--Een paar maanden gingen voorbij, zonder dat ik iets vernam. Wel kwam

ons nu en dan het gerucht ter ooren, dat er troepen tegen ons zouden

worden afgezonden, maar mijn naam, die eene zekere vermaardheid had

verkregen, en voornamelijk de sterke positie die we hier hebben

ingenomen, was oorzaak dat men niet veel haast maakte, wel begrijpende,

dat men misschien duizenden zou verknoeien zonder ons nog tot

onderwerping te brengen.

--Intusschen begrepen wij dat de toestand zoo niet kon blijven, en

op algemeen verlangen van mijn volk heb ik een paar uit hun midden

met een rijk geschenk in geld als afgezanten naar Fez gezonden, onze

onderwerping aanbiedende en belovende de gewone jaarlijksche schatting

zonder meer weder geregeld te zullen uitbetalen onder voorwaarde, dat

ik, door allen als Sheik van deze duars gekozen, als zoodanig door den

Sultan zou erkend worden en dat wij onze vrije woonplaats hier zouden

mogen behouden.

--En zoudt ge denken, dat de Sultan dit zal doen? vroeg Frank.

--Zeker! zeide de Sheik op verwonderden toon. Ik kan wel zien, dat gij

niet bekend zijt met onze toestanden, anders zoudt ge weten dat meer dan

één gouverneur, pacha of ander hooggeplaatst persoon op deze wijze tot

zijne waardigheid is opgeklommen.

--Een wonderlijk land, zeide de luitenant.

--Ja, zeide de kapitein, ik vind het waarachtig eene aardige manier om

eene betrekking te krijgen.

Nadat het gesprek nog een geruimen tijd had geduurd, besloot men

eindelijk zich ter ruste te begeven, te meer daar inmiddels op

Sid-Abd-Allah's last de kameelen waren opgespoord en teruggebracht. In

de eene helft der tent werden nu de veldbedden opgeslagen en ons drietal

begaf zich ter ruste, slechts door een dunnen wand van de slaapplaats

des gastheers en diens gezin gescheiden.

Na een verkwikkelijken slaap, zooals men sinds het vertrek van Tanger

nog niet had genoten, stond men met het krieken van den dag op. In de

duars heerschte reeds de grootste bedrijvigheid en toen onze vrienden

naar buiten kwamen, werden zij reeds dadelijk verrast door een groot

aantal mannen, die beladen met allerlei geschenken vóór de tent op eene

rij zaten neergehurkt. Het waren dezelfde roovers van gisteren, die de

door den Sheik bevolen schatting kwamen brengen, de _monnah_, zooals de

Arabieren het noemen.

Zoodra zij de tent uitkwamen, stonden de kerels op, en onder het gewone:

»Vrede zij met u!" werden de verschillende geschenken aangeboden. Er was

onder meer een halfdozijn schapen, eenige manden met eieren, minstens

een paar dozijn kippen, voorts kommen met melk, brood, boter, suiker,

enz. Toen alles door Selam en Mohammed in ontvangst was genomen en een

der Arabieren een paar woorden had gesproken, gaf de Sheik hun een wenk

en de mannen keerden terug vanwaar zij waren gekomen.

In allerijl werden nu de toebereidselen voor het vertrek gemaakt. Selam

had met zijne gewone voortvarendheid reeds de kameelen beladen, en zoo

goed mogelijk hersteld wat niet in orde was. Dank zij Sid-Abd-Allah's

invloed was er niets gestolen, en nadat de luitenant een ander paard had

gekregen in ruil voor het zijne, dat aan een der pooten was gewond, was

alles weder in behoorlijke orde.

Het was een buitengewoon schoone morgen, toen men in de

tegenovergestelde richting van die, waarin men bij Sid-Abd-Allah was

gekomen, vertrok. Het was een even goed te verdedigen toegang als de

beide anderen en eveneens bewaakt door eene wacht van Arabieren.

Sid-Abd-Allah met een vijftigtal ruiters deed ons gezelschap een

eindweegs uitgeleide en nam, na hun een geleide van tien man te hebben

meegegeven, na een hartelijk afscheid den terugtocht aan.

--Zullen we elkaar ooit weerzien? zeide de luitenant vragend.

--Wie weet, zeide Sid-Abd-Allah. Gij gaat naar Fez. Misschien kom ik er

ook wel.

--Goed, zeide de luitenant, in dat geval zien we elkaar weder; een

zonderling voorgevoel zegt mij, dat we elkaar zullen weerzien.

--Maar, zeide de Sheik op het punt van te vertrekken, waar zult ge uw

verblijf te Fez houden?

--Waarschijnlijk niet binnen, maar eerder buiten de stad, gaf de

kapitein ten antwoord. Het zal voor ons te Fez niet veilig zijn.

--Gij hebt gelijk, antwoordde de Sheik. Maar in geval ge een vertrouwd

persoon of veilig verblijf noodig hebt, begeeft u dan tot Aroesi, een

koopman in dadels. Gij kunt hem in zijnen bazaar vinden. Uw gids zal hem

evengoed kennen als elke inwoner van Fez. Hij is een der mijnen. Gij

kunt hem in alle opzichten vertrouwen; zeg hem slechts mijn bijnaam als

herkenningsteeken.--En na een laatsten hartelijken handdruk en een even

hartelijk: »God behoede u op uw weg!" reed de Sheik met zijn gevolg

spoorslags heen.

Thans begeleid door een escorte van tien man vervolgde men de reis, en

dezelfde mannen, die gisteren als ware duivels met de wapens in de hand

vóór onze reizigers stonden, beijverden zich nu om het zeerst hun van

dienst te zijn.

Na het land der Beni-Hassen te hebben verlaten, trok men door dat van

Sidi-Hassem, de eerste en eenige streek, die er volkrijk en welvarend

uitzag, en waar ook de bewoners een beter voorkomen hadden dan ergens

elders. Het was een soort van militaire kolonie, bestaande uit talrijke

soldaten-familiën, die het leven van landbouwer leiden. Iedere jongen

wordt soldaat en ontvangt reeds op zeer jeugdigen leeftijd, nog vóór hij

in staat is de wapenen te hanteeren, soldij. Bovendien hebben zij het

voorrecht, dat zij vrijdom van belasting hebben en dat hunne goederen,

zoolang er een manlijke nakomeling bestaat, het eigendom van hun

geslacht blijven. Voor al die voordeelen zijn zij verplicht, zoodra de

Sultan hen voor den dienst oproept, de wapenen op te nemen en te gaan

oorlogvoeren, waarheen hij ze zendt.

Den volgenden dag bereikte men Zeguta, eene zeer schoone plaats. Reeds

lang vóór men aan deze plaats was gekomen, was de landstreek waardoor

men trok bij uitstek fraai. Het was eene aaneenschakeling van prachtige

valleien, met tarwe- en roggevelden en frissche groene weiden, aloë's,

vijgeboomen, wilde olijfboomen, dwergeiken, rozen, myrthen en allerlei

andere boomen en heesters; doch het vreemdste van alles was, dat men

nergens eene bewoonde plek of tent aantrof. Het scheen een groote,

fraaie, uitgestorven lusthof te zijn.

Maar schooner dan dat alles was de aanblik op Zeguta. Daar lag eene

schoone vallei als eene reusachtige schelp, met vakken van allerlei

kleur gevuld. Het waren de verschillende akkers, die naar het gewas,

dat zij bevatten, verschillende kleuren vertoonden, en daarachter op de

helling van den berg een gedeelte, dat er als een amphitheater uitzag.

De helling was afgebrokkeld en vertoonde ongeveer eene groote half

cirkelvormige trap. En dat alles werd gestoffeerd door verschillende

schilderachtige groepen van menschen en dieren. Hier tenten, dáár eene

kudde kameelen, ginder weder een koebah, troepen grazend of rustend vee

en onbeweeglijke vrouwen- en mannenfiguren. Dit alles vormde een zoo

schilderachtig geheel, dat men, hoewel het nog vroeg op den dag was,

besloot hier het overige van dezen en den ganschen volgenden dag te

vertoeven; want de luitenant kon de verzoeking niet weerstaan van dit

fraaie landschap eene teekening te maken en op de verschillende vreemde

gewassen, boomen en struiken jacht te maken naar insecten. Een rijke

oogst van deze laatsten en eene fraaie teekening, benevens het vele

schoone en vreemde dat men zag, deed onze vrienden dan ook geen leed

gevoelen over het korte oponthoud, en slechts met weerzin scheidde men

van deze plaats.

Hoe dichter men Fez naderde, hoe levendiger en bevolkter de landstreek

werd. Duars, koebah's en tenten wisselden af met vruchtboomen, groepen

palmen, enz. Tegen den avond trok men door een nauwen kronkelenden

bergpas met hooge, steile rotswanden; dezen doorgegaan zijnde, was men

aan de oevers van de Miches, eene der bijrivieren van de Seboe, waarna

men kampeerde op een uitgestrekt heuvelachtig terrein, allerwegen bedekt

met schoone graanvelden en vele duars. Deze vlakte, door de rivieren de

Blauwe Bron en den Paarlstroom bespoeld, is eene der rijkste en

vruchtbaarste streken van gansch Marokko.

De zon was nog nauwelijks aan den hemel of de kleine karavaan was reeds

op weg gegaan. Iedereen verkeerde in eene opgewekte koortsachtige

stemming, want dien dag zou men Fez bereiken. En waarlijk, na een

tijdlang door eene vlakte, gelijk aan de vorige, te zijn getrokken, na

heuvelen op en af te zijn gegaan, kwam men ten laatste op een smallen

door hooge bergwanden begrensden weg, die alle uitzicht benam. En

nauwelijks was men aan het eind, of Selam hield plotseling zijnen ezel

in en met de hand recht voor zich uit naar de duistere omtrekken van

eene stad wijzend, riep hij met eene heldere stem:--Ziedaar Fez, de

heilige stad!

Allen hielden stil en gedurende eenige oogenblikken kon men een speld

hooren vallen. Sprakeloos van verwondering en vreugde staarde het kleine

gezelschap naar dat bosch van torens, minarets en palmen, naar die

geheimzinnige stad, door de eene heilig, door de andere verschrikkelijk

genoemd. Alleen de kapitein verbrak de stilte.--O Fez! mompelde hij, o

geheimzinnige stad! wat zult ge voor ons zijn, de heilige of de

verschrikkelijke?

XIII.

FEZ, DE STAD DER VERSCHRIKKING.

Eindelijk was dan het doel der reis bereikt, en de vele hinderpalen op

hunnen weg hadden slechts gediend om hen des te meer naar het doel te

doen verlangen. Dáár voor hen, op slechts een paar uur afstands lag Fez,

de geheimzinnige stad, door zoo weinigen bezocht en dientengevolge zoo

weinig bekend. Het was dus geen wonder, dat een gevoel van huivering

zich onwillekeurig van ons gezelschap meestermaakte, en men elkaar

eenige oogenblikken aanzag als om te zien, of zich datzelfde gevoel van

onverklaarbaren angst van ieder had meestergemaakt.

Doch de luitenant en de kapitein waren er de mannen niet naar, om een

eenmaal opgevat plan uithoofde van nog onbekende gevaren op te geven.

Eenmaal vóór de poorten van Fez, zou het dwaasheid zijn geweest zich

uit vrees voor hetgeen kon gebeuren terug te trekken, en hoe weinig

aangenaam die snel voorbij gaande gewaarwording ook was, dacht toch

niemand eraan van terugkeeren te spreken.

Besloten zich niet terstond naar de stad te begeven, maar eerst eens

te overleggen hoe te handelen, gaf de luitenant last het kamp op te

slaan aan den oever der rivier den Paarlstroom. Daarna bedankte hij

het escorte van Sid-Abd-Allah voor hun geleide, schonk iederen ruiter

een paar geldstukken, waarmede zij zeer tevreden waren, en de woeste

Beni-Hassen vertrokken volgens gewoonte met lossen teugel in eene wolk

van stof.

In korten tijd waren de tenten opgeslagen, de kameelen ontpakt en vleide

ieder zich op de gemakkelijkste manier neder. De paarden, ezels en

kameelen graasden met graagte rond, en de kapitein, de luitenant en

Dries zaten weldra onder het genot van een kopje geurige koffie en eene

dito sigaar het gewichtige punt van het bezoek aan Fez te bespreken.

De eerste vraag, die werd opgeworpen, was natuurlijk, hoe men er zou

komen. Trok men er eenvoudig heen in de Europeesche kleeding, waarin

men tot nu toe had gereisd, dan was het tien tegen een dat men niet eens

de stad zou binnenkomen. Tanger en Alkazar hadden hun reeds het gevaar

doen zien, dat de Christen loopt in de steden van Marokko. En die beide

steden werden nog het meest door Europeanen bezocht, en hare bewoners

kwamen het meest van alle stedelingen met de Christenen in aanraking.

Wat zou het dan niet te Fez, de barbaarsche hoofdstad, het middelpunt

der barbaarschheid zijn. Wat men ervan had gehoord, was van dien aard,

dat men er bijna zeker van kon zijn door het fanatieke volk vermoord

te zullen worden vóór men goed de stad was binnengekomen, en als men

daarvan nog niet overtuigd was, zou Selam hen er van overtuigen, wiens

raad er over werd gevraagd.

--Waar denkt gij aan, Heer! in die kleeding Fez binnen te gaan? Gij

zoudt in stukken gescheurd zijn vóór gij iets hadt gezien van Fez, en

uwe hoofden zou men boven de poorten plaatsen. Allah behoede u voor dat

plan! Gij moogt Allah niet verzoeken.

--Welnu, zei de kapitein, is de zaak zoo, dan zullen wij den Arabischen

kapmantel over onze uniform aantrekken en onze wapens er onder

verbergen. Met den kap over het hoofd getrokken zullen we met onze door

de zon verbrande aangezichten er uitzien als Arabieren.

Maar de luitenant schudde het hoofd.--Hebt ge er de proef al eens van

genomen? vroeg hij glimlachend. Zie, even belachelijk als een neger er

uitziet met een zwarten rok en cilinderhoed, even belachelijk zouden

wij er uitzien in het Arabisch gewaad. Het Arabische kleed moet men,

om zoo te zeggen, van jongs af dragen om het goed te doen. De domste

Arabier zou onder den kapmantel dadelijk den Christen herkennen. Die

schilderachtige ongedwongen manier om een eenvoudigen mantel te dragen

is voor ons niet mogelijk.

--Wat dan gedaan? vroeg de kapitein.

--Wat zoudt ge denken van de Moorsche kleeding? Mij dunkt, dat zou beter

gaan. Onze lichte huidkleur kan ons voor Mooren doen doorgaan. Ge weet,

er zijn er onder, die bijna zoo blank zijn als een Europeaan, en de

groote tulband bedekt het grootste gedeelte van het hoofd.

--Verduiveld! riep de kapitein opspringend, ge hebt gelijk, mijn vriend;

daaraan had ik nog niet gedacht.

En Selam knikte tevreden, ten bewijze dat hij het raadsel goed vond

opgelost.

--Maar hoe er aan te komen? vroeg de luitenant.

--O! zeide Selam, ik ken Fez van het begin tot het einde, en een paar

Moorsche kostumes zijn gemakkelijk te verkrijgen.

--Dat geloof ik wel, zeide de luitenant; maar wie zegt u, dat de een of

ander geen argwaan tegen u zal opvatten en u misschien zal volgen om te

zien waar gij heengaat. Stel dat zoo iets plaats had, dan zouden al onze

plannen in duigen vallen, want als de eene of andere fanatieke Arabier

wist, dat hier een gezelschap Christenen kampeerde, die vermomd de stad

bezoeken, ware dit reeds genoeg om ons al het gepeupel van Fez op den

hals te halen.

Selam zweeg.

--Maar wij moeten die kleederen toch hebben, riep de kapitein, hoe

zullen wij ze anders krijgen?

--Ja, hoe? vroeg Dries.

De luitenant dacht eenigen oogenblikken na.

Opeens glimlachte hij.--Te duivel, riep hij, dat ik daaraan niet eerder

heb gedacht. Ik heb het gevonden!

--Laat hooren? zei de kapitein.

--Aroesi is onze man.

--Aroesi? vroeg de kapitein, die zich dien naam niet meer herinnerde.

--Aroesi? vroeg Selam verwonderd; de koopman in dadels?

--Ja, Aroesi, zeide de luitenant, de man ons door onzen vriend

Sid-Abd-Allah aanbevolen voor het geval, dat wij een vertrouwd persoon

mochten noodig hebben.

--O, parbleu! riep de kapitein. Ik herinner het mij; ja, die kan ons

helpen!

--Gij kent dien Aroesi dus, Selam? vroeg Frank.

--Wie zou dien niet kennen? antwoordde Selam; Aroesi, de koopman in

dadels, de tolk van alle vreemdelingen, de wijste en godsdienstigste

onder de kooplieden van Fez, de dapperste van alle Mooren en, naar men

zegt, ook de rijkste.

--Ge noemt daar nog al iets op, zeide de kapitein; het schijnt dat we

met een gewichtig persoon te doen zullen hebben--Sid-Abd-Allah heeft

goede vrienden.

--Welnu, Selam! luister, zeide de luitenant; daar ge dien Aroesi kent,

ga tot hem, neem dit horloge mede, want de bewoners van Marokko schijnen

zeer op geschenken gesteld; bied hem dit uit mijnen naam aan, zeg dat

vrienden van »den geweldige" zijne diensten noodig hebben en geleid hem

tot ons.

--Zal hij dan komen? vroeg Selam.

--Welzeker! zeide de luitenant. Hij zal u begrijpen.

Selam boog, en na zijnen vriend Mohammed de zorg voor het kamp te hebben

opgedragen, besteeg hij zijn getrouwen witten muilezel en vertrok

vroolijk en welgemoed in flinken draf in de richting van Fez.

Na verloop van een paar uren zag men Selam in galop aankomen, gevolgd

door een Moor met zijnen bediende. Beiden waren op schoone muilezels

gezeten, terwijl de bediende een derden ezel aan den toom medevoerde,

welke met een paar manden was beladen.

Toen men het kamp was genaderd, steeg de Moor af en naderde eerbiedig

buigende het gezelschap zonder echter dien slaafschen eerbied ten toon

te spreiden, welke aan vele Mooren eigen is.

Hadden onze vrienden gedacht in Aroesi een gewoon koopman aan te

treffen, zoo zagen zij zich daarin deerlijk bedrogen. Aroesi was een

der schoonste Mooren, die men tot nu toe had ontmoet.

Zijne hooge welgevormde gestalte, gevoegd bij zijn open gelaat,

verrieden een flink man. De kleur van zijne huid deed in blankheid

niet onder voor die der Europeanen. Zijne kleine bruine oogen blikten

vrij en onbevreesd rond. Hij droeg een langen kastanjebruinen baard.

De kleine blanke handen waren zoo fraai, dat menige vrouw hem die zou

benijd hebben. Het eenvoudige gewaad, dat hij droeg, was smaakvol en

rijk versierd.

De luitenant en de kapitein waren even verwonderd bij den aanblik van

dezen man. Zijn kloek en edel voorkomen trof hen zoozeer, dat beiden

onwillekeurig opstonden en buigende hem de hand drukten.

Na hem te hebben verhaald, hoe zij bekenden, ja vrienden van den

geweldige waren geworden, en na diens aanbeveling om Aroesi op te zoeken

te hebben medegedeeld, deed de luitenant hem hun plan kennen om in

Moorsche kleeding Fez te bezoeken.

--Uw plan is het eenige uitvoerbare, zeide Aroesi. Ik zal u morgen vóór

zonsopgang drie stel kleederen zenden en zelve medekomen om u een weinig

behulpzaam te zijn in het vermommen. Daarna zal ik u vergezellen op uwen

tocht. Gij zult doorgaan voor kooplieden uit Tanger. In mijn gezelschap

zal niemand u voor Christenen aanzien. Mogt ge soms genegen zijn een

paar dagen uw intrek bij mij te nemen, dan staat mijn huis voor u open,

zoolang gij te Fez zult vertoeven.

Na voor dit heusche aanbod, zoowel door den kapitein als door den

luitenant, hartelijk te zijn dank gezegd, stond Aroesi op om weder

te vertrekken. Inmiddels had zijn bediende de medegebrachte manden

en doozen uitgepakt, welke gevuld waren met allerlei vruchten, boter,

eieren, hoenders enz., hetwelk Aroesi aanbood, en hoe de luitenant zich

ook mocht verzetten tegen het aannemen van dit geschenk zonder eenige

vergoeding, wilde Aroesi daarvan volstrekt niets weten, en was hij

slechts na veel praten te bewegen om zijne bedienden een klein geschenk

in geld te doen aannemen.

--De vrienden van Sid-Abd-Allah, die God bescherme, zeide de Moor, zijn

mijne broeders en hebben aanspraak op al wat ik bezit. Vaartwel! zoo

Allah het wil, keer ik morgen terug.

--Maar, zeide de luitenant weifelend, is uw bediende een vertrouwd

persoon. Denk er aan, hij kent ons en zou ons kunnen verraden.

De Moor glimlachte.--Wees gerust, zeide hij. Indien ik hem niet kon

vertrouwen, zou ik hem ook niet hebben meegebracht. De goede jongen is

van kindsbeen af reeds bij mij en zou zich eer in stukken laten hakken

dan iets van de zaken zijns meesters te verraden. Vaartwel, vrienden,

God behoede u!

En op zijnen ezel springend vertrok de Moor, gevolgd door zijne

bedienden.

* * * * *

Des anderen daags 's morgens omstreeks acht uur, volgde een kleine troep

ruiters den kronkelenden weg, die naar Fez voert. Het was een troepje

Mooren in de kleurige fraaie kleeding, die hen kenmerkt. Van de drie

voorste ruiters herkennen wij in den middelste Aroesi, de twee anderen,

die wij niet zouden herkennen als wij het niet wisten, zijn de luitenant

en de kapitein. De Moorsche kleeding en het scheermes hadden hen

zoodanig geholpen in hunne vermomming, dat zij zich gerust binnen Fez

konden wagen, want er moest waarlijk wel een wonder gebeuren, om hunne

vermomming te doen ontdekken. Evenwel, zooals de kapitein had gezegd,

zijn wonderen mogelijk.

Achter dit drietal volgde Dries, eveneens vermomd; hij kon zichzelf

niet genoeg bewonderen in zijne tegenwoordige kleeding, die hij vrij

wat fraaier vond dan zijne vroegere, en hij wenschte niets anders dan

zich zoo eens te kunnen vertoonen in de straten van den Haag. Selam en

Mohammed reden naast hem. De zorg voor het kamp was aan den bediende van

Aroesi en de twee kameeldrijvers opgedragen.

Het gesprek was in vollen gang en liep natuurlijk over niets anders

dan Fez. Terwijl Aroesi op eene onderhoudende manier met den luitenant

en den kapitein over Fez sprak, deed Selam dat op de gewone opgewonden

toon van een Moor van Tanger of Marokko, voor wien de heilige stad

is wat Parijs is voor den Franschman. Door zijne vroegere betrekking

als geleider van karavanen kende hij Fez, en vergastte hij Dries en

Mohammed op de beschrijving van de wonderen der stad, van den Sultan,

het leger enz. De kronkelingen van den weg deden ons gezelschap telkens

de muren en tinnen der stad zien, waarboven de torens, minarets en

palmen uitkwamen, en telkens werd dat gezicht ook weder aan hun oog

onttrokken. Arabieren te paard, gesluierde vrouwen op kameelen of ezels

door bedienden gevolgd, landlieden op ezels en voetgangers ontmoette men

elk oogenblik. Eindelijk hield de herhaalde kromming van den weg op; men

zag de stad recht voor zich en reed op eene fraaie met tinnen bekroonde

poort toe.

Opeens stiet de kapitein een kreet van schrik uit en hield onwillekeurig

zijn paard in.

--Wat is er? vroeg de luitenant verwonderd.

Maar de kapitein antwoordde slechts door de hand uit te strekken naar de

poort, en stond als verlamd van schrik met wijd opengespalkte oogen te

kijken.

De luitenant hief het hoofd op en kon, ofschoon op iets akeligs

voorbereid, nauwelijks een kreet van afschuw weerhouden.

Daarboven aan de poort, die men binnenreed, bungelden een tiental

menschenhoofden aan de haren opgehangen. De meesten waren uitgedroogd,

maar een paar schenen nog versch te zijn. Onder elk hoofd zag men een

lange loodrechte donkere streep; het was van het afgedropen bloed. Er

waren hoofden van grijsaards, van mannen met zwarte baarden en zelfs van

jonge baardelooze knapen.

--Er is oproer, zeide Aroesi, in eene der provinciën, en het grootste

gedeelte van het leger is er heen om den opstand te onderdrukken. Deze

koppen zijn van opstandelingen afkomstig.

--Duivels! zeide Dries, ik vind dat ze hier eene eigenaardige en

ongemeene manier hebben om de poorten te versieren; maar met dat al

staat het leelijk.

Men ging verder, en de poort doorgegaan zijnde reed men een korten tijd

nog tusschen hemelhooge, naakte, witte muren evenals in Tanger; geen

venster, geene opening dan hier en daar een schietgat of lage deur. Alle

straten waren nauw, donker en morsig, hier overdekt, zoodat men niet kon

zien, daar open. Hier was de grond rijzend, daar ginds weder dalend.

Bovendien zag er alles even bouwvallig uit. De muren werden overal

geschoord. Sommige waren van boven tot onder gescheurd. Van anderen was

reeds een gedeelte ingestort, en werd de weg door het puin versperd.

Een enkele maal slechts drong eenig geluid vanachter die muren tot het

oor door. Eindelijk echter werden de straten minder nauw, en ontmoette

men meer menschen. Hier en daar ontwaarde men ook overblijfselen, die

fraaie proeven van den schoonen Moorschen bouwstijl opleverden. Het

waren sierlijke bogen of poorten met allerlei grillige arabesken

versierd. Links en rechts van de straat bevonden zich de bazaars; het

waren, evenals te Tanger, nissen in den muur, waar de koopman stil zijn

rozenkrans zat te bidden. Dáár was ook de bazaar van Aroesi, waarin zich

nu zijn bediende bevond.

Opeens zag men bij het omslaan van een hoek, dat de nauwe straat aan het

einde werd afgesloten door een huilenden, joelenden volkshoop.

Onwillekeurig hield het gezelschap halt; de luitenant en de kapitein

grepen naar hunne pistolen.

De troep naderde op een draf schreeuwend en tierend, en onze vrienden

hielden zich derhalve zoo dicht mogelijk tegen den muur om niet

medegesleurd te worden.

Het voorwerp, dat de oorzaak van dien oploop was, deed onze vrienden

verbleeken, want, nadat een hoop kleine halfnaakte jongens was

voorbijgegaan, bemerkte men eensklaps te midden van het volk een paar

soldaten, die een haveloozen, bijna naakten kerel van een woest uitzicht

op een ezel tusschen zich in hadden. Die misdadiger, of wat hij was,

leverde een erbarmelijk en afschuwelijk schouwspel op. De beide handen

toch waren afgekapt en de stompen bloedden verschrikkelijk.

--Een dief, zeide Aroesi koel; men gaat hem de armen in kokende teer

doopen om het bloed te stelpen.

Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen · 第 11 / 22 段