DE BESTORMING DER BENTENG MANDOEROEIAN.

(Zuider- en Ooster-Afdeeling van Borneo, den 20sten Sept. 1883.)

„Sergeant! de kettingganger Panglima Alie is gedrost, en heeft van mij

een splinternieuw slagersmes medegenomen.”

Met deze woorden naderde de fuselier Van Zijl, die in de kleine

versterking te Moeara Teweh naast de betrekking van kok ook het

bloedige ambt van slachter uitoefende, den menagemeester. Deze trok een

bedenkelijk gezicht, krabde zich achter de ooren en zeide tot een

sergeant die in de nabijheid stond: „Dat heb ik wel zien aankomen. Hoe

kon men ook zoo onverstandig zijn om een veroordeeld Atjehsch hoofd

naar eene streek te zenden, waar de bevolking in verzet is en Mohamad

Seman nog veel invloed bezit?”

„Wat kan het jou schelen,” antwoordde de ander, „laat het civiel

bestuur dat maar uitmaken.”

„Je hebt gelijk,” mompelde de menagemeester en begaf zich naar den

sergeant-majoor, die de jobstijding aan den post-commandant overbracht.

Spoedig daarop rukten twee patrouilles uit, die in verschillende

richtingen in het woud op verkenning gingen, terwijl eene gewapende

sloep van den oorlogsstoomer, die voor de benteng op de Barito voor

anker lag, stroomopwaarts voer om zoo mogelijk den vluchteling in

handen te krijgen.

Tegen den avond keerden allen naar Teweh terug, wel met vermoeide

beenen, doch zonder Panglima Alie.

Eenige weken waren sinds dat voorval voorbijgegaan. Het leven van het

garnizoen bleef vervelend, zooals het alleen op buitenposten zijn kan.

De manschappen exerceerden, werden geoefend in het schijfschieten en in

hunne vrije uren speelden zij, onder het genot van wat slappe thee,

pandoer om een halven cent de 10 punten. De officieren exerceerden

natuurlijk ook mede, maakten daarna hun omberpartijtje (waarschijnlijk

hooger dan om een halven cent de 10 punten) en dronken daarbij geen

thee.

In dat gemoedelijke leven kwam plotseling verandering, toen op zekeren

dag het hoofd van een der omliggende bevriende kampongs in groote

opgewondenheid binnen de benteng kwam en den commandant mededeelde, dat

eene bende Doessoeners, onder bevel van den pretendent-sultan Mohamad

Seman, van de bovenstreken was afgezakt en vijandelijkheden begon tegen

alle kampongs, die geen gemeene zaak met hem wilden maken. Eenige dagen

later werd een troep, die van het schijfschieten terugkeerde, uit de

rimboe [24] beschoten. Daar de onzichtbare schutters zich op een

behoorlijken afstand hielden en waarschijnlijk ook een weinig aan

beverigheid laboreerden, bezorgde ons dat geschiet geen verliezen. Den

postcommandant werd de zaak evenwel een weinig te bar. Toen hij bekend

was geworden met de schuilplaats der opstandelingen, zond hij daarheen

een detachement infanterie onder aanvoering van een officier, dat den

vijand overviel, de benteng bestormde en met den grond gelijk maakte.

Doch indien de bevelhebber had gedacht daarmede den vijand onschadelijk

te hebben gemaakt, dan vergiste hij zich schromelijk. Elken dag traden

de opstandelingen brutaler op. Bij honderden nestelden zij zich op de

omliggende hoogten en richtten hun vuur op onze versterking en op het

oorlogsstoomschip Onrust.

Te Bandjermasin waren deze gebeurtenissen natuurlijk niet onbekend

gebleven. Op zekeren dag duidde dan ook eene rookkolom de nadering aan

van een stoomschip, en korten tijd daarna liet de Boni, tot groot

genoegen van het garnizoen, haar anker vallen voor de versterking,

medebrengende 60 man infanterie tot versterking van de bezetting. De

Doessoeners, die waarschijnlijk van oordeel waren dat twee schepen

gemakkelijker zijn te treffen dan één, namen nu ook de Boni onder vuur,

zonder evenwel veel schade aan te richten.

Een paar dagen later stoomden beide schepen met 100 man infanterie aan

boord de Barito verder op. Spionnen hadden bericht dat de vijand in het

stroomopwaarts gelegen Telok Mayang een sterken voorpost had opgesteld,

die zoowel de versterking te Teweh als de omliggende kampongs

aanhoudend verontrustte. De troepen, die de vijandelijke benteng van

twee zijden naderden, vonden haar verlaten, doch men kwam te weten, dat

de opstandelingen zich op ongeveer drie uren stoomens boven Teweh aan

eene linker zijrivier (de Lahei) op een 40 meter hoogen heuvel sterk

verschanst hadden. Aanvoerder van de bende was Panglima Alie, de

gevluchte dwangarbeider, die tegenover de bevolking volhield dat

Mandoeroeian—zoo heet de heuvel—voor onze troepen onneembaar was.

Dientengevolge waren, te oordeelen naar de ontvolkte kampongs, vele

gewapende mannen naar den vijand overgeloopen. Het werd daarom hoog

tijd dien Atjeher eens eene gevoelige les te geven. Op den 19den

September kwam daartoe de gouvernementsstoomer Djambi te Teweh aan, met

den resident, den gewestelijken militairen commandant en een

detachement infanterie van 50 man aan boord. Onmiddellijk werd met de

bevelvoerende officieren overleg gehouden, en besloten zoo spoedig

mogelijk tot den aanval over te gaan. Met onverholen vreugde werd deze

tijding door de troepen vernomen, vooral door de vaste bezetting, die

reeds zoo lang tot levende schijf gediend had, en zich zoo gaarne met

den vijand zou hebben gemeten, indien de postcommandant slechts het

bevel daartoe had willen geven. De aanval werd vastgesteld op den

volgenden morgen.

In de soldatenkamers ontstond nu groote bedrijvigheid. Hier gaf er een

zijnen geweerloop—toch reeds zoo blank als een spiegel—nog eens een

extra olielaagje; daar onderzocht een ander de scherpte van zijn

kapmes, kortom alles was leven en beweging.

„Zeg eens, Piet,” riep een fuselier zijnen kameraad Van Zijl toe, die,

met het hoofd tusschen de handen, met starre blikken voor zich uit zat

te kijken, „wil ik je vriend Alie niet de groeten overbrengen en hem

vragen of hij je slagersmes wil teruggeven?” Op deze woorden volgde een

schaterlach van de omstaande soldaten. De aangesprokene stond driftig

op en met een gelaat, vuurrood van toorn, verliet hij de kamer.

„Plaag dien armen kerel toch zoo niet,” bracht een oude korporaal in

het midden, „het is al hard genoeg, dat hij morgen niet mee mag, omdat

hij toevallig kok is.”

Eenige minuten later stormde Van Zijl, gloeiend van opgewondenheid, de

chambree weer binnen en riep luide: „Hoera! leve de kapitein! ik heb

vergunning gekregen om mee te gaan. Nu zal ik mijn mes zelf halen, of

de duivel mag het mij doen.”

Van alle zijden hoorde men met genoegen dat de bij zijne kameraden en

superieuren geziene kok, slachter, enz., mede van de partij zou zijn.

„Niet waar, Piet, van middag krijgen we grootere porties, is ’t niet?”

vroegen hem enkele manschappen.

„Loop naar de maan!” antwoordde hij en ijlde naar zijn heiligdom, daar

de hoornblazer reeds het signaal „voor den kok in de keuken” deed

weerklinken.

„Bruine boonen met spek,” mompelde de oude korporaal, terwijl hij met

welgevallen den neus in zijn menageketel stak. „Piet heeft eer van zijn

werk. Sedert Alie er met dat groote mes van door is gegaan, komt het me

voor dat de rations grooter zijn. Er bleef misschien veel aan dat mes

hangen.”

De manschappen schenen van dezelfde meening te zijn, ten minste er

heerschte eene diepe stilte, slechts afgebroken door het eigenaardige

geluid van etende menschen en het gekletter van lepels en vorken.

Daar knalden plotseling van buiten een paar schoten, eenige kogels

vlogen over de hoofden der manschappen en drongen in de wanden.

Verschrikt sprongen de jongere soldaten op. De oude korporaal bleef

echter rustig zitten en zeide kalm: „Bruine en blauwe boonen onder

mekaar kan geen korporaalsmaag verdragen. Zet de slaaptafels voor de

vensters!” en toen dat geschied was vervolgde hij: „Ga nou je gang maar

weer met eten.”

Er waren evenwel toch enkelen, die na dat geschiet weinig eetlust

hadden, daar eenige vijanden uit nabijzijnde boomtoppen een levendig

vuur onderhielden. Ook de officieren hadden hunne eetzaal op dezelfde

wijze gebarricadeerd om niet te veel blootgesteld te zijn. Allen

troostten zich echter met de gedachte: „morgen zullen we het jelui wel

afleeren.”

Reeds vóór de morgen, waarnaar zoo verlangd werd, was aangebroken,

stonden de manschappen van het garnizoen, die ook aan de expeditie

zouden deelnemen, op de binnenplaats aangetreden. Een paar gedempte

commando’s lieten zich hooren, en weldra marcheerde de troep naar

buiten om zich naar den rivieroever te begeven, waar de Boni gereed lag

om hen op te nemen.

Het was nog stikdonker, daarbij hing er een dichte nevel over het

water, zoodat men geen pas voor zich uit kon zien. Voelend en tastend

gingen de manschappen een voor een over de glibberige loopplank op het

stoomschip. Van de overige schepen was niets te zien. Slechts hoorde

men nu en dan het sissen van ontsnappenden stoom en het geluid van

menschenstemmen.

Op het achterdek van de Boni stond de luitenant-adjudant C., die in

plaats van den ongesteld geworden kapitein, wien aanvankelijk het

commando was opgedragen, de aanvaltroepen zou aanvoeren, in druk

gesprek met een paar andere officieren. Nu en dan ontsnapte hem eene

kernachtige verwensching tegen den nevel, die maar niet wilde optrekken

en het vertrek vertraagde. De handen schenen hem te jeuken.

Eindelijk—het was ongeveer halfzeven—klaarde het op en zette de

flottille zich in beweging. Voorop de Boni, daarna de Onrust en

eindelijk de Djambi. Toen eerstgenoemd schip in de nabijheid van de

kampong Ipoe gekomen was, zag de bemanning op grooten afstand eene

prauw, bemand met ongeveer tien personen, stroomopwaarts roeien. Zeker

waren dit vijandelijke verspieders, die onze komst moesten berichten,

althans te oordeelen naar de snelheid, waarmede zij zich uit de voeten

maakten, konden zij onmogelijk een zuiver geweten hebben. Het doel van

den tocht kon nu niet ver meer zijn.

Het was ongeveer drie uren na de afvaart, toen bij eene kromming der

rivier de vijandelijke versterking in het gezicht kwam. Hoog boven de

palissaden wapperde uitdagend de roode sultansvlag. Met volle kracht

stoomde nu de Boni vooruit. Alles was aan boord tot een gevecht in

gereedheid gebracht, doch aan ’s vijands zijde werd nog geen leven

bemerkt. Nauwelijks evenwel was het schip binnen het bereik van de

vijandelijke kogels gekomen, of een hevig vuur barstte los, zonder

echter belangrijke schade aan te richten. Men bleef natuurlijk het

antwoord niet schuldig. Een kort commando weerklonk, en een kanon van 5

cM. verhief zijne stem, om in den vorm van eenige ijzeren

suikerbroodjes de groeten over te brengen. Nog eenige

infanterie-salvo’s en de vijand liet de Boni ongemoeid, om meer

aandacht te wijden aan de Onrust en de Djambi. De Boni ging voor den

mond van de Lahei ten anker. De Onrust opende op ongeveer 500 meter

benedenstrooms het vuur, dat door den vijand levendig beantwoord werd.

De leiding der verdediging scheen niet in slechte handen te zijn. De

lilla’s [25] waren goed gericht, doch werkten weinig uit, daar de

afstand te groot was.

De Onrust had het ongeluk, dat bij eene poging om van de kleine

kanonnen op het achterschip gebruik te maken en daartoe dwarsstrooms te

gaan liggen, wegens den snellen stroom een anker moest worden gekapt.

Daarna stoomde dit schip voorwaarts, kwam 400 meter benoorden de

vijandelijke benteng weer ten anker en opende nogmaals het vuur, nu ook

uit een kanon van 16 cM. De projectielen, daaruit geworpen, konden

evenwel den heuveltop niet bereiken, daar aan het stuk geen voldoende

elevatie kon worden gegeven. Met des te meer nadruk werd evenwel het

vuur onderhouden uit de kleinere kanonnen, en blijkbaar niet zonder

gevolg.

De geschutstrijd had ongeveer een uur aangehouden, toen het

vijandelijke vuur eenigermate verflauwde, en de overste het oogenblik

gekomen achtte om tot den aanval over te gaan. Hij gaf dus last de

troepen te ontschepen. Vooruit twee sloepen van de Boni met den

voortroep onder het bevel van een luitenant, ten einde de nakomenden

voor een overval te beveiligen. Na een half uur stonden ongeveer 170

man, onder bevel van zes officieren, gereed het gevecht te beginnen.

Zooals reeds van de schepen was opgemerkt, was de benteng aan drie

zijden van zware verhakkingen voorzien, en moest men dus trachten aan

den achterkant (noordzijde) te naderen.

Een dajak, die door Panglima Alie genoodzaakt was geworden aan het

opwerpen der versterking mede te werken, doch later gelegenheid had

gevonden om te ontvluchten, werd door den controleur onder

voorspiegeling van eene ruime belooning overgehaald tot gids te dienen.

De man scheen niet bijster met die taak ingenomen, doch toen de

commandant van den voortroep hem toevertrouwde aan de zorg van twee

stevige fuseliers, die hem kort en bondig te kennen gaven, dat hij, bij

de minste poging tot ontvluchten, als zijnde geen schot kruit waard,

aan de bajonet zou worden geregen, schikte hij zich in zijn lot.

In de volgende orde werd afgemarcheerd: aan het hoofd eene spits van

zes man onder een sergeant, waarbij zich ook de commandant van den

voortroep bevond; onmiddellijk daarachter de voortroep, sterk 30

Europeanen en Amboineezen, vervolgens het gros van de voorhoede, de

hoofdtroep, sterk 79 man en eindelijk eene achterhoede van 30 man. In

de grootste stilte werd afgemarcheerd, slechts hier en daar kraakte een

dorre tak onder de voeten van een minder oplettend soldaat, doch een

bestraffende blik van den bevelvoerenden officier was voldoende om tot

meer voorzichtigheid aan te sporen. Na een marsch van een kwartier kwam

men voor een ravijn van ongeveer 10 meter diepte en 15 meter breedte,

met zeer steile wanden. Een boomstam moest hier als brug dienst doen.

De inlanders dansten er overheen alsof het een parketvloer ware

geweest; ook de commandant van den voortroep balanceerde nog vlug naar

den overkant. Moeielijker evenwel was de overtocht voor de volgende

manschappen, daar de dunne boomstam door de bemodderde voeten hunner

voorgangers glibberig was geworden. De meeste officieren en manschappen

gaven er dan ook de voorkeur aan om schrijlings den overtocht te

bewerkstelligen door het beurtelings verplaatsen van handen en

posteriora, een kunststuk, dat eenen luitenant, die een weinig dik was

uitgevallen, menigen zucht ontlokte. Dit veroorzaakte nog al oponthoud.

De voortroep zette inmiddels den marsch voort en kreeg, na ongeveer een

kwartier stijgen op aanwijzing van den gids, de benteng in ’t gezicht.

„Links aanhouden!” klonk het uit den mond van den luitenant. De steile

helling, waarvoor de gids den voortroep had gebracht, was voor eenen

aanval alles behalve gunstig. Sidderend als een espenblad verzocht de

gids, bevreesd voor de wraak zijner landgenooten, thans naar de

achterhoede te mogen gaan. Het werd hem toegestaan. Weldra was de

achterzijde der benteng bereikt. „Aan! vuur!” klonk het, en de knal van

het salvo, honderdvoudig door het gebergte weerkaatst, waarschuwde de

nog achter zijnde kameraden dat het doel bereikt was. Een krachtig

hoera weerklonk, en als in een wedren doorschreden de manschappen van

den voortroep de kleine ruimte, die den boschrand van de versterking

scheidde. Snel werden de geweren door de schietgaten gestoken en een

ware kogelregen op de binnen opgehoopte vijanden uitgestort. Deze waren

echter niet genegen spoedig den kamp op te geven.

Bijna borst tegen borst, slechts door de palissaden gescheiden, stonden

onze soldaten tegenover den vijand. Aanhoudend spoorde het Atjehsche

hoofd zijne onderhoorigen aan om eenen aanval met de blanke wapenen te

doen. De commandant, hiervoor beducht, trachtte tot tweemaal de benteng

te beklimmen, zeker dat hij door de soldaten gevolgd zou worden. Bij de

eerste poging evenwel ontving hij een schot door den linkerarm, dat hem

deed neerstorten. Ook de tweede poging mislukte.

Intusschen had de commandant der colonne zich bij den voortroep

gevoegd. Hij had sabel en revolver achtergelaten en alleen een dun

stukje bamboe in de hand, waarmede hij zoo nu en dan het stof uit zijn

broek klopte.

„Hij heeft gelijk,” mompelde de oude korporaal, „ik ken hem van Atjeh.

Als die een sabel in de vuist heeft en er moet gestormd worden, dan

houden hem geen tien paarden; maar nu moet hij zijn kop bij elkaar

houden.”

„Verduiveld,” mopperde Van Zijl, „mogen we er dan nooit in?”

Verlangend wendden zich veler blikken naar de plaats, waar de

commandant stond. Kalm en bedaard wees deze de nakomende troepen, die

door het overtrekken van het ravijn eenigszins waren opgehouden, hunne

standplaats aan. Eindelijk was ook de achterhoede aangekomen. Deze werd

zoodanig opgesteld, dat zij een aanval in den rug kon afwijzen. Spoedig

daarop weerklonk het commando „Attaqueeren!” Eenige fuseliers

klauterden als apen tegen de palissadeering op, terwijl anderen met de

van boord meegenomen handspaken en breekijzers eene kleine opening

maakten, waardoor andere manschappen binnendrongen en waarin de dikke

luitenant, die het op bovenvermelden boomstam zoo zwaar te

verantwoorden had gehad, bijna bleef steken.

Een Amboineesche fuselier was de eerste, die met zijn geweer boven het

hoofd te midden der vijanden sprong. Een Europeaan was de tweede. Van

Zijl, die met den uitroep: „Mijn broeder was ridder, ik wil het ook

worden!” in de benteng drong, vloog met opgeheven geweerkolf te midden

der zich met vertwijfeling verdedigende opstandelingen. Doch deze

konden tegen de steeds voorwaarts dringende soldaten geen stand meer

houden. Een klein troepje wierp zich nog met de woede der wanhoop op

onze manschappen, doch zij boetten die vermetelheid met hun leven. Toen

de overigen hunne voornaamste aanvoerders hadden zien vallen, greep een

panische schrik hen aan. In doodsangst vluchtten zij over de palissaden

en stortten zich van eene hoogte van wel 10 meter in de versperring,

die zij tot hunne eigene veiligheid hadden aangelegd. Achter hen

klonken de salvo’s der overwinnaars, waardoor nog menige vluchteling

gedood of gewond werd.

Het was ongeveer halfeen, toen de drie sultansvlaggen, die aan onze

soldaten den weg ter overwinning hadden gewezen, werden neergerukt, en

de Nederlandsche driekleur zich ontplooide, luide begroet door de

zegevierende troepen.

Het wekte verbazing te zien, hoe dit bolwerk door den Atjehschen

panglima gedeeltelijk naar de voorschriften der Europeesche

versterkingskunst was ingericht. Drie rijen schietgaten van bamboe

waren aan het ondereinde der palissadeering aangebracht en daarboven

een banket, van een afdak voorzien, ten einde geen last te hebben van

handgranaten. De kanonnen waren zóó opgesteld, dat zij het voorterrein

en de rivier geheel konden bestrijken.

Hoe hardnekkig de verdediging was geweest, bewezen 18 dooden binnen de

versterking en een tiental, die daarbuiten waren neergeschoten. Om de

gewonden heen stonden vele soldaten, vooral bij Van Zijl. Aller oogen

vestigden zich op den ouden korporaal.

„Heb je nog iets op je hart?” vroeg deze.

„Is Alie, die smeerlap, dood?” was de wedervraag.

„Hier ligt hij vlak bij je,” zei de korporaal op het lijk van den

panglima wijzende, wiens hoofd letterlijk verbrijzeld was.

„Ja, hij heeft me mijn mes in den buik gestooten, doch ik heb hem goed

op zijn kersepit geraakt.”

Allen wilden afscheid van hem nemen, doch hij drukte, geheel afgemat,

alleen de handen van den ouden korporaal.

Toen hij aan boord van de Onrust gebracht werd, waar de officier van

gezondheid zich bevond, had het leven hem verlaten.

Van Zijl was onze eenige doode. Gewond waren een officier en drie

fuseliers. Onder de gesneuvelden des vijands waren vijf hoofden,

namelijk: Panglima Alie; Pangeran Kertas Melajang, de Imam Mahdi, die

den heiligen oorlog geproclameerd had; Pangeran Praboe Anoem, een neef

van den pretendent-sultan; Panglima Naja, die den 27sten Februari een

prauw met levensmiddelen had overvallen en zeven der opvarenden gedood

had; Andin Loetoeng, een der voornaamste hoofden van de Soengei Lahei.

Vier kanonnen, vijf-en-twintig geweren en eene menigte klewangs, lansen

en mandau’s werden buitgemaakt.

Bij het lezen dezer regelen zou menigeen misschien geneigd zijn de

overwinning gering te schatten, wegens het klein aantal dooden en

gewonden, dat de aanvallers bekwamen. Dit zou evenwel onjuist zijn.

Niets ware den aanvoerder lichter gevallen dan de versterking in front

te doen aangrijpen. Ook dan zou de verovering wel gelukt zijn, maar

hoeveel dapperen hadden dan daarbij het leven niet moeten laten?

Welke ver reikende gevolgen onze overwinning moest hebben, kan hij het

best beoordeelen, die op de hoogte is van Indische toestanden,

inzonderheid van de Borneosche. Wie daaromtrent meer wil weten leze: De

Banjermassingsche krijg van 1859–62.

De Dajaks uit die jaren, ten minste die uit de bovenstreken, zijn nog

geheel dezelfden gebleven. Antassari is vervangen door Mohamad Seman.

Aanhoudend weet deze geslepen vorst de gemoederen dier natuurkinderen

op te winden en ze bij honderden ter slachtbank te voeren. Dit laatste

blijkt uit eenen opstand, die vier jaren later daar weer uitbrak en

eindigde met de verovering van Toembang Patangan.

Ware de bestorming van Mandoeroeian niet gelukt, dan zou als een

loopend vuur door het geheele land het gerucht verspreid zijn van de

onneembaarheid der benteng en de onoverwinnelijkheid van haren

verdediger Panglima Alie. De gevolgen zouden niet te overzien zijn

geweest.

Onze dappere soldaten en hunne kalme aanvoerders hebben dus door hunne

overwinning aan het Nederlandsche gezag eenen gewichtigen dienst

bewezen.

Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven · 第 12 / 14 题