Na eenige oogenblikken rondgekeken te hebben, nam ons gezelschap den

terugtocht naar de stad aan. In een der poorten, die men doorging stond

een heilige tegen den muur geleund om giften in te zamelen. Het was een

stevige kerel met een allergemeenst uitzicht. Met de oogen strak in de

lucht starend, scheen het alsof hij niets zag van hetgeen er nevens hem

omging. Slechts nu en dan, als iemand hem met eerbied naderde, stak hij

met een onverschillig gebaar de hand uit en nam de gift aan die men hem

gaf. Toen onze vrienden onder de poort waren gekomen, sloeg de heilige

de oogen op hen en zag hen onbeschaamd aan. De luitenant, dit voor het

zwijgende verzoek om een aalmoes aanziende, nam, aan eene opwelling van

edelmoedigheid gehoor gevende, een handvol floe's, een koperen munt ter

waarde van nog geen halven cent, en wierp ze den man in de hand. Dries

den kerel, wiens aanhoudend onbeschaamd aangapen hem vertoornde,

willende dwingen voor zich te zien, beantwoordde dat met eene even

minachtenden uitdagenden blik, toen de heilige op eens een stap

voorwaarts deed en Dries in het gelaat spoog.

Dat was te veel voor Dries. Als een woedend dier sprong hij op den

heilige toe, en hem met de linkerhand bij de keel grijpend, gaf hij hem

met de andere een vuistslag tusschen de oogen, die hem zeer alledaags

tegen den muur deed tuimelen. Doch bijna nog voor hij gevallen was,

sprong de schurk op en zijn knuppel opheffend, was hij gereed Dries een

wel gemikten slag toe te brengen, toen deze, den slag ziende aankomen,

snel bukte, den kerel bij de beenen greep en hem met een hevigen smak op

den grond wierp. In een oogwenk had hij hem nu zijnen knuppel afgenomen

en bleef in afwachting of de heilige soms een tweeden aanval zou wagen.

Verbaasd en verschrikt tevens waren de kapitein en de luitenant getuigen

geweest van dit tooneel. Het had zich zoo snel toegedragen, dat het

gebeurd was eer men nog goed de toedracht der zaak wist.

--Zie zoo, zeide Dries, die fielt zal vooreerst genoeg hebben van een

fatsoenlijk mensch in het aangezicht te spuwen. Zoo'n schobbejak! Kijk

luitenant, mijne handen jeuken om hem de hersens in te slaan.

De kapitein en de luitenant hadden al hunne overredingskracht noodig om

Dries tegen te houden, en deze was zelf zoo wijs den kerel den rug toe

te draaien en mede te gaan.

Maar toen men wilde voortgaan, verhief zich een dreigend gemompel uit

den volkshoop, die intusschen de poort had gevuld, en in een oogenblik

waren onze vrienden omsingeld door een troep havelooze vagebonden, die

de vuisten balden en woedende blikken op hen wierpen.

--Parbleu! mompelde de kapitein, dat ziet er gek uit; op mijn woord dat

canaille is tot alles in staat. Wij hebben hunnen heilige geslagen en

dat volk is duivels verzot op die gewaande gekken.

--Welnu, zeide de luitenant, wij moeten er toch door.

--Dat spreekt vanzelf, zei Dries; komaan, ik heb heel veel lust dat

canaille eens door elkaar te slaan.

De kapitein maakte eene beweging om voort te gaan, doch niemand

verroerde zich. In dien levenden muur was geen doorgang te vinden.

--Uit den weg, riep de kapitein, uit den weg, schurken! doch het hielp

niets.

--Ha! riep op eens de luitenant, Goddank we zijn gewapend, ik was het

haast vergeten. Neem aan, kapitein, spoedig neem aan! En hij duwde hem

eene geladen zesloopsrevolver in de hand, waarvan hij er twee bij zich

had.

Toen spanden onze twee vrienden den haan en, de revolvers opheffende,

richtten zij dien op den troep, terwijl Dries, zijne knots opheffend,

een stap voorwaarts deed.

--Terug, donderde de kapitein, terug! schooiers, of bij Allah ik zal je

doodschieten als honden.

Op het gezicht van die kleine maar vreeslijke wapens begonnen de

Marokkaansche straatslijpers bevreesd te worden, en daar de kleine troep

steeds nader schreed, deinsden de voorsten terug. Doch de achtersten uit

den hoop, de voorste rijen als een schild voor zich hebbend, drongen op.

Toen, bevreesd van de been te geraken, legden de luitenant en de

kapitein aan en gaven vuur. Dit deed uitwerking; een kerel werd in den

schouder getroffen, en een ander een stuk van het oor afgeschoten. Nu

werden ook de achtersten door vrees bevangen en de troep begon te

wijken.

Dit ziende en woedend over de ondergane beleediging en het oponthoud,

sprong Dries naar voren en met beide handen zijnen knuppel zwaaiend,

liet hij dien zoo gevoelig op de hoofden en schouders der Muzelmannen

neerkomen, dat de aftocht in eene razende vlucht overging, terwijl Dries

maar aanhoudend als een bezetene rondsprong en er op in sloeg.

Ondanks het gevaarlijke van hunnen toestand ter nauwernood verdwenen

was, konden de luitenant en de kapitein zich niet houden van het lachen

en proestten zij het uit, zich echter haastende den al te ijverigen

vervolger in te halen en met zich mede te nemen.

Men was nu spoedig in het logement aangeland, waar men nog bijna den

geheelen avond den vroolijken aanstekelijken lach van den Franschman

hoorde weerklinken, die zich telkens dien overgang van het gevaarlijke

tot het bespottelijke voor den geest riep en eindigde met te

zeggen:--Parbleu! beste vriend, wij hebben ten minste ons eerste

avontuur gehad. Maar weet ge wel, Dries, dat die Marokkanen u een

grooten dwaas vonden om zoo den zegen van den heilige te versmaden?

IV.

DE NIEUWE REISGENOOT.--SELAM, DE GIDS.

Na een verblijf van drie weken te Tanger, en die stad bezocht en

bezien te hebben tot in de afgelegenste wijken, na van verschillende

interessante voorvallen getuigen te zijn geweest, na eindelijk eene

inleidende studie tot de kennis van het land en de bewoners gemaakt te

hebben, begon luitenant Frank er zeer naar te verlangen de reis naar Fez

te beginnen, en ook Dries, die met Tanger geenszins ingenomen was en wel

het minst met hare heiligen, had reeds herhaaldelijk zijn verlangen te

kennen gegeven, die duivelsche stad te verlaten en wat meer van Marokko

te zien dan nauwe smerige straten, witte muren en krankzinnige heiligen.

Het was des avonds op de kamer van Frank, toen ons drietal gezellig bij

elkaar zittende onder het rooken van eene sigaar en het genot van een

glaasje vurigen Spaanschen wijn, dat de luitenant zijn stellig voornemen

om over eenige dagen den tocht naar Fez aan te nemen, aan den kapitein

mededeelde en hem verzocht zijne hulp te verleenen in het zoeken van

flinke kameeldrijvers en een gids, op wien men kon vertrouwen.

--Gij weet, zeide de kapitein, dat gij steeds over mij kunt beschikken

en ik u niet zou laten vertrekken zonder verzekerd te zijn, dat gij een

gids en kameeldrijvers hadt, op welk gij volkomen kunt vertrouwen, want

ik weet hoe gevaarlijk uw tocht is. Het is dus tevergeefs geweest, dat

ik u gesmeekt heb af te zien van die gevaarvolle reis, die men slechts

als door een wonder kan volbrengen?

--Mijn besluit is onherroepelijk genomen, zeide de luitenant. Spreken

wij daarover dus liever niet meer; het zou toch tot niets leiden.

--Welnu, zeide de kapitein, daar gij het verlangt, zwijg ik er verder

over, en wij zullen ons dus bepalen tot het maken van toebereidselen

voor onze reis.

--Onze reis, sprak de luitenant vragend, onze reis?

--Wel ja, parbleu! wat wilt ge dat ik anders zeg, riep de kapitein uit,

onze reis, natuurlijk! Of dacht ge dat ik u alleen zou laten gaan,

alleen naar Fez; gij, hier met alles geheel onbekend. Gij hebt een

fraaien dunk van mij. Neen, wat men ook zeggen moge, nooit zal men

zeggen, dat kapitein Daumas zijne vrienden in den steek heeft gelaten,

en dat nog wel vrienden, aan welke hij het leven verschuldigd is. Wel

mijne vrienden! weet ge wel, dat ik alleen mede zou gaan om in de

gelegenheid te zijn mijne schuld aan u af te doen.

--Maar, kapitein! riep de luitenant uit, dat gaat niet. Gij kunt niet

met ons medegaan!

--Neen, zeide Dries, de luitenant heeft gelijk, omdat wij nu eenmaal

hebben besloten onze huid te wagen op eene reis naar Fez, is dat nog

geene reden voor u om hetzelfde te doen.

--Komaan, zei de kapitein, het wordt hoe langer hoe mooier. Ik val in

zee, ik, die niet goed genoeg kan zwemmen om mijzelven te redden.

Iemand, die mij in het geheel niet kent, die niet weet wie ik ben, stort

zich onversaagd in zee en hij redt mijn leven. Mijn redder en zijn

vriend, die hetzelfde voor mij zou hebben gedaan, als het noodig ware

geweest, gaan op reis.... tot zoover gaat alles goed; doch nu komt het

fraaie van de zaak. Op die reis namelijk, waar het kogels en sabelhouwen

zal regenen, wil men mij beletten mee te gaan, terwijl ik mogelijk eene

uitmuntende gelegenheid zal vinden om mijne schuld af te doen. Neen, ik

zeg op mijne beurt: dat gaat niet aan!

--Ba! zeide Dries, 't is wat, om even in zee te springen en een nat pak

te halen om iemand een handje te helpen.

--Dries heeft gelijk, sprak nu de luitenant, hetgeen hij voor u deed,

zouden wij voor elken in levensgevaar verkeerenden persoon hebben

gedaan, en wij kennen u reeds genoeg om hetzelfde van u te verwachten.

Het is daarom overbodig u noodeloos aan gevaar bloot te stellen.

Bovendien zijn wij beiden ongehuwd, sneuvelen wij op onzen tocht,

niemand zal aan ons veel verliezen, terwijl gij daarentegen kinderen

hebt.

--Luistert, vrienden! hernam de kapitein, ik zeg u eens voor al, dat ik

mede ga, daarvan zal niets mij afbrengen, bespaart dus uwe pogingen;

evenmin als ik zal trachten u van uw voornemen af te brengen, evenmin

verwacht ik dat van u, wat mij betreft, en daarmede basta! De zaak is

dus beklonken; hier hebt gij mijne hand, vrienden! beschouwt mij van nu

af als een wapenbroeder, als een boezemvriend!

En door de opgewonden, doch beslissende taal van den kapitein getroffen

en overtuigd van het vruchtelooze van verdere pogingen, drukten de

luitenant en Dries krachtig de hun toegestoken hand.

Toen vulde de kapitein de glazen, en het zijne opnemende zeide hij:--Ik

drink op onze vriendschap in de eerste plaats, en op het goed gelukken

onzer gewaagde onderneming in de tweede. En pardieu! ik drink ook op de

avonturen, die wij zullen hebben, want daaraan zal het ons niet

ontbreken.

Met geestdrift werd de toost beantwoord door den luitenant en Dries, die

werkelijk zeer verheugd waren over het besluit van den kapitein.

--Nu dit alzoo besloten is, zullen wij een oogenblikje praten over de

toebereidselen voor de reis, sprak de luitenant.

--Juist, zeide de kapitein, zich achterover op de rustbank werpende en

met welbehagen zijne sigaar rookend, laten wij eens rustig de zaak

bespreken.

--Ten eerste, begon de kapitein, is 't een vereischte dat we een gids

hebben, die de drie zeldzame eigenschappen in zich vereenigt van eerlijk

en trouw te zijn en goed met den weg bekend; kortom een man van

ervaring, aan wien wij ons leven veilig kunnen toevertrouwen.

--Ja, viel de luitenant hem in de rede, maar waar dien te vinden?

--Ik erken de moeilijkheid, vervolgde de kapitein, om een persoon te

vinden zooals wij dien wenschen, en toch vermeen ik daarin spoedig te

zullen slagen, zoo hij niet reeds is gevonden.

--Hoe! riep de luitenant, gij zoudt reeds zoo'n gids kennen?

--Misschien, sprak de kapitein lachend, doch laten we de huid niet

verkoopen vóór de beer geschoten is. De zaak is deze: Ik heb een

bediende, die mij zeer trouw is. Mohammed, zoo heet hij, is een

jonge Moor, dien ik uit de diepste armoede heb opgebeurd, zoodat hij

thans een bekwaam, aan mij verknocht bediende is. Gedachtig aan zijne

vroegere ellendige levenswijze, betoont hij mij steeds de oprechtste

toegenegenheid. Ik geloof dat de kerel zich voor mij in stukken zou

laten houwen. Toen ik uw stellig besluit vernam, was dadelijk mijn plan

gevormd om mee te gaan, en ik heb Mohammed toen eens gevraagd, of hij

ons ook een goeden gids kon bezorgen. Zich herinnerende dat een vriend

zijner kindsheid thans te Tanger moet wonen, is Mohammed er dadelijk op

uitgegaan om dien te zoeken en ziehier met welk bericht hij terugkwam.

--Selam, de vriend van Mohammed, was werkelijk door hem uitgevorscht.

Na de blijdschap van het wederzien had Mohammed zijnen vriend gevraagd,

wat hij voor den kost deed. Selam nu zag er vermagerd en behoeftig uit,

wat Mohammed dadelijk opmerkte. In 't kort verhaalde Selam nu, hoe hij

eene goede betrekking had gehad als geleider van de karavanen tusschen

Tanger en Fez. Maar eenige maanden geleden was hij doodziek van Fez

teruggekeerd en eerst kort geleden hersteld. In afwachting van weer

zijne vroegere betrekking te aanvaarden, verdiende hij een handvol

floe's daags met het dragen van pakken, het verrichten van boodschappen

enz. Toen Mohammed hem verhaalde, dat wij naar Fez wilden gaan en een

gids behoefden, viel de arme duivel bijna voor Mohammed op de knieën,

hem bezwerende toch zijn best te doen, dat wij hem in dienst zouden

nemen. Mohammed zegt voor hem in te staan als voor zichzelf, ik geloof

dus dat wij niet beter kunnen doen, dan dezen Selam bij ons te laten

komen.

Dit onverwachte geluk kon niet anders dan toejuiching vinden bij den

luitenant, en hij drong er op aan dat Mohammed zijn vriend terstond zou

gaan halen.

Zoo gezegd, zoo gedaan! Na verloop van een kwartier verscheen Selam.

't Was een fraaie jongeling, mager maar gespierd, vlug en sterk. Zijne

sprekende oogen keken vriendelijk, trouwhartig en eerbiedig op ons

drietal, van wien hij zijn geluk verwachtte. Hij sprak en gesticuleerde

vol leven en met groote drift, waardoor zelfs de minst gewichtige zaak,

door hem besproken, iets scheen te zijn waarvan leven en dood afhangen.

De kapitein vroeg hem naar den weg, dien hij zou aanraden te volgen.

Selam begon haastig te spreken. De weg langs Had-el-Garbia, en Tleta

de Reissana over Alkazar-el-Kibir enz.,--en Selam somde eene menigte

dier namen op, door het land der Beni-Hassen over Zeguta en Tagat--was

die, welken men gewoonlijk nam en dien Selam op zijn duimpje kende.

Hij achtte dezen weg de beste te zijn. Wel lag daar het land der

Beni-Hassen, hetgeen hem eenige zorg baarde, maar hij hoopte dat een

kleine karavaan, met omzichtigheid reizende, de aandacht dier roovers

zou ontgaan; en was dat niet het geval, dan vertrouwde hij, dat men

het niet zou durven wagen een karavaan, waarbij zich een kapitein van

het Fransche leger bevond, lastig te vallen. Daarom ried Selam aan de

uniform op reis te dragen, dat zou, waar men kwam, ontzag inboezemen en

dan, meende hij, zou het wel gaan. Ook ried hij luitenant Frank aan,

zich in uniform te steken of die ten minste, zoo hij de voorkeur gaf

aan eene gemakkelijkere kleeding, op reis mede te nemen om zich bij

voorkomende gelegenheden daarin te vertoonen.

Na eene korte beraadslaging werd er besloten Selam aan te nemen; diens

gunstig voorkomen en vooral zijne bekendheid met Mohammed waren van

grooten invloed op het besluit onzer vrienden.

Toen de kapitein aan Selam dit besluit mededeelde, kwamen den braven

jongen de vreugdetranen in de oogen:--Allah zal u zegenen, heer! zeide

hij, gij redt mij en mijne vrouw van diepe ellende. En de opgewonden

jongeling zwoer met een plechtigen eed hen trouw te zullen dienen.

Aan Selam werd nu de zorg opgedragen om twee kameelen met drijvers te

huren, alsmede een paar muilezels. Van nu af in dienst gesteld, ontving

Selam een geschenk in geld, om zich gereed te maken voor de reis en

om zijn gezin gedurende zijne afwezigheid van het noodige te kunnen

voorzien. Ook moest hij zich voortaan elken dag in het logement bij

Mohammed aanmelden, om te vernemen of men zijne diensten ook noodig had

en rapport te brengen van den stand der toebereidselen. Eindelijk ging

de verheugde Selam heen en verliet met zijn boezemvriend Mohammed het

hotel om in zijne woning feest te vieren over het onverwachte geluk.

Ons drietal, tevreden over de zoo spoedige en gelukkige beslissing van

een der voornaamste punten van hun programma, beschouwde dit als een

gunstig voorteeken, en met onderling goedvinden werd de afreis tegen den

20sten Mei vastgesteld.

--Dus zullen wij over zes dagen vertrekken? zeide de kapitein, toen

Selam en Mohammed hen hadden verlaten.

--Ja, zeide de luitenant verheugd, eindelijk zullen we dan dien veel

besproken tocht ondernemen.

--Ik zal voorloopig eens uitzien naar een vriend, die ons een paar goede

paarden bezorgt, zeide de kapitein, en ga mij voorzien van een

zakboekje, om een klein journaal aan te leggen.

--En ik, zeide de luitenant, ga mijn schetsboek opzoeken en mij voorzien

van het noodige om insecten en kruipende dieren te kunnen bewaren.

--Zoo, zeide de kapitein, gij teekent, gij zijt dus ook artiste?

--O neen! antwoordde Frank, zoo ver heb ik het nooit kunnen brengen;

maar ik houd er van om wat ik schoon vind uit te teekenen, al is het dan

ook vrij gebrekkig. Die schetsen zijn voor mij evenzoovele herinneringen

aan de plaatsen, waar ik ben geweest. Reeds heb ik dat in mijn geliefd

vaderland gedaan. Des winters bij den haard in het gezellig vertrekje in

den Haag genoot ik, wanneer ik mijn schetsboek doorbladerde, nogmaals en

wie weet voor de hoeveelste maal, hetzelfde genoegen, dat ik gesmaakt

had bij het aanschouwen dier schoone plekjes in de schilderachtige

omgeving mijner woonplaats.

--Ja, dat kan ik begrijpen, zeide de Franschman. Ook mij is het wèl,

wanneer ik het een of ander tafereel uit mijn vaderland zie, dat ik ken,

dat ik heb aanschouwd.

--Daar iedereen wat gaat verrichten, zal ik ook wel wat dienen te doen,

zeide Dries. Ik ga dus onze wapens eens onderhanden nemen, luitenant!

want, als ik mijnen ooren goed den kost heb gegeven, geloof ik, dat wij

ze noodig zullen hebben. Ik zal ze dan ook eens terdege nazien, want,

gij kunt het gelooven of niet, maar mijn huid is mij nog tamelijk veel

waard.

--Goed zoo! zeide de kapitein. Ja, ik zal Mohammed ook gelasten onze

wapens in orde te brengen. Gij kondt wel eens gelijk hebben, Dries! ik

geloof ook niet, dat wij overal even gerust en veilig zullen slapen als

hier. Maar morgen zullen wij verder beraadslagen, want ge zult zien, dat

gij het in de laatste dagen druk zult hebben; het voornaamste komt ons

gewoonlijk het laatst in de gedachte. En nu, rust wel waarde luitenant!

en droom niet te veel, over de Beni-Hassen en Fez. En na hen de hand te

hebben gedrukt, verwijderde zich de kapitein lachend.

V.

NAAR FEZ.--DE KAPITEIN VERHAALT ZIJNE GESCHIEDENIS.

Wat al drukte gaven die zes dagen vóór de afreis aan onze reizigers.

Ieder had het even volhandig. De kapitein haalde bij zijne hem bekende

landgenooten te Tanger de huizen bijna 't onderste boven om naar

boeken te zoeken; hij snuffelde in alle hoeken en doorbladerde alle

tijdschriften om te zien, of er niet het een en ander in stond, dat hem

van dienst kon zijn. Overal won hij berichten in, belegerde het huis van

den Franschen consul om zijne verslagen en rapporten te mogen inzien,

praatte met alle Mooren, liep honderden malen op één dag het logement in

en uit, en sloot zich uren lang op in zijne kamer om het een of ander

boek vliegend door te lezen of in zijn journaal bladen vol

aanteekeningen te schrijven.

Niet minder druk had Dries het. Hij onderwierp alle wapens aan een

streng onderzoek, beproefde nu eene revolver dan weder een geweer

of hield in zijne eenzaamheid een spiegelgevecht, bulderde tegen

denkbeeldige Arabische roovers en scherpte de sabels. Zijne tafel lag

den geheelen dag vol met allerlei fragmenten van uit elkaar genomen

wapens, schroefjes, oliefleschjes, lappen enz. De Moorsche bedienden,

die zijne kamer in orde brachten, keek hij met wantrouwende oogen aan,

als zij de tafel naderden en bedreigde hun met de zwaarste straffen, als

zij er aan durfden te komen.

Geheel verschillend van hen, hield de luitenant zich op zijne gewone

bedaarde manier bezig; hij maakte zijn teekengereedschap in orde, deed

zijne verschillende soorten van insectenspelden in doosjes en bracht

de doozen in orde om de diertjes er in vast te steken, pakte eenige

sterke flesschen met spiritus, om het kruipend gedierte in te bewaren,

voorzichtig in; kortom, hij hield zich bezig met de toebereidselen voor

zijne liefhebberijen en had bij dat alles nog tijd genoeg over voor

herhaalde beraadslagingen met Mohammed en Selam over de maatregelen voor

de reis.

Ook deze twee zaten evenmin stil. Zij toch, beter bekend met hetgeen

er noodig zou zijn, moesten zorgen voor goede lastdieren, drijvers, de

noodige mondbehoeften en alle verdere kleine, maar voor Europeanen

onontbeerlijke zaken.

Eindelijk was dan de dag van het vertrek aangebroken en verliet de

kleine, maar vroolijke stoet Tanger door de poort van den Soc-di-Barra,

begeleid door eene bende nieuwsgierige straatjongens, die rondom den

stoet heendraafden, dan voor, dan achter, allerlei kreten uitstootend,

en een troep nieuwsgierige leegloopers waarvan Tanger in ruime mate is

voorzien.

De optocht werd geopend door twee kameelen met hunne drijvers, beladen

met alles wat voor de reis noodig was; daarachter volgden Selam en

Mohammed op een paar fraaie sterke muilezels, terwijl onze drie vrienden

den trein sloten, gezeten op die kleine Marokkaansche paardjes, die er

zoo onooglijk uitzien, maar zoo uitmuntend zijn voor de diensten, die

van hen worden gevorderd. De heldere levendige oogen en de wijd geopende

neusgaten geven hun een fraaien kop, en de nauw merkbare kromming der

scheenbeenderen is oorzaak van die bijzondere elasticiteit, die hunne

bewegingen kenmerkt. Wat de reizigers zelven betrof, aller gelaat drukte

tevredenheid, zoo niet vreugde uit. De twee kameeldrijvers naast hunne

kameelen loopende, zongen die eentonige wijs, die hun allen eigen is en

waardoor hunne dieren zoo uitmuntend in een gelijkmatigen stap blijven.

Selam op zijn witten muilezel schertste vroolijk met Mohammed en op

beider aangezicht lag een glans van vergenoegen. Onze drie vrienden

eindelijk gaven zich met alle vreugde over aan dat bekoorlijke

geheimzinnige, eigen aan een tocht door een nagenoeg onbekend land; zij

praatten druk en lachten overluid over het vreemde, dat men zou zien,

over de genoegens der reis en bovenal over de aanstaande avonturen.

Selam, die aan de drijvers van te voren den weg, dien men moest gaan,

had aangegeven, kon gerust op zijne plaats blijven, doch hij liet

evenwel telkens zijne oogen over alles gaan.

Het was laat op den middag, nadat de grootste hitte voorbij was, toen

men zich op weg had begeven. Het eerste gedeelte der landstreek was

weinig belangwekkend; het pad liep over een heuvelachtig terrein, overal

begroeid en bezaaid met dwergachtige en doornachtige heesters en

steenblokken. Hier en daar was een kleine heuvel met een groepje palmen

of een enkele aloë bezet. Nu en dan ontmoette men een paar Arabieren of

Mooren en een weinig verder een troepje kameelen, die naar Tanger

gingen. Allen riepen het reisgezelschap den gewonen groet toe: »Vrede

zij op uwen weg!"

Zoo ging men voort. De zon begon onder te gaan en hulde alles in

goudgloed. Eene doodsche stilte lag over alles uitgespreid, die door

niets werd verstoord dan door het geschreeuw van den eenen of anderen

vogel, uit zijne schuilplaats opgejaagd, of door een nachtroofvogel,

die krijschend rondvloog. De nacht viel snel en eer men er op bedacht

was, was het bijna volkomen duister. Selam liet halt houden op de

helling van een lagen heuvel. De kameelen knielden neer, en geholpen

door Selam en Mohammed hadden de drijvers spoedig de twee tenten, die

men medevoerde, opgeslagen.

Het was een schoone nacht. De hemel prijkte met eene verblindende

sterrenpracht. De warmte van den dag had plaats gemaakt voor eene

aangename koelte. Het voorhang der tent was open, waardoor men het van

sterren schitterende firmament bespeurde. De kameelen lagen te slapen

en de paarden en ezels, op eene rij geschaard, stonden te droomen of te

dommelen of lagen rustig neer. In de kleine tent lagen de drijvers te

slapen en vóór de tent zaten Selam en Mohammed, de twee vrienden hunner

kindsheid, zoolang van elkaar gescheiden en daarom nu zooveel te meer

verheugd onverwacht weder vereenigd te zijn, in een druk gesprek, dat

slechts werd afgebroken als Selam nu en dan oprees, om het kleine kamp

rond te loopen of een wakend oog op de last- en rijdieren te houden.

Bekend met den diefachtigen aard der Arabieren, vertrouwde Selam slechts

zichzelf.

Het was toen, dat de kapitein zijne reeds lang gegeven belofte nakwam,

om aan zijne vrienden zijn wisselvalligen levensloop te verhalen. De

nacht was zoo heerlijk, dat geen van drieën lust had zich in de armen

van Morpheus te werpen, en met het open voorhang der tent, waardoor de

frissche lucht vrij binnenstroomde, onder het genot van eene fijne

sigaar en een glas Spaanschen wijn ving de kapitein aldus aan:

--Wanneer gij denkt, mijne vrienden, het verhaal te zullen hooren van

een schitterenden levensloop, van een leven doorgebracht in al de

vermaken en genietingen van de wereldstad, Parijs, dan vergist gij u,

want wat ik u zal verhalen, zijn niets anders dan de lotgevallen van een

armen drommel, dan de lotgevallen van een straatjongen, die kapitein

werd van de Spahi's.

Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen · 第 2 / 22 段