--Hebt gij het paard medegebracht? vroeg Selam.

De neger knikte, en opstaande liep hij naar de paarden en maakte dat van

den luitenant los en bond het vast bij de andere paarden.

--Het is niet erg vermoeid, zeide de neger weder gaande zitten.

Sid-Abd-Allah heeft het slechts tot Karia-el-Abbassi bereden en het goed

laten voeren. Na een paar uren rust zal het even frisch zijn, alsof het

den geheelen nacht had gerust. Sid-Abd-Allah heeft mij gelast u dit te

zeggen.

--Het is wèl! zeide Selam, heeft de Sheik u niets anders gelast?

--Ja, antwoordde de neger. Sid-Abd-Allah zeide: Zeg aan de Christenen,

dat Sheik Sid-Abd-Allah nooit een bewezen dienst vergeet.

Selam knikte goedkeurend.--Ga, mijn broeder! zeide hij, het is wèl.

Selam zal uwe woorden getrouw overbrengen, wees daar gerust op.

--Vrede zij op uwen weg! zeide de neger, en te paard springend reed hij

weg in zoo snellen galop, dat hij in een oogenblik uit het gezicht was,

het paard van zijnen meester medevoerend, aan hetwelk geen vermoeienis

was te bespeuren.

Toen de neger was vertrokken, rees Selam op en begaf zich naar het paard

van den luitenant. Er was geen spoor aan het dier te zien van den

verbazenden rit, dien het had afgelegd in zoo korten tijd.

--Ik wist het wel, mompelde Selam, het paard streelend. De geweldige

wordt niet te vergeefs beschermd door den Profeet. Zijn paard was bijna

dood en zie het herleeft opeens, en dit is even frisch alsof het in eene

vette weide had geloopen in plaats van een rit te hebben gedaan naar

Karia-el-Abbassi en terug. Allah heeft het dier zeker een toovermiddel

gegeven. Men zegt, dat hij zijn paarden met wijn wascht en met vleesch

voedt.

Een uur na zonsopgang was de karavaan, na de rivier de Koes te hebben

doorwaad, weder op den weg. De luitenant en de kapitein waren in druk

gesprek over het avontuur van den vorigen avond, en evenals Selam

verwonderden beiden zich over de flinke houding van Frank's paard,

waaraan geene gevolgen van uitgestane vermoeienis te bemerken waren.

--Die opmerking van Selam, zeide de luitenant, dat volgens geruchte onze

roover-Sheik zijne paarden laat voeden met vleesch en wasschen met wijn,

herinnert mij aan een verhaal dat ik eens, ik weet niet meer waar, heb

gelezen van een beruchten Engelschen struikroover, een soort van Rinaldo

Rinaldini. Die avonturier werd door de politie vervolgd en had zijne

ontsnapping alleen aan de vlugheid van zijn paard, dat van Arabisch

bloed was, te danken. Toen hij zijne vervolgers een tamelijk eind

vooruit was, gaf hij het een kwartiertje rust in eene herberg op zijnen

weg. Het dier kon dan ook bijna niet meer staan van vermoeidheid. De

roover liet zich een emmer wijn geven en een enormen rauwen biefstuk.

In den emmer met wijn plaatste hij om beurt de pooten van zijn paard,

ze zorgvuldig met den wijn wasschende. Den biefstuk lag hij tusschen

de tanden van het paard, dat het stuk vleesch smakelijk uitzoog zonder

het evenwel op te eten. Terwijl hij daarmede nog bezig was, kwamen de

politieagenten aan om den vluchteling te vatten. Maar de roover sprong

te paard en verdween snel, want het paard was door dat wijnbad en het

buitengewone maal zóó versterkt, dat het nog uren ver den rit volhield

en over schuttingen en muren heen sprong alsof het eerst pas op weg was

gegaan.

--'t Is zonderling, zeide de kapitein, ik heb ook meer van die

vertelseltjes gehoord, maar er nooit het ware van vernomen.

Men reed thans voort over eene uitgestrekte golvende vlakte, dicht

begroeid met laag struikgewas en bezaaid met bloemen van allerlei

kleuren.

Opeens zag men een man naderen. Het was een Arabier. Hij zag er armoedig

uit, had een dikken knoestigen stok in de hand en om den hals hing een

lederen zak aan een riem.

--Het is een koerier van den Sultan, zeide Selam, die naar Tanger gaat.

In den leeren zak heeft hij de brieven van den Sultan en zijne ministers

en van particuliere personen.

De koerier bleef, ons gezelschap genaderd zijnde, verwonderd doch

eerbiedig staan. Hunne betrekking, die hen overal heen voert, doet hen

veel in aanraking komen met Europeanen. Vandaar, waarom deze lieden meer

met deze laatsten bekend zijn en zich ook verstandiger gedragen dan het

meerendeel hunner fanatieke domme landslieden. Hij vroeg, of men ook

brieven naar Tanger had mede te geven? De luitenant en de kapitein gaven

den armen drommel eenig geld, waarmede hij zeer verheugd was, en na het

gebruikelijke: »God behoede u op uwen weg!" ging hij verder.

--Het is een ellendig leven, zei Selam. Zij leggen den weg van Fez naar

Tanger af in vier dagen. Deze loopt door eenzame woeste streken, door

bosschen en dorre vlakten, over rotsige onbegaanbare paden, waar alleen

zoo'n koerier kan voorkomen; zij moeten stroomen overzwemmen en hebben

met den verstikkenden woestijnwind te kampen. En dan komt daar de

weersgesteldheid nog bij, in den zomer brandend heet, in den winter

aanhoudende gure winden en slagregens. Zij loopen dag en nacht, en

slapen slechts een paar uren per dag. Om bijtijds te ontwaken binden zij

zich een koord aan den voet, dat zij aan het eene eind in brand steken.

Het touw heeft een paar uur noodig om af te branden, zoodra nu het vuur

den voet raakt, wordt de koerier daardoor wakker. Een stuk brood en een

paar vijgen is zijn eenigst voedsel op een ganschen dag en het loon, dat

zij voor al die inspanning en vermoeienissen ontvangen, is zeer karig.

Zij loopen gewoonlijk in een draf, en als zij te Tanger of te Fez

aankomen, gaan zij kort daarna weder terug.

--Een mooi baantje, zei Dries, dat van brievenbesteller in Marokko. Ik

moet het bepaald zien te worden!

--Goed, zei de kapitein, ik beloof je mijne voorspraak bij den Sultan.

--Hartelijk dank, kapitein! antwoordde Dries. Maar doe het niet al te

haastig en vooral als gij het eenmaal voor mij verkregen hebt, verras er

mij dan niet plotseling mede, maar zeg het mij zoo omzichtig mogelijk.

Ik mocht van vreugde eens een ongeluk krijgen.

Tegen den avond sloeg men, afgemat van de hitte, het kamp op aan den

voet van den heuvel.

--Weet gij wel, kapitein, zeide de luitenant, wat ik geloof?

--Als gij het mij zult gezegd hebben, zeker wel! antwoordde de kapitein

droogjes.

--Ik geloof, dat we heden nacht niet veel zullen slapen, zeide de

luitenant.

--En dat waarom niet? vroeg de kapitein verwonderd.

--Omdat ik, antwoordde de luitenant, de geheele vlakte, die wij zijn

doorgetrokken, tot hiertoe heb zien leven van de insecten. Elke grashalm

bewoog, de struiken zaten vol, de lucht is er vol van, de steenen waren

er mede overdekt en het zand kan men niet zien door de menigte.

--Eene mooie tijding, voorwaar! zeide de kapitein. Welnu, ik bezweer u,

dat ik zal slapen ondanks dat tuig.

--Zweer niet, waarde kapitein, zeide de luitenant lachend. Ge zoudt in

het geval kunnen komen, dat ge uwen eed niet kondt houden.

Men bleef nog lang genieten van den heerlijken nacht, om zich eindelijk

ter ruste te begeven. De kapitein onderwierp eerst de tent aan een

streng onderzoek, doodde onmeedoogend wat hij vond en legde zich toen

neder. Ook de luitenant en Dries hadden zich te slapen gelegd.

De luitenant lag nauwelijks rustig te bed, of de aanvallers begonnen

zich reeds te vertoonen; maar Frank lag overal heen te kijken en sloeg

ze met een stokje weg, waar zij zich in zijne nabijheid vertoonden. De

kapitein, die zich goed wilde houden, bewoog zich onrustig, en nu en dan

hoorde men een onderdrukten vloek.

Opeens sprong de kapitein op.--Neen, riep hij, dat is niet uit te

houden! Ik geloof waarachtig, dat ze mijn veldbed willen wegslepen.

De luitenant lachte.--Wel, wat heb ik u gezegd? zeide hij.

--Vervloekt, riep de kapitein weder, ik voel ze tegen mijne beenen

opkruipen. Ik hoor ze om mij heen snorren en gonzen. Wacht kanalje! ik

zal je wel helpen, en hij ontstak eene kaars.

Ook Dries was nu van zijn veldbed gesprongen en zelfs de luitenant kon

het ondanks zijne kalmte niet langer uithouden.

Toen er licht was ontstoken, begon men het terrein te verkennen. En

het resultaat was alles behalve geruststellend. Het vermoeden van den

luitenant had zich maar al te zeer bewaarheid; overal wemelde het van

insecten; alles leefde als 't ware. De grond scheen zich te bewegen; de

wanden der tent waren in voortdurende golving. De diertjes klommen op

langs de wanden naar den top en lieten zich daar gekomen naar beneden

vallen. De veldbedden en de kleedingstukken waren er dan ook geheel mede

overdekt.

De slachting begon. Selam, die het gerucht hoorde, kwam te hulp; men

ging aan het doodslaan, aan het verbranden, aan het verjagen, doch het

hielp niets. In korten tijd was de grond bedekt met dooden, maar er

kwamen steeds levenden voor in de plaats. Het was onbegrijpelijk, waar

dat gedierte vandaan kwam; zooveel kon men er niet dooden, dat zij er

zichtbaar door verminderden.

En intusschen was de luitenant als een ijverig insectenkundige bezig de

buitengewone exemplaren in verzekerde bewaring te nemen, zonder zich

overigens veel met de slachting te bemoeien.

--Ha! riep hij uit, dezen neem ik; daar hebben we _cicindela campestris_

of den veld-zandkever, den tijger onder de insecten.

--En hier hebt ge een reusachtigen duizendpoot, riep de kapitein!

Parbleu, wat leelijk beest! En hij vertoonde een duizendpoot van een

decimeter lang en bijna zoo dik als een pink, die zich woedend

kronkelde.

--Mooi! zei de luitenant verheugd, geef hier!

--Ziedaar weder een andere, riep de kapitein hem toe; het beest heeft

moeite om zijn dikken buik te dragen.

--Geen wonder, zeide Dries, de stumpert heeft de waterzucht, zie slechts

hoe zijn buik opgezwollen is. 'k Dacht tot heden, dat alleen de menschen

met die kwaal bevoorrecht waren.

--'t Is _meloe majalis_, riep de luitenant; dat zijn met de _cicindela

campestris_ twee insecten, die wij ook bij ons in Holland hebben.

--Verduiveld, zeide de kapitein, gij doet sterk in Latijn, maar ik maak

aanspraak op eene verklaring van die namen, heer luitenant!

--Met genoegen, antwoordde deze.

--Wil mijnheer nog gediend zijn van monsterhagedissen, reusachtige

sprinkhanen, kolossale krekels of iets dergelijks, riep Dries. Ik heb

hier zoowat van alles. Kan ik u soms dienen met wantsen? Ik heb hier een

partijtje zeer mooie groene, zoo groot als een tien-stuiverstuk, of

houdt u meer van spinnen? Die heb ik in alle grootten en kleuren.

--Hier hebt ge weer zoo'n dikbuik, luitenant! riep de kapitein, wilt ge

er nog meer?

--Welke hebt ge, vroeg de luitenant, die niet goed had geluisterd.

--Welke? wel drommels _dikbuikius waterzuchta_, antwoordde de kapitein,

ge ziet, dat ik ook Latijn ken.

--Nog rupsen, luitenant? vroeg Dries een handvol vertoonende, er zijn

kale en ook die zoo dik met haar zijn bezet, dat een paruikenmaker er

jaloersch op zou worden.

--Belieft mijnheer nog gedrochten of monsters? spotte de kapitein, ik

zie er eenigen van afschuwelijke gedaanten rondkruipen!

--Maar het helpt niet, riep de kapitein wanhopend; zie, de grond is

bezaaid met koppen, vleugels, klauwen en wat al meer, en dat tuig blijft

maar vermeerderen. Ik geloof waarachtig, dat zij onzen ondergang hebben

gezworen. Ho, ho, vriend! een beetje minder onbeleefd, hoor! parbleu! ge

vliegt me bijna een oog uit, en hij sloeg een grooten kever tegen den

grond.

--Hoor eens, kapitein! zeide Dries. Men kan zien, dat dit gespuis

Marokkaansche insecten zijn.

--En waaraan kunt ge dat zien? laat eens hooren.

--Wel, dat tuig is even fanatiek en even fel op de Christenen gebeten

als de bewoners van dit land.

--Juist! riep de kapitein, ik vat het; de zaak is zoo klaar als de dag,

zij vallen ons aan en zijn belust op ons bloed, wijl zij Mahomedaansch

zijn.

--Maar wacht, riep de kapitein opeens, parbleu! dat ik daaraan niet eer

heb gedacht.

--Waaraan? vroeg Dries.

--Wel aan buskruit, antwoordde de kapitein, en hij begon buskruit op den

grond te strooien.

Plotseling, terwijl de kapitein hiermede bezig was, slaakte Selam,

ondanks zijn weinigen afschuw van dat heir van insecten, een

onderdrukten gil en snelde de tent uit.

--Wat scheelt hem? vroeg Dries.

--Ik geloof, dat hij den duivel heeft gezien, zeide de kapitein. Komaan,

laten we het kruit aansteken; ik wensch een einde te maken met dit

gespuis, want ik wil slapen.

Een oogenblik daarna trad Selam weder binnen. Hij had een paar lange

scherpe doornen in de hand. Een oogenblik zag hij behoedzaam rond in een

hoek der tent, toen bukte hij zich en vertoonde aan den verbaasden

luitenant eene tarantula, die aan een doorn zat gestoken.

Het is onmogelijk de uitdrukking van angstigen schrik en ontzetting te

beschrijven, die Selams gelaat teekende, toen hij de spin, zoolang zijn

arm was van zich afhoudende, den luitenant aanbood.

--Drommels! riep deze verheugd uit, eene tarantula! Bravo, Selam, dat is

de beste vangst van den avond.

De kapitein en Dries kwamen nu ook nader om een kijkje te nemen van dat

gevreesde dier, en men beschouwde de tarantula aandachtig. Het was eene

spin van ongeveer 40 millimeter lengte, roodbruin van kleur. Op den rug

had zij eenige dwarsstrepen van eene zwarte kleur met roodachtig witte

randen of zoomen. Op den buik had zij eene zwarte overlangsche streep.

Het zwarte borststuk prijkte met roodachtige lichte vlekken.

De luitenant raakte het dier met den vinger aan, doch Selam trok snel

zijne hand weg.

--O, raak haar niet aan, raak haar niet aan! Zij zou u bijten, zeide hij

ernstig, en dien zij bijt, o, dien moge Allah bijstaan. Hij wordt

razend, lacht, weent en jammert of zingt en stelt zich aan als een kind.

Anderen krijgen slaap of een onweerstaanbaren lust om te dansen, ja, men

wordt er krankzinnig door.

--Dwaasheid, zei de luitenant, zie ik raak haar aan. Selam sidderde.

--En om u te bewijzen, dat haar beet niet die uitwerking heeft, ga ik

mij door haar laten bijten.

--O, heer, riep Selam op de knieën vallend, doe het niet!

Het was te laat. De tarantula, door den luitenant geplaagd en bovendien

reeds woedend door de pijn, die de doorn haar veroorzaakte, beet in den

vinger.

Selam stiet een angstkreet uit, sloeg de handen voor het gelaat en als

door ontzetting aangegrepen, vloog hij de tent uit onder het mompelen

van: »Allah behoede u!"

Die hartstochtelijke ontboezeming van vrees greep nu echter ook den

kapitein en Dries aan en beiden vroegen den luitenant, of hij wel zeker

was van zijne zaak.

--Zeker! antwoordde deze, anders zou ik zoo iets niet doen. Het is een

overal verbreid oud bijgeloof, dat aan den beet van de tarantula zulke

vreeslijke gevolgen toeschrijft. Maar laten wij zien te bed te komen, ik

zal u dan nog het een en ander verhalen als het u niet verveelt.

--Aangenomen, riep de kapitein, komaan, Dries! aan het werk, opdat wij

kunnen slapen.

Nog altijd krioelde het van insecten. Van alle kanten kwamen zij

aanzetten in geregelde troepen. Hier was het eene bende krekels, die

geregeld voortmarcheerden, daar spinnen, rupsen, kortom van alles, en

tot overmaat van smart kwam er eindelijk eene lange kolonne van mieren

opzetten, waarvan het eind niet te zien was.

--Welja, kom vrij binnen, zeide de kapitein, hoe meer hoe liever; hoe

meer zielen, hoe meer vreugd; 't is schooner de overwinning te behalen

over millioenen dan over duizenden. Komaan, Dries, maken wij een begin,

vuur!

Nauwelijks had hij dit gezegd, of Dries stak een hoopje kruit aan. Een

vuurstraal schoot, sissend als eene slang, over den grond recht op den

hoofdtroep van de aanrukkende mierenkolonne aan. Dat gaf eene groote

verwarring; de voorsten werden gedood of gekwetst; de daarop volgenden

wilden terugtrekken, doch werden daarin belemmerd door den ontzettenden

sleep, dien zij achter zich hadden. Door de overmacht gedwongen, drongen

zij weder voorwaarts.

Maar intusschen had de kapitein eene nieuwe slang van kruit gevormd, en

voor de tweede maal werden de mieren door het vuur overvallen. Ditmaal

greep er eene ontzettende wanorde in de gelederen plaats, en de voorste

troep zocht links en rechts een goed heenkomen. De volgende achtten het

nu ook geraden terug te trekken, en zoo sloeg het mierenleger in

volslagen wanorde op de vlucht.

Naar alle zijden strooide men nu buskruit en stak het aan. Het gevolg

bleef niet uit. Tegen dezen vijand waren zelfs de hardnekkigste,

stoutste insecten niet bestand; zij vluchtten naar alle kanten de tent

uit, en weldra was men van deze plaag bevrijd, doch de tent was geheel

met kruitdamp gevuld.

--Zie zoo, zei de kapitein, de slag is gewonnen. Zij zullen ons nu voor

van nacht wel met vrede laten. Laten we nu nog eens dapper rooken om nog

de enkele gevleugelde achterblijvers te verjagen, en we kunnen ons

gereed maken om eens heerlijk te slapen. Kruitdamp en tabaksrook! dat

is ten minste uit te houden voor een soldaat. Het behoort tot het

beroep. Maar dat kanalje! zie ik ben bont en blauw gebeten en gestoken,

en dat zal mij nog wel een poosje wakker houden. Komaan, luitenant, gij

zijt ons opheldering schuldig over de tarantula en die andere plagen van

Marokko; begin zoo gij wilt. Als mijne sigaar op is, ga ik slapen.

Men legde zich neder en de luitenant gaf zijn verhaal ten beste.

--De tarantula, zoo begon hij, heeft haren naam, die Italiaansch is,

geërfd van eene vergiftige spin, die veel voorkwam in den omtrek van

Tarente of Tarento zooals de Italianen zeggen. Men noemde deze spin,

naar de plaats waar zij voorkwam, tarentula. De beet dier spin had, naar

men beweerde, noodlottige gevolgen. Zoo is met eene kleine wijziging in

de letter de naam tarantula ontstaan.

--Dat is duidelijk, merkte de kapitein op.

--De tarantula, vervolgde de luitenant, leeft bij voorkeur op zandige

plaatsen. Zij graaft op zonnige onbebouwde hellingen een gat in den

grond. De opening van dat hol, dat licht zou kunnen instorten, versterkt

zij door een rand van droge planten, welke zij aaneenspint. Van binnen

bepleistert zij haar hol met eene stof, die door de hitte der zon zoo

hard als steen wordt. Door den rand en doordat het eind van het hol

opwaarts loopt, is hare woning beveiligd voor het indringen van vocht of

voorwerpen, die er in konden vallen.

--Een slim dier, zei de kapitein.

--Ja, vervolgde de luitenant, dat zijn trouwens alle spinnen. De

tarantula schijnt des daags te slapen; men ziet haar dan ten minste

zelden. Maar zoodra de zon onder is, komt zij te voorschijn en gaat aan

den ingang van haar hol op de loer liggen en als de nacht eenmaal is

gevallen, verlaat zij het hol om in den omtrek rond te zwerven, loerend

op buit. Heeft zij het eene of andere insect bemachtigd, dan sleept zij

het in haar hol en verslindt het daar op haar gemak, terwijl zij de

onverteerbare deelen weder naar buiten werpt. Deze liggen dan ook

dikwijls opeen gehoopt rondom den ingang.

--Het is dus een roofdier? vroeg de kapitein.

--Dat zijn alle spinnen, antwoordde de luitenant; zij leven van kleine

insecten, uitgezonderd de reusachtige vogelspin van Zuid-Amerika, die

kleine vogels en andere dieren aanvalt en verslindt of uitzuigt.

--Parbleu! zeide de kapitein, die moet dan nog al wat mans zijn.

--Ja, zij is met uitgestrekte pooten zoo groot als eene hand, antwoordde

de luitenant.

--Ba! zeide de kapitein, ik ril als ik er aan denk.

--Maar ik dwaal van de tarantula af. Enkel in den zomer leeft de

tarantula, als ik mij zoo mag uitdrukken, want van October tot in de

lente verkeert zij in een staat van verdooving of winterslaap. Zij stopt

de opening van haar hol dicht met een bal, dien zij op dezelfde manier

maakt, als den rand rondom den ingang. Wanneer men haar gedurende dien

tijd opgraaft, is zij slaperig; loopt waggelend alsof zij dronken is,

weet niet wat zij doet, en men heeft haar dan in het minste niet te

vreezen. Er is geen geval bekend, dat zij gedurende dien toestand bijt.

--Aan het uiteinde van het achterlijf draagt de tarantula een witten zak

zoo groot als een hazelnoot. Dat is de eierzak. In de maanden September

en Augustus komen de jongen uit den zak te voorschijn. Zij zijn

gewoonlijk 600 à 700 in getal.

--Wat blief, riep de kapitein, 600 à 700 jongen? Ik geloof dat ge ons

fopt, luitenant!

--Neen, zei deze, het is volkomen waar. Deze jongen komen uit den zak,

klimmen op den rug der moeder en loopen daarop rond, totdat zij groot

geworden zich overal heen verspreiden om een zelfstandig leven te

beginnen.

--'t Moet een fraai gezicht zijn, zeide de kapitein, eene moeder

wandelende met 6 à 700 kindertjes op haar rug. Zoo'n tarantula-moeder

heeft een enormen rug, luitenant.

Dries lachte, dat hij schaterde.

--En om nu op de gevreesde gevolgen van haar beet te komen, zoo ik het u

heden niet reeds heb bewezen, kan daartoe het volgende dienen. Sinds de

vroegste tijden is dat geloof aan de noodlottige gevolgen van den beet

der tarantula overal verspreid en duurt voort tot in onze eeuw. Men

noemt als die gevolgen: aanhoudend zingen of lachen, weenen en jammeren,

het lijden aan slaapzucht of slapeloosheid; bij anderen braking, eene

razende begeerte om te dansen, uitwasemen, last van huiveringen en

hartkloppingen; weder anderen kunnen sommige kleuren niet verdragen enz.

Om den gebetene te genezen, speelde men hem twee melodieën voor. De

patiënt begint, door de muziek opgewekt, te dansen alsof zijn leven er

van afhangt. Hij raakt bezweet en vermoeid, en valt ten laatste uitgeput

neder. Hij wordt nu te bed gebracht en men laat hem slapen. Als hij

ontwaakt, is hij beter, doch weet niet wat er met hem is voorgevallen.

Bij dat alles verhaalde men nog meer dwaasheden, o. a. dat de kwaal na

zeker tijdsverloop terugkeerde, dat zij 20, 30 of soms wel meer jaren

duurde, dat de beet van de eene tarantula erger gevolgen had dan die van

de andere, en dat deze in de hondsdagen het gevaarlijkste was, maar

daarentegen onschadelijk, als men het dier naar Rome of noordelijker

streken overbracht.

--Doch het onderzoek van verstandige lieden deed weldra zien, hoe weinig

er van dat alles waar was. Von Borsch, een Poolsch edelman, wist door

een geschenk een Napolitaan over te halen zich in zijne tegenwoordigheid

door eene tarantula in den vinger te laten bijten. De man deed het en

had er geen ander letsel van dan eene ontsteking in de hand; de vingers

zwollen op en hij had een hevigen jeuk in de gewonde deelen, doch zij

waren spoedig genezen. Twee andere natuuronderzoekers, Léon Dufour en

Joseph Erker, namen proeven door zichzelven te laten bijten en bewezen

hiermede genoegzaam het overdrevene van dat sprookje.

--Ge ziet al weder, merkte de kapitein op, dat de leugen gemakkelijker

door de wereld komt dan de waarheid. Voor het overige dank ik u wel voor

uwe mededeeling, doch we zijn nog niet aan het einde. Ge hebt ons daar

straks gesproken van een insect, dat gij den tijger onder de insecten

noemdet. Komaan, mijn waarde, biecht op!

--O, gij bedoelt de _cicindela campestris_ of veld-zandkever, dien als

smaragdgroen glinsterenden kever met fraaie roode stippen versierd welke

in de zon schitteren als vuur. Ja, dit is een merkwaardig insect. Ik

noemde het den tijger onder de insecten om zijne wreedheid. Hij is een

zeer roofzuchtig dier tegen hetwelk geen enkel insect bestand is. Hij

snort overal rond, valt alles aan, en moordt met wellust. En zijne

larve[2] (rups) is even merkwaardig als hij. Deze heeft eene zeer

vreemde gedaante, een platten kop en rugschild. Zij is even als de kever

zeer vraatzuchtig, doch oefent de jacht op eene andere manier uit. In

den zandigen bodem waarin zij leeft, graaft zij een verticalen gang, ter

dikte ongeveer van een potlood. Die gang is 6 tot 18 duim lang. Het

uitgegraven zand brengt zij met den platten kop en het rugschild naar

boven. Is deze gang klaar, dan gaat zij er in zitten en verbergt er zich

in. Alleen de platte kop komt gelijk met de opening van den gang en

sluit dien als een deksel, en daar zij dezelfde kleur als het zand van

den bodem heeft, is zij niet gemakkelijk te onderscheiden. Zoo blijft

zij stil zitten, wacht op eenig insect en zoodra zij iets voelt op den

kop, trekt zij zich plotseling terug. Het insect aldus den bodem onder

zich voelende verdwijnen, stort in den kuil, waar het door de larve

gegrepen, uitgezogen en geheel fijn gekauwd wordt. Het overblijvende

draagt zij op den kop naar boven en werpt het buiten haar hol.

[2] De kevers zijn evenals de vlinders aan gedaanteverwisseling

onderworpen.

Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen · 第 7 / 22 段