kapitein.
--Juist, antwoordde de luitenant. In dat hol verpopt de larve ook; zij
spint te dien einde de opening eenvoudig toe. De pop is te herkennen aan
12 uitsteeksels, die op doorntjes gelijken. Uit dezen pop komt onze
kever te voorschijn. Ziedaar! ik hoop, dat uwe nieuwsgierigheid nu
voldaan zal zijn, want ik heb slaap.
--Laat zien, zei de kapitein, er moet bepaald nog wat komen, want mijne
sigaar is nog niet uitgerookt.
--Dat is zoo, zeide Dries, waar blijft de dikbuik, luitenant?
--De dikbuik? zeide deze vragend.
--Wel ja, de waterzuchtige, zeide Dries.
--_Dikbuikius waterzuchta_, voegde de kapitein er tot opheldering bij.
--O, riep de luitenant, ge bedoelt _meloe majalis_. Dat is eene soort
van Spaansche vlieg.
--Wat blief, zeide de kapitein vragend, een soort van Spaansche vlieg en
het is een kever?
--Zeker, zeide de luitenant, de zoogenaamde Spaansche vlieg is ook een
kevertje en allerminst eene vlieg. Hij behoort tot de blaartrekkende
kevers, en de Spaansche vlieg, die wij in onze apotheken koopen, is
een van die soort. Die gij mij heden hebt bezorgd, is zeer mooi. De
metaalgroene en zwarte kleur steekt fraai af bij de purpere randen van
het borststuk. Op de bovenzijde van ieder gedeelte van het achterlijf
heeft zij eene koperkleurige glanzende vlek. De buik is lichtgroen en de
voorzoom van elke geleding is koperrood. Een fraai insect, dat we ook in
Holland aantreffen.
--Dat insect legt een grooten klomp oranjekleurige eieren, uit welke
kleine witte larven komen, die op planten kruipen, en zich in eene bloem
verbergen. Hier wacht zij tot eene bij de bloem bezoekt, dan hecht zich
het kleine wormpje aan de bij en wordt door deze medegevoerd naar het
nest. Zoodra de bij nu haar ei legt, laat de larve zich daarop neer
en eet het op. Daarna vervelt zij en wordt eene larve zonder pooten,
gebruikt als voedsel de honig uit de cel, verandert nog een paar malen
van huid en gedaante tot zij eindelijk overgaat in een pop en daaruit
als volkomen insect de wereld intreedt.
--Verduiveld, luitenant! zeide de kapitein, gij hebt ons zooveel
verhaald, dat mij belang inboezemt, dat ik geloof zin in de
insectenkunde te krijgen, en tot dank beloof ik u, dat als we eenmaal
thuis teruggekeerd zullen zijn, en ik dus weder te Algiers ben, ik u
eene prachtige verzameling insecten zal zenden.
--Dat neem ik aan, zeide de luitenant, maar als gij de beesten levend
zendt, vergeet dan niet ze voedsel te geven. De reis is lang.
--En nu, rust wel, zeide Frank, en hij strekte zich behagelijk uit, om
het overige gedeelte van den nacht eens rustig te slapen, welk goed
voorbeeld ook door den kapitein en Dries werd gevolgd.
X.
DE STERREN EN HET ZANDMANNETJE.
Men herinnert zich, dat kapitein Daumas bij zijne kennismaking met zijne
reisgenooten, pogende hen van de voorgenomen reis naar Fez te doen
afzien, o.a. ook had gezegd: »Uw weg loopt bovendien door het land
der Beni-Hassen, dat wil zeggen door het land van het bloeddorstigste
roovers- en moordenaarsgespuis van geheel Marokko, ware duivels, die
niemand door hun land laten trekken."
En thans den tweeden dag na het hiervoren verhaalde, in den middag,
overschreed men de grenzen van dat beruchte land der Beni-Hassen. Geen
wonder dan ook, dat men alle maatregelen van voorzorg nam. Men had de
wapens nagezien en ze in orde bevonden. Men had in de laatste dagen
met voordacht korte marschen gemaakt om de lastdieren niet te veel te
vermoeien, want het kon gebeuren, dat men vroeg of laat hunne kracht en
vlugheid op eene zware proef zou moeten stellen. De liefhebberijen van
den luitenant en den kapitein bleven rusten tot men dit beruchte land
zou doorgetrokken zijn en Selam verdubbelde zijne waakzaamheid.
Na tot aan den avond met de grootste behoedzaamheid te zijn
voortgetrokken, sloeg men de tenten op den top van een heuvel op, te
midden eener groote opene vlakte. Slecht enkele alleen staande boomen
vertoonden zich hier en daar. Nauwelijks zat men rustig bij elkaar te
praten, of eensklaps verschenen twee Arabieren in het kamp. Vanwaar
zij gekomen waren, wist niemand; men had hen niet van te voren bemerkt.
Mogelijk was dit gekomen door de drukte bij de aankomst. De kerels, die
een hoogst ongunstig voorkomen hadden, boden kippen en eieren, welke
laatste zij in groote ronde, van stroo gevlochten doozen hadden, te koop
aan. Met graagte werd het aanbod aangenomen en de Arabieren vertrokken
na ruim betaald te zijn.
--Vanwaar kwamen die schavuiten? zei Selam; ik vertrouw ze niet. Waren
wij dit vervloekte land maar doorgetrokken. Hij oogde de kerels
wantrouwend na en zag ze achter een kleinen heuvel verdwijnen.
--'t Is zoo als 't is, prevelde hij, maar ik zal op mijne hoede zijn.
't Was nacht. Alles lag in diepe rust verzonken. Zooals gewoonlijk
stonden de last- en rijdieren in een halven cirkel vóór de tenten. De
hemel prijkte met schitterende sterrenpracht en de diepe stilte van den
nacht lag over alles uitgespreid. Slechts nu en dan werd die stilte
verbroken door den schrillen kreet van een dier, dat door een ander
werd opgejaagd, of door den gesmoorden doodskreet van een vogel, die
door eene slang of een roofvogel werd verworgd. Ginder glinsterden de
lichtende insecten in het duister, als wilden zij wedijveren met de
sterren. Hier hoorde men een eigenaardig knetterend geluid van den
krekel. Kortom, de nacht was heerlijk.
Dat vond Selam ook, die rustig vóór de groote tent zat. Hij keek naar de
lichtende sterren en naar het donkere landschap, dat zich om den heuvel
heen uitstrekte. Hij luisterde naar elk gerucht. Naast hem lag de sabel,
dwars over zijne knieën het lange geweer.
Zoo zat Selam tot één uur na middernacht, en stond toen op om Mohammed
te wekken. Maar Mohammed sliep dien nacht vast, zóó vast dat hij de
hand niet voelde, die hem aanraakte om hem te wekken. Selam glimlachte
en beschouwde den slaper eenige oogenblikken. Hij, de vriend zijner
kindsheid, had hem uit den nood, misschien wel van den dood gered. Hij
had niet alleen hém gered, maar ook zijne lieve jonge vrouw. En om
harentwege vooral was Selam verheugd over de wending, die zijn lot had
genomen. Hij twijfelde niet, of de luitenant en de kapitein zouden
hem, wanneer men gelukkig te Tanger terugkeerde, aanbevelen aan de
consulaten, en Selam was overtuigd zijnen plicht tot nu toe gedaan te
hebben en dien in het vervolg te zullen doen; geen twijfel dus, of hij
zou voorgoed uit den nood zijn. Aanbevolen aan de consuls zou men hem
voortaan als bode, gids of koerier tusschen Tanger en Fez gebruiken. En
dat alles had hij aan zijnen vriend Mohammed te danken. Selam voelde
zijne dankbaarheid opnieuw en sterker dan ooit in zich opkomen. Hij
poogde niet meer den man, aan wien hij zooveel verschuldigd was, te
wekken.--Slaap, zeide hij, slaap zacht en droom van het paradijs, Selam
zal waken! en hij verliet met onhoorbare schreden de tent.
[Illustratie: En Selam strekte de armen uit. Bladz. 91.]
En Selam zette zich neder om te waken. Helaas! de goede jongen had
te veel van zijne krachten gevergd. De stilte, de rust, die rondom
heerschte, gevoegd bij de warmte, maakte hem slaperig. Zijn hoofd werd
zwaar, nog keek hij goed rond, maar allengs overmeesterde hem de slaap,
zijne oogleden vielen toe, en hij had de kracht niet meer ze te openen.
Selam sliep gerust en droomde. Hij zat alleen, heel alleen op den heuvel
en keek op naar de sterren. Daar zag hij opeens een dier sterren zich
bewegen, voortgaan en naar beneden komen. De ster daalde en daalde en
kwam recht op hem aan. Selam staarde met ontzetting op het glansrijke
lichaam, dat hem hoe langer hoe dichter naderde. Hij vouwde de handen
over de borst en wachtte kalm af wat er zou geschieden. En de ster
naderde steeds. Maar zie, hoe meer zij nabij kwam, hoe meer zij
veranderde. 't Was geen ster meer! 't Werd een meisje, eene vrouw!--O,
hoe schoon, zei Selam, 't is een der onsterfelijken uit het paradijs, en
hij zag vol bewondering op naar de schoone maagd, die hem naderde en hem
verblindde door haren glans. Maar zie, wat is dat? Eene andere ster, en
weder eene, en immer meer begonnen zich los te maken van het firmament;
zij veranderden allen zachtjes aan en naderden den slapenden, droomenden
gids. Selam was verblind en zijne lippen openden zich slechts om te
stamelen: »Allah is groot!"
Toen naderde hem de maagdenrei met de eerste aan het hoofd en bleef voor
hem staan, neen zweven was het, zoo zacht raakten zij de aarde aan met
den voet.
--Wees gegroet, o Selam! sprak de voorste, de houris van den Profeet
groeten u.
--Allah is groot! zeide Selam, en de houris van Mahomed, den eenigen en
grootsten Profeet van God, zijn schoon als de sterren.
--Waarom verwaardigen zij zich af te dalen tot Selam, den armen
nederigen dienstknecht? vroeg hij.
--De dochteren der sterren komen tot Selam om over hem te waken. Selam
is een goed dienaar van den Profeet; de Profeet zendt zijne houris tot
hem om hem te beloonen.
Selam glimlachte en wierp vlammende blikken op de schoone, die aldus
sprak.
--Kom tot ons en geniet de rust van den nacht! hernam zij.
--Selam kan niet rusten. Hij heeft zijnen plicht te vervullen, hij moet
waken, antwoordde Selam.
--Zal Selam waken, als de Profeet zijne houris zendt om hem den slaap
te geven in hunne armen? vroeg de schoone.
Selam trilde en wierp verliefde blikken op de houris.
--Kom mede, vervolgde zij, kom met ons; wij vieren feest in de zalen van
het groote paleis en gij zult de koning van het feest zijn!
Selam sloeg de oogen neer om de vreugde en het verlangen te verbergen,
die uit zijne blikken spraken.
Opeens echter, nu zijn blik op den grond viel, zag hij het zand bewegen;
het golfde als werd het door den wind bewogen, en plotseling werd hij
omringd door een paar dozijn kleine mannetjes, die uit het zand te
voorschijn gekomen waren en er geheel uitzagen, alsof zij gevormd waren
uit dat bruinachtig gele zand, op den langen zwarten baard na, die hen
tot het midden van het lichaam reikte.
Selam keek onthutst rond, en waarlijk hij was van alle kanten door die
kereltjes omringd. Zij waren gekleed in de Moorsche kleederdracht, alles
van dezelfde zandkleur uitgenomen den witten tulband.
--Selam, sprak de aanvoerder op indrukwekkenden ernstigen toon. Selam!
ik kom u redden. Luister niet naar deze luchtgeesten, welke voorgeven
uitverkorenen uit het paradijs van Mahomed te zijn; zij komen om u te
verstrikken. Slaap niet!
Maar de houris lonkten Selam toe, en deze gaf het zandmannetje een
onbeschoft antwoord.
--Wie is het, die u geroepen heeft om mijn raadsman te zijn, antwoordde
Selam. Ben ik niet een getrouw Muzelman, een goed dienaar van den
Profeet. Ha, ha! ik begrijp het, gij zijt jaloersch, wijl de schoone
maagden mij de voorkeur geven.
--Selam, zeide het zandmannetje, wat zal er van uwen meester worden
als gij gaat slapen in de armen dier afgezanten van den booze, van
die vermomde trawanten van den boozen geest? Wat zal er van het kamp
terechtkomen, wie zal waken voor de rust en tegen diefstal en misschien
moord?
Selam aarzelde.
Maar weder strekten de houris hare armen uit en zeiden:--Kom tot ons,
wij bieden u de genoegens van het paradijs aan. Kom rust bij ons, slaap
in onze armen! Wij zullen uw schoon hoofd op onzen boezem doen rusten en
uwe oogen kussen tot zij dichtvallen!
--Wie zal waken, vroeg Selam, wie zal waken?
--Wij, riepen de schoonen, als uit één mond.
Nog aarzelde Selam, maar het scheen, dat de booze geesten de overwinning
zouden behalen.
--Hoor, zeide het zandmannetje, luister! Hoort gij niet den
schuifelenden tred van den roover, die om de legerplaats sluipt om de
paarden te stelen. Ongelukkige, gij gaat uwen meester overleveren!
--Ik hoor niets dan het gesnor der insecten, zeide Selam.
--Kom, wat toeft gij nog! riep de aanvoerster der maagden, wij zullen
waken! en zij naderde Selam.
En Selam strekte de armen uit, de schoone omstrengelde hem en voerde hem
weg. En het zandmannetje boog treurig het hoofd, en riep op somberen
toon uit: Allah behoede hem! weder een brave verleid! Komt gezellen,
onze taak is afgedaan! en opeens waren zij verdwenen.
En Selam sliep en droomde voort. En hij hoorde den sluipenden tred
van den roover niet, die om de legerplaats sloop; hij zag den naakten
Arabier niet, die, als eene slang over den grond kruipend, zich zachtjes
en behoedzaam voortbewoog.
Op den dag hadden de kerels, toen zij in het kamp waren gekomen om
kippen en eieren te koop aan te bieden, de legerplaats opgenomen en
thans waren zij daar, tuk op roof.
De een sloop rond om te waken voor eene onverhoedsche overrompeling,
de ander kroop nader. Hij was bijna geheel naakt en had om het hoofd,
bij wijze van tulband, een grof koord gewonden. Niet wetende dat Selam
sliep, ging hij uiterst voorzichtig te werk. Om een paar honderd pas
vooruit te komen was de kerel een vol uur bezig geweest. Voet voor voet
kwam hij nader, kroop tusschen de paarden en sneed snel doch voorzichtig
met het mes, dat hij tusschen de tanden had vastgehouden, het koord door
van een der kameelen. Na dit verricht te hebben, wond hij, met de oogen
steeds op den slapenden Selam gevestigd, het koord van zijn hoofd af
en bond het aan den eenen voorpoot van den kameel. Thans kroop hij
voorzichtig achteruit, zoo lang het koord was. Een zachte ruk aan het
touw deed den kameel gehoorzamen aan die stille aanmaning om een stap
achteruit te doen. Een tweede ruk volgde en de half slapende kameel
deed weder een pas; zoo ging de dief voort, heel bedaard alle gerucht
vermijdende. Eindelijk had hij den kameel zoover buiten het kamp dat
hij veilig was, toen zat hij in een wip op den rug van den kameel en
wenkte zijn makker tot zich. Deze steeg bij hem op en nu ging het eerst
behoedzaam en zachtjes aan, doch zoodra men op tamelijken afstand van de
legerplaats gekomen was in snellen draf voort naar het veilige dorp.
En nog steeds sliep Selam en droomde. Hij lag, in de armen der schoone
houris weggevoerd, op een zacht welriekend leger en strekte met
welbehagen zijne leden uit op de zachte rustplaats. Doch de rust was
hem niet genoeg; hij verlangde meer. Maar zie, die daar even nog zoo
verleidelijke wezens, welke hem tot zich riepen met allerlei beloften,
lachten hem in het gezicht uit en noemden hem een armen dwaas die de
sterren tot zich riep, en door een tooverslag waren de maagden met de
met sterren gekroonde hoofden en de lange witte kleederen verdwenen en
veranderd in sterren, die hare oude plaats weder hadden ingenomen, en
Selam zat op den heuvel in plaats van in een welriekend bed te liggen en
keek op naar het firmament.
Daar stond op eens weder het zandmannetje voor hem.
--Selam! riep hij met eene verschrikkelijke stem, Selam, gij ontrouwe
knecht! Zie, wat ge hebt gedaan. Gij hebt mijn raad versmaad, en zie,
terwijl gij sliept in de armen dier verleidelijke schoonen, kwam de
dief, de roover, die om uw kamp sloop, en hij stal een uwer kameelen.
--O, jammerde Selam, wee mij. Allah sta mij bij! Wat moet ik doen? Help
mij, goede geest, redt mij!
--Hadt gij mijnen raad opgevolgd, het zou niet geschied zijn, zeide het
zandmannetje streng. Maar om uwe jeugd en omdat ge tot nu toe braaf
geleefd hebt en een goed geloovige zijt, wil ik u het middel aan de hand
doen om u te helpen.
--O, heb dank! Ik zal Allah voor u bidden, zeide Selam met vuur.
--De roover, zeide het zandmannetje, vermetel geworden door het gelukken
van den diefstal, zal morgen terug komen om weder te stelen. Leg u in
een hinderlaag en zie u er uit te redden. Gij moet de zaak zelve alleen
doen als straf voor uw plichtverzuim.
Toen hij dit had gezegd, was het mannetje verdwenen en Selam ontwaakte.
Hij wreef zich de oogen en riep opeens met schrik:--Ik heb geslapen! en
hij sprong op als door eene veer bewogen.
--Ja, ik heb geslapen, ongelukkige die ik ben, vervolgde hij, en
gedroomd ook. Maar, Allah zij geloofd! het was slechts een droom.
Na dit te hebben gezegd trad hij nochtans, door vrees gedreven, naar de
standplaats der dieren toe. Als door den bliksem getroffen bleef hij
evenwel staan. Een der kameelen was verdwenen, het doorgesneden koord
gaf hem, helaas! maar al te goed te kennen wat er was gebeurd.
Toen rende Selam de handen voor het gelaat geslagen den heuvel af. Hij
stortte neder; met het hoofd op den scherpen kant van een steen vallende
bleef hij bewusteloos liggen, terwijl het bloed uit eene wond aan het
hoofd vloeide.
Zoo vond hem Mohammed, die, toen hij wakker geworden de tent uittrad om
Selam af te lossen en hem niet op zijn post zag, den heuvel afliep om
hem te zoeken.
De wond was diep, schoon, gelukkig voor den armen jongen, niet
gevaarlijk. Men wies deze, welke vol stof en steengruis zat, en nadat
men wat rum in Selam's mond had gegoten, kwam hij weder bij en verhaalde
naar waarheid, wat er met hem was gebeurd.
De zaak was nu eenmaal geschied en er was niets aan te doen. Wel diende
de luitenant hem eene strenge vermaning toe, doch hij kende Selam te
goed, dan dat hij niet zou weten hoe het geheel buiten zijne schuld was
geschied, terwijl hij uitgeput van vermoeienis in slaap was gevallen.
Men schikte alles zoo goed en zoo kwaad mogelijk, laadde de goederen,
die de gestolen kameel had gedragen, gedeeltelijk op den andere en
gedeeltelijk op de twee ezels, en zoo trok men verder door in het land
der Beni-Hassen, onder eene verschroeiende hitte en in den aanvang alles
behalve aangenaam gestemd door het slechte begin bij den intocht in de
beruchte landstreek.
Maar het onpleizierigst van allen was Selam de dappere Moor gestemd.
Hij was het meest vertoornd op zichzelven en verweet zich telkens,
dat hij een kind was, dat niet wakker kon blijven op zijn post. En dan
dacht hij aan zijn droom en aan de sterren, die tot hem waren gekomen om
zijne zinnen te begoochelen. Maar ook het zandmannetje en zijne makkers
herinnerde hij zich. Ja, die had het goed met mij voor; dat was de goede
geest, die houris waren booze machten. En het zandmannetje zeide mij,
dat de roover zou terugkeeren, zeide Selam in zichzelven. Ha, was dat
waar? Bij Allah en den Profeet! hij zou het weten, de hond, dat hij met
Selam den gids had te doen gehad. Zou hij wederkeeren, de roover? Neen,
't is al te zot om dat te denken; de lafaard, die in de duisternis komt
om te stelen, zal den moed niet hebben de legerplaats andermaal te
naderen.
Zoo reed Selam in diepe gedachten verzonken door, slechts nu en dan een
blik slaande op den weg, dien men volgde.
Op eens gierde eene windvlaag over de vlakte heen en joeg onzen
reizigers het zand in de oogen.
Selam veegde zich de oogen uit, en toen hij opkeek, zie wat was dat?
Ja waarlijk, daar zat hij op den kop van Selam's witten ezel, tusschen
diens lange ooren. Het was het zandmannetje. Het zat daar zoo deftig,
zoo rustig als in een leuningstoel. Zijne kleine naakte voeten rustten
op de manen van den ezel als op een zacht kleedje. Het mannetje zat in
voorovergebogen houding en keek Selam vertrouwelijk aan. Maar alleen
Selam zag hem, de anderen zagen niets, noch hoorden de stem van het
kleine persoontje, dat zoo zacht klonk als het geritsel der bladeren.
--En waarom zou de dief niet komen? vroeg hij.
--Omdat hij bevreesd zal zijn gesnapt te worden, fluisterde Selam, nadat
hij van zijne verbazing was bekomen.
--De Arabier is niet bevreesd, zei het zandmannetje, hij zal komen. Zie
hij volgt u reeds, maar van verre!
--'t Is waar, zeide Selam, we zijn onder de Beni-Hassen. Goed, laat hij
komen, dat is het juist wat ik verlang. Ik zal hem ontvangen!
--Goed, zeide het zandmannetje. Ik heb u gewaarschuwd, dat hij zal
komen; de rest laat ik aan u over. Wees op uwe hoede en Allah bescherme
en helpe u!
--He, zei Selam, dat zand waait me telkens in de oogen, en hij wreef ze
met de hand. Toen hij weder opkeek, was het mannetje verdwenen.
--Ha, zei Selam, ik begrijp het; het zand heeft hem tot mij gebracht en
hem weder weggevoerd, en hij verviel weder in gepeins.
Van lieverlede was, ondanks de brandende zon, de vroolijkheid bij het
gezelschap weergekeerd en het vroolijke lachen, dat nu en dan weerklonk,
bewees, dat de kapitein noch Dries hun vroolijkheid hadden verloren al
reisde men, om zoo te zeggen, met den vinger aan den trekker van het
geweer of de hand aan de greep van de sabel.
De weg liep door uitgestrekte bebouwde velden; gerst, gierst en
dergelijke graansoorten waren de hoofdzaak. Dan weder hield het bebouwde
land op, en trok men door velden, rijk bedekt met bloemen en wilde
planten, de eene nog vreemder of schooner dan de andere. Hier en daar
zag men tusschen het koren den nok van een hut; ook ontmoette men enkele
malen een paar Arabieren met kameelen. De hitte was ondraaglijk; de zon
brandde als vuur; de dieren stapten met moeite hijgend voort en ook de
reizigers gevoelden het drukkende daarvan maar al te zeer. De harde
grond, door de warmte hier en daar vol scheuren en barsten, wemelde van
allerlei dieren. Kleine slangen en schorpioenen waren in ontelbare
menigte aanwezig en niet minder de hagedissen en mieren.
Eindelijk verklaarde de kapitein, dat het hem onmogelijk was verder
voort te gaan, en op algemeen verlangen besloot men den marsch te
staken. In een oogwenk werden de tenten opgeslagen, en iedereen vlijde
zich in de schaduw neder. De beesten kluisterde men de voorpooten, opdat
zij niet te ver zouden afdwalen en liet hen weiden.
Selam echter, nog onder den indruk van zijne vrees, ging niet de tent
binnen, maar beklom een heuveltje, op welks top een groepje hooge
struiken stond, en strekte zich daar in het lommer uit. Van dit punt kon
hij den geheelen omtrek overzien. De insecten snorden om hem heen, de
hagedissen slopen snel tusschen het groen door, maar anders was er geen
leven te bespeuren. Daar vóór hem graasden de beesten rustig.
Eensklaps hief Selam het hoofd een weinig op, schoof de struiken
voorzichtig van elkaar en tuurde scherp uit. Daar vóór hem aan den voet
van gindschen heuvel zag hij plotseling twee gedaanten bewegen. Wat
is dat? waarom sluipen die twee voetje voor voetje nader, van elke
bedekking, van elken struik of boom, van elken steen of elke hoogte
gebruik makende om zich te verbergen? Selam trilde van vreugde. Het
zandmannetje had hem gezegd, dat de dieven het spoor van de karavaan
volgden, en het scherpe oog van den gids herkende hen reeds op dien
afstand.
--Goed overlegd, mompelde Selam. Bij den baard van den Profeet, ik zie
dat ik met Beni-Hassen te doen heb. Maar wacht, vrienden, Selam waakt!
Thans bleef een der beide roovers achter, terwijl de andere zijn weg
vervolgde. Selam hield hem goed in het oog, maar hield te gelijker
tijd een wakend oog op de grazende beesten. Het zwarte paard van den
luitenant, dat het verst van de legerplaats graasde, scheen de aandacht
van den dief te trekken, althans, hoewel uiterst behoedzaam, veranderde
hij van richting en sloop recht op het paard aan. Het was dezelfde
Arabier, die dien morgen in het kamp was gekomen. Hij was op den smallen
gordel na geheel naakt en zijne bruine huid glom van de zeep, waarmede
hij zich had ingewreven, opdat men bij een aanval geen vat op hem zou
hebben.
--Goed, zeide Selam weder, nu ken ik uw plan, hond! en hij liet
zich eensklaps van den heuvel rollen, sloop onder bedekking van het
struikgewas voort en bereikte zoo eene kleine holte dicht bij het paard
van den luitenant, dat gretig graasde en door de gekluisterde pooten
slechts zeer langzaam vooruit kon. In die holte dook Selam weg als eene
slang; hij trok een hoop takken over zich heen, en was nu zoo goed
verborgen, dat het zelfs voor een Arabier, aan zulke hinderlagen gewend,
onmogelijk was hem te bemerken.
Onbeweeglijk tuurde Selam naar het paard. Het graasde, en naderde hoe
langer hoe dichter de schuilplaats. Opeens zag Selam den dief door het
groen sluipen, de planten bewogen zich in lichte golving, dat was al,
maar het was genoeg om den roover aan Selam te verraden. Hij hield den
adem in en wachtte.