DE VEROVERING VAN DE VERSTERKING TE TOEMBANG PATANGAN.

(Z. en O. Afd. van Borneo) op den 18den Maart 1887.

De beweging op koloniaal gebied heeft tegenwoordig in de meeste landen

van Europa alle klassen der maatschappij aangegrepen en meegesleept.

Werkelijke en salon-ontdekkers doorzoeken met begeerige oogen elk

werelddeel, om nog ergens een vergeten plekje grond te vinden, dat in

bezit genomen zou kunnen worden. Oude en nieuwe akten worden

doorsnuffeld om eene paragraaf te ontdekken, die voor tweeledige

uitlegging vatbaar is, en waaruit misschien een schijn van recht tot

inbezitname is af te leiden. In het kort, een levendig verlangen naar

uitbreiding van gebied doet zich overal gevoelen, en het oude liedje:

Mein Vaterland muss grösser sein, zweeft meer dan ooit op de lippen van

geestdriftvolle patriotten.

Dit jagen naar eene aanwinst, die meestal slechts in de verbeelding

bestaat, trekt de aandacht van de binnenlandsche aangelegenheden der in

bezit te nemen landen af; hoewel het toch noodig is daaraan in de

eerste plaats de opmerkzaamheid te wijden, om de vernietiging van

bestaande welvaart, ja zelfs het verlies van de geheele bezitting in de

toekomst te voorkomen.

Zelfs mogendheden, die eeuwenlang in het bezit waren van uitgestrekte

koloniën, die beroemd zijn wegens hun uitstekend bestuur, moeten

ondervinden dat een maatregel, die op zichzelf van weinig gewicht

schijnt, aanleiding geeft tot jarenlange woelingen, die slechts met de

bajonet kunnen worden bedwongen.

Een voorbeeld hiertoe leveren de militaire operatiën der Nederlanders

op het eiland Borneo, die plaats hebben, zonder dat de buitenwereld er

veel van bemerkt.

Lang voordat de Islam op Java was doorgedrongen, hadden Javanen reeds

koloniën gesticht aan de zuidkust van Borneo, terwijl Boegineezen en

andere Maleiers zich op de oostkust hadden gevestigd. Deze kolonisten

vermengden zich langzamerhand met de oorspronkelijke bewoners des

lands, de Dajaks, en deden zoo het gemengde ras ontstaan, dat

tegenwoordig de kuststaten van Borneo bevolkt. De Dajaks werden allengs

meer en meer naar de binnenlanden teruggedrongen, en het viel den

kolonisten, die in ontwikkeling verre boven de oorspronkelijke bewoners

stonden, niet moeilijk zich als beheerschers van het land te doen

eerbiedigen. Zoo werden de verschillende Maleische staten gegrondvest,

waarvan Bandjermasin het machtigst was. Toen de Nederlanders hun gezag

ook over Borneo uitstrekten, lieten zij het inwendig bestuur aan de

vorsten over, in de uitoefening waarvan deze natuurlijk werden

bijgestaan en geleid door Europeesche ambtenaren, zoodat de

Nederlandsche regeering eene voortdurende contrôle op hunne handelingen

uitoefende.

De rust bleef ongestoord, totdat in het jaar 1857 sultan Adam overleed,

en in diens plaats Tamdjid’oellah door de regeering tot sultan van

Bandjermasin werd benoemd, terwijl een kleinzoon van den overledene,

Hidajat’oellah, tot rijksbestierder werd aangesteld. Deze

regeeringsmaatregelen wekten ontevredenheid. Hidajat, Antasari, Demang

Lehman en andere hoofden wisten in het geheim de bevolking tot verzet

aan te sporen, en in het jaar 1859 werd openlijk de vaan des opstands

ontrold. Slechts na groote krachtsinspanning en ten koste van talrijke

offers mocht het den Nederlanders gelukken den opstand te bedwingen, en

in 1860 werd het rijk van Bandjermasin bij het Nederlandsche gebied

ingelijfd. Hiermede was evenwel nog op verre na de rust niet hersteld.

Met korte tusschenpoozen bleven de woelingen aanhouden, waarvan, na het

overlijden of onschadelijk maken van bovengenoemde aanvoerders, de zoon

van Antasari, Goesti Mohamad Seman, het hoofd was. Met eene

hardnekkigheid, eener betere zaak waardig, bleef deze zich verzetten,

en hij wist de lichtgeloovige inboorlingen gemakkelijk voor zijne zaak

te winnen.

Nog steeds zwerft hij, zich sultan noemende, omringd door eene kleine

schaar van ontevreden hoofden, door Borneo’s wildernissen. Tot heden

heeft hij alle toenadering tot het gouvernement geweigerd. Hij wil

alleenheerscher zijn.

Bij vele zijner in de herhaalde gevechten gesneuvelde volgelingen vond

men akten van aanstelling, waarin die verblinden tot regent,

opperpriester of andere aanzienlijke ambten in zijn te stichten rijk

werden benoemd.

In zijn onderhoud voorziet hij door afpersingen van weerlooze

kampongbewoners, die hij tevens door valsche voorspiegelingen of door

geweld dikwijls tot verzet weet over te halen.

Van elke ontevredenheid der bevolking, al heeft de oorzaak daarvan in

de verte met zijne zaak niets uitstaande, maakt hij gretig gebruik om

de domme, goedgeloovige Dajaks tot opstand aan te zetten en hen

zoodoende ter slachtbank te voeren. Zelf houdt hij zich steeds

voorzichtig buiten schot, en dit doet hem bij weldenkenden zeker niet

in achting rijzen. Zoo sneuvelden in het jaar 1883, bij de bestorming

van Mandoeroeian door onze troepen, velen van zijne trouwste

aanhangers, terwijl hijzelf op behoorlijken afstand in de wildernis van

eene zekere overwinning droomde. Gelijk een wild dier werd hij toen

opgejaagd, doch het mocht ons niet gelukken hem te vangen. Steeds wist

hij in de ontoegankelijke bovenstreken te ontkomen. Dit zal menigeen,

die met de toestanden van het land niet bekend is, onverklaarbaar

voorkomen. Voornamelijk door Duitsche „Colonialschwärmer” hoort men

dikwijls met zekere minachting spreken over de weinige voortvarendheid,

waarmede de Nederlanders tegen hunne oproerige overzeesche onderdanen

optreden. Doch hoe spoedig zouden zij van gedachten veranderen, indien

zij het land eens met eigen oogen konden aanschouwen!

Onderscheidene bergruggen strekken zich op Borneo van het

centraalgebergte tot aan de zee uit. Hiertusschen liggen onmetelijke

laagvlakten, doorsneden door kolossale stroomen en bedekt met

eeuwenoude wouden, die slechts langs enkele, bijna niet te

onderscheiden voetpaden en met behulp van een inlandschen gids kunnen

worden binnengedrongen. Eb en vloed doen zich op de rivieren tot ver in

het binnenland gevoelen, en de lagere terreingedeelten worden dan ook

geregeld onder water gezet.

De stroomen zijn in dezen wilden chaos bijna de eenige verkeerswegen.

Langs de oevers vindt men hier en daar, op groote afstanden van

elkander verwijderd, kleine Dajaksche kampongs met de daarbij gelegen

ladangs (droge rijstvelden), want ook de inboorlingen vestigen zich

natuurlijk bij voorkeur aan de gemeenschapswegen.

Langs de rivieren bewegen zich ook bijna uitsluitend de militaire

expeditiën. Waar zij voldoende diepte hebben, wordt gebruik gemaakt van

stoomschepen of groote prauwen. Nadert men evenwel de bovenstreken,

waar breedte en diepte afnemen, dan moeten manschappen, munitie en

vivres in djoekongs (uitgeholde boomstammen) worden overgeladen.

Prauwen en djoekongs worden door inboorlingen geroeid, die met hunne

korte spadevormige pagaaien aan die vaartuigen eene verbazende snelheid

weten te geven.

Opmerkenswaard bij die menschen is de buiten verhouding sterke

ontwikkeling der armspieren, vergeleken met de dunne, dikwijls kromme

beenen. De oorzaak daarvan is evenwel niet ver te zoeken. Slechts korte

afstanden worden door den inlander te voet afgelegd. Moet hij eene

grootere reis ondernemen, dan neemt hij zijn pagaai, plaatst zich met

de beenen onder het lichaam gekruist in zijn djoekong, en voort gaat

het. Het valt hem niet moeilijk om zoo zes-en-dertig uur achter elkaar

door te roeien, zonder meer tusschenpoozen dan den tijd, die noodig is

voor het bereiden en verorberen van het eten.

De voor eene militaire expeditie benoodigde roeiers behooren òf tot de

hulptroepen, die onder hunne eigen hoofden de expeditie vergezellen, òf

het zijn andere inboorlingen, die tegen betaling tot dien dienst

verplicht worden. In beide gevallen zijn zij weinig te vertrouwen. Niet

zelden kwam het voor, dat bij een vijandelijken aanval de roeiers ’s

vijands zijde kozen en zich op de argelooze soldaten stortten. Andere

malen gebeurde het, dat zij bij het eerste schot overboord sprongen en

naar land zwommen om van daar uit, behoorlijk gedekt opgesteld, het

verder verloop der dingen gade te slaan. Welk eene heillooze verwarring

hierdoor werd gesticht, kan men zich voorstellen, wanneer men weet dat

de soldaten in het hanteeren der pagaaien onbedreven zijn. Doch niet

alleen met de trouweloosheid van hulptroepen en roeiers hebben de

militaire expeditiën te kampen. Ook de natuur en de listen des vijands,

die met groote scherpzinnigheid van de voordeelen, welke het terrein

hem biedt, weet gebruik te maken, stellen volharding en moed der

soldaten op eene zware proef.

Talrijke stroomversnellingen en neergestorte rotsblokken maken de vaart

op de bovenrivieren reeds moeilijk. Op verschillende plaatsen worden

bovendien door den vijand nog versperringen van omgekapte boomen enz.

aangelegd. In het dichte woud aan den oever verscholen, wacht hij de

komst der troepen af. Nauwelijks is de colonne de versperring genaderd

en wil die omtrekken of opruimen, of eene hagelbui van kogels, pijlen

en werpschichten overstelpt de verraste soldaten. Van alle zijden

schieten uit kleine soengei’s de halfnaakte inlanders, onder luid

geschrei, in hunne lichte vaartuigen te voorschijn. Boomen, aan den

voet bijna geheel doorgekapt en slechts door een rotankabel staande

gehouden, worden losgemaakt en storten op de strijdende dapperen, die

met den moed der vertwijfeling hun leven verdedigen. Thans komt het er

op aan bij elkander te blijven, kalm te zijn en vooral snel en juist te

schieten.

Dit laatste is voorwaar geen kleinigheid in die kleine smalle

djoekongs, die bij de minste onvoorzichtige beweging omslaan.

Het gevecht heeft nog slechts kort geduurd, doch van de eerste

verrassing bekomen, hebben de soldaten zich weder geordend en brengen

op hunne beurt den vijand groote verliezen toe. Reeds zijn verscheidene

van zijne djoekongs zonder bemanning en drijven de rivier af, terwijl

de lijken der gesneuvelden eene prooi worden der talrijke kaaimans, die

zich in deze wateren ophouden.

Nog een laatste wanhopige aanval, die zegevierend wordt afgeslagen, en

even snel als zij gekomen zijn, verlaten de aanvallers in overhaaste

vlucht het tooneel van den strijd. Die aanval heeft ons menig offer

gekost.

De verliezen worden opgenomen, de gewonden verbonden, en zoo mogelijk

onder dekking teruggezonden. Daarna wordt de tocht naar het

operatie-object zoo spoedig mogelijk voortgezet om misschien bij eene

volgende kronkeling der rivier in eene zelfde hinderlaag te vallen.

Laat nu nog iemand spreken van geregeld oorlogvoeren!

In onrustige streken worden dikwijls ver vooruitgeschoven tijdelijke

militaire posten opgericht, met het tweeledig doel de omwonende

bevolking vertrouwen op ons gezag in te boezemen en als operatie-basis

te dienen voor mogelijke expeditiën. Zulke posten zijn al zeer

eenvoudig ingericht. Eene palissadeering uit ruwe boomstammen

bestaande, met twee cirkel-bastions, waarop een paar gladde ijzeren

kanonnen in batterij staan, omgeeft de gebouwen. Deze, die bestaan uit

de woningen voor den commandeerenden officier en de manschappen,

vivres- en munitiemagazijnen en meestal een klein hospitaal, worden van

bamboe opgetrokken en met atap gedekt.

Welk een ongunstigen invloed het verblijf in zulk eene versterking, die

meestal is gebouwd op een vochtigen, met rottende plantaardige stoffen

overdekten bodem, moet uitoefenen op de gezondheid, zal een ieder, die

wel eens beschrijvingen van tropische landen gelezen heeft, gemakkelijk

begrijpen.

Dysenterie, malaria en beri-beri dunnen aanhoudend de bezetting.

In dit opzicht was Toejoen, het uitgangspunt van de hierna te vermelden

expeditie, berucht.

Reeds vóór het oprichten van den post te Toejoen waren bij het bestuur

berichten ontvangen omtrent woelingen onder de bevolking aan de

Boven-Kahajan.

Mohamad Seman wist eene door lieden van de benedenstreken ondernomen

plundering op rekening van het Nederlandsche gouvernement te schuiven,

en weldra had hij de geheele Boven-Kahajan in vollen opstand gebracht.

Thans moest snel gehandeld worden. Om te beletten dat de opstand ook op

den meer benedenstrooms wonenden stam der Oeloeh Baranarè zou

overslaan, werd te Tewah eene tijdelijke versterking opgericht in de

nabijheid der woning van het ons getrouwe hoofd Temanggoeng Mangkoe

Kenjapi en door 40 man hulptroepen onder het flinke districtshoofd van

Klein-Dajak, Radhen Johannes Karsa Negara, bezet.

Een ander belangrijk punt, de kampong Toembang Koeroen, ongeveer vier

uren roeiens stroomafwaarts van Tewah aan de soengei van denzelfden

naam gelegen, werd bezet door eene bende hulptroepen onder het hoofd

van Groot-Dajak, Demang Anoem Djaja Karsa. Dit punt was daarom van veel

belang, omdat genoemde soengei den hoofdverbindingsweg vormde met de

Boven-Kapoens.

Niettegenstaande al deze voorzorgsmaatregelen gelukte het eene kleine

vijandelijke bende, onder aanvoering van een paar mindere hoofden, in

een donkeren nacht onze versterking te Tewah voorbij te sluipen en den

meergenoemden stam der Oeloeh Baranarè in opstand te brengen. De

toestand van den controleur, die zich te Tewah bevond, dreigde nu zeer

hachelijk te worden. Beide bovengenoemde districtshoofden snelden

evenwel ter hulpe, verdreven de vijandelijke bende en herstelden de

rust.

Thans werd de militaire post te Toejoen opgericht en bezet door 50 man

onder een luitenant. Ook de controleur vestigde zich nu te Toejoen.

De vijand zat intusschen niet stil.

Onze hulptroepen werden in de versterking te Tewah aanhoudend bestookt.

Een inlander, Koesin, die door den controleur met eenige manschappen

naar de bovenstreken was gezonden om te trachten den stam der

Ot-Danoems te bewegen zich in hun eigen belang niet bij den opstand aan

te sluiten, werd even boven Tewah uit eene vijandelijke versterking

beschoten, tengevolge waarvan hij en een zijner volgelingen gewond

werden. Met een duren eed zwoer hij bloedige wraak te zullen nemen. Dat

hij dien eed gestand deed, zullen wij hieronder zien.

Eenigen tijd ging nu voorbij, zonder dat er veel belangrijks voorviel,

totdat in het begin van 1887 de controleur plotseling te Toejoen onder

eenigszins geheimzinnige omstandigheden overleed.

Mohamad Seman, die inmiddels aanzienlijke versterkingen bekomen had,

wist aan dit feit in de oogen der lichtgeloovige bevolking zulk eene

beteekenis te geven, dat hij zich weldra in staat zag gesteld om

aanvallend op te treden.

Te Batoe Njewoek, vier uur roeiens boven Tewah, werd op zijn bevel eene

versterking gebouwd, waarbinnen hij zelf zijn verblijf vestigde, en van

waar hij zijne panglima’s uitzond om de Ot-Danoem tot den strijd op te

roepen. Die zending gelukte maar al te wel. In korten tijd was zijne

macht met pl. m. 500 strijdbare mannen van genoemden stam vermeerderd,

die deels vrijwillig, deels gedwongen, zich onder zijne vanen

schaarden.

De toestand werd thans bedenkelijk.

Door het opwerpen van eene versterking te Tamboeng Patangan,

benedenstrooms van Tewah, was laatstgenoemde plaats geheel ingesloten,

en de bezetting zag reeds het oogenblik naderen, dat zij, door honger

gedwongen, voor de muitelingen zou moeten zwichten. Zóóver zou het

evenwel niet komen, dank zij het energiek optreden van den pas met het

bestuur belasten controleur Aernout. Deze had reeds op zijne vorige

standplaats, Koeala-Kapoeas, de tijding van de meerdere werkzaamheid

des vijands vernomen. Met den meesten spoed verzamelde hij eene bende

hulptroepen en begaf zich aan het hoofd daarvan naar de Kahajan-rivier,

waar hij zich op het gouvernements-stoomschip Boni inscheepte en den

12den Maart Pahawan, de hoofdplaats van Midden-Kahajan, bereikte.

Inmiddels was het een man der bezetting van Tewah gelukt een brief van

het districtshoofd, Radhen Johannes, naar Toejoen over te brengen. In

dit schrijven werd de toestand blootgelegd en hulp verzocht.

In den voormiddag van den 13den Maart bereikte de controleur met de

hulptroepen Toejoen, met vreugde begroet door de bezetting, die nu het

vooruitzicht had op eenige afwisseling in den vervelenden

garnizoensdienst.

Terwijl de controleur met den militairen commandant in overleg trad,

leverde het terrein buiten de versterking een schouwspel op van enkel

leven en bedrijvigheid.

Bonte groepen van in veelkleurige kleeding gedoste krijgers legerden

zich om de hoog opvlammende vuren. Eene lucht van geroosterde visch en

andere spijzen, die straks dien hongerigen mannen tot maaltijd zouden

strekken, prikkelde de reukorganen. Hier zag men er eenigen bezig met

het nazien en schoonmaken van hunne tromplaadgeweren; daar scherpten

anderen klewang of kris voor den aanstaanden strijd.

Het was een fantastisch tooneel.

Als gevolg van de conferentie tusschen den militairen commandant en den

controleur ontving de Europeesche sergeant Loessl het bevel zich met

een detachement, sterk één Inl. sergeant, één Eur. en één Inl.

korporaal en zestien fuseliers, waaronder zes Europeanen, den volgenden

dag bij de hulptroepen aan te sluiten, ten einde bij den aanval op de

benedenstrooms Tewah gelegen vijandelijke versterking, hun tot

zedelijken steun te strekken en tevens voor de persoonlijke veiligheid

van den controleur te waken.

Den 14den tegen den middag brak de colonne op. De soldaten, voor wie

het bijna ondoenlijk was zich in de kleine djoekongs in evenwicht te

houden, werden in breedere platboomde vaartuigen geplaatst. Tevens

werden uit voorzorg slechts aan de helft der roeiers geweren verstrekt,

om te voorkomen, dat bij een plotseling treffen met den vijand, een

ieder naar de wapenen zou grijpen en dientengevolge de colonne in

verwarring zou geraken.

In de diepste stilte gleden de vaartuigen langs den stroom. Op eenigen

afstand snelden een paar lichte djoekongs vooruit, wier bemanning met

scherpen blik den oeverrand bespiedde, om te ontdekken of niet de

muitelingen ons door eene hinderlaag of versperring een poets zouden

trachten te spelen, doch geen spoor van vijanden werd, zoover het oog

reikte, bespeurd. Zoo vervolgde de colonne gedurende twee dagen haren

weg. In den namiddag van den 16den werd de reeds vroeger vermelde

kampong Toembang Koeroen bereikt.

Hier sloot zich het districtshoofd van Groot-Dajak, Demang Anoem Djaja

Karsa, met zijne volgelingen bij de colonne aan. Men was nu in de

onmiddellijke nabijheid des vijands. De daken werden van de vaartuigen

genomen om geen hinder bij het vuren te ondervinden.

Den 17den werd de tocht vervolgd. De zon zond hare brandende stralen

loodrecht op de donkere uniformen der soldaten; tallooze steekvliegen

en muskieten maakten het stilzitten bijna onmogelijk. Hartelijk

verheugd was dan ook ieder, toen in den namiddag de kampong Toembang

Padjangei bereikt werd, waar zich een kleine wachtpost bevond, onder

het kamponghoofd Doembang Pa Randan. Men was hier nog slechts twee uren

roeiens verwijderd van het doel van den tocht, de vijandelijke

versterking te Toembang Patangan.

Om te voorkomen dat de colonne in de duisternis het gevecht zou moeten

aannemen, waarbij de hulptroepen moeilijk van den vijand te

onderscheiden zouden zijn, werd besloten hier te overnachten.

Met den commandant van het militair detachement werden de maatregelen

besproken voor den aanval van den volgenden dag. Uit verschillende

berichten was den controleur gebleken, dat het zoo goed als ondoenlijk

was, de vijandelijke benting van de rivierzijde aan te vallen. De

waterstand was laag en de oever steil, terwijl de vijand, die

natuurlijk van die zijde den aanval verwachtte, zich daar geducht

versterkt had. Het zou onder die omstandigheden waarschijnlijk

onmogelijk blijken om de hulptroepen vooruit te krijgen. Men moest dus

trachten over land in den rug der versterking te komen, doch omtrent

een voetpad daarheen was den controleur niets bekend. Gelukkig wist

bovengenoemde Doembang Pa Randan hieromtrent eenige inlichtingen te

geven. Voor eenige dagen had hij getracht levensmiddelen aan de

belegerden in Tewah te doen toekomen, doch was bij die poging

benedenstrooms van de vijandelijke versterking hevig beschoten

geworden, zoodat hij met eenige gewonden moest terugkeeren. Daar in den

omtrek van de plaats van den aanval geen prauwen te zien waren, leidde

de controleur hieruit af, dat de vijandelijke afdeeling, die

waarschijnlijk uit de benting beneden Tewah afkomstig was, over land

daarheen gekomen moest zijn. Hij besloot dus bij den opmarsch van den

landweg gebruik te maken. Het bleek later dat hij volkomen juist had

gezien.

Bovendien was het hem bekend, dat de inlandsche vijand, uit vrees voor

overklimming, de palissaden veel te hoog maakt, zoodat het bij een

aanval zaak is, zoo spoedig mogelijk den voet der palissadeering te

bereiken, waar men voor zijn geweervuur betrekkelijk veilig is.

Er werd dan besloten dat, zoodra de soldaten in den rug der versterking

zouden gekomen zijn, een paar salvo’s gegeven en onmiddellijk daarna

tot de bestorming zou worden overgegaan.

Ook het te Tewah bevelvoerende districtshoofd wilde de controleur met

zijn plannen in kennis stellen. Hij schreef een brief, waarin hij hem

tevens gelastte om, zoodra hij bemerkte dat de colonne voor de

vijandelijke versterking was aangekomen, met een gedeelte zijner

troepen een uitval te doen.

Het overbrengen van dit schrijven werd opgedragen aan eenige

manschappen der hulptroepen. Na een paar uren kwamen deze evenwel

onverrichterzake terug.

Zij hadden op hunnen tocht een zestal sterk bemande vijandelijke

rangkans (platboomde vaartuigen) ontmoet en waren daarvoor

teruggedeinsd. Thans werden vrijwilligers opgeroepen om tegen groote

geldelijke belooning den brief over te brengen. Weldra boden er zich

drie aan, waaronder de hierna te noemen Toenda en Bakal.

Het gelukte hun overland Tewah te bereiken, hoewel zij eenmaal door een

vijandelijken post waren aangeroepen.

Den terugweg legden zij te water af. Nabij de vijandelijke versterking

legden zij zich plat op den bodem van het vaartuig. Op het aanroepen

van den vijand werd natuurlijk geen antwoord gegeven, en deze verkeerde

waarschijnlijk in de meening, dat het vaartuig een losgeraakte djoekong

was, die stroomafwaarts dreef. Zoodra was niet het gevaar gepasseerd,

of met alle kracht werd doorgeroeid, en des morgens om halfvijf konden

zij den controleur den goeden uitslag van hunne zending mededeelen.

De troepen hadden dezen nacht veel te doorstaan. In de smalle prauwen

gezeten, nu en dan doorweekt door eene tropische regenbui, wachtten zij

reikhalzend het aanbreken van den morgen af. Nu en dan vertoonde de

maan haar bleek aangezicht voor korten tijd, om zich het volgend

oogenblik weder achter zware wolken te verschuilen en het omliggend

woud in duisternis te hullen.

De diepe nachtelijke stilte werd slechts afgebroken door het kletteren

van den regen, het kraken van een neerstortenden tak of het gekras van

een nachtvogel. Zwermen muskieten maakten den doodmoeden mannen zelfs

het stilzitten bijna onmogelijk. Er scheen aan dien nacht geen einde te

zullen komen. Eindelijk, eindelijk verkondigde eene lichtstreep in het

oosten, dat het lijden ten einde spoedde.

Een oogenblik begaven zich de manschappen aan wal om aan de verstijfde

ledematen eenige beweging te gunnen. Om 7 uur ging alles weder aan

boord en werd de tocht voortgezet. Tot voorhoede was aangewezen eene

afdeeling hulptroepen sterk 60 man in zes prauwen onder bevel van het

districtshoofd Demang Anoem Djaja Karsa. Deze moest de oevers

nauwkeurig onderzoeken en bij een vijandelijken aanval positie nemen en

de hoofdwacht afwachten.

Langzaam trok de colonne voort.

Gesproken werd er niet meer; alle bevelen werden door teekens gegeven.

Elk oogenblik kon men op den vijand stuiten.

Ook de roeiers waren zich het gevaar bewust. Loodrecht dompelden zij

hun pagaaien in den vloed, vooral zorgende met hun riemen de vaartuigen

niet aan te raken, opdat geen geluid den vijand het naderen der onzen

verraden mocht

Men zag hunne armspieren zwellen onder de buitengewone

krachtsinspanning, die deze wijze van roeien vorderde.

Te midden van eene drukkende stilte als die welke een onweder

voorafgaat, gleed de flottille langs den stroom.

Daar werd door de voorhoede een teeken gegeven.

Zij had de plaats bereikt waar Doembang Pa Randan beschoten was. Eenige

manschappen gingen aan land en doorzochten, zich als slangen door het

woud bewegende, het omliggend terrein. Weldra gaven zij door teekens te

kennen, dat van den vijand niets te bespeuren was.

Met een zucht van verlichting sprongen de soldaten aan land.

„Als de tocht nog een paar dagen langer geduurd had, was ik een visch

geworden,” meende er een.

„Kijk mijn klavieren [26] eens aan!” zei een ander, terwijl hij beide

handen uitstrekte, welke er uitgeweekt en gerimpeld uitzagen als die

eener waschvrouw. „Dat komt er niet op aan,” voegde de korporaal hem

toe, „ze zullen toch nog wel deugen om er op te slaan?”

„Als onze bruine broeders er bij het eerste schot maar niet van door

gaan.” zei degene, die ’t eerst gesproken had, op de hulptroepen

wijzende, „doch ik laat liever deng-deng [27] van mij maken dan dat ik

die kerels naloop,” voegde hij er bij.

„Wij ook!” riepen de anderen.

De komst van den controleur maakte aan het gesprek een einde.

Alle manschappen waren intusschen ontscheept. Eene sterke afdeeling

hulptroepen werd aangewezen om de vaartuigen te bewaken. Vijftien man

werden bestemd tot verdediging van de ambulance. Slechts ongeveer 100

man van de hulpbenden bleken moed genoeg te bezitten om den aanval mede

te maken.

De soldaten waren voorzien van 50 patronen per man, terwijl nog een

reserve van 500 stuks in een vaatje zich bij de ambulance bevond.

De hulptroepen hadden per man 20 patronen en 30 slaghoedjes.

In alle stilte werd de marsch aanvaard. Vooruit marcheerde het

districtshoofd van Groot-Dajak met 25 inboorlingen. Daarop volgde de

spits van het militair detachement onder den korporaal Mattis. De

hoofdtroep werd gevormd door de overige soldaten onder den sergeant

Loessl en de bevolkingstroepen. Hierbij bevond zich ook de controleur.

Het voetpad, dat men volgde, bleek in den laatsten tijd veel gebruikt

te zijn. Het leidde door een verlaten rijstveld, te midden waarvan zich

een huisje bevond. Snel werd dit doorzocht doch er vertoonde zich geen

levende ziel. Eenige oogenblikken later kwam een andere woning in het

gezicht, die verder afgelegen was en waarin het scherpe oog van het

districtshoofd beweging meende te bespeuren. Doch de controleur

gelastte door te marcheeren, men mocht zich niet laten ophouden. Later

bleek dat bedoelde woning een wachtpost van den vijand had gehuisvest.

Reeds spoedig viel aan de houding van de voorhoede op te merken dat men

de vijandelijke versterking naderde. Als slangen kropen de mannen over

den grond. Eerst moest evenwel nog eene kleine, doch tamelijk diepe

soengei worden overgetrokken. Een enkele bamboe diende tot brug.

De voorhoede was spoedig aan de overzijde, doch toen de korporaal

Mattis ook den overtocht wilde beproeven, brak plotseling de bamboe, en

met den uitroep: „daar heb je nou het gedonder al!” stortte hij in het

riviertje.

Poedelnat bereikte hij de overzijde, waar hij spoedig op het droge werd

geholpen. Een geluk was het nog, dat zijn geladen geweer bij den val

niet afging, anders zou de vijand ontijdig van onze komst verwittigd

zijn geworden.

In de grootste orde werd nu door de volgende troepen de rivier

doorwaad, waarbij het water hun soms tot aan de kin reikte. Na nog een

vijftig schreden te zijn doorgemarcheerd, ontdekte de voorhoede op pl.

m. 50 M. afstand de vijandelijke benting.

De gele, driehoekige sultansvlag, met twee roode gekruiste zwaarden in

het midden, wapperde uitdagend van den hoogen vlaggemast.

Het militaire detachement marcheerde nu rechts op. De controleur bleef

met de hulpbenden het voetpad volgen. Toen hij deze aan den boschrand

had opgesteld en zich even buiten het struikgewas vertoonde, werd hij

door den vijand met geweerschoten begroet.

Een hevig geweervuur ontwikkelde zich nu. Boven het knetteren der

geweren klonk het tartend geschreeuw des vijands: madjoe andjing

blanda, madjoe kafir! [28]

Spoedig bekwamen wij eenige gewonden. De politiedienaar Thaib, die

naast den controleur stond, werd door een schot in den elleboog

getroffen, terwijl een man van de hulptroepen eveneens een kogel door

den arm kreeg.

Inmiddels was ook het militair detachement opgesteld, en na eenige goed

gerichte salvo’s klonken reeds spoedig de commando’s: „avanceeren,

attaqueeren!” Door eenige inlanders gevolgd stormden de soldaten als

duivels op de versterking los. Zij stuitten echter op een 2.5 M. hooge

en van borstrandjoes voorziene bamboeversperring, waarin evenwel eene

kleine opening voor den terugtocht was gelaten.

Hiervan maakte de Eur. fuselier Lebrun gebruik om tot de palissaden

door te dringen en door een der schietgaten een levendig vuur op de

binnen de versterking opgehoopte vijanden te openen. Het gevecht nam in

hevigheid toe. Het gekerm der gewonden vermengde zich met de

scheldwoorden, die de vijand onzen soldaten naar het hoofd slingerde.

Doch deze lieten zich daardoor niet in de war brengen; ze kenden hun

luidjes. Telkens wanneer zoo’n zwarte kop zich boven de palissaden

vertoonde, klonk een doffe kolfslag of kraakte een schot, en de

boeventronie verdween om niet weer te voorschijn te komen.

Sergeant Loessl weerde zich dapper.

Behalve eenige andere muitelingen, had hij ook een der hoofdaanvoerders

Naia, door een welgericht schot, van het banket doen tuimelen.

Het vuurgevecht begon blijkbaar den inlander Toenda te vervelen.

Vastberaden trok hij zijn mandau en begon daarmede de bamboeversperring

om te kappen.

Een op hem gericht schot trof den Eur. fuselier Hess door de beide

handen. Met een smartkreet liet deze zijn geweer vallen.

„Piet,” riep hij den achter hem staanden fuselier Bezem toe, „mijn

beide vlerken zijn naar de bl....”

„Klets niet,” antwoordde deze, „ik kan mijn duim niet meer vinden.”

Dezelfde kogel had hem den duim weggenomen.

„Hier hebt ge een zakdoek, blijf maar rustig liggen,” voer hij voort,

„eerst moet ik het dien smeerlap betaald zetten.” Met deze woorden

legde hij op den panglima Tjagat, die het schot gelost had, aan en

doorboorde hem de hersens.

„Adoe!” klonk het van de lippen eens inlandschen fuseliers in de

nabijheid. De arme kerel had de volle lading van een donderbus door den

arm gekregen. Zooals later bleek waren zelfs enkele kogels tot in de

lever doorgedrongen. „Wacht maar, arme bliksem, ze zullen er van langs

hebben!” troostten hem de Europeesche kameraden.

Onder de vijanden weerde een hoofd, zekere Bahoeta, zich het meest.

Hoewel reeds in de zijde gewond, bleef hij de zijnen aanvuren en zelf,

met een donderbus gewapend, den strijd hardnekkig voortzetten.

„Piet,” zei Hess, terwijl hij bezig was met de eene punt van zijn

zakdoek in den mond zijn gewonde handen te verbinden, „kun je dien vent

niet neerleggen? Ik geef een rondje als we terug zijn.”

„Je bent het kwijt!” riep kort daarop de aangesprokene, nadat hij den

opstandeling een kogel door het hart had gejaagd.

Waar het ’t heetst toeging was de controleur te vinden. „Madjoe!”

(vooruit) hoorde men hem aanhoudend de hulpbenden toeroepen. Juist had

hij zich naar de andere zijde der versterking begeven om de daar

geposteerde inlanders aan te vuren, toen een achttal vijanden over de

palissaden sprongen met het doel te ontvluchten.

Hunne poging mislukte. Zij vielen onder de klewangs en krissen der

inboorlingen.

Een windvlaag vaagde een oogenblik den kruitdamp weg. Daar zag de

controleur de bezetting van Tewah, ingevolge zijn last, ter hulpe

snellen. In den looppas naderden zij, juichend in het vooruitzicht

wraak te kunnen nemen op de vijanden, die hun zoo lang hadden doen

honger lijden. Als de bliksem schoot den controleur de gedachte door

het hoofd, dat deze mannen wellicht door onze soldaten voor vijanden

zouden worden aangezien. Zich om den kogelregen niet bekommerende,

ijlde hij hen te gemoet en wist hen door teekens tot staan te brengen.

Bijna in hetzelfde oogenblik trof van eene andere zijde het geroep zijn

oor: „soldadoe koerang patroon!” (de soldaten hebben gebrek aan

patronen).

Zoo spoedig hij kon, snelde hij nu naar de ambulance, waar zich de

reserve-patronen bevonden. Niemand der inlanders wilde echter den

gevaarlijken tocht ondernemen.

Kort besloten nam hij toen zelf het vaatje op den nek en torste het

naar de versterking. Gelukkig bleek het dat bij de soldaten nog

patronen genoeg waren.

Het vuurgevecht had thans ongeveer een half uur geduurd. De kracht der

verdediging begon aanmerkelijk te verflauwen. Er scheen verdeeldheid

onder de muitelingen te heerschen.

Uit de benting klonk een verward geschreeuw, waarboven men de

uitdrukkingen: „balakoe ampoen!” (wij vragen vergiffenis) en: „mamoek

itah!” (laat ons amok maken) duidelijk kon onderscheiden.

Van deze stemming maakte de controleur gebruik om de bezetting tot

overgave te bewegen. Hij gelastte het kampong-hoofd Djaga Saki, wiens

schoonvader een der aanvoerders van de muitelingen was, dezen toe te

roepen om zich over te geven. Het duurde niet lang of bedoelde

schoonpapa sprong over de palissadeering, legde zijn wapenen af en gaf

zich gevangen. Spoedig volgden er meer. Een Dajak, die reeds zijn

geweer had afgegeven, trok onverwacht zijn mandau en wilde amok maken.

In het volgend oogenblik lag hij evenwel rochelend op den grond, door

den fuselier Bezem met een steek in de borst en een schot door het hart

doodelijk getroffen.

Een klein gedeelte der bezetting bleef op aansporing der hoofden den

strijd nog voortzetten. Daar weerklonken aan de andere zijde der

versterking klewangslagen. Het was de reeds genoemde Koesin, die met

een gedeelte der bezetting van Tewah bezig was de deur der versterking

te vernielen. Van alle zijden werd nu opgedrongen. De soldaten

beklommen, dapper voorgegaan door hun aanvoerder, sergeant Loessl, de

palissaden en kwamen, tegelijk met de hulptroepen onder Koesin, binnen.

Een kort, doch bloedig gevecht volgde nu. Bajonet, klewang en mandau

kruisten elkander en het wapengekletter vermengde zich met het gehuil

van den vijand. Weldra lag een gedeelte der muitelingen in hun bloed

badende op den grond; de overigen smeekten om genade.

Het restantje verdedigers, meestal hoofden, waaronder negen gewonden,

werd man voor man gevangen genomen. Toen volgde een treffend tooneel.

Bliksemsnel werd de hatelijke sultansvlag naar beneden gerukt en in

hare plaats ontplooide zich statig de Nederlandsche driekleur boven de

zoo hardnekkig verdedigde benteng.

Als op commando vlogen de helmen van de hoofden der soldaten.

Een oogenblik heerschte er eerbiedige stilte. Toen barstte het gejubel

los.

„Hoera!” brulden de soldaten.

„Halap, halap!” krijschten de Dajaksche hulptroepen.

Er scheen aan ’t gejuich geen einde te zullen komen.

De verliezen van den vijand waren groot. Veertien dooden bleven in de

versterking liggen, terwijl drieënveertig man, waaronder vele

panglima’s, waren gevangen genomen.

Thans werd overgegaan tot het vernielen van de benteng. De palissaden

werden omvergehaald en weldra verkondigde eene zware rookkolom en

daarna eene hooge vlam, ver in den omtrek aan de bevolking, hoe het was

afgeloopen met hen, die zich tegen het Nederlandsch gezag hadden

verzet.

Met verbeten woede zagen de gevangenen dit tooneel aan. Met op den rug

gebonden handen staarden de hoofden met verwezen blikken in de lustig

opflikkerende vlammen.

De toekomst was voor hen treurig genoeg!

Mocht het hun gelukken den strop te ontloopen, dan toch zouden zij hun

verder leven, verre van het vaderland, als dwangarbeider moeten

doorbrengen.

En, o, schande! wanneer een hunner zonen zijne moeder zou vragen: „Wijs

mij het graf mijns vaders, opdat ik vandaar mijn gebeden tot Allah

opzende!” wat zou zij moeten antwoorden?

Weenend zou zij vol schaamte het hoofd verbergen en antwoorden: „Uw

vader, die eens hier gezien was onder de hoofden des lands, is, verre

van zijn vaderland, in dienstbaarheid van heimwee gestorven, omdat hij

zich verzet had tegen den grooten vorst, die aan gene zijde van de zee

regeert.”

Schijnbaar onverschillig lieten de gevangenen zich aan elkander binden,

en onder behoorlijk geleide werden zij met de gewonden naar Toejoen

gebracht, waar zij nog denzelfden dag aankwamen.

Den volgenden morgen werd door den controleur eene bevolkingspatrouille

onder Temanggoeng Mankoe Kenjapi uitgezonden naar de bovenstrooms Tewah

gelegen vijandelijke benteng. Die versterking werd verlaten bevonden en

in de asch gelegd. De pretendent-sultan had met zijn gansche gevolg de

vlucht genomen, te laf om, evenals zijn verblinde volgelingen, zijn

vermeende rechten met de wapenen te verdedigen.

Rusteloos zwerft hij thans weder in de wildernis rond, totdat hij

eindelijk in de handen van onze troepen valt of getroffen wordt door

het staal van een zijner misleide slachtoffers.

Toen de colonne eindelijk te Toejoen terugkeerde, heerschte daar eene

recht feestelijke stemming. De militaire commandant liet onmiddellijk

„extra oorlam” blazen, (wees niet bang, vaderlander, voor eene

verhooging der koloniale begrooting: de luitenant betaalde het uit zijn

eigen zak).

In opgeruimde stemming verhaalden de soldaten aan de noode

achtergebleven kameraden hunne wedervaringen.

De aan beide handen verwonde fuselier Hess was reeds eenige dagen te

voren in de ziekenzaal opgenomen.

Bezem ging hem daar opzoeken. „Kerel, ik krijg nog een borrel van je,

weet je wel, we moeten dien pangelman (panglima) nog dood drinken.”

„Het spijt mij duivelsch,” antwoordde Hess, „maar het zit er niet aan;

mijn laatste kwartje heb ik gebruikt voor een brief aan de oude vrouw.

Het goede mensch zou anders misschien denken dat ik dood was.”

„Nu, dan zal ik trakteeren,” zei Bezem.

„Jongen, als de dokter het ruikt, ga ik de blokzaal [29] in”, merkte

Hess schertsend op.

„Ben je mal, het is vandaag feest, ga maar mee!” en Hess liet zich

meetroonen.

Een glaasje werd op beider gezondheid gedronken en de gewonde sloop

naar de ziekenzaal terug.

De regeering heeft de daden van den dapperen controleur en de

onversaagde troepen beloond.

Aernout en Loessl werden tot ridder 4e klasse der Militaire Willemsorde

benoemd. De Europeesche fuseliers Lebrun en Bezem en de inlandsche

fuselier Longko werden eervol vermeld, terwijl aan de districtshoofden

van Groot- en Klein-Dajak, Radhen Johannes Karsa Negara en Demang Anoem

Djaja Karsa de zilveren en aan de inlanders Koesin, Toen en Djaga Saki

de bronzen medaille voor moed en trouw werd toegekend.

Doch ook gij, Nederlanders, moogt dezen mannen, die elk uur van den dag

hun leven voor uwe belangen veil hebben, dankbaarheid toonen. Wanneer

zoo’n oud soldaat met dien „blikslagerswinkel op zijn d.....” [30] bij

u komt, laat u dan niet door zijn schuchter optreden afschrikken.

Zichzelf op den voorgrond plaatsen, heeft hij in zijn langen diensttijd

verleerd.

Vraag hem eens af, of hij gedurende zijn vele en langdurige

krijgstochten veel heeft moeten uitstaan en hij zal u glimlachend

antwoorden: „Mijnheer, wat zal ik u zeggen? We hebben wel eens honger

moeten lijden en lang moeten sjouwen voor we de kerels te pakken

kregen; maar dan hebben ze er duchtig van langs gehad.”

In die weinige woorden ligt een geheele lijdensgeschiedenis opgesloten.

Doch deze man heeft niet de phantasie van een Stanley, wiens

reisbeschrijving thans door iederen Nederlander verslonden wordt.

Een profeet is niet geëerd in zijn vaderland, vooral niet wanneer dat

vaderland Nederland heet.

Zie de uitgeteerde en vermagerde gezichten van onze Indische officieren

en soldaten eens aan, als zij in het vaderland herstel komen zoeken

voor hun ondermijnde gezondheid, om, wanneer ze weer eenigszins daartoe

in staat zijn, den strijd opnieuw voor u, Nederlanders, te gaan

aanvaarden. Vraag hun eens af of ze niet dagen lang met sabel of geweer

in de eene en het kapmes in de andere hand, in de Indische wildernissen

hebben moeten doordringen, evenals Stanley voor wien iedere gevelde

boom een eerezuil geworden is!

Vraag hun af of ze niet uit zuiver plichtgevoel dagen lang honger en

dorst gestild hebben met een handvol droge rijst en een slok stinkend

sawah-water!

Daarbij waren ze niet, evenals Stanley, omringd door laffe

natuurkinderen, die bij het afgaan van een geweer de vlucht namen.

Neen, dappere krijgers, die zich met de grootste doodsverachting in den

strijd stortten, waren dagelijks hun tegenstanders!

Hun leven hing bijna altijd aan de punt van sabel of bajonet. Wanneer

dan zulk een oud-Indisch soldaat tot u komt en u om eene voor hem

geschikte betrekking vraagt, die gij te vergeven hebt, laat dan die zoo

dikwijls belachelijk gemaakte „blikslagerswinkel” eene betere

aanbeveling zijn dan niets zeggende recommandatiebrieven. Dan zal er

eenmaal een tijd geboren worden dat elk gewezen Indisch militair met

trots zal kunnen zeggen:

„Ik ben koloniaal geweest.”

Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven · 第 13 / 14 题