--Omstreeks dien tijd kwam een groot paardenspel Parijs bezoeken. Mijn

beschermer, die met den directeur van dien circus natuurlijk veel te

maken had, zeide op zekeren dag tot mij: »Wel, jonge vriend! zoudt ge

ook genegen zijn om stalknecht te worden?"

»Wel waarom niet," zeide ik.

»Ja, ziet ge," zeide de commissaris, »daar gij van fatsoenlijke familie

zijt, dacht ik dat zulk werk u zou tegenstaan."

»Wel komaan," antwoordde ik, »werken is geen schande, zelfs het minst

geachte niet; 't is maar de vraag, of ik tot dat werk in staat ben."

»O, wat dat betreft," zeide de commissaris, »wees daarover gerust. Het

leert spoedig aan en bovendien heeft men aan mij verplichting, en zal

men om mijnentwil geduld met u gebruiken."

»Goed," zei ik, »ik dank u bij voorbaat, maar waar zal ik worden

geplaatst?"

»In den circus," antwoordde de commissaris.

»Komaan," riep ik verheugd uit, »dat zal wel gaan!"

»Eén ding moet ik u nog zeggen," zei mijn beschermer; »de menschen in

uwe nieuwe omgeving zijn ruwe lieden, maar geen schurken, en met uwe

beginselen zult ge ook daar een eerlijke jongen blijven; daarvan ben ik

overtuigd."

--En ziedaar mij weldra als stalknecht in den circus Remenz. Ik was

toen zestien jaar en, hoewel veel grooter geworden, had ik mijne

slankheid behouden. Op zekeren dag viel het oog van den directeur

op mij, en na een kort gesprek werd ik van stalknecht bevorderd tot

adspirant-kunstrijder. Elken dag les ontvangende, en dit gevoegd bij

mijne natuurlijke vlugheid en gewilligheid, werd ik spoedig bekwaam

genoeg om eene plaats te verwerven als kunstrijder in den circus. Ik

kon thans fatsoenlijk maar schamel leven, toen er op zekeren dag iets

gebeurde, dat voor goed eene wijziging in mijn levensloop bracht.

--Het was op een Zondag, dat ik vóór onze tent op en neer loopende in

gesprek met een mijner kunstbroeders een open rijtuig bespeurde met twee

fraaie paarden bespannen, dat hollende de straat afkwam. Het volk vloog

overal uit den weg, de koetsier schreeuwde luide en de twee dames, die

in het rijtuig zaten, hielden zich angstig vast. Zonder mij lang te

bedenken was ik in een paar sprongen naast het hollend gespan, greep de

teugels en slingerde mij op de paarden, die ik weldra tot staan kreeg.

Voor mij als kunstrijder beteekende dat geheele geval niets, doch dit

nam niet weg, dat iedereen mij toejuichte. Hartelijk bedankt door de

dames, verwijderde ik mij. Des anderen daags 's morgens kwam een heer,

in de uniform van kolonel bij de cavalerie, mij zijn dank betuigen voor

de redding zijner vrouw en dochter. Verlangend iets voor mij te doen,

sloeg hij mij voor in dienst te treden bij zijn korps, mij plechtig

belovende alles voor mij te doen om mij den rang van officier te doen

verkrijgen. Reeds lang was ik het wisselvallige en onaangename van het

zwervende leven van kunstrijder moede, en het kostte mij niet veel

moeite het vaarwel te zeggen. Ik nam het aanbod van den kolonel aan

en trad in den krijgsdienst. Mijne geoefendheid in het rijden deed

mij spoedig bevorderen tot instructeur om de recruten het rijden te

leeren en paarden af te richten. Intusschen hield de kolonel woord en

verschafte mij de gelegenheid tot studeeren, waardoor ik, dank zij zijne

bescherming, binnen acht jaren luitenant was.

--Nu had ik eene fatsoenlijke positie in de wereld verworven. Gehoor

gevende aan de verhalen, die onder mijne wapenmakkers gedaan werden

van het avontuurlijke leven in Algerië, verkreeg ik na een paar jaren

eene overplaatsing derwaarts, waar ik na eenige met succes bekroonde

ontmoetingen met de Arabieren en Kabylen tot mijn tegenwoordigen rang

werd bevorderd. Ik huwde met de dochter van een mijner chefs, die mij

echter, helaas! te spoedig ontviel na mij twee kinderen te hebben

geschonken.

--Ziedaar, zoo eindigde de kapitein, het verslag van mijn kort doch veel

bewogen leven.

Het was intusschen laat geworden. De hemel was nog altijd even schoon en

beloofde een mooien dag. Selam was een paar uren gaan slapen en Mohammed

had zijne plaats ingenomen. In het kleine kamp heerschte de grootste

rust, en onze vrienden legden zich mede ter ruste om den volgenden dag

reeds vroeg op weg te gaan.

VI.

DE MONSTERPAD EN DE WITTE EZEL VAN SELAM.

De opkomende zon kleurde nauwelijks den hemel met roode tinten, of

er begon leven te komen in het kleine kamp. Selam, de onvermoeide,

die slechts een paar uren geslapen en daarna de plaats van Mohammed

ingenomen had, was reeds druk in de weer. Hij wekte Mohammed en de

drijvers en riep hun op tot het gebed. Men spreidde den kapmantel op den

grond uit, knielde daarop met het aangezicht naar het Oosten gekeerd,

en vervolgens een handvol aarde nemende wreven zij daarmede hunne armen

en beenen, het hoofd en de voeten alsof zij zich waschten; daarna

maakten zij onder het mompelen van gebeden allerhande bewegingen, bogen

nu het gelaat in het gras, lagen op de knieën, sprongen dan weder op of

hieven de handen biddend omhoog. Het was het eerste gebed van de vijf,

die de Mahomedaan verplicht is elken dag te doen. Op een wenk van Selam

stond men weder op en ging aan het werk; terwijl de drijvers ijverig

bezig waren de bagage op de kameelen te laden, maakte Selam met zijn

vriend Mohammed het ontbijt gereed, ondertusschen een oog houdend over

het opladen der kameelen.

Luitenant Frank, altijd met de zon uit de veeren, had nauwelijks

de drukte van het ontwaken bespeurd, of hij stond op en wekte zijne

vrienden. IJlings maakte men zich gereed om weder op marsch te gaan,

en na te hebben ontbeten zette de kleine stoet zich weder in beweging.

Ditmaal reed Selam met Mohammed vooraan, daarop volgden de kameelen en

onze drie vrienden maakten de achterhoede uit.

De dag was schoon. De zon nog niet zoo brandend als op den dag,

stelde hen in staat goed door te marcheeren. De weg liep door een zeer

afwisselend terrein. Welig groen, doorvlochten met prachtige bloemen,

zag het oog allerwegen; ook uitgestrekte bebouwde velden met rogge en

gierst bezet. Hier een heuvel, bedekt met een kleed van frisch groen

en met fraaie boomheesters, dáár een dal met kreupelhout begroeid,

waarboven overal vijgeboomen, aloë's en palmen uitstaken, hier eene

wijd uitgestrekte groene vlakte, daar ginds voor hen uit eene lange rij

blauwe bergen. Doch nergens ontwaarde men een levend wezen. Zoo reed men

voort, pratend en lachend. Een zacht frisch koeltje deed eene aangename

uitwerking en verfrischte allen.

Met het klimmen van de zon begonnen hare stralen ook meer te branden.

Het was omstreeks tien uur in den morgen en reeds was de hitte

ondraaglijk. Een eind voor den troep uit bespeurde men een lagen berg.

Hij bestond uit een steenachtigen grond met bosch en liep zeer steil

op. De luitenant en de kapitein reden er heen op de ezels van Selam en

Mohammed, wijl hij niet zeer geschikt was te paard bestegen te worden.

Niet zonder moeite kwam men op den top aan, vanwaar men een prachtig

uitzicht had over de omliggende landstreek en den Atlantischen Oceaan,

die zich heel in de verte als een blauw vlak uitstrekte. Mohammed, die

hen te voet was gevolgd, wees hun eenige zeilen, die hij met zijne

scherpe oogen op dien verren afstand bespeurde. Inderdaad onderscheidde

men een paar schepen met volle zeilen. Het geleken op dien afstand een

paar watervogels, die, met de witte vlerken uitgespreid, zachtjes over

het water zweefden om hun buit te bespieden. Omlaag zag men den troep

reeds een heel eind vooruit, en men haastte zich den berg af te gaan,

wat niet zonder gevaar geschiedde. De luitenant had nog een paar

prachtige kevers gevonden, zeer zeldzame exemplaren, en Mohammed had

onder het afstijgen een hagedis betrapt, die zeer klein was maar

schitterde met allerlei kleuren.

Toen men weder bij het gezelschap was, zeide Selam:

--Dat is de Roode Berg; wij hebben reeds een goeden marsch gemaakt en

als mijnheer het vergunt om ginds in de schaduw dier boomen een paar

uurtjes te rusten om ons wat te verfrisschen, dan kunnen wij vóór den

nacht nog Had-el-Garbia bereiken, dat aan gindsche zijde dier bergketen

ligt.

De luitenant en de kapitein keurden het goed, en na verloop van een uur

zat men te rusten onder het dichte lommer van eene fraaie boomgroep. De

hitte was dan ook onuitstaanbaar. De luitenant haalde zijn schetsboek

voor den dag en maakte zijne eerste schets van een Arabisch landschap,

terwijl Dries zich behaaglijk in het zachte groen uitstrekte en de

kapitein eenige aanteekeningen in zijn dagboek opschreef. Wat de

drijvers Mohammed en Selam betreft, deze gaven zich met innig welbehagen

over aan dien trek naar rust, die den Arabieren en Mooren eigen is.

Na eene verkwikkende rust ging men weder op weg. De hitte was nu ten

minste draaglijk. De landstreek was afwisselend, maar eenzaam. Geen

enkel persoon ontmoette men, en men bereikte tegen den nacht eene plek

waar het kamp werd opgeslagen. Een weinig links af bevond zich

Had-el-Garbia.

[Illustratie: Eindelijk deed het dier een paar sprongen, welke het aan

de voeten van den kapitein brachten. Bladz. 50.]

Na de afmattende hitte van den dag gevoelde iedereen lust om te rusten,

en toen de tenten opgeslagen waren en de beesten op een paar meters

afstand vóór de tenten op eene rij waren vastgemaakt, begaf elkeen

zich ter ruste. In de kleine tent was behalve Selam, die de wacht

hield, weldra ieder in een diepen slaap. Niet alzoo in de groote tent.

Nauwelijks had men zich nedergelegd, of een zwerm insecten rukte

van alle kanten aan. Vliegend, kruipend, loopend kwam dat heir van

ongedierte onze vrienden plagen. Dries was zoo afgemat, dat hij ondanks

de insecten weldra sliep als een os. De luitenant verdroeg alles met

kalmte, bleef rustig liggen en knipte slechts nu en dan het een of ander

dier, dat hem te veel hinderde, met den vinger weg. Tegen de muskieten

had hij zich gewapend met eene sigaar, aanhoudend dikke rookwolken

uitblazend, zoodat hij weldra geheel in den dikken blauwen welriekenden

rook van zijne manilla gehuld was. Doch kapitein Daumas had het 't ergst

van allen te verantwoorden. Nauwelijks neergevlijd sprong hij op, eene

verwensching uitstootende, liep met zijn zakdoek te wuiven, en sloeg en

trapte naar alle kanten, zonder de zoozeer gewenschte rust te kunnen

vinden.

--Doe als ik, vriend! zeide de luitenant, die geheel onzichtbaar was.

--Parbleu! riep de kapitein toornig uit, dat kan ik niet, dat duivelsche

goed bijt en steekt me om er razend van te worden. Voorwaar, men moet

een liefhebber van insecten zijn zooals gij, om te kunnen slapen met dat

vieze goed bij en rondom u.

De luitenant lachte.

--Sacrebleu! riep de kapitein uit, ik ga naar buiten. En hij liep

wanhopig de tent uit.

Daarbuiten zat Selam voor zijne tent. De kapitein naderde hem stil en

legde de hand op zijnen schouder. De Moor gaf geen teeken van schrik,

maar draaide bedaard het hoofd om.

--Ga slapen, mijn jongen! zeide de kapitein, ten minste als ge kunt.

Ik kan 't niet en zal dus blijven waken. Zoodra ik lust heb om te gaan

slapen, zal ik Mohammed wekken.

De Moor weifelde.

--Vergeef mij, heer! zeide hij, maar er wonen hier dichtbij Arabieren;

ze zouden wel eens kunnen pogen te stelen. Als u het mij wilt vergunnen,

blijf ik liever op.

--Wees gerust, Selam! antwoordde de kapitein, ik ben vertrouwd met dat

volkje. Ik heb lang genoeg oorlog met hen gevoerd om hunne streken te

kennen. Gij kunt mij uwe taak gerust toevertrouwen.

De Moor boog het hoofd; hij was voldaan, en ijlings in de tent gaande,

sliep de brave jongen spoedig.

De kapitein zette zich weder in de schaduw van de tent, waarin Selam was

verdwenen. Met den rug naar de tent gekeerd, kon hij in den helderen

nacht den omtrek en de lastdieren zonder moeite gadeslaan. Nadat de

kapitein eenigen tijd had rondgezien om zijne oogen aan het duister te

gewennen, vermaakte hij zich met op den grond naar de insecten te turen,

die zich door hun geluid of lichtgevend vermogen deden bespeuren. Een

voorwerp ter grootte van eene groote rat bewoog zich naar hem toe. Nu en

dan zat het stil en dan sprong het weder eensklaps op, om naar het een

of ander vliegend insect te happen. De kapitein martelde zijne hersens

te vergeefs af, welk dier dat toch wel kon zijn; maar hoe hij ook

nadacht, hij kon maar niet begrijpen wat het was. Het liep niet zooals

een zoogdier, maar het sprong met korte tusschenpoozen en bewoog zich

log voort. Twee oogen glinsterden als kleine vuurbollen. De kapitein

begreep, dat hij door zich te bewegen het dier zou verjagen, en zijne

nieuwsgierigheid was te zeer gaande gemaakt om niet te willen weten,

welk dier hij voor had. Eindelijk deed het dier een paar snelle

sprongen, welk het tot aan de voeten van den kapitein brachten. Nu of

nooit, dacht hij, en snel den arm uitstrekkend greep hij het bij een

poot vast.

--Te duivel, mompelde hij, wat is dat koud!

Hij liep er snel de tent mede in, ontstak een licht en liet opeens vol

afschuw het dier vallen. Het was eene reusachtige pad. Maar even snel

bedacht de kapitein zich en greep haar weder vóór zij den tijd had gehad

zich weg te maken.

Het dier bood eene mengeling van schoons en terugstootends aan. De huid

zat vol groote en kleine wratten, die het dier er afzichtelijk deden

uitzien. Het pronkte met allerlei kleuren en de vurige roode oogen

schitterden als waren zij van goud.

--Ha, ha, vriendin pad! zeide de kapitein, dat is eene vondst, die wat

waard is; daar zal ik den luitenant morgen eens mede verrassen. En hij

bond haar een koordje om een der pooten en zette haar op den grond.

De pad, na een paar malen te vergeefs gepoogd te hebben weg te springen,

bleef stil zitten en keek den kapitein met hare groote gouden oogen aan.

--Je ziet er nog al verstandig uit, hoor! zei de kapitein lachend; ik

geloof, dat ik je wel zou kunnen africhten als een hondje! en hij begaf

zich weer naar buiten.

Het weer begon eenigermate te veranderen. De sterren verdwenen van

lieverlede en er kwam een natte koele nevel opzetten. De kapitein ging

de tent in, stak eene pijp op, sloeg zijn mantel om en ging weder

zitten. Hij had reeds langer dan twee uren de wacht gehouden en

was huiverig geworden door de kille atmosfeer; hij besloot ten laatste

Mohammed te wekken en te gaan slapen. Doch juist toen hij wilde

opstaan, vernam hij een licht gedruisch. Kapitein Daumas luisterde,

doch vernam niets meer. »Het zal het een of ander dier zijn geweest,

dat jacht maakt op insecten", mompelde hij, en hij wilde opstaan,

toen hij op eens den witten ezel van Selam, die aan het eind der

lijn stond, den kop zag omwenden als trok iets buitengewoons zijne

opmerkzaamheid.--»Verduiveld", zeide de kapitein, »zou er iets aan

de hand zijn? Laten wij op onze hoede zijn."

Nauwelijks had hij dit gezegd, of een vreemd geluid trof zijn oor.

Het was alsof men iets met een bot mes wilde doorsnijden, wat niet

gelukte. De kapitein dook omlaag en strekte zich plat op den grond uit.

Hoe weinig het ook was, toch had de kapitein een zacht geritsel gemaakt

en oogenblikkelijk hield het geluid op. Doch een paar minuten daarna,

toen de kapitein reeds meende dat hij zich had bedrogen, hoorde hij het

opnieuw, doch slechts een oogenblik, toen was het doodstil.

--Mordieu! mompelde de kapitein; wat gaat hier om, de duivel hale me als

ik het weet.

Hoewel hij nu, daar hij niets meer hoorde, een weinig gerustgesteld

was en dacht dat zijne verbeelding hem een poets had gespeeld, bleef de

kapitein niettemin het oog houden op den witten ezel van Selam, die door

zijne kleur, ondanks de duisternis en den nevel, goed zichtbaar was.

Opeens keek de kapitein scherp uit en bleef eenige oogenblikken liggen

turen, alsof hij de duisternis doorboren wilde.

--Sacre! mompelde hij zacht, als ik het niet beter wist, zou ik zeggen

dat de witte een eind verder stond dan daareven. En dat kan toch niet,

want het touw, waarmede hij aan de lijn gebonden is, is toch niet langer

dan een paar voet. Of zou de nevel mij misleiden. Ja, dat zal het zijn,

zeide de kapitein, de nevel wordt hoe langer zoo dikker en onttrekt de

voorwerpen aan mijn oog. Maar mordieu! zeide hij opeens verbaasd, toen

hij toevallig het hoofd rechts wendde, het eerste paard is weg. Sacré

Dieu! zou de nevel ook daarvan de oorzaak zijn?

En met één sprong was hij aan het andere einde der lijn.

Het eerste paard, dat van den kapitein, was verdwenen; het doorgesneden

touw hing aan de lijn.--Ha, ha! mompelde de kapitein, was het dàt wat ik

hoorde. Wacht, schavuiten! dat zal ik je betaald zetten. Hij liep naar

het andere einde der lijn; ook de witte ezel was verdwenen.

--Komaan, zeide de kapitein, knap gedaan! en voorzichtig liep hij naar

de tent en greep Selam bij den schouder. De brave gids, die om zoo te

zeggen met open oogen sliep, was in een oogwenk overeind.--Ik kom, zeide

hij, denkende dat de kapitein hem wenkte om de wacht te betrekken.

--Spoedig, spoedig! zeide de kapitein, men heeft mijn paard en je witten

ezel gestolen; voort! anders pakken wij de schavuiten niet! en met

groote sprongen snelde hij de hoogte af waarop men gelegerd was, op den

voet gevolgd door Selam.

De kapitein rende voort. Met de vlugheid van een gems sprong hij over

steenen en struiken, dook onder overhangende boomtakken door en wrong

zich door het dichte groen, dat hem overal den weg versperde.

--Vooruit, Selam, vooruit jongen! riep de kapitein zacht tot den gids,

die eensklaps bleef staan.

--Halt! riep deze even zacht, luister, hier zijn de schelmen, hier links

af, kapitein!

De kapitein bleef eene seconde staan. Aan den linkerkant liep een smal

voetpad. Daar hoorde men eene toornige stem op onderdrukten toon

allerlei Arabische vervloekingen uiten, vergezeld van het toebrengen van

slagen.

--'t Is de witte, zei Selam zacht, het beest heeft zeker bemerkt, dat

hij in vreemde handen is, of hij heeft een aanval van koppigheid.

De kapitein dook in elkaar en kroop als eene slang over het hobbelige

pad, gevolgd door Selam. Nog eenige oogenblikken en men was er. Dáár

stond de witte ezel van Selam, en schopte en sloeg om zich heen zonder

voort te willen. De Arabier vloekte. Een weinig verder stond een tweede,

met het paard bij den teugel vastgegrepen, woedend over de vertraging,

die den zoo slim uitgevoerden diefstal geheel kon doen mislukken.

--Blijf hier, fluisterde de kapitein aan Selam's oor; ik zal maken bij

den voorsten schurk te komen; zoodra gij mijne stem hoort, valt gij

dezen aan. Hij kroop rechtsaf in de schaduw van het lage houtgewas

voort. Een paar takken kraakten door zijne bewegingen, maar, dank zij

het leven dat de ezel maakte, hoorden de dieven het niet.

Opeens sprong den kapitein op, en den kerel die zijn paard aan den

toom hield in den nek grijpend, donderde hij hem toe:--Halt, ellendige

roover! Op hetzelfde oogenblik sprong ook Selam als een tijger op zijne

tegenpartij en wierp den man op den grond. Selam had spoedig zijnen

vijand onder de knie en hield hem in bedwang met het breede mes, dat hij

boven het hoofd van den dief liet flikkeren, doch de kapitein, hoewel

ongewapend, had toch niet geaarzeld den dief aan te vatten. Hij had dus

alleen zijnen krachtigen arm tot wapen en eene hevige worsteling volgde.

Selam, voor hem bevreesd, poogde hem het mes toe te reiken. Van dit

oogenblik trok de dief partij en trachtte zich los te maken van zijnen

bespringer. Doch snel greep Selam den roover bij het hoofd en het een

weinig opheffend, smakte hij het op den rotsigen grond, zoodat de kerel

bewusteloos bleef liggen. Toen sprong hij op en snelde den kapitein te

hulp.

Het was tijd ook, want diens tegenpartij had zich van het mes, dat

op den grond was gevallen, meestergemaakt en bedreigde daarmede den

kapitein. Selam, het gevaar ziende, waarin deze verkeerde, brak

bliksemsnel een tak af en gaf den roover een geduchten slag op den

schedel. De dief liet het hoofd vallen, breidde de armen uit en het mes

ontviel aan zijne hand.

Nu stond de kapitein op en Selam de hand drukkend, zeide hij met bewogen

stem:--Ge zijt een brave knaap, Selam! het was tijd, dat ge mij te hulp

kwaamt.

Intusschen deed Selam een koord van zijn middel, bond den bedwelmden

roover stevig vast en wierp hem over het paard. Toen hij echter een paar

stappen terugging naar den anderen dief, was deze verdwenen.

--Bij Allah! zeide Selam, ik had hem toch vrij onzacht tegen de steenen

gesmakt.

--Parbleu! voegde de kapitein er lachend bij, ik geloof u wel; ik hoorde

den smak daar ginds. Als het een fatsoenlijk Christen was geweest,

zouden hem de hersens uit den kop zijn gepuild, maar die vervloekte

Arabieren hebben schedels van ijzer.

--Hij heeft wijs gedaan met zich uit de voeten te maken, zei Selam. Hij

heeft er een duchtig pak slaag mede uitgewonnen. Maar het spijt mij, dat

hij ontkomen is.

--Laat den schurk loopen, zei de kapitein; ik geloof, dat hij er wel

genoeg van zal hebben om vooreerst weer uit stelen te gaan.

Binnen weinige oogenblikken had men het kamp bereikt en de dieren weder

vastgebonden, en daar de nevel hoe langer hoe dikker werd, legde Selam

een flink vuur aan, welks schijnsel de geheele plek verlichtte.

--Ik zeide het u wel, zei Selam, toen men bij het vuur zat; die

schavuiten zijn uitgeleerd in het stelen. Door op den buik tusschen de

dieren te kruipen konden zij de touwen doorsnijden, en hebben zij de

slaperige beesten met kleine rukken zoo ver naar zich toe getrokken,

tot zij buiten het gezicht waren. Ze hebben er terecht dezen nacht voor

uitgekozen, want de nevel maakt het moeilijk op eenigen afstand de

voorwerpen te onderscheiden.

--De witte ezel heeft hun eene leelijke poets gespeeld, zei de

kapitein. Zonder zijne koppige bui zouden de roovers reeds een goed

eind zijn vooruitgekomen, en wij hadden de beesten misschien niet meer

teruggezien.--Maar komaan, ik ga slapen, zei de kapitein; roep Mohammed,

opdat hij met u wake, zij zullen heden nacht niet meer komen. Laat den

dief gebonden liggen, zoodat gij het oog op hem kunt houden. Bij de

minste poging van hem om weg te komen, schiet ge hem door den kop;

wanneer ge iets bemerkt, dat u onraad doet vermoeden, wek ons dan!

De kapitein trad de tent binnen en sloot ze goed dicht. De groote pad

zat nog altijd vast en was bezig de insecten op te happen, die door de

tent liepen en vlogen.--Ha, ha, zeide de kapitein, gij komt van pas! Hij

bevestigde nog een langer touw aan het korte koord, zoodat de pad door

de geheele tent kon rondspringen; toen legde hij zich ook neder en sliep

weldra rustig in.

Intusschen had Selam, ingevolge den raad van den kapitein, Mohammed

gewekt, en beide vrienden zaten nu rookende lustig te praten over het

avontuur van zooeven.

Een paar meter van hen af lag de Arabier nog steeds onbeweeglijk en

de twee Mooren, bekend met de taaiheid van die lieden, lieten hem stil

liggen. Echter kon men, nauwkeurig toeziende, het lichaam van den kerel

nu en dan flauw zien bewegen.

--Wil ik u eens wat zeggen, zei Selam opeens fluisterend tegen Mohammed,

na eenige oogenblikken scherp naar den gevangene te hebben gekeken, ik

wed, dat de kerel op het oogenblik evenmin flauw ligt als wij, maar dat

de fielt bezig is zijne banden door te knagen. Zie zijn lichaam gedurig

ineenkrimpen, en zijn aangezicht is bijna geheel verborgen. O! de

Arabier heeft tanden als eene rat!

--Inderdaad, antwoordde Mohammed, ik geloof dat ge gelijk hebt, wat

moeten we doen?

--Stil, zei Selam, beweeg u niet; ziehier! en hij toonde hem de revolver

van den kapitein, dien deze uit voorzorg aan Selam had gegeven.

Schijnbaar onverschillig met elkaar sprekende, hielden de beide Mooren

den gevangene evenwel gestadig in het oog. Deze bewoog zich vrij sterk

en men hoorde hem diep en zwaar adem halen. Plotseling sprong hij op; de

banden, waarmede zijne handen waren gebonden, vielen op den grond, en

onder het uitstorten van een vloed van scheldwoorden stoof de dief met

groote sprongen de hoogte af.

Maar even snel knalde een schot; de kerel stiet een kreet van woede uit,

doch liep voort en was in een paar sprongen in het struikgewas

verdwenen.

--Laat hem loopen! zeide Selam tot Mohammed, die zich in het hout wilde

begeven. Hij heeft eene goede les ontvangen; de kogel trof hem in het

been. Het is zóó misschien beter, dan dat we hem met stokslagen hadden

gestraft. Dat gespuis zou ons misschien zijn gevolgd om wraak te nemen

over het pak slaag, dat zij van ons ontvingen, wat zij om een kogel niet

zullen doen.

VII.

ALKAZAR-EL-KIBIR.

Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen · 第 4 / 22 段