geweer af, wierp het daarna in de hoogte, ving het onder het vallen op
en reed terug. Doch dadelijk daarop naderde hij weder en nu gelijken
tred houdend met de karavaan, wierp hij onder een vliegenden galop
aanhoudend zijn geweer in de hoogte en ving het op. Eindelijk deed hij,
hetzij bij ongeluk of opzettelijk een misgreep en het geweer viel in het
zand. In zijne vaart stoof hij het voorbij, doch bliksemsnel wendend
reed hij terug en in vollen ren boog hij zich aan de rechterzijde over,
zijne lange magere beenen om zijn paard geklemd houdende, en greep het
geweer van den grond, een toer, die de knapste kunstrijder hem misschien
niet zou nadoen. Toen, zijn geweer zwaaiend, naderde hij nog dichter
onder het uitschreeuwen van een stroom van scheldwoorden, uittartingen
en bedreigingen.
--Komaan, snoever, houd den mond! riep de luitenant, en hij zette zijn
geweer tegen den schouder.
Nauwelijks bemerkte de roover die beweging, of hij trok snel terug.
Doch te gelijkertijd trok de luitenant af, en met den knal stortten
ruiter en paard neder.
--Jongens, riep Dries, dat noem ik een schot, op meer dan duizend pas!
Maar zie, de kerel schijnt ongedeerd; slechts zijn paard is getroffen.
Werkelijk had de ruiter, wiens paard doodelijk getroffen was, zich onder
het dier uitgewerkt en zette hij het op een loopen naar zijne makkers.
Maar eer hij een honderd pas ver was gegaan, trof hem een kogel van
Selam, die hem op zijn lastdier was achternagesneld.
--'t Is jammer van den vent, zeide Dries, toen hij hem zag vallen.
--'t Is alweer een vijand minder, zeide de luitenant bedaard.
Een algemeene aanval van de roovers volgde op den dood van den waaghals.
Een regen van kogels vloog over en door den kleinen troep, doch ook zij
waren op hunne hoede geweest en een paar kerels, die zich wankelend in
den zadel hielden, leverden het bewijs, dat de kogels weder nieuwe
slachtoffers hadden gevonden.
Van alle kanten omringd en onder hetzelfde spel van galoppeeren en
vuren, zette men den weg voort en reeds vorderde men goed, toen opeens
eene stofwolk achter hen de aankomst der versterking aankondigde.
Eensklaps zag men uit die stofwolk de paarden en ruiters te voorschijn
komen, allen om het snelst rijdend. In weinige oogenblikken waren zij
tot zeer dichtbij genaderd, en na zich met de vorigen te hebben
vereenigd, vloog de troep als eene bende losgelaten duivels op de kleine
karavaan aan.
Vast aaneengesloten wachtte deze hen af. Men begreep, dat niets dan een
wonder hen zou kunnen redden en men was besloten liever te sterven dan
zich over te geven.
Het tumult, dat nu volgde, was ontzettend en ging alle beschrijving
te boven. Na eenige malen de geweren te hebben afgevuurd werd men
handgemeen, en gedurende eenige oogenblikken zag men slechts eene
ontzettende stofwolk, waartusschen men hier en daar een paard of een
ruiter zag uitkomen en hoorde men niets anders dan het gekletter
der sabels, het knallen der revolvers en de aanmoedigingskreten en
verwenschingen van beide partijen. Hier renden paarden zonder ruiters
rond, dáár vluchtte de losgeraakte beladen kameel. Het was een
opeengepakte hoop, waarvan de handvol dapperen het centrum uitmaakte.
Elke slag van hen trof zijn doel, en hoe snel de roovers ook opdrongen
en hoe onstuimig hun aanval ook was, het had hun nog niet mogen gelukken
hen te dooden of gevangen te nemen. Als een muur stonden zij daar
onwrikbaar, geen voet breed wijkende tot eindelijk een der ruiters, zijn
paard tot een hevigen sprong dringende, eene bres maakte in het kleine
carré en zij daardoor van elkaar werden gedrongen.
De kapitein en Dries vochten als een paar razenden, nu dezen dan
dien aanvaller het hoofd biedend. De luitenant had zijne gewone
koelbloedigheid behouden, lette op alles, en schermde even bedaard
met elke tegenpartij die zich op zijn weg plaatste, alsof hij op eene
schermpartij was. Selam en Mohammed, als een paar echte zonen van het
land, vochten met al de woede en doodsverachting van den Mahomedaan, en
het duurde dan ook niet lang of onze Mohammed was geheel buiten gevecht
gesteld, terwijl Selam, aan den arm gewond, zich nog slechts met moeite
verdedigde. Wat de kameeldrijvers betreft, door het verschrikte dier
medegesleept, had de eene ongelukkig den dood gevonden onder de hoeven
der paarden, terwijl de andere gevangen was genomen tegelijk met zijn
lastdier.
Ongelukkig brak, door een hevigen kolfslag, de sabel van den luitenant
juist op een zeer gevaarlijk oogenblik. Hij gaf echter daarom den strijd
niet op, maar het paard van zijne tegenpartij bij den teugel grijpend,
stak hij het zijn ponjaard in de borst. Het dier steigerde en zou zijnen
bereider in zijn val hebben medegesleept, zoo deze niet snel op den
grond was gesprongen. Op hetzelfde oogenblik steigerde ook het paard van
den luitenant en wierp dezen van zich af.
Als een leeuw stortte de Arabier zich nu op zijnen vijand, en beiden
hielden elkaar omstrengeld, worstelende wie de bovenhand zou krijgen.
De luitenant was een gespierd man en zijne buitengewone bedaardheid
gaf hem een groot overwicht over zijnen vijand. Reeds spoedig zag deze
dan ook, dat hij met geen te minachten partij worstelde; eene handige
beweging van den luitenant deed den kerel het evenwicht verliezen,
waardoor hij zoodanig met het hoofd op den rotsigen bodem terechtkwam,
dat hij voor dood bleef liggen. Doch op hetzelfde oogenblik voelde de
luitenant de koude tromp van een pistool in den nek. Eene bliksemsnelle
beweging deed het schot missen en te gelijk stortte de Arabier, die dat
schot had gelost, door een sabelhouw van den kapitein getroffen met
gespleten schedel in zijn bloed badend neder.
Doch hoe fel de tegenstand ook was, het einde was gemakkelijk te
raden en het was nog slechts eene kwestie van eenige oogenblikken. De
zekerheid hier den dood te zullen vinden, deed echter onze vrienden het
onmogelijke tot stand brengen.
Doch eensklaps, op hetzelfde oogenblik, dat de Beni-Hassen de handvol
dappere tegenstanders dreigden te verpletteren, klonk eene donderende
stem den strijdenden tegen en een ruiter in rijke Arabische kleeding,
de Turksche kromsabel in de vuist, stortte zich in hun midden hun een
krachtig: »Houdt op!" toeroepende.
De ruiter, die zoo juist van pas kwam om onze dapperen te redden, was
Sid-Abd-Allah, de geweldige.
XII.
SID-ABD-ALLAH, DE GEWELDIGE.
Op de verschijning van Sid-Abd-Allah staakten de Beni-Hassen eensklaps
het gevecht en een gemompel van verwondering doorliep den roovertroep.
Die verwondering nam echter nog meer toe, toen de Arabier op onze
vrienden toerijdende, hen met de grootste hartelijkheid de hand schudde
en hen met beleefdheden overlaadde.
--Allah is groot! zeide de Arabier, hun de hand drukkende; hij heeft
mij u ter hulpe gezonden, u, aan wie ik een schuld van dankbaarheid heb
af te doen. Vreest niets meer, gij zijt gered! En zich tot de roovers
wendende, fronste hij de wenkbrauwen, en na hen eenige oogenblikken
toornig te hebben aangezien, zeide hij:
--Een ieder begeve zich ten spoedigste naar den duar waar hij woont, en
daar gij mijne vrienden hebt aangevallen, zult gij zorgen hun morgen bij
het opgaan der zon den monah aan te bieden als een zoenoffer voor uwe
schuld. Gaat!
En die woeste roovertroep, de Beni-Hassen, die daar verlegen als
schooljongens hadden gestaan onder den vreeslijken blik van
Sid-Abd-Allah, vierden de teugels en verdwenen in eene wolk van stof,
snel als de wind, verheugd er zoo goed af te komen.
--Na al hetgeen er is voorgevallen, zeide Sid-Abd-Allah, zult ge er
zeker niet tegen hebben mij de eer aan te doen om voor hedennacht uwen
intrek in mijne tent te nemen, ten einde u te herstellen van de
doorgestane vermoeienissen en om uwe ontredderde bagage na te zien.
Het behoeft niet gezegd te worden, dat dit aanbod gretig werd
aangenomen. Het was toch onmogelijk, zooals de zaken thans stonden, te
vertrekken. De tweede kameel was door de Beni-Hassen weggevoerd; Selam,
Mohammed en Dries hadden min of meer ernstige wonden bekomen, en een der
drijvers was vertrapt in de verwarring van den aanval. De luitenant had
eene onbeduidende wond aan het voorhoofd, maar die hem echter hinderde.
Om van den schrik te bekomen en de orde te herstellen was derhalve de
aanbieding van Sid-Abd-Allah niet te verwerpen, en onder een levendig
gesprek begaf men zich op weg naar den duar van Sid-Abd-Allah.
De richting naar de bergen inslaande, was men zeer spoedig in een zeer
langen nauwen bergpas gekomen. De rotsen verhieven zich ter weerszijden
als muren steil in de hoogte. Hier en daar stond eene kleine groep
struiken of een eenzame boom. Aan den ingang van den pas zat een Arabier
op een der hoogste rotspunten. In zijn donkerbruinen mantel gehuld, was
hij nauwelijks van de rotsen te onderscheiden. Zijn lang geweer lag hem
dwars over de knieën. Het was een schildwacht van Sid-Abd-Allah, die
den toegang naar de woonplaats zijns meesters bewaakte, want deze nauwe
bergpas, waar nauwelijks een paar ruiters naast elkaar konden gaan, was
een der toegangen tot de woonplaats van den Arabier. Aan het eind van
dezen weg kwam men eensklaps op eene kleine vlakte. Slechts één tent
stond daar in het midden onder eene groep vijgeboomen en een vijftal
Arabieren lag in de schaduw uitgestrekt, terwijl aan het eind van den
bergpas, eveneens op de rotsen, een tweede schildwacht was geplaatst.
De kleine vlakte, omgeven door hooge bergen, was met welig groene weiden
bedekt, waarin een twintigtal fraaie Arabische paarden liep, die rustig
graasden naast eene kudde schapen.
Zoodra men deze vlakte betrad, sprongen de wachthebbende Arabieren
eensklaps op, doch Sid-Abd-Allah wenkte hen met de hand toe, dat zij
rustig konden blijven liggen. Echter bleven zij in eene eerbiedige
houding staan tot de kleine troep was voorbijgetrokken, en men kon op
die stoute gebruinde tronies, door menig litteeken geteekend, de groote
verbazing lezen, die zich van hen had meestergemaakt door hun opperhoofd
in dusdanig gezelschap te zien.
--Dit is een mijner voorposten, zeide Sid-Abd-Allah. Het is onmogelijk
mijne woonplaats te naderen zonder te worden gezien.
--Ik moet u mijn compliment maken over uwe maatregelen, zeide de
kapitein; inderdaad als de andere toegangen tot uwe woonplaats aan deze
gelijk zijn, is uwe vesting bijna onneembaar.
Sid-Abd-Allah glimlachte.--Ja, zeide hij, ik ben wel gedwongen voor
mijne veiligheid te zorgen; deed ik dat niet, dan zou mijn hoofd reeds
sinds lang op de poorten van Fez te pronk staan.
Na de vlakte dwars overgegaan te zijn besteeg men een zijpad, hetwelk
zoo smal was, dat men moest afstijgen en de paarden bij den teugel
medevoeren. Voorgegaan door Sid-Abd-Allah en zijn neger, kwam men in een
korten tijd op eene groote uitgestrekte vlakte, waar zich aan de blikken
van onze verbaasde reizigers een groot aantal bewoonde hutten vertoonde.
Het waren de duars van Sid-Abd-Allah.
Op ettelijke plaatsen dier vlakte verhieven zich de verschillende duars.
Er waren er tien. Elke duar bestond uit een vijftien- of twintigtal
tenten op twee rijen geplaatst. De evenwijdige ruimte daartusschen
vormde een achthoekig pleintje, dat aan beide einden open was. De tenten
geleken allen op elkaar en waren zeer eenvoudig saamgesteld. Twee palen
en twee dikke rieten stokken verbonden met een dwarshout vormden zoo de
nok, waarover een groot donker gekleurd zeil van schapen- en kemelshaar,
of uit de vezels van den dwergpalm vervaardigd, was geworpen, dat boven
den grond een weinig was opgehaald om vrijen doorgang aan de lucht te
verschaffen. Rondom elke tent was bovendien eene lage schutting van riet
en droge takken. Des winters laat men het zeil tot op den grond neder,
en bevestigt het met touwen aan in den grond gestoken pinnen. Hoe licht
en weinig soliede deze tenten nu ook mogen schijnen, zijn zij toch
werkelijk uitmuntende woonplaatsen, die des zomers koel en frisch en
in den regentijd droog zijn. De meeste tenten der verschillende duars
hadden eene lengte van 8 à 10 meter en eene hoogte van 2 à 2½ meter. In
het midden van den middelsten duar verhief zich eene veel grootere. Het
was de tent van Sid-Abd-Allah, waarheen men zich begaf.
Eene vroolijke drukte heerschte er in deze Arabische duars. Groote
troepen half- en geheel naakte kinderen speelden overal. Hier en daar
zaten de vrouwen aan den ingang, weefden roode stoffen of draaiden touw
uit vezels van den dwergpalm. Anderen waren bezig met het malen van
graan. Op een paar plaatsen was een groepje nieuwsgierigen vereenigd
rondom een ouden Arabier, die op zijne levendige manier aan het verhalen
was. Natuurlijk hielden allen dadelijk bij het verschijnen van het
gezelschap op met hunne bezigheden en verdrongen zich rondom de
gasten. Doch een donkere blik van den gastheer was voldoende om de
nieuwsgierigen op een behoorlijken afstand en rustig te houden.
Eindelijk was men onder dak. De tent was bij uitstek fraai. Een wand
van biezen verdeelde haar in twee gelijke deelen. In de eene afdeeling
sliep de Sheik en zijne vrouw, in de andere de kinderen. De vloer was
belegd met van wilgetakken gevlochten matten. Het overige huisraad
bestond uit een paar groote kisten van bont beschilderd en bewerkt
hout, waarin de kleederen werden geborgen, een ovalen spiegel, een
weefgetouw van denzelfden vorm als in den tijd van Abraham, een badstoel
in den vorm van een rieten drievoet, waarover een kaïk als kleed was
gehangen en waaronder de Arabische vrouwen de dagelijksche, door
Mohammed voorgeschrevene wasschingen verrichtten, voorts een paar rood
koperen kandelaars, een klein getal steenen schotels en pannen, eenige
geitevellen en een paar zadels en tuigen. En ten slotte eene soort van
wapentropee, bestaande uit twee geweren, twee Turksche kromsabels en een
paar ponjaarden. Dit wapentuig was alles even rijk versierd en blijkbaar
moest het meer als sieraad dienen dan tot gebruik, daar de wapenen, die
de Sheik bij zich droeg, van veel eenvoudiger maaksel waren.
Een prachtig tapijt op den grond latende uitspreiden, noodigde
Sid-Abd-Allah zijne gasten uit daarop plaats te nemen. En weldra zat men
aan een echt oosterschen maaltijd. In eene kom werd heerlijke versche
melk aangeboden, voorts boter, eieren en een uitmuntend gebak, een
soort van taart, van honig, eieren, boter, suiker en meel gemaakt, welk
gerecht bij de Arabieren zeer beroemd is. Het zonderlinge bijgeloof der
Arabieren zegt, dat zoo een man in de kamer komt, terwijl de vrouw bezig
is deze taart te bereiden, de taart mislukt. In dat geval eet men ze
niet, ook al smaakt zij evengoed, want men vreest dat eenig ongeval
daaruit zal voortkomen.
Na afloop van dit souper werden de pijpen gebracht, doch de luitenant
bood sigaren aan en de gastheer ruilde gaarne de pijp voor eene fijne
sigaar. Al rookende en pratende ontspon zich langzamerhand een vroolijk
ongedwongen gesprek, zeer natuurlijk kwam ook ter sprake de dienst, die
den luitenant zijnen gastheer had bewezen, en zoo kwam deze er vanzelf
toe den afloop van dat avontuur te verhalen.
--Het is vier à vijf dagen geleden sinds ik door u werd geholpen, aldus
begon de gastheer. Dank zij uwe hulp, kwam ik nog juist bijtijds om
mijne woonplaats, mijne bezittingen en mijn volk te redden, want mijn
vijand zat mij na op de hielen.
--In den nacht, volgende op dien waarin ik, hoewel slechts voor eenige
oogenblikken, uw gast was, werden wij aangevallen. Sid-Moessa verscheen
met den kaïd en zijne soldaten, waarbij hij een grooten troep huurlingen
had gevoegd, het uitvaagsel van Tanger, die hij met het vooruitzicht op
een grooten buit had weten over te halen om met hem mede te gaan. Vóór
ik nog mijne tent had bereikt, was mijn plan gemaakt, en toen ik was
aangekomen, had ik spoedig alles in gereedheid. Een vijftigtal goed
gewapende mannen lagen in hinderlaag aan den ingang van een bergpas,
gelijk aan dien welken wij heden zijn doorgegaan en eene dubbel zoo
sterke macht was op de hooge rotsen aan beide zijden van den pas
gelegerd.
--Het was een door de maan verlichte nacht; nu en dan echter drongen
zich donkere wolken voor haar en onderschepten haar licht. Met groot
misbaar naderde de bende en opende een oorverdoovend geweervuur op de
rotsen, waartegen de kogels plat neervielen. Met een honderdtal
strijders begaf ik mij in de vlakte en de strijd begon.
--Zooals altijd hield Sid-Moessa, de lafaard, zich achteraf.
Onophoudelijk echter hoorde ik zijne stem, die zijn volk aanvuurde om
mij vooral levend te vatten. Intusschen trokken wij al vechtende terug,
totdat we in den bergpas kwamen. Sid-Moessa geloofde reeds getriumfeerd
te hebben, en zijn victoriegeroep werkte aanstekelijk op zijne bende,
die met woeste vaart den pas instoof, ons achterna. Dit was juist, wat
ik verlangde. Ik trok terug al verder en verder.
--Opeens, juist toen ik er over nadacht halt te houden, bemerkte ik
eenige weifeling onder onze vijanden. Niet zoodra zag ik dit of,
bevreesd dat zij zouden ontsnappen, gaf ik het afgesproken sein.
--Toen greep er eene verschrikkelijke gebeurtenis plaats in dezen
nauwen pas. Want eensklaps donderde een salvo van tweehonderd vijftig à
driehonderd schoten op de bende los. Eene onbeschrijflijke verwarring
was hiervan het gevolg en nooit zal ik het tooneel vergeten, dat ik toen
aanschouwde.
--De eerste beweging der bende was terug te trekken, doch zoodra zij
tot op eenige honderden passen den ingang waren genaderd, werden zij
door een salvo van de vijftig daar geposteerde schutters begroet. Een
woedend gehuil was daarop het antwoord. Toen poogden zij voorwaarts
te gaan, doch daar stond ik met mijne honderd manschappen, en een nog
moorddadiger geweervuur ontving hen. Nu poogden zij de steile rotsen
te beklimmen, maar helaas! bij het licht der maan, dat nu en dan dit
tooneel bestraalde, zagen zij de rotsen met mijne krijgers bedekt, die
eveneens hunne kogels in den opeengedrongen hoop zonden, waar elk schot
zijn man trof.
--Toen begon men te schelden en te tieren en den aanvoerder te
vervloeken. Men drong op naar Sid-Moessa om hem te dooden. Inzonderheid
was het gespuis van Tanger, dat eene gemakkelijk te verwerven buit had
gemeend te vinden, razend van woede.
--Ik dorstte naar het nemen van wraak; doch Allah nam die taak op zich.
Sid-Moessa, bevreesd voor de woede van zijne huurlingen, wist, na een
paar sabelhouwen te hebben ontvangen, door eene kracht en volharding,
die alleen de wanhoop hem schonk, de steile rotsen te beklimmen en
naar boven te komen. Mijne krijgers lieten hem begaan, zeker als zij
waren hem in handen te zullen krijgen. Als een gejaagd dier liep hij
bovengekomen voort, en nauwelijks waren eenige oogenblikken verloopen of
een boven alles uitklinkende kreet trof onze ooren, die zelfs voor een
oogenblik het gevecht deed staken, zoo hevig was de uitwerking op ons
allen. 't Was Sid-Moessa, die dien kreet had geuit. In zijn angst was
hij blindelings voortgeloopen en na een paar honderd passen te zijn
voortgehold, was hij van de hemelhooge rotsen gestort. Wij vonden hem
des anderen daags liggen met verpletterden schedel en badende in zijn
bloed. Aldus was het uiteinde van Sid-Moessa; van zijne bende ontkwam er
geen enkele.
--Vreeslijk! zeide de kapitein.
--Ja, antwoordde de gastheer, maar kon ik anders? Het lot mij door
Allah opgelegd, moet ik dragen, maar geloof mij mijne vrienden, het valt
mij somtijds zwaar.
--Zie, vervolgde hij, hoe mijn leven is. Door de wreedheid van dien
Sid-Moessa, dien Allah den dood eens honds heeft gegeven, ben ik een
roover geworden. Toen, overal vervolgd, woonde ik in de spelonken en de
holen der bergen; van de eene plaats verjaagd naar de andere had ik
nooit rust. Dat doet het hart verharden. Een onverwacht voorval kwam mij
toen te hulp.
--De bewoners der omliggende provinciën, en met name de Beni-Hassen,
hadden in den laatsten tijd aan allerlei afpersingen bloot gestaan. 't
Is de gewoonte, dat de sheik, die het hoofd van een duar is, en door de
bewoners der duars zelven wordt gekozen, aan den gouverneur, die over
de provincie is gesteld, jaarlijks in geld en producten een tiende van
den geheelen oogst opbrengt, gemiddeld een halven gulden per stuk vee
en vijftig gulden voor een stuk land, dat met twee ossen kan worden
beploegd. Maar bovendien is men verplicht bij de voornaamste feesten,
den Sultan een geschenk te geven, dat ongeveer twee en een halven gulden
per tent bedraagt. Zoo dikwijls als er eene afdeeling soldaten, een
pacha, een gezant of de Sultan door het land trekt, moeten de bewoners
van elke plaats, die men voorbijtrekt, hunne geschenken aanbieden,
bestaande in geld of levensmiddelen, juist zooals de gouverneur het
verkiest.--Over het algemeen zijn de gouverneurs gewetenlooze schurken,
wien het om niets anders te doen is dan spoedig rijk te worden. Ieder
die geld bezit, staat bloot aan de ongehoordste afpersingen, die
openlijk, zonder de moeite te nemen er een reden voor te zoeken, worden
bedreven. Geld te bezitten, eenig vermogen te hebben, staat gelijk met
een misdadiger te zijn. Men wordt op de onbeschaamdste manier vervolgd,
totdat men geen penning meer bezit. Vandaar dat ge overal zooveel
armoede aantreft. Wie geld heeft, stopt het in den grond en houdt zich
doodarm. Sterft er iemand, die eenig vermogen nalaat, dan koopen de
bloedverwanten de roofzucht van den gouverneur der provincie af, door
een deel der nalatenschap als geschenk aan te bieden. Alles wordt met en
door geschenken verkregen. Die recht vraagt, moet eerst den rechter met
geschenken bewegen om recht te spreken. Die gestraft moet worden, de
roover, de dief, de moordenaar, koopt door geschenken aan de overheden
zijne vrijheid; hij eindelijk, die het ongeluk heeft geld te bezitten,
koopt het rooven daarvan, en de straffen waaraan hij blootgesteld is, af
door geschenken te geven zoolang hij geld heeft.
--Zoo is de toestand hier overal, en daardoor had men de bewoners der
omliggende gewesten zoodanig afgeperst en tot woede gebracht, dat zij
eindelijk weigerden den Sultan eenige schatting te betalen. Zij drongen
door tot het huis van den gouverneur, sabelden alles neder wat er was,
doodden hem met vrouw en kinderen, en staken zijn huis in brand. Daarna
staken zij de vaan des opstands op en trokken de bergen in.
--Zoo stonden de zaken, toen men mij het bevel over de opstandelingen
kwam aanbieden. De gelegenheid nam ik gretig aan, niet uit eerzucht,
maar om misschien den een of anderen dag eene gelegenheid te hebben, mij
op goede voorwaarden aan de regeering te onderwerpen en als hoofd van
mijne duars erkend te worden, en zoodoende niet langer het leven van een
roover te leiden.
--Intusschen nam de opstand eene grootere uitbreiding aan dan ik wel
had gedacht, en spoedig vernamen wij, dat de soldaten van den Sultan in
aantocht waren. Toen nam ik een kloek besluit, en allen die onder mijne
vaan waren gekomen vereenigende, liet ik hen met al wat zij bezaten
opbreken, en vestigde mij hier. Het leger van den Sultan liet niet
lang op zich wachten. Het verscheen reeds kort daarna en begon zijne
heldendaden met het neersabelen van de vreedzame landbewoners, die
geen deel hadden aan den opstand; zij verwoestten de landerijen en
verbrandden de duars, kortom hielden huis als duivels.
--Het getal vluchtelingen, dat hierheen stroomde, nam dagelijks toe; de
een had een broeder te wreken, de ander eene vrouw, een vader, een kind.
Doch daardoor geraakte de vijand ook met onze woonplaats bekend. Na lang
genoeg geroofd, gemoord en gebrand te hebben, rukte het leger tegen ons
op. De vijand legerde zich op eene vlakte hier in de nabijheid, en
overmoedig als hij was, werden er niet eens schildwachten uitgezet, maar
men vierde vroolijk feest met wat men had gestolen. Den kleinen troep
opstandelingen minachtend, sliep het geheele leger rustig in, alsof er
geen vijand nabij was. Om kort te gaan, wij overvielen hen dien nacht en
sloegen hen totaal. Van het leger van den Sultan bereikte slechts een
klein getal Fez, om de tijding der nederlaag over te brengen.