Hij zette zich op den grond neder, nam met de grootste beleefdheid de

sigaar aan, die de kapitein hem aanbood, en zeide, nadat hij eenige

oogenblikken met welbehagen den geurigen rook had opgesnoven, in

tamelijk goed Fransch:--Ik kom van Tanger en moet nog verder gaan. Ik

dacht op mijn paard te kunnen vertrouwen, maar ik zie, dat ik te veel

van zijne krachten heb gevergd. Zoudt ge mij niet een uwer paarden ter

leen willen afstaan? Het leven van honderden brave, dappere menschen

hangt er van af, dat ik mijne reis kan vervolgen.

De kapitein en de luitenant, ja zelfs het geheele gezelschap stond een

oogenblik sprakeloos van verbazing, ten eerste over de beschaafde

manieren van den Arabier en zijne bekendheid met de Fransche taal,

alsook over het vreemde verzoek.

De kapitein was de eerste, die het stilzwijgen verbrak:

--Hoewel u niet kennende, zeide hij, zouden wij u gaarne helpen, maar

gij vraagt het onmogelijke, mijn vriend! Wij hebben slechts drie paarden

en twee muilezels; dat is juist genoeg voor ons gebruik. Gij begrijpt

dus, dat we onze eigen paarden niet kunnen afstaan aan den eersten den

beste, die er om vraagt. We zouden zoo doende zelf verplicht zijn te

voet te reizen.

--Ik doe een bijna onmogelijk verzoek, zeide de Arabier kalm, dat is

waar; doch als ge wist, wat er van het voortzetten van mijn rit afhangt,

dan geloof ik, dat gij het niet zoudt weigeren.

--Ik herhaal, zeide de kapitein op overredenden toon, dat gij het

onmogelijke vraagt. Wij moeten morgen weder voort, en gij begrijpt, dat

wij dus geen enkel onzer paarden kunnen afstaan.

--Goed, zeide de Arabier, gij moet morgen bij het krieken van den dag

weder voort, geef mij een uwer paarden, vóór zonsopgang zal een versch

paard voor u gereedstaan.

De kapitein haalde ongeloovig en ongeduldig de schouders op.

--Gij gelooft mij niet, zeide de Arabier. O, ik dacht bij Christenen

meer hulp te vinden! Ik bid u, geef mij een paard. Waartoe zou ik het

ook verzwijgen, vervolgde hij als tot zichzelven sprekende. Bij Allah,

den eenigen God! help mij; ik word vervolgd. Ge ziet het, mijn prachtig

paard is dood; het kan mij niet verder brengen. Ik heb twee uren op

mijne vervolgers voor.

--Gij wordt vervolgd, zeide de luitenant; misschien hebt ge eene misdaad

gepleegd en komt gij onze hulp inroepen om aan den arm der wet te

ontkomen?

--Eene misdaad? zeide de Arabier verwonderd en tevens beleedigd; neen,

nimmer heeft mijne hand zulk eene laagheid bedreven. Wraakzucht van

een bloedvijand is het, die mij vervolgt. Doch waartoe langer met u

onderhandeld, wat misschien tot niets leidt. Maar luistert, ik stel

vertrouwen in u; gij zijt Christenen en bovendien, zeide hij, terwijl

een flauwen glimlach om zijn mond speelde, ik waag er niets bij. Ik zal

u alles verhalen, doch beloof mij, dat gij mij geduldig zult aanhooren

en daarna, als gij mij zult gehoord hebben, te zullen handelen naar de

ingeving van uw hart zooals uwe edelmoedigheid u dat voorschrijft. Ik

heb twee uren vóór op mijne vervolgers. Dat is tijd genoeg om u mijn

verhaal te doen en mij daarna aan mijne vervolgers te onttrekken.

En de Arabier begon, alsof hij niets te duchten had, met de grootste

kalmte zijn verhaal.

--Ik had de betrekking van koerier van den Sultan tusschen Tanger en

Fez, en was gelukkig tot vóór korten tijd. Toen gebeurde het, dat mijn

hart werd getroffen door Rahmana, de dochter van mijns vaders vriend.

Rahmana was schoon, schoon als de houri's uit het Paradijs. Zij bezat

den slanken vorm der gazelle, de vlugheid van het paard en den moed van

den leeuw. Rahmana beminde mij en ik haar; onze genegenheid dagteekende

reeds van onze kindsheid. Bij al mijn werken, bij mijn hard lot was

zij het eenige, dat mij kracht gaf tot het volbrengen van mijn plicht,

Rahmana, naar wier bezit ik haakte, gelijk een goed Mahomedaan naar het

Paradijs. De tijd door haar vader voor ons huwelijk bepaald naderde

snel, en welhaast zou ik mijne bruid als echtgenoote naar mijne woning

voeren.

--Toentertijd woonde te Tanger een rijke Moor, Sid-Moessa genaamd. Hij

was een rijke wellusteling, die zijn harem opvulde met alle schoone

meisjes die hij maar kon machtig worden. De vader van Rahmana, die van

Sid-Moessa afhankelijk was, had dikwijls gesproken over de schoonheid

zijner dochter, en dit was door het een of ander toeval aan Sid-Moessa

ter oore gekomen. Op zekeren dag liet hij Rahmana's vader bij zich

ontbieden, en zeide hem dat hij zijne dochter van hem wenschte te

koopen. Rahmana's vader ontstelde en deelde Sid-Moessa mede, dat

zijne dochter met mij verloofd was en spoedig hoopte te trouwen. Maar

Sid-Moessa wilde van niets weten en Rahmana werd door haar flauwhartigen

vader naar Sid-Moessa gevoerd. Zij wierp zich voor de voeten van

Sid-Moessa neder en bad en smeekte hem haar te laten gaan; ook haar

vader paarde zijne bede aan de hare, doch niets mocht baten. Rahmana

werd in de vertrekken van den schurk gevoerd, en haar vader ontving voor

zijn tegenstreven een zoo geducht pak stokslagen, dat hij, na acht dagen

ziek te zijn geweest, aan de gevolgen bezweek.

--Het was tijdens de laatste oogenblikken van Rahmana's vader, dat ik

terugkeerde van mijne reis naar Fez en het huis van mijne aanstaande

betrad. Helaas! wat hoorde ik daar. Toen ik alles had vernomen, zwoer ik

een duren eed, dat Rahmana de mijne zou worden en ik haar vader, haar en

mijzelven vreeslijk zou wreken. Ik begroef mijn ouden vriend en begon

daarna met de uitvoering mijner wraakneming.

--Mijn vroeger beroep vaarwel zeggend, nam ik mijn geweer en sabel mede

en vertrok uit Tanger, zonder aan iemand iets te zeggen. Ik ging naar de

bergen en voegde mij bij eene rooverbende, die voor niets terugdeinsde,

doch er bestond onder hen weinig of geen tucht. Ik deed hun den voorslag

het huis van Sid-Moessa te plunderen en beloofde tot gids te zullen

strekken. Mijn voorslag, hoe stout ook, werd door deze lieden met

gejuich begroet en op een der eerstvolgende nachten brachten wij het

plan ten uitvoer. Met de geheele bende, wel vijftig man sterk, drong ik

des nachts in de stad en in het huis van Sid-Moessa. Dit werd geheel

uitgeplunderd en uit den harem namen mijne woeste metgezellen de vrouwen

mede, die hun bekoorden. Ikzelf ontvoerde dien nacht mijne Rahmana. Dit

was het begin mijner wraak.

--Deze welgeslaagde expeditie had mij in de schatting mijner makkers

zóózeer doen rijzen, dat ik door hen tot hun hoofdman werd verkozen.

Van nu af aan bracht ik orde en tucht onder mijn volk, en verbood ten

strengste het noodelooze moorden. Onze aanvallen waren voornamelijk

gemunt op die lieden, die hunnen rijkdom en macht op allerhande wijze

misbruikten. Weldra was dan ook mijn naam, die overal vrees en ontzag

inboezemde, de schrik van geheel Marokko geworden. Het slagen van onze

ondernemingen en de juiste aanwijzingen was men aan mij verplicht.

Vermomd in alle gedaanten was ik overal tegenwoordig, drong overal in en

kwam alles te weten.

--Zoo was ik, de arme koerier, opeens de alom gevreesde rooverhoofdman

geworden, voor wien elke rijke ellendeling beefde. Sid-Moessa, die in

den nacht, dat wij zijn huis plunderden, tot zijn geluk was ontvlucht,

had ik sinds dien tijd te vergeefs getracht in handen te krijgen;

telkens ontsnapte hij mij.

--Het is nu ongeveer twee jaren geleden, dat wij op zekeren dag

plotseling in onze schuilplaats in het gebergte werden overvallen. Een

van onze bende had zich door het goud van Sid-Moessa laten verleiden en

onze verblijfplaats verraden. De ellendeling kwam met eene afdeeling

soldaten en den Kaïd om ons te overrompelen, en hij had zijne voorzorgen

goed genomen. Midden in onze ontspanningen werden wij op eens door een

salvo van vijftig geweerschoten begroet, die men op ons loste uit het

bosch, dat onze uitspanningsplaats omringde, en dat men in alle stilte

had omsingeld nà de nachtposten gedood te hebben. Ik bleef ongedeerd,

maar ik zag mijne geliefde Rahmana vallen, door een kogel in het hoofd

getroffen. Met de snelheid van den bliksem tilde ik haar op, sprong in

den zadel, brak door de soldaten heen en bereikte onder een kogelregen

eene andere schuilplaats in het gebergte. Ik dacht, dat mijne geliefde

slechts gewond zou zijn, doch zij was dood.

De Arabier zeide dit laatste op doffen toon, als ware hem de keel

toegeknepen, en zijn lichaam schokte en trilde zenuwachtig bij de

herinnering aan zijn leed. Doch niemand viel hem in de rede; men was te

veel verbaasd over het verhaal van dezen zonderlingen man om er den loop

van te storen.

--Allah wilde niet, dat ik gelukkig zou zijn, vervolgde hij; het zij

zoo, maar toen ik haar die ik zóó lief had, om wien ik een roover was

geworden, ontzield in mijne armen klemde, toen mijne wanhopige kreten

wegstierven in de eenzaamheid en ik te vergeefs beproefde haar in het

leven terug te roepen, toen besloot ik maatregelen te nemen om mijn

vijand te treffen en zwoer ik, dat mijne wraak verschrikkelijk zou zijn.

--In sombere gemoedsstemming, met de dolzinnigste gedachten in het

hoofd, vertrok ik tot het ergste besloten. Ik sloeg den weg in naar het

tooneel van den strijd en reed voort zonder eenige voorzorg te nemen. Ik

zocht mijn vijand op, en ik mocht hem vinden.

--Met mijne sabel in de vuist gekneld, reed ik voort. Mijn getrouw ros

vloog als de wind over rotsige paden, over rotskloven en rotsblokken,

doch zonder ergens voor te vreezen zette ik mijn tocht voort. De nacht

begon te vallen, toen ik een eind voor mij uit de soldaten bemerkte, die

ons hadden overvallen. De hoefslag van mijn paard had hun op hun hoede

doen zijn en toen ik verscheen, weergalmde dadelijk de kreet: »Grijpt

hem! grijpt hem!" Ik zocht mijn aartsvijand. Hij was daar, de lafaard,

verscholen achter de soldaten. Ik gaf mijn edel ros de sporen en mijne

sabel boven het hoofd zwaaiend, deed ik mijn paard een sprong nemen als

een panter en stortte mij midden tusschen de soldaten. Links en rechts,

voor en achter daalde en verhief zich bliksemsnel mijne sabel en

met elken slag wondde of doodde ik een mijner vijanden. Ik was als

krankzinnig en ontwikkelde de kracht van een waanzinnige. Men wilde op

mij vuren, doch Sid-Moessa riep: »Niet vuren! men moet den hond levend

vangen!" Eindelijk brak mijn zwaard; ik had een dozijn soldaten gedood

of zwaar gewond. De overblijvenden wierpen zich op mij als aangehitste

honden op het wild en daar ik ontwapend was, gelukte het hun mij,

ondanks mijn tegenstand, van het paard te sleuren en zich van mij

meester te maken. Men bond mij met koorden, zóó vast, dat zij in mijn

vleesch drongen en mijne huid openscheurden. Zoo werd ik overgelaten aan

de macht van mijn vijand.

--Ik begreep, dat ik het ergste had te duchten, en bereidde mij er op

voor. Met een verachtelijk stilzwijgen beantwoordde ik den lafaard zijne

gemeene, lage scheldwoorden en uittartingen. De ellendeling sloeg en

spuwde mij in het aangezicht, en liet mij daarna onder groot gejuich der

soldaten, onder welke hij zijn geld mildelijk uitstrooide, de tanden uit

den mond slaan.

--De ellendeling! riepen de kapitein en de luitenant als uit één mond.

--Dat was het begin zijner wraak, vervolgde de Arabier. Nadat men

hierover genoeg pret had gehad, liet hij mij de teenen van den

linkervoet afsnijden. Zie slechts, zeide hij, en hij toonde hun den

misvormden van teenen beroofden voet en den tandeloozen mond.

--God, God hoe is het mogelijk! riep de luitenant. O! had ik dien

ellendeling hier.

--De nacht maakte een einde aan de marteling, vervolgde de Arabier.

Mijne koelbloedigheid en vasten wil, die mij hadden weerhouden een kreet

te uiten gedurende de pijniging, hadden mijn vijand slechts te meer

verbitterd en hem doen besluiten den volgenden dag de marteling voort te

zetten, alvorens mij het leven te benemen.

--Maar Allah had het anders besloten. Van mijne bende waren er eenigen

gevangengenomen en een tiental gedood, doch de rest van den troep had

zich door eene snelle vlucht, en gebruikmakende van hunne bekendheid met

alle holen en paden, weten te redden.

--Het was een heldere nacht. De sterren schitterden aan den hemel, en

ik lag gebonden op den rug in eene tent, bloedende aan mijne wonden en

gemarteld door de vreeslijkste pijnen. Opeens hoorde ik het hinniken

van mijn ros. Dat verwonderde mij, want ik dacht dat mijn paard dood

was. In het volgende oogenblik echter hoorde ik een paar doffe slagen

en dadelijk daarop werd het voorhang der tent opgeheven en trad mijn

onder-hoofdman binnen. In een oogwenk had hij de koorden, waarmede ik

gebonden was, doorgesneden en mij eene sabel in de vuist gedrukt.

»Volg mij, hoofdman!" zeide hij, »gij zijt gered. Wij hebben de posten

overrompeld en neergestooten; zij zijn gestorven zonder een kik te

geven. Ook de andere gevangenen zijn vrij. Alle buitenposten der

legerplaats zijn gedood, en de overigen liggen gerust te slapen; zij

zijn in onze macht; zoo gij het wilt, zullen wij ze allen dooden."

»Volg mij," zeide ik, »laat den kaïd en de soldaten het leven, maar volg

mij naar Sid-Moessa."

--Wij drongen in zijne tent door. Daar lag mijn doodvijand gerust te

slapen. Ik bukte mij en mijn mond aan zijn oor brengend donderde ik hem

te gemoet: »Wees gegroet, Sid-Moessa! Hier ben ik!"

--De ellendeling sprong verschrikt op, en wilde om hulp roepen, doch op

hetzelfde oogenblik zette ik hem de punt mijner sabel op de keel. »Blijf

rustig liggen, o Sid-Moessa," zeide ik, »zoo ge u beweegt, dood ik u."

»O! dood mij niet," riep de ellendeling, »genade in den naam van

Allah!"

»Genade!" vroeg ik en mijn lichaam trilde van woede. »Genade! Hebt gij

genade betoond, toen ge Rahmana liet dooden en toen ge haar vader liet

doodgeeselen?"

»Genade," smeekte de lafaard nogmaals, »genade! Ik zal u al mijn goud

geven en mijne schoonste vrouw, maar spaar mijn leven."

»Zwijg!" brulde ik woedend, »of bij Allah en den grooten Profeet ik

dood u, ellendeling die gij zijt! Luister, o Sid-Moessa! Gij hebt mij

gehoond, beleedigd. Gij hebt mij in het gezicht geslagen en gespuwd. Gij

hebt mij de tanden laten uitbreken en de teenen laten afsnijden. De wet

van den Profeet zegt: oog om oog, tand om tand."

--Ik wenkte mijnen makker, die bij den ingang der tent dit tooneel stond

aan te zien. »Zet hem de punt van eene sabel op de borst, en als hij een

woord of kreet uit, stoot dan toe."

--En terwijl hij de punt der sabel op de ontbloote borst van mijne

vijand zette, zeide ik:

»Oog om oog, tand om tand, Sid-Moessa! Gij hebt mij met de linkerhand in

het aangezicht geslagen en van den linkervoet de teenen afgesneden, ik

neem uwe linkerhand geheel." En met een enkele slag van mijn zwaard

scheidde ik de hand van den arm.

--De ellendeling kermde en kreunde in stilte en wrong zich op zijne

legerstede, doch het koude lemmer op zijn borst voelend, dorst hij geen

kreet te uiten.

»Gij hebt mij de tanden uitgebroken en mij in het aangezicht gewond,"

vervolgde ik. »Ik zal het u insgelijks doen." En ik sneed hem neus en

ooren af.

»Wees gegroet, Sid-Moessa!" zeide ik tegen den kreunenden lafaard,

»wacht op mij tot ik om uw leven kom." En wij verlieten de tent.

--Daar buiten stond mijn ros, ik besteeg het en voort gingen wij als de

wind.

--Sedert dien tijd heb ik Sid-Moessa onophoudelijk met mijne wraak

vervolgd. Hij is rijk en drijft grooten handel. Elke karavaan, die hij

afzond, viel mij in handen. Ik nam zijne kameelen en goederen, schonk

den drijvers het leven en de vrijheid en verdeelde zijne rijkdommen

onder de behoeftigen in den omtrek. Thans heb ik hem zoover gebracht,

dat hij van een rijk een bijna arm man is geworden, en weldra zal de

tijd komen, dat ik zijn hoofd ga halen.

--Het laatste wat hij bezat te gelde makend, heeft Sid-Moessa thans voor

dat geld van den Kaïd een troep soldaten gekregen. Het lange

vruchtelooze vervolgen moede, dat hij telkens met eenige manschappen

ondernam, heeft hij besloten mij ginds in de bergen op te sporen.

Hiervan kreeg ik eerst heden morgen vroeg de tijding, tegelijk met het

bericht dat hij reeds op weg was gegaan. Daar er mij alles aan gelegen

is vóór Sid-Moessa bij mijn volk aan te komen, dat hij anders wellicht

overrompelen zou, ging ik dadelijk op weg, vertrouwende op de snelheid

van mijn paard. Op den namiddag bereikte ik een nauwen bergpas, die mij

wel bekend was. Mijn weg voerde daardoor. Doch toen ik de engte uitkwam,

stuitte ik opeens op den troep van Sid-Moessa. Er schoot mij geen andere

weg over; terug kon ik niet; ik _moest_ naar mijn volk. Ik trok mijn

zwaard, en wierp mij op de soldaten, sabelde neer wat mij wilde

tegenhouden, en slaagde er na een korten tegenstand in mij door hen

heen te slaan. Ik snelde voort, maar hoorde achter mij de stem van

Sid-Moessa, die zijne soldaten tot de vervolging aanspoorde, hun alles

belovende zoo zij mij gevangennamen, hetzij levend of dood. Ik behoefde

mijn paard niet aan te sporen, het edele dier liep als een razende.

Mijne vervolgers gaven het op, de een na den ander; eindelijk floten mij

een paar kogels om de ooren. Het was de afscheidsgroet van den laatsten

vervolger, die de onmogelijkheid om mij levend gevangen nemen inzag, en

mij nu toch gaarne dood zou hebben overgeleverd.

--Ik hield een oogenblik mijn paard in, wendde mij om, legde op hem aan

en doodde zijn paard. Nu kon ik onbezorgd mijn rit voortzetten, doch

helaas! mijn arm paard kon niet verder; het overige weet gij.

--Thans kent gij mij, aldus besloot de Arabier zijn verhaal, beschouwt

gij mij als een misdadiger? Vertrouwt gij mij? Wilt gij mij helpen?

--Ja, zeide de luitenant hem de hand reikend, ik wil u helpen; neen, ik

zie in u geen misdadiger. Ik zie in uwe daden slechts de door uwe wetten

en zeden gerechtvaardigde wraak op den laaghartigen vijand.

Ook de kapitein reikte hem de hand.--Vergeef mij, zeide hij, dat ik u

een oogenblik heb willen wantrouwen. Schoon ik weet, dat het niet edel

is wraak te nemen, geloof ik toch, dat ik in uwe plaats eveneens zou

gehandeld hebben.

--Draal nu niet langer, zeide de luitenant; reeds zijn meer dan

anderhalf uur verstreken en uw vijand nadert. Daar, neem mijn paard, en

verwijder u zoo spoedig gij kunt.

[Illustratie: Ik wendde mij om, legde op hem aan en doodde zijn paard.

Bladz. 72.]

De Arabier betuigde zijnen dank op bewogen toon. Hij trad naar het

paard en bekeek het met het oog van een kenner.

--Die zal mij wel brengen waar ik moet zijn, zeide hij. Hier dicht bij

heb ik vrienden, ik zal u vóór zonsopgang een paard zenden; vertrouw

daarop!

Hij liep naar zijn paard, dat daar voor dood neder lag, en deed het den

zadel en het tuig af om het mede te nemen. Doch opeens bewoog zich het

schijnbaar doode dier. De Arabier sprong op van verbazing, en knielde

bij zijn trouw ros neer. Hij klopte het op den nek, streek het over den

kop en het paard, hoe langer hoe meer uit zijne verdooving ontwakende,

hief den kop op en stond na eenige oogenblikken op, waggelend en

sidderend aan al zijn leden.

--Geloofd zij de Profeet, riep de Arabier verheugd, het dier leeft!

--Maar vertrek dan toch, riep de luitenant, vertrek of het is te laat.

--Te laat, bij Allah, neen! dat niet, riep de Arabier, en hij sprong te

paard. Ik heb niet meer noodig u een paard te zenden, zeide hij, zich

goed in den zadel zettend. Geef mijn paard een goed leger en goed

voeder, en morgen ochtend is het weder volkomen gezond en in staat u te

dragen. Neem het van mij in gebruik, ik zal het van u opeischen in ruil

voor het uwe.

--Goed, zeide de luitenant, maar vertrek. Zie, 't is reeds bijna

volkomen nacht. Spoed u heen, eer het te laat is.

--Waarheen gaat ge? vroeg de Arabier.

--Naar Fez, antwoordde de luitenant.

--Naar Fez? zeide de Arabier verwonderd, goed, ik zal u binnen zeer

korten tijd weerzien. Vaarwel! Allah behoede u op uw weg.

--Halt! riep de luitenant opeens, toen de Arabier op het punt was zijn

paard te doen voortgaan. Hoe is uw naam?

--Mijn naam? zeide de Arabier zich voorover buigend. Ik heet

Sid-Abd-Allah, men noemt mij _de geweldige_. En den teugel vierend,

vertrok hij in galop.

IX.

DOOR INSECTEN OVERROMPELD.--DE TARANTULA.

Toen de Arabier te paard springend zijn naam noemde, maakte Selam een

zoo hevig gebaar van ontzetting, dat het door allen werd opgemerkt. Doch

hij was niet de eenige, die verschrikte; ook de drijvers, die op een

kleinen afstand gezeten het verhaal hadden aangehoord, verbleekten en

ontstelden.

--Gij ontstelt, Selam, mijn dappere, zeide de kapitein. Kent gij

Sid-Abd-Allah?

--Ja heer, zeide Selam, wie zou dien naam zonder ontroering kunnen

aanhooren. Hij doet iedereen ontstellen van Tanger tot Fez; door geheel

Marokko wordt hij slechts fluisterend en met vreeze en dankbaarheid

genoemd.

--Is die man dan zoo verschrikkelijk? vroeg de luitenant.

--Ja heer, antwoordde Selam, verschrikkelijk voor hen, die niet

rechtvaardig handelen. Hij treedt overal op als een van Allah gezonden

wreker. Is er een Sheik, een Kaïd, ja zelfs een Pacha, die zijne

onderdanen uitzuigt en mishandelt, kortom, die niet is wat hij behoort

te zijn, dan is hij zeker den een of anderen dag een bezoek van

Sid-Abd-Allah te ontvangen. Menigeen heeft zijne tirannie met den dood

of met verlies van have en goed betaald. En voor de armen is hij als een

afgezant van Allah, als een goede geest. Waar gebrek, waar ellende

heerscht, verschijnt hij en doet wel in den naam van Allah en den

grooten Profeet. Wat hij den rijken dwingeland afneemt, het met bloed

bevlekte geld, geeft hij den armen. Door de rijken, door de ellendige,

wreede, machtige overheden van dit land wordt hij gehaat maar tevens

gevreesd, door de armen wordt hij geëerd en gevreesd, zooals men Allah

en den Profeet vreest.

--Kent ge ook dien Sid-Moessa? vroeg de luitenant.

--Sid-Moessa, heer! antwoordde Selam, is de booze geest van Tanger.

Allah had hem met rijkdommen begunstigd, en de ellendige hond gaf den

bedelaar, die voor zijn huis lag te jammeren van honger en ellende,

eten, dat hij met opzet met zand liet bestrooien.

--He! wat een fielt, zei Dries met een niet te beschrijven verachtend

gebaar.

--Hij kocht de schoonste jonge meisjes der armen met zijn geld, en liet

hem, die zich bij hem om hulp aanmeldde of zich kwam beklagen over de

eene of andere onrechtvaardige daad zijner lieden, met stokslagen

wegjagen. De Kaïd, die met hem heult, is even slecht als hij en staat

geheel onder den invloed van Sid-Moessa door het geld, dat hij hem

verschuldigd is.

De nacht viel snel en een blik naar den horizont werpend, zag men »den

geweldige", die zich met groote snelheid voorwaarts spoedde,

langzamerhand uit het gezicht verdwijnen.

Selam zorgde voor het paard van Sid-Abd-Allah en bewonderde de

schoonheid van het dier, maar daar men den anderen morgen vroeg wilde

vertrekken, begaf men zich spoedig ter ruste.

Vóór de luitenant de tent binnentrad, naderde Selam hem en zeide:--Heer!

gij hebt wel gedaan Sid-Abd-Allah een dienst te bewijzen. Hij zal

voortaan een vriend zijn en zijne vriendschap is voor ons veel waard.

--Des te beter, zeide de luitenant, des te beter. Ik hoop maar, dat hij

niet te lang gedraald heeft om te ontkomen.

--O heer! wees gerust, zeide Selam. Hij zal zijnen vervolgers wel

ontkomen. Eer de nacht half verstreken is, zal hij aan Karia-el-Abbassi

zijn, waar hij een versch paard zal nemen en zoo verder. Bovendien, zei

Selam met de meeste overtuiging, Allah beschermt hem.

De luitenant en de kapitein begaven zich in de tent, en terwijl Mohammed

bleef waken, legde Selam zich insgelijks neder om de eerste uren van den

nacht te rusten, waarna hij de wacht betrok tot den morgen.

Het was nog vóór het krieken van den dag. Selam zat stil bij de tenten

en liet zijnen blik over de uitgestrekte vlakte weiden en over het

zilveren vlak van de rivier de Koes, die zich hier tusschen het terrein

slingerde als eene zilveren streep, hier verborgen door een heuvel of

bosch, daar weder te voorschijn tredend.

Opeens verscheen bij een heuvel aan eene kromming van den weg een

ruiter, die een los paard bij den teugel leidde. Hij naderde in

vliegenden galop, hield op eenigen afstand van de legerplaats stil en

naderde Selam na de paarden aan een struik te hebben vastgebonden.

Selam verroerde zich niet.

De ruiter trad nader; het was een neger. Hij bleef eerbiedig staan, met

het hoofd voorovergebogen.

--Vrede zij met u! zeide hij.

--Allah behoede u! antwoordde Selam, en gaf hem tevens een wenk om zich

neer te zetten.

--Vanwaar komt ge? vroeg Selam.

--Van Karia-el-Abbassi, antwoordde de neger. Sid-Abd-Allah laat de

Christen-krijgslieden groeten.

Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen · 第 6 / 22 段