf door en had

weldra de woning van Aroesi bereikt. Hier zond de luitenant Mohammed met

de rijdieren naar het kamp, daar men den terugtocht te voet zou doen.

Selam en Dries bleven bij hen.

Even als alle Moorsche huizen was dat van Aroesi een tamelijk groot

vierkant gebouw met eene opene binnenplaats. Rondom die binnenplaats

liep een soort van gaanderij door kolommen geschraagd, welke hoogte

reikte tot de eerste verdieping. De vloer van het binnenhof was ingelegd

met een fraai mozaïek van steentjes van allerlei kleur. De bogen

tusschen de pilaren waren eveneens versierd met mozaïek en schilderwerk,

waarbij de helderwitte pilaren fraai afstaken. In het midden der

binnenplaats bevond zich een vijver met fontein, die eene aangename

frischheid veroorzaakte. In het midden van elken boog hing eene fraai

bewerkte lantaarn van verguld koper met allerlei kleuren. Van het

binnenhof kwam men door eene kleine lage poort en een even lagen smallen

gang in een tuin met prachtige lanen van citroen- en oranjeboomen, waar

de geuren van rozen den bezoeker te gemoet kwamen, een waren lusthof.

De gangen naar de verschillende afdeelingen van het huis bevonden zich

allen op de binnenplaats, zoo ook enkele vensters waardoor de kamers

haar licht ontvingen. De verschillende kamers waren allen aan elkaar

gelijk. Fraaie vloeren van mozaïek, de wanden behangen met geborduurde

tapijten; voorts bestond het ameublement slechts uit helderwitte

matrassen en eene enkele sofa. Op die matrassen lagen stapels kussens,

allen even fraai, en bij de deuren stonden kandelaars van wel een meter

hoog met kaarsen er op geplaatst.

Men nam plaats op de matrassen, schikte op de wijze der Mooren de

kussens achter zich, en de gastheer liet de thee brengen. Zij werd voor

de oogen der gasten gezet en in kleine kopjes van zeer fijn porselein

met goud versierd aangeboden.

Na de thee werd een recht vorstelijk maal opgedragen. Op een prachtig

tapijt, dat bij de matrassen werd uitgespreid, werden de verschillende

schotels geplaatst, en nadat Aroesi in een hoek bij een der vensters

zijn gebed had gedaan, noodigde hij onze vrienden uit toe te tasten.

Er behoorde echter niet weinig moed toe om aan die uitnoodiging gevolg

te geven, want aan alle spijzen was een zoo bijzondere geur of smaak,

dat hij, die er niet aan gewoon is, er van walgde. Bovendien waren

sommige gerechten zóó sterk gekruid, dat men eene ware vuurproef moest

doorstaan. De gerechten waren talrijk en goed genoeg, want er was bij

voorbeeld schapenvleesch, gevogelte, wild, visch, allerlei taarten,

boter, room, eieren, enz. Het meeste was echter voor den smaak van een

Europeaan bedorven door de sauzen, in welke alles als het ware dreef, en

die een reuk hadden als van alle parfumerieën ter wereld en zoo sterk

gekruid waren, dat de mond als het ware in vuur stond.

De kapitein was het vooral, die op de pijnbank zat. De wetten der

gastvrijheid eischten, dat hij alles lekker vond, en de arme kapitein

zat allerlei gezichten te trekken. Het scheen, alsof hij bij het

doorslikken van elken beet door hevige krampen werd overvallen, of dat

hij het er op gezet scheen te hebben alle denkbare leelijke gezichten te

trekken. En daarbij kwam nog, dat Aroesi telkens zijne gasten aankeek om

te vragen, of de gerechten naar hun smaak waren.

--Heerlijk, zeide de kapitein dan, met een gezicht alsof hij een

zenuwtoeval kreeg, delicieus, mijn vriend! en hij sloeg snel een glas

wijn naar binnen om het vuur te blusschen, dat hem in de keel brandde;

want schoon de Mahomedaan geen wijn mag drinken, had Aroesi dien zijne

gasten aangeboden, zonder er echter zelf gebruik van te maken.

De luitenant alleen doorstond de proef met waren heldenmoed. Hij at,

alsof hij al zijn leven een Moorschen kok in dienst had gehad, en de

kapitein zat hem vol bewondering aan te staren.

Aroesi bood den kapitein voor de tweede maal een schotel aan, dien hij

voor eene bijzondere lekkernij scheen te houden. Het was wildbraad in

eene afschuwelijke dikke saus. De kapitein bedankte; hij had er reeds

van geproefd. Het geleek eene sterk riekende zalf of cosmetiek met

vitriool klaargemaakt.

Niet zoo de luitenant; deze nam de spijze voor de tweede maal van zijn

vriendelijken gastheer aan, die opgetogen was over hem.

--Mijn God, mijn God! mompelde de kapitein, dat noem ik moed. Ik geloof,

dat hij in staat zou zijn menschenvleesch lekker te vinden als het

noodig was.

--Wel, vroeg de vriendelijke gastheer, wat zegt gij van den Sultan en

van het Marokkaansche leger?

--Daarop zal ik u spoedig antwoorden, zeide de luitenant. Wat uw Sultan

betreft, ik zou mij een vorst wenschen als Moelei-el-Hassen. Hij schijnt

mij een man te zijn, die alle goede hoedanigheden in zich vereenigt.

Ik bewonder hem en ik had met die menigte kunnen mederoepen: »Allah

bescherme onzen Heer!" Maar wat uw leger aangaat, zie, hoe hoog ik

het schat. Geef mij mijn Regiment Grenadiers, een paar batterijen

Veld-artillerie en een Regiment Cavalerie, en ik zal uw geheel leger

slaan.

Aroesi glimlachte.--Ja, zeide hij, ik weet wel dat ons leger slecht

gewapend, slecht geoefend en nog slechter gedisciplineerd is, en dat het

tegen over eene Europeesche strijdmacht niets beteekent.

--Ach ja, zeide de kapitein, ge hebt gelijk, en ik zou hetzelfde durven

ondernemen met mijne dappere Algerijnsche troepen.

Eensklaps werd echter het gesprek afgebroken door een aanhoudend dof

geluid, dat van de straat scheen te komen, en terwijl allen luisterden

naar het vreemde, aanhoudend sterker wordende rumoer, stoof opeens de

bediende van Aroesi de kamer binnen met een bleek verwilderd gelaat,

onder den kreet van: »Vlucht, vlucht! Allah bescherme ons!"

--Wat! riep Aroesi opspringend.

--Het gepeupel komt het huis bestormen, zeide de knaap. Zij eischen de

uitlevering der Christenen.

XV.

VERRADEN.--REDDE ZICH WIE KAN!

»Het gepeupel komt het huis bestormen," had Aroesi's bediende gezegd.

»Zij eischen de uitlevering der Christenen!"

Op deze woorden waren de kapitein en de luitenant, als door een

electrischen schok bewogen, opgesprongen.

Achter Aroesi's bediende vertoonde zich in de opening der deur het

bleeke gelaat van Selam en het door toorn hoogrood gekleurde gelaat van

Dries.

--Spreek! zeide de luitenant tegen den knaap, wat is er aan de hand?

--Een groote hoop volks schoolt bijeen, zeide de knaap. Er is een

heilige onder hen, die hen ophitst. Hij zegt, dat gij zijn broeder hebt

gedood en eene menigte mannen van de Beni-Hassen, en dat ge spionnen

zijt, die het land komen bespieden om het te veroveren en alle

Mahomedanen te dooden.

--O, ik heb het wel gedacht, zeide Dries; 't is die fielt van een

heilige, die het volk opruit; had ik hem vanmorgen maar een kogel door

den kop gejaagd!

[Illustratie: Hij greep zijn verslagen vijand bij de beenen.

Bladz. 147.]

--'t Is duidelijk, zeide de luitenant. 't Is die paardendief, die zich

voor heilige heeft uitgegeven. De schoft heeft ons herkend en hitst het

volk tegen ons op. Er is niet veel noodig om de Mahomedanen tegen de

Christenen aan te voeren. Wat nu te doen?

--Parbleu! riep de kapitein, laten wij een uitval doen. Met ons vieren

slaan we er ons gemaklijk door. Ik kan beschikken over twaalf schoten en

mijn ponjaard, en gij eveneens.

--Verduiveld, zeide Dries, dat lijkt mij. Ik heb, wel is waar, slechts

zes schoten en mijn mes, maar ik geloof dat het voldoende zal zijn om

ten minste dien fielt van een heilige neer te leggen.

--Onmogelijk, zeide de luitenant, wij kunnen niet door die massa volks

komen in die nauwe straten. Bovendien zijn wij hier niet genoeg bekend

om den kortsten weg naar buiten te vinden.

--Neen, zeide Aroesi, dat plan is onuitvoerbaar; de luitenant heeft

gelijk. Bovendien zal binnen een kwartier half Fez op de been zijn.

Luistert slechts!

Een vreeslijk rumoer drong tot onze vrienden door, waaronder men de

kreten kon onderscheiden van: »Dood aan de Nazareners!"--»Levert ze uit,

die vervloekte spionnen!" En een donderend gebons op de kleine deur was

een bewijs, dat het ernst was.

--Volgt mij, zeide Aroesi. We zullen door den tuin ontvluchten; slechts

eenige straten scheiden mijn tuin van den Paarlstroom, die de stad

doorsnijdt, zooals ge weet. Eenmaal daar zijnde, zal het u met eenige

voorzichtigheid wel gelukken uwe legerplaats te bereiken.

--Vooruit dan! zeide de luitenant; maar luistert even. Voor het geval

wij van elkaar mochten geraken, wat zeer wel mogelijk en misschien

veiliger is, komen wij bij elkaar in den omtrek van onze legerplaats

aan den oever van den Paarlstroom. Die er het eerst aankomt, brengt

de dieren en de bagage in veiligheid, en wacht in de eene of andere

schuilplaats daar in den omtrek de overigen af. Want misschien is deze

gewaande heilige ook bekend met onze legerplaats, en in dat geval zal

hij niet nalaten, als hij de vogels hier gevlogen vindt, met zijne bende

daarheen te gaan. Voor het overige.....

De woorden van den luitenant werden eensklaps onhoorbaar. Een geweldig

rumoer deed zich hooren; het scheen, dat men poogde de deur met

bijlslagen te verbrijzelen.

--Haast u, riep Aroesi, de deur is wel sterk, maar tegen bijlslagen niet

bestand.

Juist hoorde men, als om Aroesi's woorden te bevestigen, een geweldigen

slag, en een woest triumfgeschrei deed hooren, dat het doel bereikt en

de deur bezweken was.

--Voort! riep de luitenant, een ieder zorge voor zich en God voor allen!

In een oogenblik was men het huis uit en de binnenplaats op. Aroesi

ontsloot snel de poort en men was in den tuin.

De luitenant was de laatste en juist wilde hij de poort ingaan en deze

achter zich sluiten, toen de woeste troep, in huis doorgedrongen en

hoorende waarheen men vluchtte, hen achtervolgde.

Het was te laat voor Frank om door den tuin te ontsnappen, dat begreep

hij dadelijk, en terwijl de vluchtelingen hem nog achter zich waanden,

wierp hij met een krachtigen ruk de poort in het slot, waardoor de bende

reeds dacht in den tuin te komen.

Met de revolver in de hand wierp hij zich te midden van het gepeupel,

dat grootendeels met dolken gewapend was, om het huis weder te bereiken

en zich ergens in eene der kamers te barricadeeren, en wist werkelijk

zijn doel te bereiken, nadat hij er een had neergeschoten.

In de eerste kamer, waar hij binnentrad, wierp hij de sofa in den

doorgang; en zoo vervolgens door een reeks van kamers snellende en

overal hinderpalen in den weg werpende, gelukte het hem den troep een

eind vooruit te komen en van dat oogenblik maakte hij gebruik om zich

bliksemsnel van zijne Moorsche kleeding te ontdoen, die hem thans als

vermomming niet meer dienstig was en hem slechts in zijne bewegingen

belemmerde. Daaronder droeg bij het klein tenue van officier.

Nauwlijks was hij daarmede klaar, of hij hoorde zijne vervolgers

naderen. Hij zag een gang en aan het einde daarvan eene trap. Ha, riep

Frank, die voert zeker naar het dakterras! en snel vloog hij de trappen

op.

Deze trap bracht hem inderdaad op het dakterras, dat alle Moorsche

huizen bezitten. Het was een groot plat, omgeven met een muur van ruim

een meter hoog, waarin overal vensters of schietgaten waren aangebracht.

Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen · 第 13 / 22 段