--Misschien, antwoordde Aroesi even koel. Als Allah het wil; zoo niet,
dan sterft hij.
--Intusschen begrijp ik niet, zeide de kapitein, waarom hem de beide
handen zijn afgehakt. Te Tanger heb ik de toepassing dezer straf
meermalen gezien, maar nooit dat de beide handen werden afgekapt.
--'t Is misschien een groot misdadiger, zeide Aroesi, maar wij kunnen
er naar vragen. En hij wenkte een Moorschen knaap, die den troep op een
afstand volgde, en vroeg hem naar de reden dezer ongewone strafoefening.
--'t Is een gemeene dief, heer! zeide de knaap, men heeft lang moeten
zoeken om hem te pakken. Eerst hadden de soldaten een onschuldige gevat
en de kaïd liet hem de hand afhakken. Heden is echter de ware schuldige
gepakt en de kaïd was zoo vertoornd op den dief, omdat hij een
onschuldige had doen straffen, dat hij om het weder goed te maken den
dief nu de beide handen heeft laten afkappen.
Aroesi deelde hen het gesprek mede; de luitenant en de kapitein keken
elkaar hoofdschuddend aan.
--Verduiveld! zeide Dries; er is op de rechtvaardigheid van dezen kaïd
niets af te dingen; alleen zou ik hem raden in het vervolg niet zoo
haastig te zijn. De onschuldige en de schuldige zouden er bij gewonnen
hebben.
Toen de bende was voorbijgetrokken, ging men verder, doch nauwelijks
was men een tiental passen voortgegaan of een gespierde, magere, bijna
geheel naakte heilige trad hun in den weg, en hoe onaangenaam onze
Christenvrienden het ook vonden, kon men thans in de hoedanigheid van
Mahomedaan niet anders doen dan zich de vrijpostigheid van dien kerel
getroosten.
Schoon de heilige zich voordeed als een krankzinnige, kon men bij
opmerkzame beschouwing wel zien, dat het slechts comediespel was. Hij
had een sluw voorkomen en sloeg aanhoudend met gluipende blikken onze
vrienden gade.
Aroesi liet eenig geld in de vuile hand vallen, en ook de luitenant en
de kapitein haastten zich dat voorbeeld te volgen.
--Allah zij met u! zeide de kerel lachend, en ging ter zijde zonder
nochtans den blik van onze vrienden af te houden. Daarbij speelde een
zonderlinge glimlach om zijnen grooten mond en knikte hij aanhoudend
zachtjes met het hoofd, alsof hij de oplossing van iets dat hij zocht,
had gevonden.
Doch behalve Selam en Dries sloeg geen van allen acht op den smerigen
vent.
Vooral Selam was het, die den kerel onderzoekend opnam, en op het
oogenblik, dat hij hem eenige floe's in de geopende hand wierp,
ontroerde hij.
Dries had die ontroering opgemerkt en vroeg Selam naar de oorzaak
daarvan.
--'t Is niets, zeide Selam, 't was mijne verbeelding, die mij misleidde.
Herinnert ge u nog die twee kerels, die in ons kamp kwamen in het land
der Beni-Hassen, welke een onzer kameelen stalen en daarna poogden het
paard van den luitenant te stelen.
--Ja zeker! zeide Dries, dien gij nog zoo onzacht hebt omhelsd.
--Juist, zeide Selam. Dan weet ge ook, dat zijn makker ontkwam door zich
te paard te werpen.
--Ja, antwoordde Dries, maar wat heeft dat alles nu met dien heilige te
maken?
--Wel, zeide Selam, toen ik dien heilige aandachtig beschouwde, meende
ik in hem dien dief te herkennen.
--Wat! riep Dries, dien hond?
--Ja, zeide Selam, en ik meende zelfs, dat de kerel ons op eene vreemde
manier aankeek en spottend lachte.
--Maar deze kerel is een krankzinnige heilige, merkte Dries op.
Selam schudde het hoofd.--Deze heilige is niet krankzinnig. Hij is
evenmin een krankzinnige als een heilige; geloof mij, hoe meer ik er
over nadenk, hoe meer ik in mijn vermoeden wordt versterkt.
--Maar als dat zoo is, en de kerel heeft ons herkend, zeide Dries dan
zijn we verloren!
--Als Allah het wil, zeide Selam bedaard.
Opeens wendde Selam zich plotseling om en keek de straat langs.
In het midden der straat, dáár waar men zoo straks den heilige had
ontmoet, stond deze onbeweeglijk in voorovergebogen houding met de hand
boven de oogen onze vrienden na te kijken.
Selam ontroerde, en deelde zijne ontdekking aan Dries mede.
--Goed, zeide deze, zie niet meer om, de schoft zou argwaan krijgen.
We zullen hem in het oog houden, en ik zal er straks den luitenant over
spreken. God beware hem er echter voor zich op mijn weg te plaatsen, ik
zou hem een kogel door de hersenen jagen. Maar wij mogen des nachts wel
goed waken, Selam!
--Laat dat maar aan mij over, zeide deze; ik heb met den schelm nog een
oude rekening te vereffenen.
Gedurende dit gesprek was men bij een der poorten gekomen, welke den
zonderlingen naam droeg van »de Poort die zich opent." Juist toen men
die voorbijging, kwam er uit eene naburige straat een Arabier op een
ezel, welke met een zonderlingen last was beladen. Het waren eene
menigte schapenkoppen, waarvan het bloed afdroop, en die tegen elkaar
schommelden en bungelden bij elken tred van den vuilwitten ezel. De
lange naakte beenen van den Arabier, die bijna den grond bereikten,
waren, evenals de huid van zijnen viervoet, overal bespat en bevlekt
met het bloed. Maar nog akeliger was het gezicht van den last, dien
twee Arabieren torschten, met welke de Arabier op den ezel in druk en
vroolijk gesprek was. Op eene ruwe berrie droegen zij een lijk naar de
laatste rustplaats. De berrie was onbedekt en het lijk in een soort van
grof doek gewikkeld. Het kleed liet de gedaante van den doode geheel
uitkomen, daar het strak om het lijf getrokken en om de knieën, om
het middel en om den hals met een touw saamgebonden was. Het kleed of de
zak scheen te kort te zijn om er den doode geheel in te stoppen, zoodat
het hoofd er buiten kwam en het afzichtelijk verwrongen gelaat deed
zien, waarvan de groote oogen wijd open stonden.
[Illustratie: Maar nog akeliger was het gezicht van den last dien twee
Arabieren torschten. Bladz. 128.]
Eene rilling doorliep het geheele gezelschap, en men haastte zich voort
te komen. Een weinig verder kwam men langs de twee kolossale moskeeën,
die van El-Karoeïn en Moelei Edris. Ongelukkig kon men van deze twee
beroemde kerken niets zien dan de met fraaie Moorsche bogen prijkende
voorhoven, eene menigte pilaren en fraaie met mozaïek versierde deuren,
daar het den Christenen verboden is de moskeeën te betreden, en Aroesi
was ondanks zijne vriendschap voor de Christenen en zijne meerdere
beschaving toch een te goed Muzelman om een Christen in de moskee te
brengen.
Wederom kwam men in drukke straten, waar aan beide zijden bazaars waren
van allerlei zaken. De straten waren vol volk; Arabieren in hunne lange,
witte kapmantels, die onhoorbaar voortgingen als waren zij geesten,
kolossale negers, Mooren in schilderachtige kostuums, Joden die schuw
voortsluipend zich snel voortspoedden, geldwisselaars, die op den grond
zaten met groote hoopen van dat zware zwarte geld, dat zóó weinig waarde
heeft, dat men om een paar gulden te wisselen een kruier zou noodig
hebben om het te dragen, en oude Arabische vrouwen met ontbloote borst,
doch zorgvuldig gesluierd.
En na de drukke straten geraakte men weder in de doode, stille, tusschen
hooge muren ingesloten achterstraten, waar de paarden bijna uitgleden
over den kleverigen grond of struikelden over doode honden of katten,
waar een ondragelijke stank heerschte en men bestormd werd door dikke
wolken van vliegen.
Midden in die straat kwam men weder een heilige tegen, die spiernaakt
was en op eene wandelende ton geleek. De walgelijke kerel had het hoofd
getooid met bloemen en vederen, alsof hij ter feest moest gaan. Een
knuppel, dien hij nauwelijks kon torschen, droeg hij over den schouder.
Hij liep waggelend als een beschonkene, en hield tusschenbeide stil om
zijnen zegen uit te spreken tegen de naakte muren of, voor zoover zijne
walgelijke dikte het hem toeliet, een paar bokkensprongen te maken. En
onder alles door liet de kerel aanhoudend een eentonig gezang hooren.
Hij ging ons gezelschap voorbij zonder er eens acht op te slaan,
voortwaggelend en zingende. Een paar honderd passen verder vlijde de
heilige man zich in den modder neder om een middagdutje te doen, vlak
naast een half vergaan paard, aan welks stinkend lijk zich een troep
ratten en kraaien vergastte.
--Nu, zeide Dries tegen Selam, die met hem den kerel had nagekeken, deze
is wel degelijk gek, hoor!
--Ja, zeide Selam, Allah heeft hem het verstand benomen ten teeken
zijner liefde. Nu is hij heilig.
--Een rare Allah, mompelde Dries. Ik kan niet zeggen, dat ik erg gesteld
zou zijn op eene dergelijke voorkeur.
Eindelijk zag men eene poort voor zich en die doorgegaan zijnde, kwam
men buiten de stad.
Hier eerst ademde men weder vrij. Want de tooneelen, van welke men
getuige was geweest, hadden een diepen indruk op het gezelschap gemaakt.
Als men daarbij nog de vrees voegt van herkend te worden door eenig niet
te voorzien toeval, dan begrijpt men wat de kapitein zeide, toen men
buiten de stad was gekomen:--'t Is alsof mij een mes van de keel wordt
genomen, waarvan ik sedert eenige uren de punt heb gevoeld!
Na nog een eind weegs te zijn medegegaan, nam Aroesi afscheid, echter
niet zonder beloofd te hebben hen den volgenden dag vroegtijdig te
zullen komen afhalen om de wapenschouwing te zien, die de Sultan drie
malen in de week over de troepen houdt, na wier afloop Aroesi hen
uitnoodigde zijne woning te bezoeken en daar het middagmaal te
gebruiken.
Het spreekt vanzelf, dat men dit aanbod van den gullen, beminlijken
gastheer met graagte aannam, en nadat men hem hartelijk had dankgezegd,
reed Aroesi heen en sloegen onze vrienden den weg naar het kamp in.
Zooals sedert vele dagen, was Fez ook thans het onderwerp van het
gesprek tusschen den luitenant en den kapitein, toen men des avonds
onder een schoonen sterrenhemel, onder het gemurmel van den Paarlstroom
vóór de geopende tent zat te praten, en Dries was de aandachtige
toehoorder.
--Fez, zeide de kapitein op eene aanmerking van den luitenant, is
evenals Tanger een uitgestorven vervallen stad. Wanneer wij hare
geschiedenis nagaan, bemerken we dat duidelijk. Hare stichting
dagteekent reeds van het einde der achtste eeuw. Omstreeks dien
tijd ontstond er, waardoor weet ik niet, eene scheuring tusschen de
Abbassiden, die zich in twee partijen verdeelden en elkaar bevochten.
--Tot de partij, die het onderspit delfde, behoorde een zekere vorst,
Edris-ebn-Abd-Allah, die, om zijn leven te redden, vluchtte naar Magreb,
hier in den omtrek. Deze Edris begon nu een kluizenaarsleven te leiden,
en werd buitengewoon vroom. De roep van zijne vroomheid bewoog de
bewoners dezer streek, de Berbers, hem tot opperhoofd te kiezen. Thans
vatte Edris ondanks zijne vroomheid de wapenen op, en begon hij zijn
gezag overal te vestigen. Maar zijne vroomheid ging hand aan hand met
zijne krijgstochten en al wat hij onderwierp, Joden, Christenen of
Heidenen, werd gedwongen den Mahomedaanschen godsdienst aan te nemen.
De fortuin begunstigde hem en zijne macht steeg met elken dag.
--Dit beviel echter den Oosterschen Kalif Haroen-al-Reschid in het
geheel niet, en om een einde aan de macht van Edris en tevens aan zijn
leven te maken, zond hij een persoon af, die zich onder de vermomming
van geneesheer toegang tot Edris wist te verschaffen en hem vergiftigde.
--Doch Haroen-al-Reschid had er niet veel bij gewonnen. De Berbers toch
hadden hun vorst te hoog vereerd om hem te vergeten. Zij bezorgden hem
eene schitterende begrafenis en riepen zijn zoon Edris-ebn-Edris als
Kalif uit en deze, even dapper en ondernemend als zijn vader, breidde de
macht van zijn vader nog meer uit en werd de stichter van het Rijk van
Marokko.
--Het was deze Edris, die den 3den Februari 808 den grondslag der stad
Fez legde.
--Omtrent den oorsprong van den naam bestaan verschillende
overleveringen. Zoo verhaalt men, dat zij dien naam heeft ontvangen
naar eene kolossale bijl (eene bijl heet in het Arabisch fez) van
zestig ponden zwaar, die men daar bij het graven vond. Eene andere
overlevering verhaalt, dat de Kalif als een gewoon werkman medewerkte
aan de stichting der stad en dat zijn volk hem uit dankbaarheid eene
bijl ten geschenke aanbood, van goud en zilver vervaardigd, naar welke
Edris uit dankbaarheid de nieuwe stad noemde.
--Weder anderen verhalen, dat er in zeer oude tijden op die plaats eene
groote stad lag, die Zef heette, en dat Edris de stad den omgekeerden
naam gaf. Ten slotte zegt eene vierde overlevering, dat de secretaris
van den Kalif, zijnen vorst gevraagd hebbende, hoe de nieuwe stad zou
heeten, ten antwoord kreeg, dat zij zou genoemd worden naar den eersten
man, die men zou ontmoeten. De eerste persoon, dien men op straat
ontmoette, werd naar zijn naam gevraagd. Deze man heette Ferez, doch
daar hij hakkelde, kon hij zijn naam niet goed uitspreken en men
verstond, dat hij Fez heette. Men doopte dus de stad Fez. De nieuwe
stad breidde zich intusschen snel uit, zoodat zij reeds in de dertiende
eeuw met de beroemde groote stad Bagdad gelijkstond.
--Dat is wel eene snelle ontwikkeling, merkte de luitenant op.
--Ja, zeide de kapitein, en om u een staaltje te geven van hare grootte
en macht, zal ik aanvoeren, dat zij naar het verhaal vijf honderdduizend
inwoners had, bestaande uit Mooren, Arabieren, Berbers, Joden, Negers,
Turken en Christenen. Zij had dertig voorsteden en achthonderd moskeeën,
waaronder zich de twee beroemde moskeeën bevonden, die wij heden hebben
gezien. El-Karoeïn was en is nog de grootste moskee van Afrika. De
fondamenten dezer moskee werden gelegd in het jaar 859 na Christus'
geboorte op den eersten sabbath van Ramadan. De eerste kosten werden
gedragen door eene vrome vrouw. Het was toen slechts eene kleine moskee,
die echter later hoe langer hoe meer verfraaid en uitgebreid werd. Elke
volgende Emir, Gouverneur of Sultan bracht iets bij tot hare vergrooting
en verfraaiing.
--Men verhaalt betreffende haar rijkdom, dat op den spits van de minaret
een gouden bal stond, versierd met paarlen en edelgesteenten, en in dien
kostbaren bal stak het zwaard van den stichter van Fez, Edris-ebn-Edris.
Binnen in de kerk hingen allerlei talismans tegen schorpioenen, ratten
en slangen. Een spreekgestoelte was met ebbenhout ingelegd en versierd
met ivoor en edelgesteenten. De talrijke bogen werden geschraagd door
270 kolommen; zij vormden zestien schepen, elk van een en twintig bogen.
Er waren zeventien deuren, vijftien groote voor de mannen en twee kleine
voor de vrouwen, en er waren zeventienhonderd lampen, die alleen in den
nacht van den 27en Ramadan 3½ centenaars olie verbrandden. Kortom, de
pracht van deze moskee was zoo oogverblindend, dat zij den geloovige
te veel afleiding gaf. Vooral was dit het geval met een zekere nis, die
naar Mekka gekeerd is. De Iman liet daarom deze nis witten. Deze moskee
moet de ontzaggeljke hoeveelheid van 22700 personen hebben kunnen
bevatten.
--Hoe jammer, zeide de luitenant, dat we er niet in kunnen komen.
--Pardieu! 't is een vervelend volk, die Mooren en Arabieren, zeide de
kapitein. Wat hindert het hun, of wij hunne kerken bezoeken.
--Welnu, laten wij er ingaan, zeide Dries, elkeen zal ons voor echte
geloovigen aanzien in onze Moorsche kleeding.
--Ik zou het niet gaarne wagen, zeide de kapitein, want wij zouden ons
zelven verraden door onze handelingen. Niemand weet hoe een Mahomedaan
zich gedraagt in zijne moskee; neen, mijn vriend de waaghals! dat is
eene onmogelijkheid.
--De andere moskee, vervolgde de kapitein, de moskee van Edris, is de
meest geëerde van geheel Afrika. De pelgrimstochten naar deze moskee
waren voorheen even talrijk als die naar Mekka. Voorts had de stad Fez
90.000 huizen, 10.000 winkels en 86 poorten. Zij bezat groote en goed
ingerichte hospitalen, prachtige baden, eene kostbare bibliotheek en
scholen voor alle vakken van wetenschap, waar geleerden uit alle landen
van Europa en uit het Oosten kwamen studeeren. Toen heerschte in de stad
meer beschaving dan thans. Door hare handel en hare markten, waar de
producten van drie werelddeelen, Europa, Azië en Afrika samenstroomden,
kwam het in aanraking met geheel Europa. En wat is Fez thans. Eene
vervallen, barbaarsche stad, die geen schaduw meer van hare vroegere
grootheid heeft behouden.
--'t Is het lot van velen, zeide de luitenant. Groote en machtige steden
en rijken verdwijnen, en onbekende worden daarentegen groot en machtig.
--Laat ik u ten slotte nog eenige staaltjes mededeelen van de familie
van den regeerenden sultan, zeide de kapitein, want deze stamt niet
van Edris af, en ik ben zeker, dat, wanneer gij hem morgen bij de
wapenschouwing zult zien, zijn persoon er in uw oog te aantrekkelijker
door zal worden, wanneer gij weet van welke familie hij afstamt.
--Laat hooren! zeide de luitenant.
--In het kort laten zich de grootste verdiensten van zijne voorgangers
samenvatten in de woorden: dweepzucht en wreedheid, en de daaruit
voortkomende wandaden.
--Verduiveld! zei Dries, eene leelijke beschuldiging, die ik niet gaarne
van mijn vader of grootvader zou hooren.
--De familie of het geslacht van Fileli stamt af uit de provincie
Tafilet aan de woestijn. Voor jaar en dag gingen eenige bewoners van
Tafilet naar Mekka, en kwamen terug met een zekeren sherif Ali, een
afstammeling van Mahomed. Korten tijd nadat deze Ali in Tafilet was
aangekomen, werd het land zeer vruchtbaar en het klimaat gunstiger,
zoodat onder anderen de dadels in buitengewone grootte en getal werden
geoogst. Men schreef dezen zegen aan Ali toe en uit dankbaarheid koos
men hem tot koning, onder den naam van Moelei Sherif. Zijne opvolgers
wisten hun gebied hoe langer hoe meer uit te breiden en namen onder
anderen ook Fez in. Zij verjoegen de regeerende dynastie, en sinds dien
tijd hebben hunne nakomelingen over Marokko geregeerd.
--Luister nu, vervolgde de kapitein, welke beminnelijke vorsten zooal
over Marokko hebben geregeerd.
--Moelei Sherif en zijn zoon regeerden beiden met wijsheid, doch daarna
kwam eene reeks van vorsten, de een al wreeder dan de ander. Daar hebben
wij in de eerste plaats de opvolger van Moelei Sherifs zoon, El-Reschid,
een eerste moordenaar, die zelf het werk van den beul verrichtte en de
vrouwen onder de afschuwlijkste mishandelingen dwong om de schatten
hunner mannen aan te wijzen. Vervolgens Moelei-Ismaël, een even groot
ellendeling als wellusteling, die gedurende zijne regeering tien duizend
hoofden liet afslaan; die vader was van twaalfhonderd zonen, en, niet
tevreden met zijne acht duizend vrouwen, aan Lodewijk XIV de dochter van
de Hertogin de la Valière tot vrouw liet vragen.
--Verduiveld, zeide de luitenant, het zijn prachtexemplaren, uwe
Sultans.
--Vind ge? vroeg de kapitein. Welnu, heb nog een oogenblik geduld, ik
heb er nog meer en nog ergere.
--Sakkerloot! zeide Dries, ik dacht, dat het zoo al wèl was.
--Moelei-Achmed-el-Dehebi, vervolgde de kapitein, was even gierig als
wreed en dronk zooveel wijn, dat hij bijna gelijk stond met een dier.
Hij stal de juweelen van zijns vaders vrouwen, vermaakte zich door zijne
eigene bijzitten de tanden te laten uittrekken, en liet een slaaf, die
het ongeluk had zijne pijp te stijf te stoppen, het hoofd afslaan. Nog
grooter fielt, en misschien de ergste van allen, was Moelei-Abd-Allah,
die uit woede dat zijn leger door de Berbers verslagen was, de
overgebleven officieren liet onthoofden en zelf medehielp, en de
inwoners van Mechinez liet worgen. Daarmede nog niet tevreden, liet hij
de menschen in een opengesneden stier naaien en zoo sterven.
--Ba, wat een schoft! riep Dries uit.
--Na zooveel ellende, vervolgde de kapitein, kwam er een zonnestraal
over het land door de regeering van Sidi-Mohammed, die zich beijverde
de Christenen in Marokko te doen komen en zijn volk vrede en beschaving
te geven. Jammer genoeg was dit van korten duur, want op hem volgde
Moelei-Yezid, die, om zijne soldaten te betalen, hen de jodenbuurten in
geheel Marokko liet plunderen. Moelei-Soliman veinsde vriendschap jegens
het Christendom, maar dwong alle Joden om Mahomedaan te worden, en
liet hen, zoo hun slechts een woord van berouw ontviel, onthoofden.
Abd-er-Rhaman, die door onzen dapperen maarschalk Bugeaud bij Isly
overwonnen werd, liet een troep samenzweerders levend verbranden. En ten
slotte hebben wij Sidi-Mohammed, bij Tetuan eveneens overwonnen, die
door alle steden de hoofden zijner overwonnen vijanden op de geweren
zijner soldaten liet ronddragen. Ziedaar, dus eindigde de kapitein,
eenige bizonderheden uit de geschiedenis van dat verschrikkelijke land.
--Eene aaneenschakeling van bloed en moord, zeide de luitenant. Maar gij
hebt gelijk, ik ben nu nieuwsgieriger dan ooit om den Sultan te zien,
die zulke vrome en beminlijke voorvaderen heeft gehad.
--Het zal wel eene rechte galgentronie zijn, zei Dries.
--Wie weet, zeide de kapitein, we zullen zien!
XIV.
DE WAPENSCHOUWING.
Ondanks de vrees van Selam en Dries ging de nacht zonder stoornis
voorbij, en eerst toen de opkomende zon den horizont met een vurigen
rooden gloed bedekte, legde de trouwe Selam zich te ruste.
Selam's vrees was intusschen maar al te gegrond; de scherpzinnige Moor
had goed gezien, want de gewaande heilige van Fez was niemand anders
dan de bedoelde roover, die uit wraak over den dood van zijnen broeder
de karavaan was gevolgd. Hij was het geweest, die de Beni-Hassen tot
den aanval op de karavaan had aangezet en hij had zich ook onder de
aanvallers bevonden. Daar echter de onverwachte hulp van Sid-Abd-Allah
zijn wel beraamd plan in duigen had doen vallen, had hij hen weder
gevolgd en zich, ten einde door hen niet herkend te worden, voorgedaan
als een der waanzinnige heiligen, waarvan Marokko wemelt. Volkomen
bekend met hunne legerplaats had hij hen op behoorlijken afstand
gadegeslagen van het oogenblik, dat zij het kamp aan de oevers van den
Paarlstroom hadden opgericht. Begrijpende, dat zijne vijanden het hun
toegedachte lot bij een aanval in de vlakte, hetzij des daags of des
nachts, door hunne dapperheid licht konden ontgaan, had hij besloten hen
op eene meer zekere manier te treffen, en wij zullen zien dat zijne
plannen goed waren genomen.
Nog vóór dat Aroesi onze vrienden kwam afhalen om naar de wapenschouwing
te gaan, had Dries aan den luitenant en den kapitein den argwaan van
Selam jegens den vermeenden heilige medegedeeld.
Ongelukkig echter twijfelden de luitenant en de kapitein zeer aan de
juistheid van Selam's vermoedens en geloofden zij, dat hij door eene
toevallige gelijkenis was bedrogen.
--In ieder geval, zeide de luitenant, zullen we ons heden geducht
wapenen, en mocht gij den kerel wederzien, tracht dan ons er ongemerkt
kennis van te geven. Vinden wij reden om aan uwen argwaan geloof te
slaan, dan zullen wij spoedig genoeg maatregelen kunnen nemen om den
kerel onschadelijk te maken. In het ergste geval jaag ik hem bij de
minste beweging, die ik merk dat de kerel maakt om ons incognito te
verraden, een kogel door den kop. Voor het overige moeten wij vertrouwen
op ons goed gesternte en onze wapenen. Voorloopig moeten wij het voor
Aroesi maar verzwijgen, het is niet noodig hem zonder bepaalde reden te
verontrusten.
Hiermede was de zaak voorloopig afgedaan en een paar uren daarna was ons
gezelschap weder op weg naar Fez.
Het terrein, waar de wapenschouwing plaats had, was een groot
rechthoekig plein buiten eene poort, die den zonderlingen naam van de
»Poort van de boternis" draagt, aan den oever van den Paarlstroom. Drie
zijden van dat plein werden begrensd door hooge witte muren met torens
en tinnen, terwijl de vierde zijde begrensd werd door den Paarlstroom.
Achter die muren bevonden zich de tuinen van den Sultan.
Op den anderen oever van den Paarlstroom kon men dat plein geheel
overzien. Eene menigte toeschouwers was daar verzameld; Mooren en
Arabieren, Negers uit het hart van Afrika, brons- en chocoladekleurigen
en geheel zwarten. Tusschen die bonte menigte namen onze vrienden
plaats, en gezeten op hunne paarden en ezels, konden zij gemakkelijk
over de dichte rijen toeschouwers heenzien.