Dries sprong wel drie voet hoog en wierp van louter pret zij

Produced by The Online Distributed Proofreading Team at

https://www.pgdp.net

+----------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |

| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |

| moderniseren. |

| |

| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |

| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |

| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |

| |

| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |

| gecorrigeerd. Variaties in spelling en hoofdlettergebruik zijn |

| behouden: met/zonder afbreekstreepjes, gouverneur/Gouverneur, |

| kaïd/Kaïd, khalif/Khalif, sultan/Sultan. |

| |

| In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. |

| Uitgespatieerde tekst is weergegeven als ~uitgespatieerd~. |

| |

| Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de |

| aangebrachte correcties. |

| |

| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |

| e-boek op https://www.gutenberg.org |

| |

+----------------------------------------------------------------+

ONDER DE MOOREN.

[Illustratie: Toen Dries plotseling over de verschansing sprong.

Bladz. 7.]

AVONTUURLIJKE REIZEN

DOOR

ALLE WERELDDEELEN.

DOOR

J. HENDRIK VAN BALEN.

Met 12 Platen van Ch. Rochussen.

[Decoratieve illustratie]

Arnhem. Gebr. E. & M. COHEN. Nijmegen.

I.

EEN MAN OVER BOORD.

Het stoomschip, dat geregeld dienst doet tusschen Gibraltar en Tanger,

trof op zijn overtocht naar laatstgenoemde plaats, den 1n Mei 187*,

uitmuntend schoon weer. De zee was kalm en effen als een spiegel,

de wind gunstig,--kortom de korte reis was bijzonder aangenaam en

voorspoedig.

Zoo smal echter de Straat van Gibraltar is, zoo wijd is in ander opzicht

de klove, die de beide werelddeelen Europa en Afrika van elkaar scheidt.

Hier te Gibraltar, aan de uiterste punt van Spanje's zuidkust, draagt

alles nog het kenmerk der beschaving; doch binnen een paar uren stoomens

bevindt men zich op den noordelijksten uithoek van Afrika's kust, in

de Marokkaansche stad Tanger, in het hart van het barbarisme. Grooter

tegenstelling is niet denkbaar. Van het strand te Tanger kan men

Gibraltar zien; die twee werelddeelen, welke als het ware bestemd

schijnen te zijn om elkaar de broederhand te reiken, zijn nochtans

zoozeer van elkaar verwijderd gebleven, dat nog ten huidigen dage in

Marokko geen zweem van beschaving, geen sprankje van verdraagzaamheid

jegens Christenen, te vinden is.

De voorspoedige reis en het schoone weder hadden onmiskenbaar een

gunstigen invloed op de passagiers uitgeoefend. Allen bevonden zich op

het dek der stoomboot, de meesten in druk gesprek, enkelen turend naar

Europa's of Afrika's kusten. Allengs echter verdween Gibraltars trotsche

rots en kwam Afrika's kust helderder te voorschijn.

Twee jonge mannen, die zich in hun geheele voorkomen terstond deden

kennen als ware zonen van het noorden en die met hunne blonde haren en

blanke gelaatskleur in 't oogvallend afstaken bij de overige passagiers,

meest van zuidelijker afkomst, stonden achteloos tegen de verschansing

geleund en keken naar de opdagende kust, waar alles zich hoe langer hoe

duidelijker vertoonde.

Beiden waren, naar het scheen, van denzelfden leeftijd en verschilden

ook in kleeding weinig van elkander. Toch kon men den een wel aanzien,

dat hij van een hooger stand was dan de ander. Hij had eene slanke

gestalte en was eer schraal dan gezet te noemen; hij droeg een kort

afgesneden maar vollen bruinen baard en knevel en had een open, manlijk

gelaat. De schrandere blauwe oogen zagen van onder zijne wenkbrauwen

onderzoekend om zich heen; overigens droeg zijn gelaat den stempel van

vastberadenheid en wilskracht.

Zijn metgezel, ongeveer een hoofd kleiner dan hij, zag er forsch uit.

Zonder gezet te zijn was hij niet half zoo mager als zijn makker.

De breede schouders, de korte nek en de gespierde armen deden groote

lichaamskracht vermoeden. Hij was zeer blond van haar en baard, welken

laatste hij droeg à la Napoléon. In tegenstelling met zijn metgezel zag

hij er niet zoo kalm en bedaard uit, en zulks deed zich ook vermoeden

uit zijne driftige gebaren bij het gesprek. In zijn toon van spreken

tegen den rijzigen jonkman was eene beleefde vrijmoedigheid op te

merken, hoewel er duidelijk uit bleek, dat hij de mindere in

maatschappelijke positie was.

--Zoo is dit dan Afrika, wat we hier voor ons zien! vroeg hij; en is dit

nu het Moorenland, luitenant?

--Ja, Dries! dat is Marokko, antwoordde de ander; bevalt het je, dat we

eindelijk aan het doel onzer reis zijn?

--Zeker! gaf Dries ten antwoord. Zie, luitenant, ik vond het wel

aangenaam dat reizen door België, Frankrijk en Spanje, maar men vindt

daar overal toch nog iets, dat ons niet zoo geheel vreemd is. Men is

daar nog altijd in de beschaafde wereld en, om u de waarheid te zeggen,

watertand ik naar de onbeschaafde landstreken die we hier voor ons

hebben.

De andere glimlachte.--Gij hebt gelijk, Dries! zeide hij. Ook ik verlang

er naar dit geheimzinnige en barbaarsche werelddeel te betreden. Zooals

ik gelezen heb, moet de tegenstelling te groot zijn, om die niet

verbazend te vinden--en dat bij zoo korten afstand!

--Ja, wel verbazend, mompelde Dries. Maar zie eens, luitenant; wat zijn

die witte dingen daar voor ons uit; men zou zeggen dat het huizen zijn.

--Dat zijn het ook, het zijn de huizen van Tanger. De Moorsche woningen

zijn allen blinkend wit en vierkant van vorm.

--Komaan, zei Dries, dat lijkt mij! Het ziet er daar helder uit, en

als alles zoo proper is, zal het mij genoegen doen; want de Spaansche

onzindelijkheid ligt mij nog versch in het geheugen. Wat een vuile

rommel in die straten, in die logementen; en dan die slaapplaatsen en

bedden, brr! ik gril er van als ik er om denk, wat tal van slapelooze

nachten wij, in onze reisdekens gewikkeld, op den vloer liggende hebben

doorgebracht.

--Verblijd je maar niet met een doode musch, antwoordde de ander. Ik

geloof, dat het in Marokko niet veel beter zal zijn dan in Spanje.

Een van beide; de Spanjaarden hebben dat gebrek aan zindelijkheid

overgenomen van de Mooren, of deze laatsten van de Spanjaarden.

--Maar wat duivel! die huizen hebben geen ramen of vensters, riep Dries

eensklaps uit.

--Dat is ook zoo, antwoordde de luitenant. De Moorsche huizen hebben

geen vensters aan de buitenzijde. Slechts eene kleine lage deur is al

wat men er aan ziet.

--Een fraaie bouwstijl, zeide Dries, het gelijken wel reusachtige

blokken krijt. Ha, daar komen de Mooren al aan! Kijk, luitenant, daar op

het strand, een geheele bende; bà, wat leelijke kerels!

Inderdaad verscheen op het strand een troep havelooze kerels, die half

naakt waren. Daar waren donker bruine Arabieren met zwarte baarden,

taankleurige Mooren, en negers in de verschillende tinten van bruin tot

gitzwart. De geheele troep stond op het strand de aankomst der boot af

te wachten om als gids of pakkendrager een kleinigheid te verdienen.

Juist wilde Dries weder eenige opmerkingen maken, toen opeens een

angstkreet weerklonk gevolgd door een plomp in het water, en eensklaps

klonk uit wel twintig kelen tegelijk de kreet van: »een man over boord!"

Onze beide jongelui sprongen verschrikt op en keken naar den kant waar

alle passagiers over de verschansing naar het watervlak staarden, en

daar, reeds een heel eind achter de boot, zag men een man met de golven

worstelen. Van alle kanten klonken verschillende kreten om hulp; reeds

was de boot te water gelaten en wierpen eenige matrozen zich er in, toen

Dries haastig jas en hoed op den grond smijtend zich door de verschrikte

menigte op het dek, met zijne krachtige armen ruim baan maakte en over

de verschansing sprong.

Zijn metgezel, die eveneens eene beweging had gemaakt om te hulp te

snellen, bleef thans staan en sloeg met de meeste kalmte den zwemmer

gade, die met fiksche slagen de golven kliefde.

Intusschen was de drenkeling, een kapitein van het Fransche leger in

Algiers, door de vaart die de boot had, ofschoon men dadelijk stopte,

een heel eind achtergeraakt. Blijkbaar was hij geen geoefend zwemmer,

zoodat hij groote moeite had zich boven water te houden. Toen de

passagiers en de bemanning der boot van den schrik waren bekomen,

klonken verschillende aanmoedigende kreten den onverschrokken zwemmer

na. Deze weerde zich dapper en deed vermoeden, dat hij heden niet zijne

eerste proeve in de zwemkunst toonde. Regelmatig zwom hij voort zonder

noodelooze overspanning en vorderde zoo snel, dat hij reeds na weinige

minuten den Franschman was genaderd.

Een daverend gejuich weerklonk van de boot, en de bemanning der sloep

repte zich om spoedig den drenkeling en zijn redder te bereiken, die

binnen weinige oogenblikken behouden werden aan boord gebracht.

Redder en geredde werden bij hunne komst aan boord om het zeerst met

gelukwenschingen overladen, en terwijl de laatste zich naar beneden

spoedde om droge kleederen aan te trekken, liep Dries naar den

luitenant, zich lachende aan de vele handdrukken en loftuitingen der

omstanders onttrekkende.

--Goed zoo, Dries! zeide de luitenant, hem de hand drukkend, goed

gedaan!

--Och, antwoordde Dries, 't had niet veel te beteekenen; met een kalme

zee heeft zoo'n karweitje niet veel te beduiden. En bovendien, ik zag

dat u van plan was om in zee te springen en zoolang ik er nog ben,

behoeft u geen nat pak te halen.

--Ge zijt een rare snaak, antwoordde de luitenant, maar ga je nu

verkleeden; want straks moeten wij van boord en ge zoudt niet met een

nat pak aan wal kunnen gaan.

Juist toen Dries weder op het dek verscheen, kwam ook de Franschman

weer te voorschijn. Hij trad snel naar zijn redder toe en overlaadde

dien nogmaals met een stroom van dankbetuigingen, die door onzen held

met eene afwijzende beweging glimlachend werden beantwoord. Beiden

traden nu op den luitenant toe die hun halverwege tegemoet kwam, en na

de gebruikelijke voorstelling was ons drietal weldra in druk gesprek

gewikkeld.

--Gij gaat naar Marokko? vroeg de Franschman.

--Ja, mijnheer, antwoordde de luitenant. Ik voldoe daarmee aan een lang

gekoesterd verlangen. Dat land te zien was steeds een mijner vurigste

wenschen en thans ben ik, dank zij de erfenis mij door mijne tante

nagelaten, in staat aan dat verlangen te voldoen.

--Hebt gij reeds een bepaald doel voor uwe reis vastgesteld? vroeg de

kapitein.

--Ja, dat heb ik zeker, antwoordde de luitenant. Ik hoop, zoo er maar

eenige mogelijkheid toe bestaat, Fez te bezoeken.

--Fez, riep de Franschman uit met de hoogste verbazing. Wilt gij Fez

bezoeken? Maar, mijnheer, weet gij wat Fez, wat die hoofdstad van

Marokko is? Welnu, ik zal het u zeggen: Fez is de stad der

verschrikking!

--Komaan, zeide de luitenant dat zal wel erg overdreven zijn.

--Overdreven, hernam de Franschman. Ik zie wel, mijnheer! dat gij

Marokko noch Fez kent. Een officier van ons Regiment is er geweest, en

ofschoon de dappere kerel er heelhuids van is teruggekeerd, was hij toch

op weg om krankzinnig te worden. De verhalen, die hij ons deed van Fez,

deden ons denken aan Dahome[1]. Alles is daar even afschuwelijk. Geloof

mij, het is een onmogelijk plan!

[1] Het rijk Dahome, aan de Slavenkust (West-Afrika), ligt aan de Golf

van Benin. Het is bekend wegens de barbaarsche menschenoffers en

door zijn leger van vrouwelijke soldaten (Amazonen).

--Ba! antwoordde de luitenant, alles is mogelijk. Met een flink paard

onder zich, eene goede buks in de hand en goeden moed komt men ver.

--Maar ik zeg u, dat uw plan onmogelijk is te volbrengen, hernam de

Franschman. En hoe zoudt gij die reis willen doen en wat is wel uw doel?

Ik kan toch niet gelooven, dat louter nieuwsgierigheid uw drijfveer zou

zijn.

--Op uw eerste vraag kan ik antwoorden, dat wij met behulp van een

goeden gids en een paar kameelen met de drijvers den tocht hopen te

ondernemen.

--Wat! riep de Franschman uit, gij meent met uw beiden naar Fez te

kunnen reizen?

--Welja, waarom niet? vroeg de luitenant.

--Waarom niet? zeide de Franschman, omdat de afstand tusschen Tanger

en Fez zoo groot is, dat gij, met den meesten spoed reizende en

zonder buitengewone bezwaren op den weg te ontmoeten, dien niet binnen

minder dan een maand kunt afleggen. Op dien weg bedreigen u bij elken

voetstap gevaren in den vorm van roofzieke en moordlustige Arabieren

en waanzinnige heiligen. Bovendien loopt dien weg door het land der

Beni-Hassen, dat wil zeggen door het land van het bloeddorstigste en

roofgierigste gespuis van geheel Afrika, ware duivels, die niemand door

hun land laten trekken.

--Welnu, zeide de luitenant, de wenkbrauwen een weinig fronsende, ik heb

mij voorgenomen naar Fez te gaan en hoop dat ondanks al uwe bezwaren te

doen. Marokko te bezoeken en Fez niet te zien, zou hetzelfde zijn als

naar Frankrijk te gaan zonder Parijs te bezoeken. Neen, dat gaat niet

aan. Wat zeg jij er van, Dries?

--Wel, luitenant! antwoordde Dries, ik vind, dat wij het maar moesten

wagen; die niets waagt, wint niets. Waar u heen wil ga ik mee, dit is

zoo klaar als dat twee maal twee vier is. En bovendien, al heeten die

kerels Beni-Hassen, ze kunnen toch geen twee flinke Hollandsche borsten

als wij zijn zoo maar voetstoots van kant maken, zou ik zeggen.

--Gij ziet, zeide de luitenant, dat mijn brave metgezel het volkomen met

mij eens is. Laten wij er dus niet meer over spreken, ik wil Fez zien en

hoop door dat reisje veel kennis op te doen van land en volk, van het

klimaat en de natuurvoortbrengselen van Marokko, dat is mijn doel, en

hiermede is uwe tweede vraag beantwoord. Ik ben een groot minnaar van de

wetenschap en hoop mijne kennis op die manier eens flink te verrijken.

--O! sprak de Franschman met geestdrift, gij beoefent de wetenschap;

ook ik heb die lief. Gedurende een zesjarig verblijf in Algiers was ik

in de gelegenheid voornamelijk de Arabische bevolking te bestudeeren,

en ik verzeker u, dat het een interessant volkje is, schoon men, als men

dieper tracht door te dringen in hun karakter en zeden, veel opmerkt,

dat hemelsbreed verschilt met hetgeen zoovele schrijvers omtrent hen

hebben medegedeeld.

--Maar ik dwaal af van hetgeen ik u wilde verhalen. Ik heb mij hierheen

begeven ten einde meer eenheid en volledigheid te brengen in de

verzameling penneschetsen, die ik zoo langzamerhand omtrent dit

merkwaardige volk heb bijeengebracht.

--En nu, waarde heer, zoo besloot hij, het is voor mij een groot geluk,

een waar genoegen, met u en uw metgezel, mijn redder, te hebben kennis

gemaakt, en ik hoop dat gij aan uw stout reisplan niet al te spoedig

uitvoering zult geven, daar ik dan nog eenigen tijd uw aangenaam

gezelschap zal kunnen genieten. Gij ziet, waarde heeren! er is ook hier

alweer eigenbelang in het spel. Intusschen daar wij zijn aangekomen en

ik geloof dat ge even verlangend zult zijn om voet aan wal te zetten

als ik, zullen we dienen afscheid te nemen. Wanneer ik u echter,

in afwachting van de gelegenheid om mijne schuld aan u af te doen,

eenigszins aan mij mocht verplichten door u tot gids te strekken om een

goed onderkomen te Tanger te vinden, zal ik mij zeer gelukkig achten.

Ik ben reeds eenmaal hier geweest en bijgevolg geen vreemdeling meer in

Tanger.

Volgaarne werd dit aanbod aangenomen, en nadat de kapitein aan zijn

Arabischen bediende had last gegeven zorg te dragen voor zijne bagage

en die der Hollanders, wenkte hij den roeier van een der schuitjes, die

thans in menigte het schip omringden, en ons drietal stapte weldra aan

land.

Men volgde eene Moorsche straat, niet breeder dan een paar meter; links

en rechts waren hooge vuil-witte muren zonder een enkel venster. Op

sommige plaatsen waren die straten, of liever steegjes, overdekt. Overal

waren de straten even nauw, vuil-wit en somber; het was een ware doolhof

van gangen en stegen, somwijlen afgebroken door eene poort in Moorschen

stijl gebouwd.

Onze reizigers keken verwonderd rond, en die eerste indruk was verre van

aangenaam. De straten waren vuil; overal lagen doode honden of katten,

slechts hier en daar kwam men eenige menschen tegen, die er even vuil

en somber uitzagen als hunne omgeving. Zij droegen allen een lang wit

gewaad; een groote witte kap bedekte het hoofd en liet niets zichtbaar

dan het bruine gelaat met de sombere uitdrukking. Eene enkele maal

flikkerde onder den kap een paar vurige oogen onzen reizigers tegen,

maar de meesten deden alsof zij de vreemdelingen niet opmerkten. Statig

en stil bewogen die menschen zich voort, of zaten ineengehurkt hier en

daar tegen de witte muren aangedrukt.

Dries was de eerste, die aan zijne verwondering lucht gaf.

--Is dat Tanger, is dat eene stad, zijn dat Arabieren, riep hij uit.

Mijn God! luitenant, ik geloof dat we in eene monnikenstad zijn verzeild

geraakt. Die huizen zijn kloosters, en die menschen gelijken allen op

monniken. Hè, wat een akelige kerels! Ze zien er net uit alsof zij naar

eene begrafenis moeten. Men wordt hier huiverig.

--Ja waarlijk, antwoordde de luitenant, 't is hier akelig somber. De

eerste indruk van Tanger op mij is niet aangenaam.

--O, zeide de Franschman, daaraan wordt men weldra gewoon. De Arabieren

zijn niet levendig van aard. Die verschillende personen gaan allen

daarheen alsof zij bevreesd zijn gerucht te maken. Geen mensch ziet ons,

en toch zijn we vreemdelingen en nog wel Christenen. Verplaats u eens in

gedachte in eene stad van de beschaafde landen; daar zou men dadelijk

van alle kanten worden aangegaapt, nageloopen en uitgelachen, als

kleeding en voorkomen zoozeer verschilden met die der bewoners. Maar

schoon zij hier niets laten blijken, moet ge daarom niet denken dat ze

ons niet zien! Neen, als hunne oogen dolken waren, zouden we reeds lang

zijn gedood. En geloof vrij, dat elke Arabier, dien wij tegenkomen, in

stilte de hartelijkste verwenschingen tegen ons uitbraakt.

Op dit oogenblik ging hen eene vrouw voorbij. Zij was gesluierd, maar

aan haar vluggen tred kon men gemakkelijk zien dat zij nog jong was,

misschien ook wel schoon. Toen zij voorbijging, knikte Dries haar

lachend toe. Zij trok den sluier zoo mogelijk nog dichter om haar gelaat

en mompelde eenige woorden, terwijl zij toornig de vuist tegen ons

drietal schudde.

--Wat zegt zij? vroeg de luitenant aan den kapitein.

--O! antwoordde deze, zij roept u het welkom in Tanger toe, dat is hier

zoo het gebruik.

--Eene mooie verwelkoming, die met eene vuistbedreiging vergezeld gaat,

riep Dries uit.

Beide mannen lachten.

--Welnu, wilt ge dan weten wat zij zegt? hernam de kapitein. »Vervloekte

Christenen, onheil over u!"

Onze beide reizigers begonnen hartelijk te lachen.

--Komaan, zei Dries, dat is kort maar krachtig, en naar ik vertrouw ook

hartelijk gemeend.

--Mijneheeren! wij zijn waar wij wezen moeten, zeide de Franschman

thans. Ziehier uw logement. Volg mij maar, ik zal u introduceeren.

En onze vrienden verdwenen in het lage gebouw.

II.

LUITENANT FRANK EN ZIJN OPPASSER.

Voor ik verder ga met mijn verhaal, dien ik mijne lezers wel eerst een

weinig op de hoogte te stellen van de hoofdpersonen, die wij in het

vorige hoofdstuk ten tooneele hebben zien verschijnen.

Frank de Leeuw, de tweede zoon uit het huisgezin van eene met vele

kinderen gezegende Rotterdamsche familie, had reeds vroeg de wijde

wereld in moeten gaan, ten einde zich een fatsoenlijke positie in de

maatschappij te verwerven, die vader niet bij machte was hem te geven,

zooals hij gaarne had gewild. _Kampen_ was, als bij zoovele fatsoenlijke

maar niet met ruime middelen gezegende familiën, naar 's vaders oordeel

de beste plaats voor Frank, om zonder veel kosten een flink burger te

worden. Onze held vertrok dus naar het Instructie-bataljon. Begrijpende

dat hij vooruit _moest_, werkte Frank, hoewel zijn vak hem alles behalve

naar den zin was, met vlijt en volharding, en door zijne wilskracht

maakte hij zoo snelle vorderingen, dat hij reeds op drieëntwintigjarigen

leeftijd, na ongeveer zes jaren te hebben gediend, tot tweeden luitenant

werd bevorderd en Kampen verliet. Twee jaren daarna was hij reeds eerste

luitenant bij het Regiment Grenadiers en Jagers, te 's Gravenhage in

garnizoen.

Maar, zooals het gewoonlijk gaat met hen, die geen werkkring naar hun

zin hebben, zoo ging het ook met Frank. Hij dweepte in het geheel niet

met het militaire leven en was daarentegen een hartstochtelijk minnaar

van wetenschappelijk onderzoek. Zijne voorliefde voor de kennis van

vreemde landen en volken, alsmede van de natuurlijke historie, was

het die hem steeds bezig hield op zijn kamer, terwijl zijne kameraden

hun tijd zoek maakten in het koffiehuis of dergelijke plaatsen. Op de

kaarten volgde hij trouw den weg der koene reizigers en benijdde hun

vaak het genot hun leven aan de wetenschap te kunnen wijden en door

eigen oogen te aanschouwen wat hij slechts uit de boeken kon vernemen.

Hij kon zelfs den zeeman, die onbezorgd overal heengaat, zijne vrijheid

misgunnen, hoewel diens leven waarlijk niet benijdenswaardig is, en

menigmalen kwam de wensch in hem op verweg heen te trekken naar die

weinig beschaafde volken, die toch nog zoo vaak van zich doen spreken,

al is het dan ook door hunne barbaarschheid.

Onverwacht zag Frank zich tot zijne onuitsprekelijke blijdschap in

staat gesteld aan zijn zoolang gekoesterden wensch te voldoen. Eene

rijke tante, wier oogappel de jonge officier altijd was geweest,

overleed plotseling en maakte haar neef tot eenig erfgenaam van haar

niet onbelangrijk vermogen. Toen was het besluit van onzen luitenant ook

dadelijk genomen. Hij vroeg en verkreeg, hoewel men ongaarne den flinken

officier zijn korps zag verlaten, zijn eervol ontslag. Gedachtig aan de

moeite, die zijne ouders hadden om in een fatsoenlijken stand te kunnen

leven, ondanks hun onvermoeide inspanning, verzekerde hij zijnen vader

een vast jaarlijksch inkomen uit de helft van zijne renten, daar hij aan

het overige bij zijne eenvoudige levenswijs genoeg had, en besloot naar

Marokko te gaan, een land, dat in vroeger eeuwen wegens de beschaving

zijner bewoners zoo hoog stond aangeschreven en thans zoo diep vervallen

is van zijne vroegere grootheid.

Toen Frank's oppasser vernam, dat zijn heer op zijn verzoek ontslag uit

den dienst had bekomen, zette hij een verwonderd gezicht, en zijne

verbazing nam nog toe, toen deze hem zijn voornemen mededeelde om

Marokko te bezoeken.

Het eerste woord dat hij, na van zijn verbazing bekomen te zijn, sprak,

was het op spijtigen toon geuite: »Wel verduiveld!"

--Waarom zegt ge dat? vroeg Frank.

--Wanneer denkt u te vertrekken, luitenant?

--Wanneer? gaf deze ten antwoord; laat eens zien, we hebben nu 20

Januari, wel, ik denk ongeveer in het laatst van Februari of het begin

van Maart. Maar waarom vraagt ge dit, Dries?

Nog antwoordde Dries niet.

--Kunt ge niet eerst over een jaar vertrekken, luitenant? vroeg hij

eindelijk.

--Maar nog eens, Dries, met welk doel doet ge mij toch al die vragen?

--Waarom, luitenant, wel omdat ik ongeveer over een jaar mijn paspoort

krijg.

--Nu, wat zou dat dan? vroeg Frank.

--Dat zou zooveel, luitenant, dat ik dan met u kon meegaan, antwoordde

Dries.

Frank was aangenaam verrast.

--Meent ge dat waarlijk, Dries? vroeg hij. Zoudt ge waarlijk met mij

meewillen?

--Natuurlijk, antwoordde Dries; wat ik zeg meen ik altijd, luitenant!

--Maar weet je wel, hernam Frank, dat zoo'n reis niet zonder gevaar is.

Het is geen reisje door ons land of naar Parijs. Weet je wel, dat men

kans heeft er niet heelhuids af te komen, ja er het leven bij in te

schieten.

--Ba! antwoordde Dries; men kan overal sterven. Wat dat betreft,

luitenant, maak u over mij niet ongerust. Juist daarom zou ik met u mee

willen. Ge zoudt dan ten minste niet alleen zijn onder dat gespuis, en

twee kunnen en weten altijd meer dan één. 't Is maar dat jaar, ziet u,

dat jaar dat ik nog dienen moet.

En de brave borst krabde zich in verlegenheid het hoofd.

--Welnu! zeide Frank opeens, als je mee wilt, neem ik het volgaarne aan.

Bekommer je niet over dat jaar, ik zal een plaatsvervanger voor je

stellen.

Dries sprong wel drie voet hoog en wierp van louter pret zijne

politiemuts tegen het plafond. Hij schudde de hem toegestoken hand en

werd vuurrood van vreugde.

Men stond den luitenant bereidwillig zijn verzoek toe, en op denzelfden

dag dat hij zijn eervol ontslag kreeg, ontving ook Dries zijn paspoort.

Als er iets was, dat luitenant Frank genoegen had kunnen doen, dan

was het die toewijding. Dries toch was geen gewoon oppasser. Hij was

voor Frank geen vreemde. Hun vriendschap dagteekende reeds van hunne

kindsheid. Dries was de eenige zoon van behoeftige ouders; zijn vader en

moeder hadden steeds een kommervol lot gehad en de moeder van Dries was

de min geweest van Frank; want toen dokter de Leeuw's echtgenoote te

zwak bleek om haar geliefd kind te kunnen zoogen, had de dokter spoedig

omgezien naar eene gezonde min en die gevonden in de moeder van Dries,

die hij juist eenige weken te voren onder zijne patiënten had gekregen.

Van zijne kindsheid af had Frank zich aan zijne min als aan eene tweede

moeder gehecht; de knapen waren te zamen opgegroeid en hadden eene

hartelijke vriendschap voor elkaar opgevat.

Toen Frank luitenant werd in de Hofstad, was Dries als milicien bij het

Regiment ingedeeld, en reeds den tweeden dag na zijne indiensttreding

zocht hij zijn vroegeren speelmakker op, verkreeg, bij het naar huis

gaan van de miliciens der vorige lichting, de plaats van oppasser bij

Frank, en liet zich spoedig daarna als vrijwilliger bij het leger

aannemen.

Ofschoon in maatschappelijke positie verre van elkaar verwijderd, bleef

de vriendschap van de beide jonge mannen even hartelijk en begrepen ze

te goed hunne verhouding tegenover elkaar om daar niet naar te handelen.

Hoewel dus voor iederen oningewijde hun ongedwongen omgang verborgen

bleef, behandelde Frank zijnen speelmakker bijna als zijns gelijke en

vormde van hem een voor zijn stand flink ontwikkeld persoon. Zijne

vreugde over het besluit van Dries laat zich dus gemakkelijk verklaren.

Een vriend vol toewijding als deze, een makker als Dries, was niet te

verwerpen bij een verblijf in een onbeschaafd land, waar ieder, die den

naam van Christen draagt, als een indringer en vijand wordt beschouwd.

Zooals Frank had gezegd, vertrok men op een der laatste dagen van de

maand Februari 187*, den weg nemende over België, Frankrijk en Spanje,

naar Gibraltar, de grijze vesting, de rots-sterkte der Engelschen, die

de sleutel tot de Middellandsche Zee is, alwaar men den 24en April

aankwam.

Op die korte reis, vol afwisselingen, had Frank het gezelschap van

zijn bediende en vriend recht leeren waardeeren. Steeds het eerst aan

het werk en het laatst ter ruste, was zijn geheel streven om zijnen

luitenant, dien hij nog steeds ouder gewoonte zoo bleef noemen, voor

elke onaangenaamheid te bewaren en hem zoo min mogelijk tot last te

zijn, iets wat de brave borst zich menigmaal verbeeldde. Zijne zorg

strekte zich zelfs zoover uit, dat meermalen gedurende de reis door

Spanje, als men in de eene of andere verdachte streek moest overnachten

in bouwvallige smerige herbergen, Frank, als hij des nachts toevallig

ontwaakte, zijn getrouwen Dries, met zijn matras, in plaats van op zijne

legerstede, voor de deur van het vertrek vond liggen, met revolver

en sabel naast zich. Want Dries stelde in de Spanjaarden geheel geen

vertrouwen. Met elken postiljon en elken herbergier, die niet beleefd

genoeg was, had hij twist en gaf steeds als zijne meening te kennen, dat

in Spanje geen enkel fatsoenlijk, eerlijk gezicht te vinden was, maar

enkel galgentronies te zien waren.

Na een verblijf van eene week te Gibraltar verliet men dat uiterste punt

van Europa, om binnen eenige uren den voet op Afrika's bodem te zetten.

III.

TANGER, DE MOORSCHE STAD.--DE ZEGEN VAN DEN HEILIGE.

Het was nog vroeg op den dag (den eersten dag na hunne aankomst), dat

kapitein Daumas onze vrienden kwam uitnoodigen Tanger te gaan bezien.

Dit aanbod werd met vreugde aangenomen en ons drietal doorkruiste weldra

de tallooze straten, die een waar doolhof vormen en waarin het, zonder

den kapitein, onzen vrienden onmogelijk zou geweest zijn den weg te

vinden.

De stad zag er heden bij eene vroolijken zonneschijn niet zoo somber

uit als gisteren, doch met dat al was het er nog doodsch genoeg om het

groote verschil op te merken, dat er tusschen Europeesche en Moorsche

steden bestaat. Na tal van smalle smerige straten te zijn doorgegaan,

hier links-, daar rechtsom slaande, nu een eind bijna in volslagen

duisternis door een overdekte straat gaande, dan weder in het volle

licht, dat verblindend weerkaatste op de witte muren, kwam men eindelijk

op een plein.

Hier was meer leven en beweging dan ergens elders. Het was een

rechthoekig pleintje, omgeven van talrijke kleine winkels, tusschen

welke hier en daar eenige grootere gebouwen, die zich te midden daarvan

als paleizen vertoonden. Het waren de gebouwen van de vertegenwoordigers

der verschillende vreemde naties. De kleine Moorsche bazaars leverden

vooral een vreemd gezicht op. Verbeeld u een soort van alkoof, waarvan

de ingang verminderd is tot eene kleine opening, als 't ware een venster

zonder ruiten; daarbinnen zit de koopman, meestal een Moor met langen

baard. Vóór, achter en terzijde van hem bevinden zich zijne koopwaren

opgestapeld of op rekken geplaatst. Doodstil, onbeweeglijk zittende,

brengt hij zijn dag door, onophoudelijk een soort van rozenkrans

tusschen de vingers latende doorglijden en gebeden prevelende. Hier en

daar stond een kooper met de armen op het muurkozijn geleund, en het

hoofd door de opening gestoken.

Wat de bevolking betreft, zag men hier allerlei natiën bijeen. Hier

den Europeaan in zijne sombere kleeding, daar den Jood of Moor,

prachtig uitgedost in veelkleurige kleeding; Arabische sjouwerlieden en

bedelaars, negers en mulatten; den Koerier van den Sultan en den Beduïn

met zijn kameel, kortom, het was hier meer dan der moeite waard eens

rond te zien. Om de fontein, die aan de eene zijde van dit plein stond,

was het onophoudelijk een dringen, stooten en vloeken van allerlei

waterdragers, die met lederen zakken en kruiken zich hier van water

kwamen voorzien. Op een ander gedeelte van het plein zat een tiental

gesluierde vrouwen, die brood verkochten.

--Welnu! zeide kapitein Daumas, wat zegt ge van Tanger?

--Ik moet bekennen, zeide de luitenant, dat alles mij ten hoogste

verbaast.

--Nietwaar, hernam de kapitein, dat wist ik wel. Ja, 't is eene vreemde

omgeving en eene zonderlinge bevolking. En welk eene schilderachtige

afwisseling in alles. Vergelijk onze steden daarbij, en ge zult zien

wat zij er bij verliezen. Ziet bijvoorbeeld daar die Arabieren. Ziet ge

ooit zulke figuren in ons beschaafd Europa? Ik wil niet eens spreken

van de schilderachtige en toch eenvoudige kleederdracht! Die lange,

witte mantels, hoe verschillend die ook omgehangen mogen worden, open

of gesloten, los of vastgesnoerd, altijd hangen zij in even pittoreske

plooien neder. De over het hoofd getrokken kap doet u raden naar den

leeftijd; want denk niet dat ge het uit de gelaatstrekken kunt opmaken;

ge zoudt u deerlijk vergissen. Uit de witte kap komt niets anders te

voorschijn dan het stroeve hout- of bronskleurig gelaat met de vlammende

oogen. En het lange gewaad laat niets zien dan de bloote voeten en

handen. Maar beschouw die houding, hoe fier, hoe vol majesteit en hoe

ongedwongen. De voetstap is vast en veerkrachtig, maar niet dansend.

Kortom, de geheele houding teekent den vrijen mensch, vrij naar de

natuur en naar de wet.

--Ja, ge hebt gelijk, antwoordde de luitenant, nooit zag ik iets dat

hiermede te vergelijken is.

--Hoe verschillend, vervolgde de kapitein, is nu de Arabier van de

Moor. Zie daar ginds de groep van Mooren, rijke leegloopers, die daar

een praatje met elkaar houden. Welk een pracht spreidt dat volk ten

toon. Zie dien grooten mousselinen tulband; dien kaftan, kersen- of

rozenkleurig, lang, tot bijna op de voeten hangend en bovenal dien kaïk,

die lange strook van witte zijde met doorschijnende strepen, die, rondom

den tulband geslingerd, los en zwierig in talrijke kronkelingen langs

den rug tot de voeten daalt. Welk eene oogverblindende pracht bij dit

volk. En ook onder hen ziet men van die flinke schoone gestalten. Zie

bijvoorbeeld dien jongen Moor daar, die hierheen komt. Wat rijzige

gevulde fraaie vorm, welke prachtige oogen! Hij zou opgang maken onder

de schoone vrouwen van Parijs.

--Inderdaad, zei de luitenant, 't is een knappe jongen, en als de

vrouwen ook zoo zijn, zou men waarlijk in verzoeking komen er hier een

te zoeken.

--O! wat dat betreft, zeide de kapitein, wees gerust; vrouwen zult ge

niet met ontbloot aangezicht zien, of het moesten Jodinnen zijn.

--Maar zijn zij inderdaad zoo gestreng om ons niet een blik op haar

schoon gelaat te gunnen? vroeg de luitenant.

--O! waarde vriend, zeide de kapitein, eer zoudt ge een muzelman kunnen

bewegen u in zijne moskee te laten binnentreden, dan eene Arabische of

Moorsche schoone ook maar een tipje van haar sluier op te lichten. Maar

ziedaar, gij zult het zien, daar komt eene schoone, let goed op wat zij

doen zal.

Werkelijk kwam onze vrienden eene oude Moorsche vrouw te gemoet, die

gebogen en strompelend voortsukkelde. Op het oogenblik dat zij het

gezelschap voorbij moest, trok zij den sluier, die haar gelaat tot aan

de oogen bedekte, omhoog, zoodat nu haar geheele gelaat bedekt was, en

zich met het aangezicht bovendien naar den muur wendende maakte zij een

gebaar vol minachting.

Dries begon hartelijk te lachen.--Wees gerust, oudje, zeide hij, ik zal

u mijn hart niet schenken, noch door u mijn hoofd op hol laten brengen.

Ik kan best begrijpen waarom zij zich zoo sluiert en zich van ons

afwendt, zij is bevreesd dat wij hare heerlijke tronie zullen zien. Wel,

wel! wat een inbeelding voor zoo'n oude heks.

De beide officieren lachten hartelijk en men vervolgde de wandeling

weder.

Men was thans genaderd tot aan het einde van het plein, dat door eene

straat van het strand af recht doorsneden wordt. In die straat vertoonde

zich mede veel volk. Een troep van vijf mannen, groote gespierde kerels

in donkere kapmantels gehuld, kwam juist de straat uit en ging het

plein op. Luitenant Frank, die hen het eerste opmerkte, bleef staan om

hen na te zien. De donkere mantel was versierd met zijden kwasten van

verschillende kleur. Naast den bloedrooden tulband stak de loop van een

zeer lang geweer boven den schouder uit. Enkele hadden op het donkere

gelaat gele figuren getatoueerd. Fluisterend met elkaar sprekend gingen

zij op tamelijken afstand ons gezelschap voorbij; doch niet zonder een

stouten, uittartenden blik, die van gloeienden haat getuigde, op hen

geworpen te hebben.

--Ba! wat gemeene gezichten, zeide Dries, echte galgentronies!

--'t Is goed dat zij u niet kunnen verstaan, zeide de kapitein; zij

zouden er geen bezwaar in zien u hier op klaarlichten dag een kogel door

het hoofd te jagen.

--Wat! riep Dries; zouden ze dat durven en zou dat ongestraft kunnen

gebeuren?

--Zeker, antwoordde de kapitein. Luister, vriend! als ge deze knapen

ooit mocht ontmoeten, waar of hoe ook, ga dan voor hen uit den weg, want

ik verzeker u, ze zouden u met het grootste genoegen naar de andere

wereld zenden als ge hen slechts leelijk aankeek, want die kerels zijn

de Piraten van het Rif, de bloeddorstigste zeeroovers, de grootste de

gemeenste bandieten, die de bergen langs de kust bewonen. Zij zijn voor

niets en voor niemand bevreesd; met de overheid lachen zij; de soldaten

van den Sultan en de oorlogschepen der Europeanen bespotten zij van uit

hunne bergen. Elk schip, dat daar strandt, is reddeloos verloren. De

lading wordt buitgemaakt; de equipage gedood. Ziedaar de oorzaak, dat

men van vele op deze kust vergane schepen nooit iets verneemt. Hun

eenige wet is hun geweer, en hij die in hunne woonplaatsen den voet

zet zonder de bescherming van een invloedrijken heilige of Sheik, is

verloren. Men spreekt hier over de streek waar zij wonen, als over een

verschrikkelijk, ontoegankelijk, geheimzinnig land.

--En dat volk, die roovers loopen hier vrij rond; zij durven zich hier

op den dag vertoonen, riep de luitenant.

De kapitein haalde de schouders op.--Wat wilt ge, antwoordde hij. Wie

zal hen iets doen. Zie ze gaan, loerend rondblikkend; bij het minste wat

hun verdacht voorkwam, zouden zij met het geweer in de hand spreken.

Neen, men vreest dit canaille te veel om hen te bemoeilijken; volk en

overheid vreezen hen en heulen met hen.--Maar kom, laten we zien, wat de

oorzaak is van dien volksoploop daar; er schijnt iets bijzonders te zien

te zijn. En zijne vrienden medetroonende, begaf de kapitein zich haastig

naar de straat waar een groote hoop volk zich had verzameld en waar men

allerlei afschuwelijke kreten hoorde.

--Ha, dat dacht ik wel! riep de kapitein uit, toen men de groep was

genaderd; 't is een heilige, die zijne kunsten vertoont. Ziet, hebt ge

ooit iets walgelijkers gezien dan dezen heilige?

En zeker was het een afschuwelijk schouwspel. In het midden van dien

volkshoop stonden twee menschen, als men hun dien naam mag geven.

De een, een man op jaren, was mager. Zijn taankleurig gelaat met de

ingevallen wangen deed den scherpen, puntigen, krommen neus meer

vooruitsteken; de diep in de kassen gezonken oogen straalden van een

woest vuur. Hij hield in de rechterhand een smerigen stok met een

even vuilen witten lap er aan. De ander, wel twee hoofden kleiner dan

zijn makker, die eene verbazende lengte had, was opgeblazen dik. Zijn

geheele gelaat was met eene lijkkleur overdekt, als van iemand die eene

vreeslijke ziekte heeft. De groote oogen rolden woest door het hoofd

en lieten tusschenbeide alleen het wit zien. Hij danste met allerlei

verdraaiingen van het bovenlijf op eene eentonige wijs. Hoe langer hoe

walgelijker werden de bewegingen van dien kerel; de oogen puilden weldra

uit hunne kassen en het lichaam schudde en schokte van stuipachtige

trekkingen. Zijn metgezel met de vlag hield, stampende met den stok

en zich met de andere hand op de borst slaande, de maat met het

afschuwelijke gezang, dat uit een dof gedreun bestond, afgewisseld door

helsche geluiden en zuchten en met jammerlijke kreten, als van iemand

die in den vreeslijksten angst verkeert. Twee even afzichtelijke kerels,

de een met eene fluit, de ander met een oude trom, begeleidden dit

concert, dat in waarheid eene vertooning uit de andere wereld scheen.

En om die groep verdrongen zich de sjouwerlieden, de straatslijpers en

ander gespuis, zich een weg banend met stompen en trappen, om het vuile

witte doek of de smerige handen dier heiligen te kussen. Eenigen stopten

hun wat geld in de handen. Als bewijs van zijne bijzondere tevredenheid

over de ontvangen gift, gaf de reus een paar zijner aanbidders een

gevoeligen nekslag met de beenige harde vuist, en spuwde een ander,

wiens gift grooter was dan van een der overigen, in het gelaat. De aldus

begunstigden liepen haastig heen, juichend over de onderscheiding hun

van den heiligen man te beurt gevallen. De twee kerels met de fluit en

de trom gingen nu huis aan huis, onder hunne aanhoudende helsche muziek,

de giften inzamelen, en daar de troep verder ging om elders zijne

vertooningen voort te zetten, liepen onze vrienden ook door.

[Illustratie: En zeker was het een afschuwelijk schouwspel. Bladz. 20.]

--Mijn God! zeide de luitenant, wat afschuwelijke kerels, ba, wat

ellendelingen; ik ben zoo vol walging van die schavuiten, dat ik, als ik

er nog langer naar gezien had, onpasselijk zou zijn geworden. Neen,

kapitein, na dit staaltje van Marokkaansche heiligheid houd ik het nog

liever met uwe onheilige zeeschuimers van daar straks, hoe vreeslijk

terugstootend en gemeen die er ook uitzien; het past ten minste bij hun

afschuwelijk handwerk. Een roover heeft zelden een gunstig gelaat. Maar

deze kerels, ba, ik walg van hen.

--Ja, 't is gespuis, antwoordde de kapitein, en bovendien is dit volk

gevaarlijk. De heiligen van Marokko toch, zijn allen krankzinnig of

houden zich zoo. Dit is een onmisbaar vereischte om het beroep uit te

oefenen. En om hunne heiligheid is hun alles geoorloofd. Ik herinner

me een geval, dat met onze consul, den heer Sourdeau, is gebeurd.

Deze kreeg op zekeren dag van zoo'n heilige een duchtigen slag met

een knuppel in den nek. Doch thans, dank zij de bemoeiingen der

verschillende consuls, zijn de heiligen jegens de vreemdelingen wat

gedweeër geworden.

--Ik zou al die heiligen maar in een gekkenhuis opsluiten, zeide Dries,

dan konden zij zich vermaken door elkander nekslagen toe te brengen en

op elkaar te spuwen.

De kapitein lachte.--Ongelukkig denken de Marokkanen er anders over,

zeide hij; doch laten wij voortgaan naar de wandelplaats.

--De wandelplaats? vroeg de luitenant, heeft Tanger eene wandelplaats?

--Wel zeker, zeide de kapitein, en daar wij aan het einde der straat

zijn, kan ik ze u laten zien. Ziedaar die geheele strook, het strand,

van hier tot aan kaap Malabar, dit is de wandelplaats van Tanger. Tegen

den avond vindt ge hier al de bewoners van Tanger bijeen. De Europeanen

met familie en bedienden, de reizigers die Tanger bezoeken, de

verschillende consuls, Mooren, Arabieren, heiligen, soldaten, enz.

--En nu, zeide de kapitein, wanneer gij lust hebt de wandeling nog

verder uit te strekken, zullen we de marktplaats gaan bezoeken.

--Gaarne, antwoordde de luitenant.

Men ging de straat weder in, den vorigen weg terug en door een paar

Moorsche poorten gegaan zijnde, bevond men zich opeens buiten de stad.

Op het oogenblik, dat men dicht bij de marktplaats, Soc-di-Barra

genaamd, genaderd was, kwam ons gezelschap een troep gillende en

huilende straatjongens en leegloopers tegen. Die troep begaf zich naar

de stad. Toen de bende straatjongens voorbij was, ontwaarde men in het

midden van den volkshoop een neger en een mulat, beiden op ezels gezeten

en omringd door een troep Arabieren, met stokken gewapend. Het waren

soldaten, die buiten de stad een paar dieven hadden gevangen. Zij hadden

te zamen op de markt eene geit gestolen en er zich een heel eind mede

uit de voeten gemaakt, toen de diefstal werd ontdekt en de twee

ongelukkigen werden ingehaald. De arme drommels waren voor het grootste

gedeelte naakt en hunne aangezichten waren vertrokken van angst; het

zweet en het stof maakten hunne huidkleur grauw. De soldaten hieven

tusschenbeide de stokken op en striemden de naakte ruggen dier twee

ongelukkigen, dat het afgrijslijk was om te zien. Het bloed liep hun

langs de donkere huid en bij elken slag weerklonk een koor van gegil en

gebrul uit de bende volks.

--Afgrijslijk, afschuwelijk, riep de luitenant uit, en dat volk vindt

daar vermaak in?

--O, 't is slechts een voorproefje van hunne straf, zeide de kapitein;

zij hebben gestolen. Men gaat hun de hand afhakken.

--Wat, riep de luitenant, de hand afhakken voor een diefstal van zoo

weinig beteekenis?

--Ja, antwoordde de kapitein, op die wijze straft men hier te lande.

Alle kleine misdrijven straft men met eene barbaarsche wreedheid. Let

eens op hoeveel gij er zult ontmoeten in dit land, die aan één of de

beide oogen blind zijn. En dit is niet de blindheid, zooals wij ze

kennen, maar eene blindheid veroorzaakt door het uitsteken der oogen. O!

ik verzeker u, 't is afschuwelijk, wanneer ge daarvan praten wilt, die

donkere, fiere, dikwijls eerwaardige gezichten met ledige oogholten. Het

is een aanblik, die zeer doet.

De luitenant en Dries rilden.

Men was intusschen de marktplaats Soc-di-Barra genaderd. Het was een

uitgestrekt terrein op de glooiing van een heuvel, rijzend en dalend,

hier een eind vlak, daar vol putten. Halverwegen de helling werd men

vier witte muren gewaar. Het was het graf van een heilige. Hoogerop lag

het kerkhof. Aan den voet op het vlakke gedeelte zat een troep Arabische

vrouwen, allerhande groenten en fruit te koop hebbende, die vóór haar

lagen tentoongesteld. Het terrein rondom het graf van den heilige was

ingenomen door een troep kameelen en kameeldrijvers, die onder de

schaduw der enkele vijgen- of aloëboomen, die hier en daar verspreid

stonden, rustig lagen of neergehurkt zaten te droomen. Het liep reeds

tegen den avond. De hemel, rood van de ondergaande zon, kleurde alles

in gouden gloed. Die rosse stralen verlichtten de tenten der Arabieren

op het hooge gedeelte der helling, verlichtten de Arabieren, die, in

hunne witte mantels gehuld, onbeweeglijk als beelden op het kerkhof

stonden, en gaven aan het geheel zoo'n echt Oosterschen glans, zoo'n

schilderachtig effect, dat onze vrienden opgetogen van bewondering

bleven staan. Bovendien heerschte hier niet die vervelende drukte van

onze marktplaatsen. Stilte en rust lagen over alles uitgespreid; 't was

alsof men eene schoone schilderij voor zich zag.

De kapitein was de eerste, die de stilte afbrak.

--Komaan, vrienden! zeide hij; laten we hier niet blijven staan, er valt

voor ons nog veel te zien; voorwaarts, opdat de nacht ons niet

overvalle.

--'t Is ook zoo schoon, sprak luitenant Frank, kijk, kapitein! dit

tafereel verzoent mij weder met al het onaangename, dat ik vandaag heb

gezien.

--Ik geloof het gaarne, antwoordde de kapitein, gij zegt dat zeer

terecht. Enkele schoone verheven tafereelen binden den reiziger aan

de overigens onbeschaafde landen. En 't is goed, dat alles bij zijne

schaduw- ook zijne lichtzijde heeft, anders zou er thans, voorwaar! niet

zooveel bekendheid bestaan omtrent vreemde landen, volken en toestanden.

Maar komaan! laten we eens zien wat daar voorvalt.

Dit zeggende, begaf de kapitein zich naar eene plek, waar een troep

volks rondom een ouden Arabier geschaard stond. Hij vertelde. Het was

een knappe kerel, met donkere gelaatskleur, heldere fonkelende oogen

en langen grijzen baard. Hij had een wit kleed aan, om het hoofd

saamgebonden met een kemelsharen koord. Twee muzikanten begeleidden

hem, op eene zachte klagende manier, met eene fluit en eene trom. Hij

begon, zooals altijd, met een gebed, en daarna volgde het verhaal. Zijne

heldere stem, gepaard aan eene langzame, duidelijke voordracht, deed hem

op verren afstand verstaan. Zijne bewegingen waren vol vuur en leven,

en gaven zoo duidelijk de verschillende voorvallen weer, dat onze

Hollanders, hoewel de taal niet verstaande, nochtans gevoelden en

begrepen wat hij sprak.

--Hij verhaalt van een krijgstocht, zeide de kapitein, let op hoe

duidelijk hij alles voordraagt. Zie, hoe hij den uittocht ten strijde

weergeeft met het gejubel van de stamgenooten, die den strijders geluk

toewenschen op hun tocht. Hoor, hoe hij den marsch teekent, hoe hij

verhaalt, waarmede de krijgers zich op den marsch bezighielden met

fantasia of lab-el-barode, dat verrukkelijke spel, dat elke beweging

van den strijd vertoont. Zie, alles geeft hij even duidelijk, even

bewonderenswaardig weer: het stil naderen om den vijand te overvallen,

het beraadslagen hoe den aanval te doen, het geweldige van den

onverhoedschen aanval, het verschrikkelijke van het gevecht, de

wanhopige woede van den vijand, die zijne bezittingen en zijn leven ten

duurste verdedigt, de overwinning, het verbranden van het vijandelijke

dorp, en eindelijk den triumftocht naar huis, waar men met gejuich wordt

ingehaald. Hoor, hoe zijne laatste woorden wegsterven in de onstuimige

bijvalsbetuigingen van het publiek.

--Ja, dat is onnavolgbaar, dat is verrukkelijk schoon, riep de luitenant

uit.

Intusschen was de kring van toehoorders uiteengegaan en onze luitenant

bood den verhaler een geldstuk aan, dat de Arabier met trotsche

waardigheid aannam.

Onder de Mooren: Avontuurlijke reizen door alle werelddeelen · 第 1 / 22 段