„Oranje boven! De koningin is bevallen van een prins!” Onder luid hoera
van „de Eerste” had Jan Kloet, de grappenmaker der compagnie, deze
gewichtige woorden in de wachtkamer der manschappen geslingerd, waar de
verschillende korporaalsafdeelingen onder toezicht harer
sectie-commandanten ernstig bezig waren met wapens en uniformen in
gereedheid te brengen voor de parade op den dag van morgen, ’s Konings
verjaardag.
„Hoort maar, ze schieten op de reede”, riep Jan opgewonden. Het werd
doodstil in het vertrek. Allen spitsten de ooren. Werkelijk:
boem-boem-boem! dreunde het dof van de kust herwaarts.
„Waarachtig, het is een prins!” klonk het jubelend van alle kanten.
Slechts één was er, die een bedrukt gezicht zette. Dat was de dikke,
eeuwig hongerige Kees Kool. „Hoe jammer!” zuchtte hij, „hoe jammer!”
„Wat is jammer?” vroeg hem een Oranjeman met dreigend gebaar.
„Dat het niet een paar dagen vroeger of later gebeurd is. Je zult het
zien, de Oomes in Batavia laten de verjaardagen van den koning en den
kroonprins niet op twee achtereenvolgende dagen vieren, ze maken er één
dag van.
„Waar blijft dan onze dubbele menage? waar onze halve flesch wijn, de
oorlam en het kwartje, dat we op ’s konings verjaardag krijgen?”
„Bliksems, Kees heeft gelijk,” mompelden er een paar met lange
gezichten.
„Ja, ja,” ging hij intusschen voort „als de buikjes een armen soldaat
wat kunnen aftroggelen, dan doen ze dat met het grootste plezier. De
koning betaalt natuurlijk voor den kroonprins uit zijn eigen zak toch
onze dubbele menage, den wijn, den oorlam en het kwartje en dat
verdeelen de buikjes onder elkaar. Maar laten ze oppassen, dat onze
leger-commandant het niet merkt! Dat is een haan, die er van kraaien
zou. Ik heb een beetje verstand van politiek, want mijn neef, die ze
verleden jaar in Atjeh zijn linkervlerk hebben stukgeschoten, is
schrijver op de „weeskamer.” En als de schrijvers bij elkaar komen,
jongens, jongens, dan hoor-je mooie geschiedenissen.
„Mond houden!” riep nu de sectie-commandant: „Zie liever, dat je de
soepvlekken uit je uniform krijgt en hier—ratsch! vloog er een knoop
van de kapotjas—naai je knoopen steviger vast, waarachter je dien
dikken buik moet wegbergen. Als je morgenvroeg niet netjes op ’t appèl
komt, ben je zoo „zuur als azijn.””
Diepe stilte heerschte er na het scherpe sermoen.
Weer ging de deur open. De korporaal „van de week” verscheen. Hij trad
op de groep onderofficieren toe, die levendig gesticuleerend zich in
allerlei gissingen omtrent ’s prinsen bestaan verdiepten en zeide op
gedempten toon, maar nogtans luid genoeg om verstaan te worden door de
ademloos toeluisterende manschappen: „Ik kom van het staf-bureau. De
staf-fourier heeft een telegram van zijn collega in Batavia ontvangen:
er is geen quaestie van een kroonprins! Een paar vreemde oorlogsschepen
zijn gelijktijdig op de reede aangekomen en hebben zoo hard
gebombardeerd.” „O....o.o.o.o.o.o.. hoe jammer!” klonk het in het rond.
Adjuus, dubbele menage, oorlam, wijn, kwartje twee dagen achtereen.
Nog uren later werd er over den weggebleven kroonprins gemopperd en Jan
Kloet, de vader van het gerucht, kreeg mildelijk ribbestooten voor de
vervroegde geboorte-aankondiging.
Inmiddels werd gepoetst, dat de zweetdroppels van de voorhoofden
rolden, want morgen zouden ontelbare oogen er op uit zijn,
mat-blinkende knoopen aan de uniform en roestvlekken aan het geweer te
ontdekken. Eerst zou de korporaal, dan de sergeant, daarna de
luitenant, vervolgens de kapitein, ten slotte de majoor alles bekijken,
en wie weet? misschien zou ook de „toewan besaar” te Buitenzorg zijn
militaire been voorzetten en eveneens komen inspecteeren.
Voor het garnizoen van Meester Cornelis, dat eerst een kleine wandeling
van anderhalf uur moest maken, om het parade-veld op het Waterlooplein
te Batavia te bereiken, was het uitzicht op een parade volstrekt niet
aanlokkelijk, doch—zooals gezegd—de hoop op al de heerlijkheden, die
keuken en kelder (!) op dezen dag zouden bieden, voorts het bewustzijn,
dat duizenden kritische mannelijke en vrouwelijke blikken op hen rusten
zouden en dan de liefde voor den ouden koning, die onze Indische
generaals Verspijck en Van der Heyden zoo hoog in eere hield, oefende
op ieder afzonderlijk een bezielenden invloed uit.
Het donderend: „Er uit! Onder de wol uit!” der korporaals was ditmaal
dan ook overtollig. Nauwelijks waren de laatste klanken der reveille
weggestorven, of daar vlogen reeds dozijnen witte gestalten in het
schemerlicht der petroleum-lampen door de slaapzaal. Alles stormde naar
de kali, die weldra op een met zeepschuim gekroonde waschtobbe geleek,
waaruit proestende hoofden te voorschijn staken. Daarop ging het naar
de keuken, waar de koelie de koffie uit den pruttelenden ketel schepte
en de sergeant onder een hoeraatje de op koningsverjaardag’s met ham
belegde broodjes verdeelde.
Vijf minuten tijd, om de traktatie naar binnen te werken. Daarna werden
weder de knoopvorken gezwaaid, de lemmetten der kapmessen blonken in de
lucht, geweerkolven dreunden op den vloer.
Als weer vijf minuten verloopen waren, weerklonk het langgerekte
commando: „Aantreden!” en stommelend ging het de trap af. Zien kon men
niet veel—het was pikdonker—maar hooren kon men iederen
sectie-commandant.
„Eerste sectie hier aantreden!” bulderde een zware stem. „Kerel, steek
me je bajonet niet door het lijf!” dreunde de bas van den sergeant aan
den linkervleugel.
Nog een poos lang duurde het rumoer; eindelijk riep een heldere stem:
„Geeft acht!” terstond gevolgd door een doodelijke stilte, die slechts
verbroken werd door het geluid van eenige zware voetstappen en het
kletteren van een sabel. De kapitein naderde en ontving het rapport uit
de handen van den oudsten luitenant. Daarop trok hij de sabel, enkele
commando’s weerklonken en met zwaar-dreunenden stap marcheerde „de
Eerste” de poort door aan het hoofd van het bataljon. Daar stonden
reeds de élèves der militaire school in het gelid, die hun geleerde
gezichten naar een venster gekeerd hielden, waaraan bij het licht van
kaarsen het frissche kopje van onze mooie „majoorsche” zichtbaar was.
In de verte weerklonken tromgeroffel en hoorngetoet. Het kwam nader en
nader. Een donkere massa golfde bijna onhoorbaar naderbij. Het was de
derde compagnie, louter Javanen, wier supérieuren juist bij een parade
het gemis van schoenen bij hun ondergeschikten smartelijk gevoelen. Het
oor wil zich toch ook verkwikken aan den zwaren paradestap, zooals het
oog aan de zuiver rechte lijn der gestrekte voeten.
Nu kwam de muziek. Ternauwernood was zij opgesteld, of de
bataljons-commandant kwam zijn woning uit. Commando’s weerklonken en
vereenigden zich met het gekletter der wapenen; de muziek speelde den
parademarsch en onder die tonen reed de majoor langs het front. Maar
zelden kreeg men den kleinen, dikken heer te aanschouwen; doch als hij
verscheen en zijn oog over de colonnes liet gaan, dan schenen de lange
rijen in breedte en hoogte te groeien. Met verdubbelde rotten ging het
nu den grooten postweg naar Batavia op, waar tusschen het geboomte de
woningen der officieren vriendelijk uitkeken en vrouwtjelief den
kranigen echtgenoot kushandjes tot afscheid toewierp.
De natuur ontwaakte. In de twijgen der bosschages werd het levendig. De
vogels piepten en krijschten. De wind ruischte zachtkens door de
bladeren en schudde millioenen dauwdruppels naar omlaag. Daar brak de
zon door, die roodgloeiend achter de woudreuzen was opgegaan en met
haar stralen alles overstroomde. De punten der bajonetten schitterden
alsof zij in purper waren gedoopt; zij wedijverden in vroolijken glans
met de opgewekte gezichten der dragers. Een overvol gemoed gaf zich
lucht in het heerlijke lied: „Wilhelmus van Nassouwen” en, kon men er
ook zoo goed niet op marcheeren—het gezang plantte zich van compagnie
tot compagnie voort—echt en goed gemeend was het toch.
Bij het binnen-marcheeren van Kramat kon men bemerken, dat er iets „aan
de hand” was; alle huizen waren gesloten en slechts enkele dos à dos
snelden zoo vlug als de wind in één en dezelfde richting. Een eindweegs
verder stiet men op groepen feestelijk uitgedoste Javanen en Chineezen;
ook eenige „klipsteenen”, die zich de weelde van een „kar” niet konden
veroorloven, bevonden zich onder hen.
Van de „haute volée” was nog niets te bemerken. In sierlijken galop
kwam nu een adjudant ons bataljon te gemoet; waarschijnlijk bracht hij
beschikkingen, omtrent onze opstelling over, want hij wees naar het
Waterlooplein, welks boomreeksen ons, het welkom toewenkten. Onder de
vroolijke tonen van den Lindenau-marsch zwenkten wij de allee in en
marcheerden met krachtigen pas, langs het garnizoen van Weltevreden,
naar onze stelling.
Van daar uit hadden wij een prachtig gezicht over het geheele terrein.
Tegenover ons stond de „Schutterij”, goed in rijen geschaarde in het
wit gekleede „buikjes”, die, in zwarte sabelkoppels gesnoerd, op
fraaie, vlekkelooze winkelprentjes geleken. Rechts reden ons de
elegante equipages der suiker-baronnen en koffie-graven voorbij,
waaruit vrouwenoogen fonkelende blikken wierpen, die in schittering
wedijverden met de talrijke briljanten der eigenaressen. De
afwisselende tooneelen deden hitte en dorst vergeten.
Eensklaps rekten zich alle hoofden naar ééne richting; er liep iets als
een huivering door de lange, blinkende rijen. In fieren galop kwam een
ruiter over het groote plein aangesneld.
Donderende commando’s ontwelden aan zijn mond en de bataljons stonden,
of zij uit erts waren gehouwen.
Omgeven door een schitterenden stoet officieren naderde nu een vergulde
heer, die lang niet onverschillig was onder de wilde sprongen van zijn
door de drukte schichtig geworden schimmel. Waarschijnlijk om niet
Moeder Aarde te moeten kussen, beval hij een knecht het dier vast te
houden en verdeelde nu zijn aandacht tusschen het paard en de voor hem
’t geweer presenteerende troepen. Misschien dacht onder dezen menigeen:
„Nu, die ziet er ook niet naar uit, of hij ’t onderscheid kan zien
tusschen een knoop, die vastgenaaid en één die met een lucifer
bevestigd is.”
De gouverneur-generaal—want dat was de heer op den schimmel—was zeker
blij dat hij weer rustig kon stilzitten en ons laten voorbijmarcheeren.
Vol waardigheid zag hij op de colonnes der compagnie neer en glimlachte
goedkeurend, zoo dikwijls de beenen der manschappen als uit een kanon
geschoten zijn schimmel op eenigen afstand langs den neus vlogen.
Een heerlijke aanblik was het, toen artillerie en cavalerie op hun
kleine, flinke paarden als een wervelwind over het paradeveld stoven.
De schimmel had gaarne, zonder verlof van zijn heer, meegerend, maar
een adjudant naast het dier liet het niet toe.
Men moet eerlijk erkennen; een parade, die niet door een militair wordt
geïnspecteerd, mist haar doel. Officieren en soldaten verlangen
waardeering der afgelegde proeven. En zoo hun die ook in ruime mate
wordt geschonken, zij verschaft hun niet de gewenschte voldoening, want
zij is niet die van een deskundige; ze blijft een nietszeggend
compliment. De soldaat is er toch steeds op uit, om van elke situatie
de belachelijke zijde op te merken en als dit ten koste van den
hoogstgeplaatsten persoon des lands geschiedt, dan lijdt diens prestige
daardoor.
Er werden dan ook veel „moppen getapt”, toen na afloop der parade het
bataljon zich door het stof, dat een voet hoog den weg bedekte, weder
naar het garnizoen van Meester Cornelis voortbewoog. Verzengend schoten
thans de zonnestralen op de witgepoederde soldaten neer, die elkander
de beloofde heerlijkheden uit den kelder (?) voorspiegelden, om
zoodoende den dorst nog te vergrooten.
„Nog maar een halfuurtje stevig doormarcheeren en dan zijn we er”,
hoorde men allerwege.
Het zou niet eens zoo lang duren. Met de snelheid van den wind trokken
achter ons dichte wolkenmassa’s op. Het opgejaagde stof herschiep ons
in wandelende molenaars, die door onheilspellend rollende donderslagen
letterlijk tot den looppas werden aangezet. Het mocht niet baten; met
een onweer in Indië kan men niet om het hardst loopen. Binnen weinige
minuten stroomde ons het water uit de schoenkappen.
Voor de eerste sectie had het onweer ten minste nog een nuttige zijde.
De bombardonist die voor haar uit marcheerde, hield namelijk de
windpijp van zijn instrument uitdagend ten hemel en verzamelde het
stroomende nat. De een na den ander mocht dan aan het mondstuk van den
bombardon zuigen en zijn dorst lesschen. Het was wel niet smakelijk,
want de man pruimde, maar het deed toch goed.
Twee uur later zat de geheele compagnie bij de dubbele menage en de
halve flesch wijn en Kees Kool hield een redevoering waarin hij het
Oranjehuis elk jaar een mannelijken telg toewenschte. „Maar niet op
denzelfden dag, want de oomes in Batavia... we weten er alles van.”