Onrustig hief het paard thans telkens den kop op en keek rond als

bemerkte het, dat het niet pluis rondom hem was. Plotseling zag Selam

een arm door het groen te voorschijn komen, daarop een hoofd en de

listige oogen van den Arabier keken behoedzaam rond. Hij was vlak bij

het paard. Opeens strekte de kerel de hand uit, hieuw met één slag van

zijn groot mes het koord, dat de voorpooten gekoppeld hield, door, sloeg

bliksemsnel zijne lange gespierde armen om den hals van het verschrikte

paard en slingerde zich op zijnen rug.

Maar even snel sprong de woedende Selam uit zijne hinderlaag op, en

was met een sprong als van een panter op den rug van het paard achter

den roover, sloot zijne armen om den hals en terwijl deze het paard

voortjoeg sloten de gespierde handen van Selam als een nijptang om den

hals van den dief. De Arabier poogde zijn aanvaller te vatten, doch

diens ijzeren greep verstikte hem. Hij waggelde en beiden vielen van het

paard. Op den grond werd de worsteling voortgezet en gedurende eenige

minuten hoorde men niets anders dan het heesch gebrul der strijders.

Eindelijk was het den dief gelukt zijn mes te grijpen en poogde hij er

Selam mede te treffen. Doch deze was geen te verachten vijand en, ziende

dat het om het leven ging, verdubbelde hij zijne pogingen. Zijn greep

belette den roover adem te halen, het mes ontviel aan zijne krachtelooze

hand en geworgd door zijn vijand liet hij het hoofd zakken, de hand, die

Selam's pols krampachtig omkneld hield, liet los en achterover stortende

blies de roover den laatsten adem uit.

Toen sprong Selam op en zag met medelijden neer op zijn verslagen

vijand. Nu de kerel dood was, deed het den braven borst leed, dat de

afloop zoo verschrikkelijk was. Had de roover geen tegenstand geboden

of niet gepoogd Selam met zijn mes te treffen, dan had Selam zeker niet

gedaan wat hij nu, gedwongen zijn eigen leven te verdedigen, had

verricht.

Het rumoer door de worsteling teweeggebracht, had allen doen uitloopen.

Niet weinig verwonderd was men dan ook over hetgeen er had plaats gehad.

--'t Is nu eenmaal niet anders, zeide de kapitein; de schurk heeft zijn

verdiende loon gekregen. Jammer, dat wij ook den andere niet hebben. We

mogen hedennacht wel op onze hoede zijn.

--Wat zullen we met het lijk uitvoeren? vroeg de luitenant.

--Niets, antwoordde de kapitein, niets dan het laten liggen. We gaan

morgen in de vroegte weder op reis en zoodra we onze hielen hebben

gelicht, zullen zijne makkers het wel komen halen om te begraven. Zijn

deelgenoot in 't stelen zal wel begrepen hebben, wat er gaande is en de

plaat hebben gepoetst.

--Zie daar, riep Selam, bij Allah! daar gaat de schurk te paard, zoo, ik

wist niet dat ge een paard in den omtrek hadt.

Werkelijk reed de Arabier in galop weg. Het lang uitblijven van

zijnen makker had hem ongerust gemaakt, daarop had hij het paard zien

rondloopen en de daarop gevolgde opschudding in het kamp had hem het

overige doen raden. Hij had het dus voorzichtig geoordeeld zich te

verwijderen, wel begrijpende, dat zijn kameraad in handen der Christenen

was gevallen. Met lossen teugel reed hij heen en was weldra uit het

gezicht verdwenen.

Ondanks de vrees voor een nachtelijken aanval of overrompeling ging

de nacht rustig voorbij en des anderen daags vertrok men reeds vóór

zonsopgang, ten einde een flinken marsch te maken en zoo spoedig

mogelijk uit dit beruchte land te komen.

XI.

DE BENI-HASSEN.

Snel maar behoedzaam trok de kleine troep voort door het land der

Beni-Hassen. Op aller gelaat waren min of meer teekenen van de

ongerustheid te bespeuren, die zich van den een meer, van den ander

minder had meester gemaakt. Selam vooral, op wien als gids een groot

deel der verantwoordelijkheid rustte, was stil en had op alles het oog.

Hij koos de eenzaamste, moeilijkste wegen, want, hoe vreemd het ook moge

schijnen, dit gedeelte van Marokko is waarlijk bevolkt, in zooverre men

het bevolkt kan noemen. Overal bemerkte men, tusschen met gerst of tarwe

beplante akkers of op uitgestrekte met witte venkel en bloemen begroeide

velden, de toppen der donker gekleurde tenten, welke meestal door een

klein groepje boomen werden overschaduwd. Zulke alleen staande hutten of

groepjes waren het echter niet alleen, men stootte zelfs hier en daar op

volkomen duars (dorpen) en Selam haastte zich bij zoodanige ontdekking,

zich steeds zoo spoedig mogelijk van die gevaarlijke plaatsen te

verwijderen.

--Als we goed voortmaken, kunnen wij overnachten bij den Koebah van

Sidi-Hassem, zeide Selam, daar zijn wij veilig.

--We zullen voorttrekken, antwoordde de luitenant, ondanks de hitte,

ondanks alles.

En men reed even snel voort, hoe drukkend de hitte ook was.

--Ik ben zoo nat, zeide Dries, of ik zoo even uit het water ware

gekomen.

--En ik, zeide de kapitein, ik neem een bad te paard.

Opeens hoorde men eenig gerucht aan den rechterkant der karavaan en een

Arabier te paard, eensklaps van achter een hoog korenveld komende, reed

spoorslag onzen troep voorbij.

Selam hield de teugels in en keek den kerel na. Hij trok de wenkbrauwen

te zamen en de vuist ballende, mompelde hij eene vervloeking.

--Wat is het? vroeg de luitenant.

--Allah sluite mij buiten het Paradijs, antwoordde Selam, als die fielt

de honden niet wakker gaat maken. Zie, de schoft heeft zijn lang geweer

in de hand en voert er allerlei bewegingen mede uit, alsof hij reeds aan

den slag is.

--In dat geval dienen wij onze wapens klaar te houden, zeide de kapitein

zich tot den luitenant wendende.

--Maar welke reden hebt gij voor uwe onderstelling? vroeg de luitenant.

--Zie, heer! zeide Selam. De Arabier rijdt gewapend heen, waartoe zou

hij gewapend uit den duar snellen in zoo vliegende vaart, als het niet

was om zijne kameraden te verwittigen van onze nadering. En eenmaal

genoegzaam in getal zijnde, wat zal hun beletten ons aan te vallen.

Geloof mij, bij Allah! laten we ons voorbereiden op een aanval.

Als om Selam's woorden te bevestigen, verschenen opeens weder twee

ruiters. Zij waren eveneens gewapend en wierpen woedende blikken op het

gezelschap.

--Allah geve ons eene schoone zegepraal over u, honden! schreeuwde de

eene, in vliegende vaart voorbijrijdende.

--O! wij zullen u braden, vervloekte Christenen! donderde de tweede hem

toe.

--Ik heb grooten lust om hun eene blauwe boon in de maag te geven tot

een aandenken, zeide de kapitein.

--Wacht maar, heer! zeide Selam, gij kunt uwe kogels straks beter

gebruiken.

Zoo snel als de roovers waren verschenen, zoo snel waren zij ook

verdwenen; men zag niet vanwaar zij kwamen of waar zij bleven.

Intusschen werd de toestand onzer vrienden van oogenblik tot oogenblik

bedenkelijker. Er viel niet meer aan te twijfelen, of men zou binnen een

betrekkelijk kort tijdsverloop worden aangevallen, en er bleef niets

anders over dan zoo spoedig mogelijk eene plaats op te zoeken, waar men

zich eenigermate kon verschansen om met goed gevolg het hoofd te bieden

aan een aanval. Ongelukkigerwijze kon men echter, hoe men ook uitkeek,

niets geschikts bemerken. Het terrein was golvend, heuvelachtig, waar

graanvelden en bloemrijke weiden zich afwisselden. De horizont werd

begrensd door eene lange rij bergen van aschgrauwe kleur, daar was het

eind van den gevaarlijken tocht, dáár was de grens van het land der

Beni-Hassen. Kon men het punt slechts bereiken, waar de Koebah's van

Sidi-Ghedar en Sidi-Hassem waren. Maar dat was onmogelijk, de afstand

was te groot en de tijd drong.

Men hield halt op een der steilste heuvelen, waar een kleine groep

boomen stond. De kameel liet men knielen en bond hem vast, opdat hij

niet zou kunnen opstaan. Ook de paarden en ezels werden stevig bevestigd

tusschen het weinige groen, dat de heuveltop bevatte.

--Ziezoo, zeide de luitenant, nu zullen we zien wat men wil. Hier zijn

wij, zoo goed en zoo kwaad als het kan, uitmuntend gelegerd, en als wij

met de noodige voorzichtigheid bedaard te werk gaan, zal het geen

enkelen Arabier gelukken den heuvel te bestijgen.

De roovers lieten niet lang op zich wachten. Eene nauw zichtbare

stofwolk aan den horizont verkondigde hun komst.

--Ha! zeide de kapitein, daar komen de schelmen! Vooruit, jongens, ieder

op zijn post en vooral goed gemikt en bedaard vuren!

De luitenant had de beide kameeldrijvers met geweren gewapend, daar zij

er dringend om hadden verzocht onder verzekering, dat zij er goed mede

konden omgaan, en over twee geweren meer te kunnen beschikken was eene

niet te verwerpen zaak. Onze zeven personen hadden zich nu zoodanig

nedergelegd, dat zij de kruin van den heuvel geheel innamen en naar alle

richtingen den vijand het hoofd konden bieden. Iedereen had zich zoo

veel mogelijk bedekt opgesteld, de een achter een boomstam, de ander had

zich eene oneffenheid van den bodem ten nutte gemaakt. Alleen Dries en

Selam lagen tamelijk blootgesteld aan de vijandelijke kogels.

Dries blikte om zich heen en zag op de helling eenige steenen liggen en

deelde zijne ontdekking aan Selam mede.

--Bij Mahomed! zei deze, dat is wat waard. Kom, ga mede! en hij sprong

snel als een gems naar beneden en gooide Dries steen voor steen toe, die

ze weder op den heuveltop wierp.

De kapitein, die hunne bedoeling begreep, sprong nu ook toe en wierp van

deze steenen spoedig eene, een paar voet hooge borstwering op. De

oneffen steenen sloten juist daardoor vast in elkaar en vormden eene

beschutting, waartegen menige kogel kon afstuiten.

Intusschen tuurde de luitenant door zijn veldkijker naar den vijand, die

in dollen galop naderde en spoedig met het bloote oog goed te

onderscheiden was.

--Duivels, riep de kapitein, dat is een aardig troepje. Er zijn er

minstens een vijftig.

--Zevenmaal zeven is negen-en-veertig, zeide de luitenant bedaard. Als

we er ieder zeven neerleggen zijn we klaar.

--Dat is waar, merkte Dries laconiek op. Ba! maar zeven, ik neem er tien

voor mijne rekening, als ze maar onder schot blijven.

--Parbleu, lachte de kapitein, gij zijt spoedig klaar met uwe

overwinning!

--Och ja, spotte Dries, 't is zoo goed als gedaan, het paard is op een

oor na gevild.

--Pas op! riep de luitenant, zij beginnen!

Werkelijk was de bende, die uit vijftig à zestig kerels bestond, bijna

tot op een geweerschot genaderd en hield een oogenblik halt. Daarop

verdeelden zij zich en omsingelden den heuvel in een grooten kring. Het

was een bonte hoop van allerlei leeftijd. Jongelingen met lange zwarte

in den wind fladderende haren, grijsaards met prachtigen sneeuwwitten

baard en mannen in de kracht van hun leven. De meesten hadden de borst,

de armen en de beenen naakt en sommigen waren schrikbarend mager. Hunne

kleeding zag er even armzalig uit als het tuig hunner paarden, dat bij

de meesten slechts uit touw bestond. Enkelen hadden, in plaats van den

tulband, roode lappen om het hoofd gewonden, en hunne bewapening was

eene mengeling van alles. Wat hunne gelaatstrekken betrof, het waren

allen echte galgentronies, waarop de misdaad haar stempel had gedrukt.

Opeens kwam er beweging in den levenden ring, die den heuvel omgaf.

Onder het uitstooten van een helsch geschreeuw en gebrul, vermengd met

de afschuwelijkste verwenschingen en vervloekingen en onder het

aanheffen van de zonderlingste aanvalskreten, stoof de troep vooruit

zonder orde of regelmaat, de geweren boven het hoofd zwaaiend.

--Aan! commandeerde de luitenant.

Nog een oogenblik van spanning en--Vuur! klonk het even bedaard.

Tegelijk met hun salvo donderden de schoten der aanvallers wild dooreen.

Eene dikke kruitwolk omgaf eenige oogenblikken den heuvel; takken en

bladeren vlogen in het rond, en toen men naar de uitwerking van het

salvo keek, lagen vijf der roovers uitgestrekt op den grond, terwijl een

zesde zich met moeite in den zadel hield, en de paarden der gevallenen

met de teruggaloppeerende aanvallers meeliepen.

--Goed zoo! riep de luitenant, knap gedaan. Nog een paar malen zoo en

zij zullen genoeg hebben.

Naar de gewoonte der Arabieren, waren zij met lossen teugel genaderd,

hadden hunne geweren afgeschoten op de belegerden en waren daarna even

snel omgekeerd tot buiten het bereik der schoten, waar zij halt hielden

om zich voor een tweeden aanval voor te bereiden.

Van ons zevental had niemand eenig letsel bekomen.

Blijkbaar was die hartelijke ontvangst den roovers niet meegevallen,

want men bemerkte eenige aarzeling en een druk gesprek, eer men tot den

tweeden aanval overging. Doch hun groot aantal deed hen niet vreezen

voor eene nederlaag en dadelijk herhaalden zij den aanval.

Ditmaal naderden zij dichter en schenen bedaarder te mikken; althans een

der kameeldrijvers werd in den arm getroffen en een paar kogels raakten

de steenen barricade, waarachter Dries en Selam verscholen lagen. De

stukken steen vlogen in het rond en wondden Dries in het gelaat.

--Schoelje! riep deze, woedend opspringende, dat zal ik je betaald

zetten, en snel een patroon in den loop leggende hief hij zich geheel

op, legde aan en vuurde op de wegtrekkende ruiters, en de halfnaakte,

gespierde Arabier, die op Dries had gevuurd, viel getroffen uit den

zadel.

--Dat zijn er weder vier, riep de luitenant, met de vorige zes maakt dat

tien, die buiten gevecht zijn gesteld. Opgepast, jongens!

Deze waarschuwing was niet overbodig, want de Beni-Hassen kwamen weder

plotseling met lossen teugel en aangelegde geweren aanrennen. Het zand

vloog in dikke wolken op en de geweren knalden nu bijna te gelijker

tijd.

Maar ook de belegerden waren op hunne hoede, en de goed gemikte kogels

troffen thans, nu de woedende Arabieren zich nog dichter dan de vorige

maal waagden, allen hun doel. Enkele vijanden vielen uit den zadel, en

andere konden er slechts met moeite in blijven zitten en alleen door de

hulp hunner makkers waren zij in staat voort te komen.

Een luid hoera ging onder de belegerden op over den gelukkigen uitslag

van dit salvo, doch opeens werd hunne vreugde aanmerkelijk getemperd

door een noodlottig toeval.

De kameel namelijk had al aanhoudend allerlei pogingen aangewend om

zich los te rukken, toen een paar kogels van de Arabieren hem hierin

te hulp kwamen en de riemen, waarmede hij aan den boom bevestigd was,

stukschoten. Het dier sprong nu opeens op, rukte zich los, sloeg als een

bezetene rond en rende den heuvel af.

De luitenant en de kapitein stieten een kreet van woede uit, want dit

dier droeg het voornaamste gedeelte der bagage. En hunne woede werd nog

slechts vermeerderd, daar de Arabieren, opmerkzaam geworden op hetgeen

er gaande was, een tiental van hen afzonden om den kameel te

bemachtigen.

Doch eer iemand er nog op bedacht was, sprong Dries op, snelde den

heuvel af en den kameel achterna.

Nauwelijks zagen de luitenant en de kapitein wat Dries ging wagen, of

beiden laadden hunne geweren en legden zich neder om hem tegen de

aanrukkende Arabieren te beschermen.

In korten tijd had de waaghals, als een pijl uit den boog den

heuvel afvliegend nog vóór de Arabieren tot op een honderd pas waren

genaderd, den kameel bereikt en spande nu al zijne krachten in om het

tegenstrevende dier mede te krijgen. Doch al zijne pogingen baatten niet

veel, en de Arabieren waren reeds bij hem eer hij kon voortkomen.

Intusschen, hoe groot het gevaar was, dacht de wakkere knaap er niet

aan, den kameel prijs te geven. Met een paar hevige rukken dwong hij het

dier te knielen en het den riem om de pooten slingerende, bond hij het

zoo vast, dat het voor het dier onmogelijk was op te staan, zoodat het

nu brullend en spartelend op den grond lag.

De twee voorsten der aanvallers, nu dicht genaderd en overmoedig

geworden door de zekerheid van hun vijand en den kameel te bemachtigen,

repten zich wat zij konden, toen de welgerichte schoten van den

luitenant en den kapitein een einde aan hun rit en tevens aan hun leven

maakten en hen van het paard deed storten.

De overigen op hunne oude geweren rekenende en niet bekend met de snelle

lading der achterlaadgeweren, meenden nu gerust te kunnen voortdringen;

doch voor de tweede maal knalden de uitstekende geweren der beide

officieren, waardoor eene schromelijke verwarring in den kleinen troep

werd gebracht. Weder vielen er twee en de overigen namen reeds den

terugtocht aan, toen drie hunner, woedend over den hardnekkigen

tegenstand, met een paar sprongen hunne makkers achter zich lieten en op

Dries aanvielen.

Deze wachtte hen met de sabel in de vuist af, besloten zijn leven zoo

duur mogelijk te verkoopen.

Maar de roovers hadden ditmaal buiten den waard gerekend, of liever

buiten de beide officieren; want na een enkel woord met elkaar te hebben

gewisseld, stortte de kapitein met de sabel en de revolver in de hand

den heuvel af Dries te hulp, terwijl de luitenant met het geladen

geweer in de hand rustig bleef staan wachten op het oogenblik, dat hij,

zonder gevaar van Dries te treffen, een der drie vijanden zou kunnen

neerschieten, terwijl hij tevens een wakend oog hield op het overige

gedeelte der bende.

Hoe snel de kapitein zich intusschen voortspoedde, toch had Dries het

spoedig te kwaad met zijne drie aanvallers, die als dollen om hem heen

sprongen en sabelhouwen uitdeelden, welke het den dapperen jongen alle

moeite kostte af te weren. Een houw over het hoofd deed hem het bloed

over het gelaat stroomen en met een vervaarlijken sprong wierp Dries

zich op den man, die hem dezen houw toediende, greep hem bij de keel en

sleurde hem van het paard, juist toen de kapitein hem een donderend

»houd moed!" toeriep.

De twee andere roovers, nu een nieuwen vijand in het strijdperk ziende

treden, wendden zich tegelijk tot dezen; doch vóór zij den tijd hadden

hem op het lijf te vallen, schoot de verwoede kapitein alle schoten van

zijne revolver achtereenvolgens op hen af.

Dat deed eene vreeslijke uitwerking. Een zijner twee aanvallers stortte

met zijn paard neer, beiden waren door de kogels doorboord.

De tweede viel den kapitein nu met de sabel aan, zich als een behendig

schermer steeds door vlugge sprongen aan de linkerzijde van den ruiter

houdende, waardoor hij veilig bleef voor diens verwoede sabelhouwen.

Dries had het harder te verantwoorden. Worstelend met zijnen vijand,

voelde de dappere jongen weldra zijne krachten door het bloedverlies

uit zijne wond afnemen, en het was te vergeefs dat hij zich inspande om

zijnen vijand omvat te houden. Met eene hevige krachtsontwikkeling wist

deze den rechterarm vrij te krijgen en zijn ponjaard te grijpen.

Het zou met Dries gedaan zijn, want met eene vreeslijke vervloeking op

de lippen, hief de Arabier zijnen arm op om hem den doodelijken stoot

toe te brengen, en zijn gemeen gelaat straalde van helsche vreugde over

de hulpeloosheid van den Christen, dien hij ging dooden.

Maar daar knalde een schot van den heuvel en een kogel verbrijzelde de

opgeheven vuist, die het moordtuig omkneld hield--en Dries was gered!

Thans wierp Dries met een laatsten wanhopigen ruk zijne tegenpartij van

zich, en vóór deze den tijd had zich op te heffen om zijnen vijand met

de linkerhand den ponjaard naar het hoofd te slingeren, was de kapitein,

die zijn tweeden vijand had verslagen, toegeschoten, en sloeg hij den

kerel met één sabelslag neer.

Het was de altijd waakzame luitenant geweest, die met de grootste

koelbloedigheid zijn schot had bespaard, tot hij eene goede gelegenheid

vond, om Dries van een wissen dood te redden.

Thans rende hij met Selam en Mohammed als een stormwind den heuvel af

en, na Dries te hebben doen opnemen, ging het met vlugge schreden den

heuvel op, terwijl hij en de kapitein met het geweer in de hand den

aftocht tegen den aanrukkenden vijand verdedigden en den kameel

medevoerden.

Ziende dat zij te laat kwamen om den dood van hunne makkers te wreken,

wendden de roovers den teugel en reden spoorslags terug om buiten het

bereik der kogels te komen.

--Ziezoo! zeide de luitenant, nadat men weder in veiligheid was, ik

geloof, dat de schurken vooreerst hun bekomst hebben. Als ik mij niet

vergis, zijn er thans minstens vier-en-twintig buiten gevecht gesteld,

dat is ongeveer de helft.

--Bij God! zeide de kapitein, ik geloof dat zij een weinig eerbied voor

de vereenigde Nederlandsche en Fransche wapens beginnen te krijgen.

--Onze schuld is vereffend, kapitein! zeide Dries. Als gij mij niet te

hulp waart gekomen, was het met mij gedaan geweest, en ook u, luitenant,

ben ik dankbaar; aan u beiden ben ik het leven verschuldigd!

--Ba! zeide de kapitein, ik heb slechts de helft afbetaald. Er blijft

nog een gedeelte over, mijn vriend!

--Nu, ge hadt het benauwd genoeg, zeide de luitenant; mijn kogel kwam

juist van pas.

--Een meesterlijk schot! zeide de kapitein. Ik geloof, dat de schoelje

zijn arm niet meer zal opheffen voor het bedrijven van eene misdaad.

--Maar kijk eens, de ellendeling leeft nog! riep de luitenant. Ziet, en

hij wees naar den kerel, die zich bewoog.

[Illustratie: Deze wachtte hen met de sabel in de vuist af. Bladz. 103.]

Nog éénmaal richtte de roover zich op, en het gelaat naar het Oosten

wendend, riep hij met zwakke stem:--God is groot en Mahomed is zijn

profeet! Vloek over u, honden van Christenen; God verdelge u!

Meer kon hij niet uitbrengen. Eene hevige stuiptrekking overviel hem, en

het hoofd buigend stortte hij voorover op den grond en gaf den geest.

Dit voorval maakte voor een oogenblik een pijnlijken indruk op het

geheele gezelschap. Het ontzettende van het tooneel deed hen rillen, en

allen keken somber voor zich zonder een woord te spreken, totdat eene

beweging onder de rooverbende hunne opmerkzaamheid gaande maakte.

De bijna tot op de helft verminderde troep maakte hoegenaamd geene

aanstalten om den aanval te herhalen, maar scheen raad te houden. Het

duurde een geruimen tijd, eer men een besluit had genomen. Toen zag

men een troep van tien ruiters zich afzonderen, de losse paarden der

gevallenen bij elkaar koppelen en na de gewonden daarop gelegd te

hebben, vertrok een escorte van acht man met hen, terwijl twee ruiters

zich in vliegende vaart elk naar een verschillenden kant spoedden. Het

overige gedeelte van den troep bleef op de plaats.

De belegerden keken elkaar vragend aan; doch de kapitein loste spoedig

het raadsel op.

--Ha, ha! riep deze, ik begrijp de schurken; na hunne gewonden

weggezonden te hebben, zenden zij die twee ruiters uit om versterking.

--Wat te doen? vroeg de luitenant besluiteloos.

--Luister, zeide de kapitein, ik stel voor te vertrekken.

--Vertrekken? vroeg de luitenant verwonderd, vóór wij een paar honderd

pas zijn voortgegaan, hebben wij de geheele bende op het lijf en wij

worden neergesabeld als honden.

--Integendeel, antwoordde de kapitein. Geloof mij, ik ken dat volkje.

Thans zijn er nog slechts een paar dozijn over. Die kunnen wij ons

gemakkelijk van het lijf houden, want de kerels hebben ontzag gekregen

voor onze voortreffelijke geweren. Wachten wij echter tot zij

versterking hebben ontvangen, dan zullen zij ons met eene verpletterende

meerderheid op het lijf vallen, en hoe goed wij ons ook verdedigen,

wij zullen het onderspit moeten delven. Maken wij dus gebruik van de

gelegenheid en laat ons spoedig voortmaken; misschien bereiken wij

gindsche bergen nog vóór hunne versterking is aangekomen en eenmaal

dáár, zullen we wel zien van hen ontslagen te worden.

--Gij hebt gelijk, riep de luitenant. Vooruit, aan het werk! En in

minder tijd dan men het kan vertellen, was een ieder klaar, en begon de

kleine stoet den heuvel af te dalen.

--Ga gij met Dries en Selam in de voorhoede, zeide de kapitein tegen

Frank. Ik zal met Mohammed de achterhoede uitmaken. Wij laten de buksen

maar goed spreken; elken schelm, die onder ons bereik komt, schieten we

zonder mededoogen neer.

Met de wapens in de hand trok men af. Doch nauwelijks zagen de

Beni-Hassen hen de vlakte betreden, of zij wierpen zich te paard en

hadden in een oogwenk den troep omsingeld in een wijden kring, echter

zorgende buiten het bereik der kogels te blijven.

Met den kameel in het midden, de geweren in de hand, gereed om te vuren,

trok men langzaam voort. En rondom dien kleinen maar dapperen troep

sprongen en draafden de Beni-Hassen als duivels, allerlei vervloekingen

uitstootende. Nu en dan waagden een paar zich dichter bij. In vliegenden

galop aanrennende, wendden zij op een zekeren afstand eensklaps den

teugel en schoten onder het terugtrekken hun lang roer op hen af.

--Ba! wat schreeuwers, zeide Dries, die naast den bedaarden luitenant

reed. Kon ik ze maar eens even onder schot krijgen.

--Ja, daar passen zij wel op, zeide de luitenant. Zie, dien kerel dáár

met dien rooden doek om den kop, deze is al een van de brutaalsten.

Wacht, daar komt hij weder. Ik wil toch eens probeeren, hoever mijn

geweer wel draagt.

Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen · 第 9 / 22 段