Een oom van mij, die zich reeds op zijn twintigste levensjaar in zulk
een lichaamsomvang verheugde, dat ’s konings rok hem te klein was,
verklaarde mij dikwerf hoofdschuddende: „Ik begrijp niet, hoe het
mogelijk is, dat soldaten met den ransel op den rug, het geweer op den
nek en een massa patronen voor den buik, bij een hitte van tachtig
graden op den stoffigen straatweg zingen kunnen.” Deze zienswijze was
den goeden man niet kwalijk te nemen. Het ging hem juist als vele
Hollandsche staatsburgers, die nog nooit het schoone lied hebben
medegezongen: „O, welk een lust soldaat te zijn!” maar zich voor een
paar honderd gulden iemand koopen, die voor hen dezen lust botviert.
Hij weet niet, dat het een zeer slecht teeken is, als een kolonne stil
haars weegs gaat; als de manschappen met slependen tred en hangende
hoofden achter elkander aanstrompelen. Dan duurt het niet lang meer, of
de een na den ander zakt aan den kant van den weg ineen, bleek als een
doode, bezwijkende van vermoeienis. Welk een verschil tusschen zulk een
troep en één uit welks rijen, van de eerste sectie tot de laatste, de
melodieën van bekende marschliederen weerklinken. Als op de parade, zoo
gelijk gaan de beenen op en neder; het is of de geheele kolonne
marcheert als één man, en trotsch schrijdt zij voorwaarts. Geleden zijn
honger en dorst, verdwenen is alle vermoeidheid. De officieren weten
dat wel. Zij wekken hun manschappen tot zingen op en stoppen ook de
ooren niet dicht, als er zoo nu en dan een lied onder doorloopt,
waarvan het refrein een keukenprinses misschien zou doen blozen. Het
kan zelfs voorkomen, dat de gestrenge heer kapitein in eigen persoon
aan den koorzang deelneemt en enkele klanken uit zijn keel laat
opwellen, die van de gebruikelijke commando’s ten eenenmale afwijken.
Deze eer viel der eerste compagnie van het 1e depot-bataljon in
Meester-Cornelis herhaaldelijk te beurt, want haar kapitein was een
zeer muzikaal man, van wien zelfs het gerucht liep, dat hij in zijn
ledige uren viool speelde. Was het bataljon uitgerukt tot het maken
eener militaire wandeling en weergalmde zoo om en bij de „Berenlaan”
het commando: „uit den pas”, dan kon men onzen kapitein ook weldra
hooren roepen: „Komaan, jongens, doet nu eens flink den mond open,” en
daarop hief de geheele „eerste” het bekende Piet Hein aan, dat het een
lust was om te hooren. Was het Piet-Hein-lied uitgezongen, dan volgde
Die Wacht am Rhein en daarna de Marseillaise of eerst de Marseillaise
en dan Die Wacht am Rhein, al naarmate het grootste gedeelte met de
eene of andere hymne instemde. Bij dergelijke gelegenheden verbaasde ik
mij steeds over het gebrek aan Hollandsche soldatenliederen in het
Indische leger. Piet Hein was vrij wel het eenige lied, op welks
kranige, rythmische melodie men goed kon marcheeren. De overige
liederen waren grootendeels van draaiorgels afgeluisterd en van alles
behalve geestige teksten voorzien, als: „Ik zal het zeggen aan je
moeder,” of „Hou jij van soep met balletjes?” enz. Waarschijnlijk ook
lachte daarom de kapitein zoo welwillend, toen ik hem, bij gelegenheid
van het compagniesrapport, om de vergunning verzocht, een
zangvereeniging te mogen oprichten. Toevallig was mij een Duitsch
liederenboek voor vierstemmigen mannenzang in handen gekomen en daarop
had ik mijn plan gebouwd. De kapitein gaf zijn toestemming. Hij scheen
het niet meer dan natuurlijk te vinden, dat een sergeant, die dagelijks
vijf uur geëxerceerd, twee uur theoretisch onderwijs gegeven en nog
weder vijf uur als „sergeant van de week” in de kazerne
rondgegaloppeerd heeft, behoefte had aan eenige uitspanning.
Intusschen was deze uitspanning wel van ietwat twijfelachtig gehalte,
want het kwam er hier op aan bij een hitte van 70° negen Duitschers en
drie Hollanders in de geheimen der edele toonkunst in te wijden. Als
kunsttempel fungeerde de eetzaal der onderofficieren. Dat was een groot
euvel, want de etenslucht, die was blijven hangen, bewerkte steeds, dat
de zangers binnen het eerste halfuur het water in den mond kregen en
dat kon men den menschen niet kwalijk nemen; immers zij hadden honger.
Bij het eerste bataljon is namelijk de etenstijd zoo vastgesteld, dat
het laatste maal des middags omstreeks half vier verstrekt wordt. Na
dien tijd krijgen de manschappen niets meer voor des anderen daags 5
uur in den morgen, wanneer zich de jeukende maag aan koffie met brood
mag te goed doen. In dien tusschentijd moet er echter nog twee uren
dapper geëxerceerd worden. De honger is dus volkomen gerechtvaardigd.
Ik kon den menschen evenwel niets anders aanbieden dan de noten bij het
lied van Abt: Die Abendglocken klingen. Ze slikten die dan ook met het
grootste genoegen, doch werden er niet dik van. Bij het instudeeren
bediende ik mij van een guitaar, die onder de tropische hitte reeds
danig had geleden. De gelijmde klankbodem was losgegaan en had met de
spijkertjes van een sigarenkistje weer bevestigd moeten worden, door
welke bewerking de toon van het instrument nu juist niet aan
welluidendheid had gewonnen. Ook waren twee snaren onder den tand des
tijds bezweken en moest ik met de grootste behendigheid op de bassnaar
manoeuvreeren, om daaraan de vereischte melodie te ontlokken. Deze
klonk dan ook zeer erbarmelijk en herinnerde in niets aan de bekende
„Abendglocken”.
Niettemin scheen zij een bijzonderen indruk te maken op de
toeluisterende Javaantjes. Waar sinds de eerste repetities een stuk of
wat van die kereltjes bijeenstonden of -zaten, daar hoorde men hen
neuriën: „Abenlokkenlingen, Abenlokkenlingen.” In de slaapzaal, bij het
baden, zelfs in de keuken bromde de Javaansche koelie:
„Abenlokkenlingen.” Wat hielp het, of ik den kerels al toebulderde:
„Houdt den mond!” Geheel in gedachten neurieden zij een minuut later
weder „Abenlokkenlingen.”
Maar dit concert zou ten slotte nog zijn te verdragen geweest, echter
niet dat mijner scholieren, die in den eersten tijd de vastgewortelde
overtuiging niet prijs wilden geven, dat het lied unisono gezongen
moest worden. Mocht het al zijn, dat ik de tweede tenoren of bassen zoo
ver had gekregen, dat zij, ieder afzonderlijk, hun melodie vlekkeloos
konden voordragen, nauwelijks zongen zij te zamen, of het tonengebouw
lag weder in puin. Zegepralend schetterde dan de geheele schaar
eenstemmig: „Die Abendglocken klingen.” Toen ik na wekenlangen strijd
toch eindelijk in het slechte gehoor mijner leerlingen bres had
geschoten en mijn begrip van vierstemmig gezang tot hen was
doorgedrongen, overkwam mij het ongeluk, dat een mijner eerste tenoren
ziek werd en in het hospitaal moest worden opgenomen. Wilde ik de
schitterende uitkomst mijner volharding nu niet weer verloren zien
gaan, dan moest ik onvoorwaardelijk zelf inspringen, want er viel niet
aan te denken, de opengevallen plaats door een ander te doen innemen.
Nu zal mij ieder maar eenigszins muzikaal ontwikkeld mensch toegeven,
dat het iemand, die zoo half en half reeds als bas in de wereld is
gekomen, wiens stem in den loop der jaren zich voortdurend meer in de
laagte heeft uitgezet en die ten gevolge van zijn functie als sergeant
zedelijk verplicht is zijn keel, bij het omscheppen van gewone
stervelingen in soldaten, dagelijks buitengemeen in te spannen,—dat het
zoo iemand, zeg ik, uiterst zwaar moet vallen zijn stem eenige octaven
hooger te schroeven. Doch is een Indisch sergeant niet tot alles in
staat, als hij door ’t noodlot gesard wordt? Spoedig tot een besluit
gekomen, sloot ik mij in mijn kamer op en traineerde mijn stem in de
hoogste falset. Kon ik het helpen, dat de schoonste tonen altijd
oversloegen en af en toe een geluid werd voortgebracht, dat precies op
dat van een hond geleek, dien men op den staart trapt? Mijn Javaantjes
waren aanvankelijk geheel in de war over mijn gewaagde
strottenhoofdexercitiën en meer dan eens hoorde ik hen achter mijn rug
mompelen: „Kassian! sergeant pandjang sakit proet.” (De lange sergeant
heeft buikpijn). Ik vervolgde onversaagd mijn glibberige loopbaan als
tenor en bereikte eindelijk het stadium, dat ik het wagen kon mij te
laten hooren. Voorzichtigheidshalve stemde ik evenwel bij voorbaat mijn
guitaar nog drie tonen lager. Dit verschil scheen zelfs mijn
tweede-bassen—terloops gezegd de domsten mijner leerlingen—op te
vallen, want één hunner veroorloofde zich de opmerking, dat de
„Abendglocken” veel lager gestemd waren dan vroeger. Maar daar diende
ik hem op! „Weet je iets van de harmonieleer en het contrapunt af?”
vroeg ik hem. En toen hij daarop „neen” antwoordde, snauwde ik hem toe:
„Houd dan je mond!”
Nu wist ik wel is waar zelf niets van de geheimenissen dezer zuilen der
toonkunst en had een sterk vermoeden, dat ook de „Abendglocken” er
geheel vreemd aan waren, doch men mag, om der wille van de discipline,
bij een soldaat nooit het denkbeeld doen opkomen, dat er iets ter
wereld bestaat of bestaan kan, waarvan de sergeant—en vooral de
Indische sergeant—geen kennis draagt. Maar helaas, ik kon er mijn
bassen niet toe krijgen, drie tonen lager te zingen. Zij vertrokken den
mond wel op alle mogelijke manieren en zetten daarbij de jammerlijkste
gezichten, doch de tonen, die zij zoodoende voortbrachten, waren
werkelijk onbruikbaar. Ten slotte maakten zij strike, dat wil zeggen,
zij hielden den mond. Daarin had zelfs de strengste kapitein geen grond
kunnen vinden om de kerels in „Zijner Majesteits snuifdoos” te stoppen;
zij konden toch even zoo min lager komen, als het mij mogelijk was om
hooger toon te bereiken. Wij luidden derhalve een tijd lang de
„Abendglocken” niet meer, tot groot leedwezen mijner Javaantjes, maar
legden ons op marschliederen toe, totdat mijn tenor behoorlijk rijp zou
zijn. De kapitein keek zielsvergenoegd, toen wij ons bij den
eerstvolgenden „militairen marsch” aan het hoofd der compagnie stelden
en het eene lied na het andere aanhieven, met welks slotrefrein dan
steeds de geheele compagnie instemde.
Het best beviel hem de marsch:
„Wenn die Soldaten durch die Stadt marschiren,
Oeffnen die Mädchen Fenster und Thüren,
Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum Vallera,
Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum!”
Dat „Bum Vallera” heeft mij menige sigaar van hem opgebracht en zeker
ook mij menigen dag kamerarrest genadiglijk bespaard. Na eenige weken
was het met mijn tenor eindelijk in orde.
Het was hoog tijd, want St. Nicolaas stond voor de deur en wij hadden
van den kapitein de opdracht gekregen, in de officieren-sociëteit, ter
gelegenheid van het kinderfeest, eenige passende liederen te zingen.
Als eerste nummer op het programma prijkte het Wien Neerlandsch bloed.
Later werd beweerd: men had van den tekst geen woord verstaan, wij
hadden even zoo goed „Sauerkraut mit Leberwurst” kunnen zingen; doch
dat zal wel vuige laster geweest zijn. Het tweede lied heette: O du
fröhliche Weihnachtszeit, en het slot vormden Die Abendglocken.
Ik beefde aan handen en knieën, toen ik met mijn schaar het podium
betrad en een heimelijken blik op het publiek wierp. Daar, geheel
vooraan, in de eerste rij, zat de bataljonscommandant, wiens gestreng
voorkomen scheen uit te drukken: „Kerel, voor elke noot, die je valsch
laat zingen, krijg je een dag kamerarrest.” Daar achter, naast een
pilaar, stond mijn kapitein met dreigend opgeheven vinger, schijnbaar
om mij moed (?) in te spreken, en naast mij in de coulisse verscheen
mijn peletonscommandant, die mij toefluisterde: „Sergeant, je hebt
immers geen dirigeerstok.” Gerechte hemel, daar had ik in ’t geheel
niet aan gedacht! Gewoonlijk had ik daarvoor mijn wijsvinger gebruikt
en, wanneer ik wat in vuur kwam, mijn guitaar. „Luitenant, zou u zoo
goed willen zijn, mij uw potlood te leenen?” smeekte ik, en hij was zoo
menschlievend, mijn verzoek in te willigen. Nu kon het beginnen. Ik
draaide mij met knikkende knieën naar het publiek. Daarbij gevoelde ik
mij zoo ellendig, dat ik onder het maken van mijn buiging bijna van het
podium naar beneden in den schoot van mevrouw de majoorsche zou
gevallen zijn; maar, God zij dank, brachten mij de glimlachende
damesgezichten weder in evenwicht. Nu verhief ik het potlood, telde
een, twee, drie, en zette mijn tenor in beweging. Het Wien Neerlandsch
bloed liep uitstekend van stapel, ofschoon niet zonder dat „von der
Stirne heiss” mij „der Schweiss” droop. Luide toejuichingen waren het
loon voor den moeitevollen arbeid. Alleen de bataljonsadjudant moest
weer eens een aanmerking maken. „Je moet bij het dirigeeren den arm
meer zwaaien, niet zoo gebogen staan en het hoofd niet zoo voorover
laten hangen,” zeide hij. De goede man begreep blijkbaar niet, welk een
reuzenarbeid op mijn schouders drukte. Een tenorpartij zingen, voor
twaalf man angst uitstaan en daarbij nog de maat aangeven, dat scheen
hem zeker maar een kleinigheid. Ik zou er ook nog den arm bij moeten
zwaaien! Om dat alles te doen en bovendien het hoofd omhoog en de
schouders naar achter te houden, zou men de legercommandant in hoogst
eigen persoon moeten wezen. Dien kan niemand het lastig maken, als zijn
stem overslaat, doch een sergeant kan men het wel doen. Natuurlijk
hoedde ik er mij voor, den adjudant mijn gedachten bloot te leggen,
maar beloofde beterschap. De beide andere nummers werden eveneens
schitterend uitgevoerd; vooral de „Abendglocken”, waarbij mijn tenor in
smeltende klanken over de golvende tonenzee heenzeilde, oogstte
daverenden bijval. Zelfs de dikke bataljonscommandant—van wiens
muzikaliteit men verhaalde dat hij alleen met militaire signalen ophad
en van deze het meest met het signaal voor het middageten: „Ketels in
de keuken! Kamerwacht geef acht!”—zelfs hij knikte goedkeurend! De
beste waardeering voor hetgeen ik gepresteerd had, vond ik evenwel in
mijn kamer, werwaarts ik eenigen tijd later terugkeerde, en wel in den
vorm van een flesch rooden wijn en een kistje sigaren. Ik vermoedde,
dat deze goede gaven van den kapitein afkomstig waren. Intusschen brak
ik mij het hoofd daar niet lang mee, maar ledigde de flesch tot op den
bodem. Daarop kroop ik onder de wol. Mijn Javaantjes zongen mij een
slaaplied. Het luidde: „Abenlokkenlingen”.