iedereen wakker doen worden. Doch spoedig gerustgesteld door de
eenparige verklaring van Selam en Mohammed, besloot men, daar het reeds
dag begon te worden, het kamp maar op te breken.
Men vertrok onder druk gepraat en allerlei grappen over de avonturen van
den afgeloopen nacht. De monsterpad was door den luitenant in eene doos
geplaatst, met eene goede portie insecten bij zich tot voedsel, en bij
de bagage geborgen. De nevel, die bijna den geheelen nacht over het land
had gehangen, was nog niet opgetrokken en deed onze reeds aan de warmte
gewende reizigers van koude klappertanden. Meer dan drie uren reed men
in de mantels gehuld voort, en de luidruchtige vroolijkheid, die anders
bij de karavaan heerschte, was verdwenen. De koude en vochtige lucht
deed iedereen onaangenaam aan. Selam was de eenige, die nu en dan een
woord sprak, als hij zijnen viervoetigen vriend op den hals klopte en
streelde en hem prees over zijn goeden smaak om niets gemeen te willen
hebben met gemeene dieven.
Zoo ging men voort. Het terrein leverde gelukkig niet veel moeilijkheden
op, want de nevel zou hen anders menige poets hebben gespeeld. Het was
een zacht golvend terrein, overal doorsneden met paden, die zich als een
reusachtig netwerk door elkaar slingerden. Op den middag trok men een
bergpas door tusschen een paar heuvelrijen, doch men had geen enkele
ontmoeting. De nevel veroorloofde ook niet om zich heen te zien. Men
maakte dien dag een langen tocht, en sloeg tegen den avond het kamp op
aan de oevers van de Mkhacem.
De koude en de weinige last, dien men daardoor van insecten had, deden
ons gezelschap besluiten dien nacht eens goed uit te slapen, daar men
den volgenden dag misschien weder de vroegere afmattende hitte zou
hebben en dezelfde vreeslijke plaag van de insecten. Een uur nadat het
kamp was opgeslagen, lag dan ook alles in diepe rust. Slechts Selam, de
jeugdige, altijd onvermoeide Moor, zat bij het groote vuur, dat hij had
aangelegd, diep in zijnen kapmantel gehuld, de sabel naast en zijn lang
geweer achter zich, voor de tent met de grootste kalmte zijne pijp te
rooken.
De nacht beloofde voor den volgenden dag beter weer. Er kwam een zachte
wind op, die den nevel vaneen scheurde en voor zich uitjoeg en den
helderen sterrenhemel zichtbaar liet worden. Selam stond verheugd over
deze verandering op, liet het vuur uitgaan en begaf zich insgelijks ter
ruste na Mohammed te hebben gewekt.
De morgen was schoon, en de dag beloofde warm te zullen zijn. De
kapitein was een der eersten, die ontwaakt waren. Hij wierp zijne buks
over den schouder en drong het lage hout in om eenige patrijzen of ander
wild te schieten. Na verloop van een uur keerde hij terug. De jacht
was gunstig geweest, want de kapitein bracht een half dozijn schoone
patrijzen mede, welke hij aan Mohammed gaf om voor het ontbijt klaar te
maken.
Intusschen was het gezelschap van lieverlede ontwaakt, doch tegen zijne
gewoonte maakte Selam geene toebereidselen om op weg te gaan. Hij was
met Mohammed op zijn gemak bezig het ontbijt in gereedheid te brengen,
en het scheen dat hij niet genegen was veel haast te maken.
Verwonderd vroeg de luitenant naar de oorzaak dezer handelwijze.
--Heer! zeide Selam, ik heb niet laten opladen, omdat u toch zeker
Alkazar wel wil bezoeken.
--Alkazar! riep de luitenant verrukt uit, Alkazar-el-Kibir bezoeken, dat
geloof ik, Selam! Maar dat is, dunkt mij, eene reden te meer om spoedig
te vertrekken.
--Heer! zeide Selam, het ligt slechts een paar uren rijdens van hier,
en daarom dacht ik, dat wij dezen morgen eens op ons gemak zouden
ontbijten; wij zijn dan nog vóór de grootste hitte in Alkazar, en kunnen
het tegen den namiddag verlaten om aan gene zijde der stad den nacht
door te brengen.
--Nu, daar heb ik niets tegen, zeide de luitenant. Maar wat zegt gij er
van, kapitein?
--O! riep deze opgewonden uit, Selam, Selam, je bent goud waard!
Verbeeld je wat een ramp, als we Alkazar-el-Kibir waren voorbijgegaan.
O, dat is een uitmuntend denkbeeld. Ziet, we zullen eerst smullen; een
ontbijt met patrijzen, dat is eene weelde, welke wij ons niet elken dag
kunnen veroorlooven. Daarna, na ons te hebben opgepoetst, gaan wij
Alkazar bezoeken. O, Selam! gij onbetaalbare gids, ik zou u kunnen
omhelzen van vreugde!
Het ontbijt werd op den grond gezeten in het frissche groen gebruikt en
onderwijl ontwikkelde zich een druk gesprek over Alkazar.
--Maar, riep de kapitein op eens uit, welke stroom is dat, Selam, die
hier aan onze voeten stroomt?
--Het is de rivier de Mkhacem, heer! antwoordde Selam.
--De Mkhacem, riep de kapitein uit, de Mkhacem, dat is een nevenstroom
van den Koes of Loekos, den Lixos der Ouden, evenals de Oearroer. O!
nu herinner ik het mij. En zich tot zijne vrienden wendende, ging de
kapitein met groote levendigheid voort:
--Wij zijn op gewijden grond, vrienden! gewijd door het bloed van
duizenden en duizenden dapperen, gewijd door de grootsche daden hier
verricht. Luistert, indien gij het niet reeds weet. Ongeveer drie
honderd jaar geleden had hier de vreeslijke slag van Alkazar plaats, die
Mulei Molok, Sultan van Marokko, leverde aan den Koning van Portugal. De
volkomen overwinning, die de vereenigde Mooren, Arabieren, Berbers en
Turken op de Christenen behaalden, deed al wat Mahomedaan was juichen.
Het was op den vierden Augustus dat deze slag plaats had. Over dezen
stroom lag toen de brug, over welke de weg naar Alkazar liep. Ziet,
zeide de kapitein, dat moet daar geweest zijn; men kan nog duidelijk
in de palen, die men daar aan weerszijden van den oever bemerkt, de
overblijfselen van die brug bespeuren. Mulei Molok, van Alkazar komende,
had zich daar bij de brug gelegerd; de koning van Portugal, van Arzilla
komende, aan deze zijde. Hier in de vlakte langs de oevers van dezen
stroom werd die bloedige slag gestreden. Mulei Molok, de dappere sultan,
de bekwame veldheer, greep het, uit allerlei nationaliteiten bestaand
leger der Christenen aan en versloeg het totaal. Duizenden lijken van
de bloem van den Portugeeschen en Spaanschen adel, van hovelingen en
priesters, van Spaansche soldaten en krijgslieden van Willem van Oranje,
van Italiaansche, Fransche, Duitsche en andere gelukzoekers, van
avonturiers uit alle oorden van Europa, die allen de vanen volgden
van den dapperen doch ongelukkigen jeugdigen Sebastiaan, bedekten deze
velden. Hier vertrad het paard van den Moor de rampzaligen, de kromsabel
hieuw hen zonder genade neer en de stroom voerde de lijken mede van hen,
die zich uit wanhoop in den vloed hadden geworpen.
--Een kreet van schrik weerklonk door het beschaafd Europa, en een
juichtoon steeg op van uit de belijders van Mahomed. Hier stierf
koning Sebastiaan, getroffen door een geweerschot en twee sabelhouwen.
Ginds blies de dappere Mulei Molok den laatsten adem uit, gezeten in
zijn draagstoel en omringd door zijne officieren. Zoo woedde deze
verschrikkelijke slachting, zoo vonden hier de hoofden der legerscharen
hun einde, zoo ook vond de aanstoker en bewerker van dien oorlog,
Mohammed de Zwarte, den dood in den stroom en zes duizend lijken van
Christenen bleven op het slagveld.
De luitenant en Dries hadden met aandacht zitten luisteren naar den
kapitein, die onder het verhalen hoe langer hoe meer in vuur was
geraakt.
--Ik wist er van, zeide de luitenant, ofschoon mij niet al de
bizonderheden, die gij ons verhaald hebt, bekend waren; ja, het moet
eene vreeslijke slachting zijn geweest.
--Wat Alkazar betreft, vervolgde de kapitein, daarvan kan ik u ook nog
wel iets mededeelen. Alkazar-el-Kibir, dat zooveel als het groote paleis
beteekent, is volgens de overlevering gesticht in de 12e eeuw door den
Kalif Aboe-Yoessoef-Yakoeb-el-Mansoer, den overwinnaar van Alexos, waar
hij Alphonsus IX van Castilië versloeg. De legende verhaalt, dat deze
Kalif op zekeren dag, op de jacht zijnde, verdwaalde. Een arme visscher
bracht den hem onbekenden vorst in zijne hut, nam hem gastvrij op en
hielp hem op den rechten weg. Uit dankbaarheid liet de kalif zich op
dezelfde plek een kasteel bouwen benevens eenige woningen. Dit was de
oorsprong der stad, die langzamerhand zich daar uitbreidde tot eene
bloeiende stad.
Het gesprek, eenmaal op eene zoo onderhoudende manier aan den gang
zijnde, duurde lang en was hoofdzakelijk gewijd aan bizonderheden
omtrent den slag van het thans vervallen Alkazar en over hetgeen men
daar hoopte te zien.
Maar Selam, om alles denkende en niet geneigd noodeloos in eene
afmattende hitte te reizen, kwam het gesprek afbreken met de tijding,
dat het tijd was om op te breken.
Alles was gereed. Men had slechts op te stijgen en voorwaarts te gaan.
Reeds te voren had Selam de drijvers uitgezonden om eene doorwaadbare
plaats in den stroom te zoeken. Men daalde af, doorwaadde den Mkhacem en
na deze rivier trok men den Oearroer over. Men was toen in de vlakte op
den weg naar Alkazar, dat men binnen een paar uren kon bereiken.
Het was elf uur, toen men Alkazar naderde, want men had langzaam
gereden, en de oude muren der stad, welke met kanteelen prijkten,
ontwaarde men voor zich uit. Torens, minarets en palmboomen staken
overal omhoog en de geheele stad was omringd door tuinen, wier groen
en bloemen, met de groepen hooge palmen er tusschen, het geheel een
verrukkelijk schoon aanzien gaven.
Eene enkele maal kwam men een Arabier tegen, die, den gewonen groet
wisselende, het gezelschap, voor zoover zijne onverschilligheid het
veroorloofde, verwonderd nazag. Op korten afstand, hield men halt, sloeg
het kamp op, liet de zorg daarvoor over aan de twee kameeldrijvers, en
onze drie vrienden met Selam en Mohammed begaven zich, voor alle
voorzorg goed gewapend op weg naar de stad.
Zóó als men de stad door eene der poorten binnenreed, trof van uit de
hoogte een koor van eigenaardige klepperende geluiden de ooren van
onze vrienden. Het geheele gezelschap keek verwonderd op, en zie daar
stond en zweefde een geheele troep ooievaars, die de reizigers luid
toeklepperden, als waren zij verwonderd oude bekenden hier aan te
treffen.
--Wat duivel, zei Dries, daar heb je waarlijk vader Langbeen ook. Kijk,
kijk! dat is de eerste bekende, dien ik tot nu toe heb ontmoet, en die
welkomstgroet voorspelt ons geluk.
Het op een afstand zoo schoon en liefelijk uitziend stadje viel onzen
vrienden echter zeer tegen. Was het in de straten van Tanger reeds niet
bij uitstek rein, hier was dit nog minder het geval. Een directeur der
openbare reiniging zou er Herculeswerk hebben gevonden. De straten...
neen, dat waren het eigenlijk niet, dien naam kon men onmogelijk geven
aan die hobbelige paden vol kuilen, vol plassen van stinkend vocht,
bezaaid met groote keien, krengen van honden en katten, ja zelfs van
ezels; mesthoopen overal, ja, de geheele stad geleek op één grooten
mesthoop. De kleine, smerige huizen waren veel leelijker dan die te
Tanger, vol scheuren en door vieze donkere gangen van elkaar gescheiden.
Door dien Augius-stal trok men voort, vol walging van zooveel
morsigheid. Hier en daar liepen de vrouwen, wier kostuum er even
vuil uitzag als zijzelf, bij hunne komst haastig naar binnen, naakte
bevreesde kinderen medesleurende. Ginds zat een troep vrouwen op den
grond gehurkt. Zij waren half naakt en oud; oud, zooals zij dat in
Marokko zijn, dat wil zeggen, afzichtelijk, terugstootend, walgelijk van
leelijkheid en onreinheid. Het waren broodverkoopsters, die hare waar op
korven voor zich hadden liggen.
--Smakelijk eten, mompelde Dries. Ba! het hart draait me om in het
lijf, als ik ze aanzie!
In elken hoek, dien men zag, lag of stond een Arabier, tegen den muur
geleund alsof hij er aan vastgeplakt zat, half verscholen zoodat men hem
bijna niet bemerkte, of rustig op den vuilen grond liggend als op eene
canapé. Dáár weder zag men niets anders dan den uitgespreiden mantel en
was het onmogelijk te begrijpen, dat daaronder een mensch lag; ginds
stond er weder een in de eene of andere nis onbeweeglijk als een beeld,
terwijl slechts de vonkelende oogen hem verrieden.
Zoo was men reeds een heel eind door de stad gegaan. De vrouwen en
kinderen, aanvankelijk voor de vreemdelingen vluchtend, begonnen zich
van lieverlede meer te vertoonen. De straatjongens werden brutaler en
kwamen dichterbij. Het nieuwtje hunner komst, dat zich zeker snel door
de stad had verbreid, deed hoe langer hoe meer volk bij elkaar stroomen.
Selam, die de voorhoede uitmaakte, was tusschenbeide genoodzaakt zijn
stok te zwaaien om ruim baan te maken, en Mohammed, die den trein sloot
en dat volkje niet al te best vertrouwde, keerde zich nu en dan op zijn
ezel om en trok een leelijk gezicht of strekte de hand uit naar de bende
jongens, die dan op eens verschrikt uiteenstoven en over elkaar heen
buitelden.
Die geheele menigte vóór en achter volgde zwijgend. Geen kreet, geen
lach, geen woord werd gehoord. En intusschen groeide de hoop telkens
aan, en drong zich hoe langer hoe meer te zamen.
Op een hoek van eene straat stond een groep mannen in donkere kleeding
met een blauwen doek om het hoofd als hoofddeksel en met donkeren zwaren
baard.
--Het zijn de Joden, zei Selam op eene vraag van den luitenant. Zij
wonen in de Mellah of Jodenbuurt, welke naam »vervloekten grond"
beteekent. Toen men voorbij hen kwam, groetten zij beleefd, iets wat
onze vrienden verwonderd deed opzien. Men was het groeten reeds lang
ontwend. Een eind verder kwam men op een klein plein, waarop eene
menigte dier smalle straatjes uitliepen en waar ook eenige kleine
winkels waren, allen gelijk aan die te Tanger, doch veel kleiner en
viezer.
Het pleintje verlatend, wendde de luitenant zich tot Selam met bevel
de stad te verlaten. Het werd ons gezelschap te benauwd in deze
kwalijkriekende stad te midden van eene zwijgende bevolking. Selam sloeg
dus de eerste de beste, eenigszins wijde straat in om met spoed naar
buiten te komen. Dáár in die straat kwam een heilige aan. Het voorhoofd
van den kapitein, die hem het eerst gewaar werd, betrok, maar hij zeide
niets; alleen greep hij onwillekeurig naar zijne sabel en pistolen.
De kerel bleef staan, toen de stoet naderde. Hij keek het gezelschap
op eene minachtende onbeschaamde manier aan, en lachte hen honend
in hun gezicht uit. Dit werkte aanstekelijk op de volksmenigte. Een
kleine jongen, die zich wat dichter bij hen waagde en wien de kapitein
een geldstuk toewierp, werd door eene woedende vrouw vastgegrepen
en voortgesleurd onder het uitroepen van verwenschingen tegen de
Christenen. Een gemeene kerel, die vooraan liep, wendde zich om en
riep iets tot de overigen, terwijl hij op het gezelschap wees.
--Zoo, zeide de kapitein, men begint ons te verwenschen. Komaan, straks
gaan we tot slaan over. Vrienden, houdt uwe wapens klaar!
--Allah verdelge u, vervloekte Christenen! riep op eens een jongen.
--Ja, Allah verdelge u! klonk een koor van stemmen.
--Wat doen die honden van Christenen hier! riep een ander.
--Zij komen ons bespieden! riep een tweede.
--Die vijanden van den Profeet! schreeuwde een derde met de vuist
dreigend.
--Zij komen om ons land te veroveren, klonk het weder.
--Wij met ons vijven? spotte de kapitein.
--Laat ze komen, riep een ander; we zullen ze weten te onthalen.
--Ja! schreeuwde op eens de heilige; Allah zal ons over hen doen
zegevieren; hij zal onze mannen den moed van den leeuw en onze vrouwen
de vlugheid der hinde verleenen. Mahomed zal ons eene groote victorie
over hen geven; wij zullen ze dooden en niet één zal ontkomen naar zijn
vervloekt land.
--Allah, Allah! Mahomed, Mahomed! schreeuwde het opgewonden volk; geen
zal er ontkomen! En opgehitst door den heilige drong de tierende troep
op het reisgezelschap aan.
De luitenant en de kapitein trokken hunne sabels. Selam deelde
stokslagen uit, maar hij kreeg vloeken en slagen weerom. Opeens regende
het steenen.
--Vooruit, riep de kapitein, vooruit, er op in! Slaat dood dat kanalje!
en hij spoorde zijn paard aan en reed op den troep voor zich in, gevolgd
door den luitenant, met het plat van de sabel slagen uitdeelend.
Dries, die den heilige in het oog had gehouden, reed op hem aan.
--Ha, vriend heilige! riep hij; wij hebben nog eene oude rekening te
vereffenen; de heiligen van Marokko schijnen nog niet mak genoeg te
zijn.
De kerel sprong vooruit en greep het paard van Dries bij den teugel.
--Los! riep Dries, laat los, schurk!
Maar de heilige het volk aanhitsend, liet niet los.
--Daar dan, zeide Dries, pak aan schoft! en de buks bij den tromp
nemend, gaf hij hem een slag, die hem als een zak deed ineenzijgen.
Toen zijn paard wendend reed hij op den troep in, en de buks als eene
knots zwaaiend, deelde hij links en rechts kolfslagen uit. Opeens bukte
een kerel zich om onder het paard van Dries door te kruipen,
waarschijnlijk om het in den buik te steken.
Maar Dries had aanstonds zijne bedoeling geraden en zich over zijn paard
buigend, greep hij den schavuit in den nek, hield hem met zijn ijzeren
vuist vast, sleepte hem zoo een eind mede en liet hem toen plotseling
los. De kerel bleef voor dood liggen.
De volkshoop achter onze vrienden was door den aanval van Dries en
Mohammed, die met zijn dikken taaien doornstok menigen kop tot bloedens
geslagen had, aan het wijken gebracht, het had zijn heilige in den steek
gelaten en was verdwenen in de talrijke smalle straatjes, waar Dries
noch Mohammed het geraden oordeelde hen te vervolgen. Ook de luitenant
met den kapitein en Selam hadden er dapper op ingeslagen, maar door de
achtersten opgedrongen en aangehitst konden de voorsten bijna niet
terugtrekken en daar men reeds dicht bij eene der poorten was, wilde
men niet weder terugkeeren om een anderen weg te zoeken.
De kapitein en de luitenant besloten dus ditmaal er eerst op in te
schieten en zich daarna met de sabel een doortocht te banen.
--Wanneer zij de schoten boven hunne hoofden hooren knallen en het
scherp der sabel in den nek voelen, zullen zij wel ruimte maken, zeide
de luitenant.
Maar opeens deden zich achter den volkshoop aan het einde der straat
woeste vervloekingen hooren. Selam hief zich op in de beugels om te zien
wat dat beduidde, want hier en daar begon het volk verschrikt om te
zien, een aanhoudend gemompel doorliep den troep en enkelen zag men de
verschillende straten insnellen.
--Ha! riep Selam, men komt ons te hulp, zie daar ginds, het zijn
soldaten, die zich een doortocht banen; de Gouverneur der stad rijdt aan
het hoofd.
--Goddank! riep de kapitein, we zullen dan nog heelhuids uit dit
vervloekte nest komen.
Het was inderdaad zooals Selam had gezegd. Links en rechts slagen
uitdeelend naderde eene afdeeling krijgsvolk met stevige knuppels
gewapend. De menigte was spoedig verdwenen en aan het hoofd der soldaten
reed de Gouverneur der stad. 't Was een Moor van omstreeks vijftig
jaren, met schoone trekken, zeer lichte bijna blanke gelaatskleur en
langen witten baard, wat hem een zeer eerwaardig voorkomen gaf. Hij
wendde zich beleefd groetend tot de twee officieren en betuigde hun zijn
leedwezen over het gebeurde. Een soldaat, die van verre het tumult had
gezien, had hem de tijding gebracht, waarop hij zich had gehaast onzen
reizigers te hulp te komen.
Begeleid door den Gouverneur was men weldra buiten de stad en onze
kapitein deed hem, op verzoek van den luitenant, het voorstel
om een bezoek aan het kleine kamp te brengen. Doch de Gouverneur
verontschuldigde zich en een escorte medegevend om hen tot aan de
legerplaats te begeleiden, nam hij afscheid van onze vrienden na hen
nogmaals te hebben verzocht het onaangename geval toch vooral niet euvel
te duiden.
--En dat noemt men het groote paleis, sprak de kapitein toen men buiten
de plaats was gekomen. Ba! Tanger is er waarachtig een lusthof bij.
--Gij ziet, zeide de luitenant, 't is het oude deuntje van eene
vervallen grootheid. Die stad, vroeger zóó bevolkt, zóó bloeiend, is
niets meer dan eene schaduw van wat zij eenmaal was.
--Ja, 't is waar, zeide de kapitein. Hebt ge dat gebouw opgemerkt? Ziet,
en hij wendde zich om, ge kunt het hier nog zien, die talrijke bogen en
koepeldaken, weet ge wat het is! Selam heeft het mij straks gezegd; het
is een der vroegere zooeïa, een dier voor allerlei doeleinden ingerichte
gebouwen, die men in onze taal geen naam weet te geven, en waarin men
scholen, een bibliotheek, het hospitaal voor de armen, de herberg voor
reizigers, de moskee en de grafkapel bijeen vond.
--Hoe ongelukkig, zeide de luitenant, dat dit volk zoo diep is gezonken.
Zijne vroegere grootheid en macht, die eens de wereld verbaasd deden
staan, zijn te niet, en in plaats van handel en verkeer aan te moedigen
blijft men overal even afkeerig tegenover vreemden, overal even vijandig
tegen de beschaving.
--Ja, hernam de kapitein, dit is nu de tweede maal dat ons iets
dergelijks overkomt, en beide keeren in plaatsen, die nog het meest
met de Christenen in aanraking komen; wat zal het dan wel niet te Fez
zijn, het hart der onbeschaafdheid en den zetel van het fanatisme.
--Enfin! zei Dries, we hebben ze weder eene duchtige les gegeven, en het
doet me genoegen, dat ik dien gluiperigen heilige eens onder handen heb
gehad; het zat mij nog in den kop van Tanger. En wat Fez betreft, o! we
hebben ons beste kruit nog niet verschoten, kapitein! Het beste voor het
laatst.
Daar men nu bij de tenten was aangekomen, zond men het escorte, na de
mannen met eenig geld te hebben begiftigd, onder dankbetuiging aan den
Gouverneur terug.
De drijvers met Selam en Mohammed begonnen het middagmaal gereed
te maken, daar men eerst den volgenden dag zou vertrekken, en de
luitenant maakte inmiddels van den top eens heuvels eene schets van
Alkazar-el-Kibir, dat op een afstand zoo'n schoon gezicht opleverde.
De grootste hitte van den dag was voorbij. Men had gedineerd en maakte
het zich zoo gemakkelijk mogelijk, terwijl men een levendig gesprek
voerde over de gebeurtenissen van dien dag.
Opeens rees Selam, die voor alles oogen had en alles het eerst ontdekte,
op en keek met de hand boven de oogen uit naar den kant van welken men
was gekomen.
Dáár, nog op grooten afstand van de legerplaats, zag men een ruiter, die
in driftigen galop naderde, niet in de richting der stad, maar recht op
de legerplaats aan. Het scheen dat zijn paard met moeite voort kon, en
echter hield hij niet op het aan te sporen. Hij naderde snel.
VIII.
DE ONTMOETING.
De ruiter naderde snel. Allen waren opgestaan om te zien, welke persoon
daar recht op hen aankwam; allen trachtten den ruiter te herkennen en
schatten den afstand, die hem nog van hen scheidde, en volgden met
groote spanning zijn dollen rit.
Intusschen kwam hij al nader en nader, zijn paard aanhoudend
aansporend. Toen kon men zien, dat het een Arabier was. De witte
kapmantel fladderde achter hem aan, de lange buks lag dwars voor hem
over den zadel; aan zijne zijde kletterde de Turksche sabel. Zijn paard,
een prachtig koolzwart dier, was met schuim overdekt; de geheele breede
borst was met vlokken trillend schuim bespat en de wijd opgesperde
neusgaten trilden verschrikkelijk. Onophoudelijk zette de Arabier zijn
ros aan. De naakte bruine beenen bewogen zich telkens om het edele dier
de scherpe punt van de schoenen der stijgbeugels te doen gevoelen, die
de Arabieren als sporen gebruiken. De fraaie zwarte huidkleur was met
bloed besmet.
Opeens, op ongeveer honderd pas van de legerplaats verwijderd, bleef
het dier trillend staan. De ruiter was met één sprong van zijn paard,
en nauwelijks had hij den grond bereikt, of het paard, begon over alle
leden hevig te beven en stortte neer.
Toen trad de Arabier, zijn geweer op den rug werpend, met een
vredelievend gebaar nader, en de handen over de borst kruisend, boog hij
onder het uitspreken van den gebruikelijken groet: »Vrede zij op uw
weg!"
Onze kapitein, meer gewoon met Arabieren om te gaan, beantwoordde den
groet en noodigde hem uit plaats te nemen. Het was een jong man van
ongemeene schoonheid. Zijne bruine gelaatstrekken, de zwarte knevel en
baard, en de stoute oogen gaven hem een belangwekkend voorkomen. Zijn
gelaat teekende moed en vastberadenheid; om den mond speelde een stroeve
trotsche trek.