helaas! 't is zoo en niet anders. Ik herinner mij, dat mijne ouders zeer
arme, eenvoudige burgerlieden waren. Mijnen vader kan ik mij niet anders
voorstellen dan zooals ik hem steeds heb gezien, den geheelen dag door
aan den arbeid. Over dag en des avonds zag ik hem steeds bij het licht
der lamp over zijn werk gebogen, schrijvende als of zijn leven er van
afhing. En dit was werkelijk de bittere waarheid. Als mijn vader niet
dag aan dag van vóór zonsopgang tot laat in den nacht werkte, hadden
we geen brood. Even druk was mijne moeder altijd bezig met naai- of
borduurwerk. Ik kan mij haar nog zóó goed voor den geest brengen alsof
ze vóór mij stond. Aan dien kommervollen tijd kwam een einde, maar
helaas! een treurig einde. Mijne moeder werd ziek en stierf, wijl het
haar, ondanks hard werken, aan het noodige ontbrak, en mijn goede vader,
die dien harden slag niet kon dragen, stierf twee maanden na haar.
Nog te jong om de ramp te beseffen die mij had getroffen, gold mijne
droefheid minder den dood mijner ouders, dan de verlatenheid en den
honger, die zich deden gevoelen. Na den dood mijns vaders kwam eene oude
tante over. Deze zorgde voor de begrafenis, betaalde met de opbrengst
van het weinige huisraad, de kleine schulden, en nam mij met zich mede.
--Van dien tijd af is mijne herinnering het levendigst. Deze tante, eene
zuster mijns vaders, was eene streng godsdienstige oude vrijster. Zoo
ik driemaal daags eten kreeg (wat niet altijd zeker was), kreeg ik wel
tienmaal daags slaag, en ik moest den tijd dooden met bijbellezen. Bij
het minste dat ik deed, kreeg ik een vloed van scheldwoorden naar het
hoofd, vermengd met smalende uitdrukkingen over mijne ouders; want,
zooals ik later vernam, mijn vader was zeer tegen den zin zijner familie
met mijne moeder, die een arm maar braaf meisje was, gehuwd. Dit had
zijne geheele verbanning uit de familie ten gevolge gehad, en die
familie belasterde hem bovendien overal zoozeer, dat hij moeite had werk
te vinden. Ik was een kleine en zeer tengere knaap voor mijne jaren,
doch tamelijk driftig van aard. De herhaalde scheldwoorden, die mij
golden, brachten mij tot woede, en de smalende uitdrukkingen over mijne
gestorven ouders verbitterden mij zoo hevig, dat ik besloot weg te
loopen en mij over deze mishandelingen te wreken.
--Eerst rees de gedachte bij mij op om het huis in brand te steken; doch
bedenkende, dat ik daardoor gevaar liep, niet alleen mijne tante te
treffen, iets waarover ik mij weinig bekreunde, maar ook de dienstboden
en de naburige huizen gevaar liepen, verzon ik iets anders. De tijd van
mijn wraak was bepaald op een Zondag. Ik had nog maar drie dagen voor
mij, want het was Woensdag avond, toen ik mijn besluit had genomen.
--Zondags ging mijne tante na den middag altijd naar eene godsdienstige
bijeenkomst, die tot laat in den avond duurde. De oude meid en de
knecht, man en vrouw, gingen dan met haar mede en zoo ik goed had
opgepast, genoot ik insgelijks dat voorrecht. Ik zorgde er echter voor
des Zaterdags eenig kattekwaad te doen, waarvoor ik werd gestraft met
het schrijven van eenige kapittels uit den bijbel en het van buiten
leeren van een psalm.
--De Zondag kwam en mijne tante vertrok met hare dienstboden, mij alleen
achterlatende. Zoodra ik verzekerd was dat zij weg waren, spoedde ik mij
naar den zolder. Ik zocht en vond de lijn, die voor het drogen van den
wasch diende, en maakte deze vast aan de groote kram, die in het kozijn
van het zoldervenster zat. Ik had mij slechts een voet of tien te laten
afzakken om mij op den muur, die ons huis omgaf, te bevinden, en welke
muur aan den zijkant van het huis niet verder dan op een meter afstand
langs het huis liep. Mijn aftocht aldus verzekerd hebbende, begon ik
mijne wraak ten uitvoer te leggen.
--Ik had nu en dan een weinig klei heimelijk in huis gebracht; ik had
die voor mijn plan noodig en dus weggestopt in een hoek van den zolder.
Thans was al die klei een groote hoop geworden. Ik ging nu naar beneden
en sloot alle deuren die toegang tot het huis verleenden, en stopte de
openingen onder de deuren en ter zijde goed dicht met klei. De luiken
van den kelder sloot ik eveneens. Toen wierp ik al het beddegoed, alles
wat breekbaar en niet breekbaar was, kortom, al wat ik maar kon vinden
op den grond, en begaf mij naar boven. Boven was de keuken en in die
keuken bevond zich de groote kraan der waterleiding, die de gansche stad
van water voorzag.
--Na al mijne voorzorgen te hebben genomen en toen ik klaar was om
weg te gaan, was het reeds schemeravond. Toen zette ik de kraan der
waterleiding open na vooraf de opening van het steenen bekken, dat zich
er onder bevond, dicht gestopt en alle binnendeuren opengezet te hebben,
die de verschillende kamers met elkaar verbonden, en ik zette mij op
mijn gemak neder op de treden der zoldertrap.
--Het water overstelpte weldra het bekken, vloeide er overheen, stroomde
over den vloer der keuken, drong in de drie kamers der bovenverdieping
en vond toen een uitweg langs de trap. Ik was opgetogen van eene
boosaardige vreugde. Welhaast zag ik, mij naar den rand der trap
begevende, dat het water in het benedenhuis wel bijna een voet hoog
stond, en het steeg altijd door. De stoelen geraakten van hunne plaats
en dreven rond. Het eene meubelstuk na het andere, opgetild en
omgestooten door de kracht van het nederstroomende en stijgende water,
plonste in het nat. Matjes, stoven, bankjes, doozen, kortom alles dreef
rond. En intusschen steeg het water aanhoudend en was ik zoo verdiept in
het gelukken van mijn wraakzuchtig plan, dat ik aan geen heengaan
dacht. Maar eindelijk daaraan herinnerd door de heerschende duisternis,
begreep ik dat het daartoe tijd werd, wilde ik niet overvallen worden.
Ik klom naar den zolder en liet mij uit het venster zakken, kwam
gelukkig op den muur en bereikte vandaar met een stouten sprong
ongedeerd den grond.
Dries zat te grinneken van de pret, die hem deze grap gaf.
--Toen, zoo vervolgde de kapitein, bevreesd achtervolgd te zullen
worden, liep ik wat ik loopen kon recht voor mij uit. Waar liep ik heen?
Ik wist het niet. Ik liep maar door of de duivel mij op de hielen zat,
aan niets anders denkend dan uit de voeten te komen. Dien nacht kwam er
geen slaap in mijne oogen. Ik liep en liep, totdat ik aan een groot
bosch kwam.
--Het was winter en de sneeuw lag hoog. Dit vermoeide mij zeer in het
gaan, doch ondanks dat alles liep ik voort, maar thans niet meer zoo
gejaagd als in het begin. De morgen brak aan en met den morgen voelde ik
den prikkel des hongers. Den vorigen dag, vervuld met mijne wraak, had
ik bijna niets gegeten en verzuimd een stuk brood of iets anders mede te
nemen. Ook had ik geen cent op zak. Wat moest ik beginnen? Hoe aan brood
te komen? Eindelijk zag ik in de verte de eerste huizen eener stad. Het
was eene der voorsteden van Parijs. Het bosch, bijna ten einde zijnde,
ontmoette ik een man, die, eenigszins beschonken, mij te gemoet kwam.
Ziende, dat hij tamelijk goed gekleed was, liep ik op hem aan en vroeg
met een smeekend gelaat om brood.
»Een aalmoes," zeide de kerel, mij lachend aanziende.
»Ja mijnheer, ik heb honger," zeide ik.
»Wel, wat rare snaak," riep de kerel uit, »hij heeft honger; kom hier,
kleine aap!"
--Ondanks deze weinig streelende benaming, trad ik nader. Hij stak de
hand in zijn zak, doch op het oogenblik dat ik dacht iets te krijgen,
gaf de kerel mij een slag in het gelaat. Van woede buiten mijzelf,
viel ik op den kerel aan, die mij, zwakken knaap, met één slag van
zijn gespierden arm gemakkelijk kon vermorzelen, en terwijl hij mij
verachtelijk aanzag en nogmaals een slag toediende, greep ik zijn arm en
beet er in.
»Kijk, wat leelijk beest," riep de kerel mij aangrijpend. »Wat een moed
voor zoo'n kleinen aap!" En toen ik niet anders dacht, dan een duchtig
pak slaag te zullen ontvangen, zeide de kerel, op eens van toon
veranderende: »Kijk, je bevalt me. Komaan, ga mee, ik zal je te eten
geven en je kan bij mij blijven."
--Geheel verwonderd keek ik hem aan.
»Ja," zeide hij, »vind je dat niet goed? Kijk, ik heb bij mijn werk
een jongen noodig, doch niet iedereen bevalt mij. Jij bent nu juist de
rechte; klein, vlug en moedig, dat zijn drie vereischten, die ik juist
zoek. Maar komaan," vervolgde hij, »daar ik nog altijd onbeweeglijk
bleef staan, praten we niet langer, maar gaan wij op weg."
--Hij nam mij bij de hand en geheel werktuigelijk liet ik mij gewillig
medevoeren. Voor mij bestond er op dat oogenblik slechts één wensch:
mijn honger te mogen stillen; hoe ik dien kon bevredigen, was mij om
het even, als ik slechts te eten kreeg.
--Wat wilt ge, zeide de kapitein, als het ware zichzelf in de reden
vallende, honger is een scherp zwaard!
--Wij gingen door eene aantal straten en stegen, allen even morsig,
totdat we in eene smalle, smerige, slecht verlichte straat aankwamen.
Hier hield de kerel stil en opende met den sleutel de deur van een
zeer smal, maar tamelijk hoog huis. Naar het mij voorkwam, was het
onbewoond, en dit was ook werkelijk zoo, in zooverre, dat mijn nieuwe
meester de eenige bewoner was. Het was, zooals ik zeide, een hoog huis;
beneden waren twee vertrekken en een soort van keukentje; op de eerste
verdieping waren twee kamers en op de tweede vier kleine slaapkamertjes
of kabinetjes; daar boven bevond zich de zolder. Waarom mijn leidsman
het geheele huis alleen bewoonde, kon ik toen niet begrijpen; want
behalve beneden, was nergens eenig huisraad te zien. En wat er nog was,
was van het gemeenste.
--Te huis gekomen, zette mijn nieuwe beschermer mij brood, kaas en wijn
voor, waarvan ik ondanks het vreemde mijner omgeving met graagte at.
Daarna ging mijn meester tegen den avond de deur uit; wanneer hij weerom
was gekomen wist ik niet, daar ik weldra in een diepen slaap verzonk,
waaruit ik niet ontwaakte dan den volgenden middag. Mijn meester was te
huis. Hij sprak weinig tegen mij, en na een paar dagen zoo doorgebracht
te hebben, nam hij mij op een avond met zich mede. Waarheen? Dat zou ik
spoedig tot mijn schrik gewaar worden.
--Wij gingen eene menigte straten door tot wij in eene afgelegene, zeer
stille straat kwamen. Het was een donkere, koude nacht. Sneeuw, hagel
en regen, voortgejaagd door een scherpen noordenwind, deden mij bijna
geheel verkleumen. Op eens gebood mijn meester mij te wachten en
tegelijk duwde hij mij in de schaduw van een vooruitspringenden muur,
terwijl hij de straat verder in liep.
--Na eenige oogenblikken keerde hij weder.
»Alles is in orde," zeide hij. »Komaan, aan het werk!" en hij liep naar
een raam toe, dat in het steegje uitkwam, na mij bevolen te hebben aan
het begin van het steegje op den grond te gaan zitten in de schaduw van
den muur en hem te waarschuwen, zoodra ik eenig gerucht vernam of iemand
zag aankomen.
--Toen begreep ik op eens wie mijn meester was; een gemeene dief,
misschien wel een moordenaar. Een oogenblik dacht ik er aan op den loop
te gaan, doch alsof de kerel mijne gedachten ried, zeide hij: »Ga daar
stil zitten en doe wat ik je zeg; zoo niet, bij God! ik zal je aan
riemen snijden, reken daar op!"
--Wat kon ik doen? Ik was niet verder dan een twintig pas van hem af.
Bij de minste beweging, die ik maakte, zou hij zich op mij werpen en mij
verworgen. Ik begreep dit, toen hij mij in de oogen zag. Toen nam ik
snel mijn besluit, namelijk den huichelaar te spelen, te houden of ik
smaak had in zijn afschuwelijk handwerk en hem zoodoende te blinddoeken
tot de gelegenheid zich opdeed om weg te komen.
--In minder tijd dan ik zeggen kan, had hij een ruit uitgesneden, stak
den arm door de gemaakte opening en opende de blinden.
»Is er niets?" riep hij met gedempte stem.
»Niets," antwoordde ik.
»Kom dan hier," riep hij weder.
--Ik begaf mij sidderend en al mijn moed bijeenrapend naar den
ellendeling.
»Kom," zeide hij, »gij moet hier door. Dit raam komt uit in de
vestibule; wanneer ge daar zijt, doet ge, voorzichtig langs den muur
loopend, een pas of vijf dan zijt ge hier,"--en hij wees mij op den
hoek van het huis, dat den hoek vormde van de straat en het steegje.
»Dan doet ge nog een paar pas rechts en zijt ge aan de deur, die ge
moet openen. Er zijn twee knippen op, de eene van onder, de andere in
het midden. Als de sleutel niet op het sloot steekt, moet ge langs den
muur tasten in den hoek of hij daar ook hangt. Bovendien zal er nog
een ketting op de deur zijn, die ge er ook af moet doen. Kunt ge geen
sleutel vinden, dan zal ik hem toch wel openen, doch pas op geen leven
te maken, het zou je het leven kunnen kosten; poog ook niet in het huis
te ontvluchten. Ik zal je in het oog houden; bij de minste beweging om
mij te verraden, verbrijzel ik het raam en zal je de hersens ingeslagen
en mijzelven uit de voeten gemaakt hebben vóór iemand van de bewoners
nog bij je is.--Denk er aan."
--Hij duwde mij door de opening. Verlamd van schrik kon ik eerst bijna
geen stap doen, doch zijne ruwe stem deed mij voortschrijden. Ik liep
volgens zijne aanwijzing langs den muur, vond de deur en ontsloot die.
Voor hij binnenkwam, sloot hij eerst de blinden van het raam, en de deur
zachtjes dicht doende beval hij mij hem te wachten. Hij verdween in het
huis. Ik hoorde geen ander gerucht dan het behoedzaam openen en sluiten
van deuren. Alles ging even stil in zijn werk. Na verloop van eenige
minuten kwam hij terug een klein pakje in een zakdoek geknoopt bij zich
hebbende. Even stil als wij er in gekomen waren, verlieten wij het huis
en ik haalde eerst gerust adem toen wij eenige straten verder waren.
--Te huis gekomen, gelastte hij mij naar bed te gaan. Ik deed zulks,
doch kon niet slapen en besloot mij te houden alsof ik sliep, ten einde
hem te bespieden. Denkende dat ik sliep, begon hij, met een vergenoegden
glimlach op zijn gemeen gelaat, zijn zakdoek te ontknoopen, waaruit
hij eerst eene leederen portefeuille haalde. Hij deed ze open; zij
bevatte eene menigte banknoten. De bandiet kon nauwelijks een kreet
van blijdschap onderdrukken. Voor het overige waren het blinkende
geldstukken, waarmede de zakdoek was gevuld, benevens eenige kostbare
damesversierselen. Toen hij alles goed had bekeken, ging hij naar een
hoek van de kamer waar een hoekkast stond, welke hij verschoof. Alleen
een kerel zoo sterk als hij, was daartoe in staat. De kast omdraaiende
met den rug naar het licht, drukte hij op een pennetje en een gedeelte
van het achterschot sloeg als een klep naar buiten naar beneden om, en
deed mij zien dat de kast een dubbel achterschot had. Hierin verdwenen
de portefeuille en de versierselen. Het geld stak hij bij zich, waarna
hij de kast weder op hare plaats zette. Een oogenblik daarna had hij het
licht uitgedaan en zich in bed geworpen, waar ik hem weldra luide hoorde
snorken.
--Duizenden gedachten vlogen mij door het hoofd, zonder dat ik tot een
bepaald plan kon komen. Ik sliep zeer onrustig, had allerlei benauwde
droomen en wist maar niet hoe ik weg zou komen.
--Intusschen begon mijn meester mij meer en meer te vertrouwen. Hij nam
mij meermalen mede om te wandelen of Parijs te bezien, en zoo kwam ik
ten laatste ook in die vuile afschuwelijke krotten van herbergen, die
bezocht worden door het slechtste gespuis van Parijs. Het was daar dat
ik hoorde, wie mijn meester was, namelijk een der grootste, vermetelste,
maar ook der gemeenste schurken van Parijs; men noemde hem »l'hyène",
welken naam hij te danken had aan zijn woesten aard.
--Zoo gingen dagen, weken en maanden om op dezelfde manier, en
gedurende al dien tijd had ik geen gelegenheid gevonden om te
ontsnappen. Op een avond, nog verschrikkelijker dan die mij inwijdde
in mijn afschuwelijk bedrijf, gingen wij weder op eene onderneming uit.
Hetzelfde had plaats als ik reeds beschreven heb. Mijn meester drong
met mij door in het huis, waar hij, zooals hij zeide, een goeden slag
hoopte te slaan, en had spoedig den buidel binnen. Even stil maakte hij
zich gereed te vertrekken, toen hij onverwachts over iets struikelde.
Ik stond beneden in de kamer bij het raam, waardoor wij binnen waren
gekomen, hetwelk l'hyène weder had gesloten, toen ik den slag van zijn
val hoorde. Dadelijk daarop hoorde ik eene stem roepen: »Wie daar?" Eene
worsteling volgde, die slechts kort duurde, en binnen weinige minuten
kwam de bandiet aanloopen. Zijn gelaat was bleek, en haastig verborg
hij een dolkmes. Snel de deur openende vloog hij er uit, en ik volgde
hem doodelijk verschrikt. Op straat pakte hij mij bij den arm en stapte
haastig maar omzichtig voort. Evenals de vorige maal gelastte hij mij te
gaan slapen en na de vruchten zijner diefstal geborgen te hebben, wierp
hij zich gekleed te bed. Doch hij, evenmin als ik, sliep dien nacht.
--Toen de dag aanbrak en wij hadden ontbeten, keek hij mij onderzoekend
aan. Ik beantwoordde zijn blik kalm en vast. Door mijn voortdurend
huichelen had ik hem volkomen om den tuin geleid. Hij vertrouwde mij
geheel, zooals ge zult zien.
»Pierre," zeide hij fluisterend, »je hebt zeker begrepen wat er van
nacht is gebeurd, niet waar?"
»Volkomen, meester!" antwoordde ik, mij geweld aandoende een
lichtzinnigen toon aan te nemen. »Ge hebt er een zijn paspoort gegeven,
papa, niet waar?"
»Ja," zeide hij zacht, mij strak aanziende, »de oude werd wakker en ik
kon niet anders, vervloekt!"
»Komaan, papa, wordt nu niet flauwhartig," zeide ik, pogende te
glimlachen, »'t is de eerste niet, wel? Drink liever eens; dat spoelt de
zorg weg!"
»Hoe weet jij dat?" vroeg hij woest.
»Hoe ik dat weet, nu, die vind ik fraai, alsof papa l'hyène niet genoeg
bekend is bij de vrienden in de sociëteit."
»'t Is waar," zeide hij, »'t is niet de eerste; maar, enfin, het doet er
niet toe, wat maakt het uit één meer of minder,"--en hij dronk den eenen
beker wijn na den andere.
»Goed," zeide ik, »zoo mag ik u zien, papa! geen weekheid asjeblieft."
--Na eenige oogenblikken zwijgens vervolgde hij: »Weet je wat je moest
doen, Pierre?"
»Zeker, als ge het mij zult gezegd hebben," antwoordde ik.
»Welnu, hier hebt ge een cadeautje,"--en hij wierp mij een paar
goudstukken toe. »Ga de straat op, bezoek het een of ander koffiehuis en
hoor eens rond wat er van is uitgelekt... begrepen?"
»Goed," zei ik, »maar drink toch, papa! of zijt ge afschaffer geworden?"
»Neen, voor den duivel, dat nooit!" antwoordde hij--en hij dronk; »doch
wees voorzichtig, begrijpt ge?"
»Wees gerust," antwoordde ik, en ik vertrok.
--Alvorens de deur uit te gaan zag ik echter, dat hij reeds tamelijk de
hoogte had.
--Nu of nooit! dacht ik, toen ik op straat was, en ik begaf mij naar
een koffiehuis. Na een glas wijn besteld te hebben, luisterde ik, een
dagblad in de hand nemende, naar de verschillende gesprekken die er
gevoerd werden. Het duurde niet lang of er kwamen eenige bezoekers
binnen.
»Dag papa Picard!" zei de een tegen den hotelhouder, »hebt ge het nieuws
al gehoord?"
»Het nieuws?" vroeg de kastelein, »welk nieuws, mijne heeren?"
»Welnu, komaan, Parijs is er vol van."
»Ik weet nog niets," antwoordde de kastelein, »wat is er dan gebeurd?"
»Een moord," zeide een der heeren.
»Een moord!" riep de kastelein verbaasd.
»Ja, een moord in de Rue de l'enfer. Een braaf oud geneesheer Dr.
Hachette is het slachtoffer. Hij is vermoord, na alvorens bestolen te
zijn."
»Mijn God, mijn God! hoe afschuwelijk!" riep de kastelein; »die brave
doctor Hachette. En heeft men den moordenaar?"
»Wel ja, die blijft er bij wachten!" zeide een der heeren lachend.
»Een man die zooveel goed deed," mompelde de herbergier. »'t Is
afschuwelijk!"
--Ik wist genoeg. Het koffiehuis verlatende liep ik regelrecht naar de
politiewacht en verzocht den commissaris te spreken. Men liet mij langer
dan vijf minuten wachten. Ik werd ongeduldig. »Zeg," zeide ik tot een
der wachthebbende agenten, »dat de zaak waarvoor ik gekomen ben spoed
vereischt, en ik niet langer _kan_ wachten." Een oogenblik daarna werd
ik binnengeroepen. De commissaris, een man met een streng maar
rechtschapen gelaat, ontving mij barsch.
»Gij schijnt haast te hebben, mijn vriend," zeide hij norsch, »kondt ge
niet wachten?"
»Onmogelijk, mijnheer!" antwoordde ik.
»Laat hooren, wat is het? Zeker de eene of andere vechtpartij of een
verloren beurs."
»Mijnheer," zeide ik, »ik kom u spreken over den moord in de Rue de
l'enfer."
--De commissaris sprong op van zijn stoel.
»Wat zegt ge," riep hij, »gij zoudt mij daaromtrent eenige inlichtingen
kunnen geven?"
»Alle inlichtingen, die ge wilt hebben," antwoordde ik.
--Hij keek mij verbaasd aan.
»Kortom, mijnheer," zeide ik, »ik kom u den naam van den moordenaar
opgeven."
»Wat," riep hij uit, meer en meer verbaasd, »en die naam?"
»Is die van l'hyène," zeide ik.
»Ha," riep de commissaris, »is het die ellendeling? Wacht vriend, we
hebben nog eene oude rekening te vereffenen, maar die vereffening zal
verschrikkelijk zijn."
»Maar hoe weet ge dat?" vroeg hij, »wie verzekert mij, dat gij de
waarheid spreekt?"
»Ikzelf," zeide ik, »want ik was bij den moord tegenwoordig."
»Gij," riep hij uit, »ge zijt dan medeplichtig, daar ge hem niet
verhinderd hebt."
»Ja, ik was gedwongen medeplichtige, want ik kon den moord niet
verhinderen."
»Maar hoe heeft zich dat dan toegedragen?"
»Mijnheer," zeide ik, »zoudt gij niet, alvorens ik u dat mededeel, den
moordenaar laten gevangen nemen, want mijn verhaal zal lang zijn."
»Ge hebt gelijk," antwoordde hij, »waar kan men l'hyène vinden?"
--Ik noemde de straat en het nommer, en zeide: »Ik zou u aanraden een
rijtuig te nemen, want de bandiet zal dronken zijn; ik heb hem van den
koppigsten wijn gegeven, die er was."
»Goed," zeide de commissaris, en hij gaf zijne bevelen. »Binnen een
kwartier is hij geknipt," zeide hij, weder binnen komende en zich
vergenoegd de handen wrijvende. »Welaan, mijn jonge vriend, verhaal als
ge zoo goed wilt zijn."
--Toen verhaalde ik hem hoe ik bij l'hyène was gekomen, mijne
vergeefsche pogingen om te ontvluchten en eindelijk het voorgevallene
van den afgeloopen nacht. De commissaris geloofde mij volkomen en
beloofde voor mij te zullen doen wat hij kon. Voorloopig wees hij mij
een kamertje aan in het gebouw der wacht, waar ik kon verblijven.
--Terwijl wij nog aan het praten waren, kwamen de agenten aan met
l'hyène. De moordenaar was zoo dronken, dat hij niet wist wat er met hem
gebeurde. Men had de deur opengeslagen en hem smoordronken op den vloer
gevonden; zijne arrestatie leverde dus geene moeilijkheden op. Na het
huis te hebben laten bezetten, begaf ik mij met den commissaris er heen.
Men haalde de kast weg en opende die op mijne aanwijzing; er kwam voor
eene enorme waarde uit aan bank- en ander geldswaardig papier, aan goud-
en zilvergeld en aan kostbaarheden. Langer dan tien jaren had l'hyène
zijn vuig handwerk met ongehoord succes gedreven, en de voorwerpen, die
hier voor den dag kwamen, waren die, welke de politie sinds jaren had
gezocht.
--Gedurende zijn proces, als ik mijne verklaring moest afleggen, scheen
het of l'hyène zich op mij wilde werpen om mij te dooden. Doch het waren
juist deze aanvallen van woede, die zijne schuld bewezen. Ten laatste
bekende de schurk dan ook met eene onbeschofte koelbloedigheid en op
uittartenden toon. Zijne veroordeeling volgde nu spoedig; de ellendeling
ging voor levenslang naar de galeien.
Hier hield de kapitein een oogenblik op.
--Verduiveld, waarde kapitein! zeide de luitenant, gij hebt geen
pleizierige jeugd gehad. Welk een verschrikkelijk leven met zoo'n
ellendeling, en wat moet gij een moed en tegenwoordigheid van geest
gehad hebben, om dien ellendigen bandiet zoo te blinddoeken.
--Nu ja, zeide de kapitein, het spreekwoord zegt: de gelegenheid
maakt den dief, maar de gelegenheid maakt ook den held. Men moet in
zoodanige omstandigheden hebben verkeerd om te begrijpen, welk eene
tegenwoordigheid van geest, welk eene geslepenheid en moed bij u door
het gevaar ontwikkeld worden.--Maar laat ik voortgaan met mijn verhaal.
--Om mij, zooals de commissaris had beloofd, eene betrekking of
ten minste iets te bezorgen, waarvan ik kon leven, was lang geene
gemakkelijke zaak, om de eenvoudige reden dat ik niets kende. Er was
geen handwerk, geen ambacht waarvan ik iets verstond, en zoo kwam het
dat de goede man zich tevergeefs moeite gaf mij iets te bezorgen,
waarvoor ik te gebruiken was.