MIJNE EERSTE HUISHOUDSTER

Tot nog toe werd ik steeds uitgelachen, wanneer ik iemand vertelde, dat

ik, als korporaal van het Indische leger, mijne eerste huishoudster

alléén nam om geen honger meer te lijden.

Ik kan ’t den menschen niet euvel duiden dat zij lachen; want naar

Europeesche begrippen, schaft iemand, die doorgaans honger lijdt, zijne

huishoudster af. In Indië d.w.z. in het Indische leger, zijn er evenwel

vele toestanden, welke geheel verschillen van die eener Europeesche

maatschappij. Zoo’n Javaansche soldatenhuishoudster komt in

verschillende opzichten overeen met een Franschen kok. Maakt de laatste

misschien uit een paar oude schoenzolen een ragoût met pikante saus, de

eerste gaat verder: zij maakt uit niets—iets. Als zij namelijk voor

haar „laki” niets te schaften heeft, ziet zij er weinig bezwaar in om,

waar ze eenigszins kan, op geslepen wijze het noodige machtig te

worden; en daartoe wordt menige Javaansche vrouw, die het ongeluk heeft

met haar gebieder bij een depot-bataljon terecht te komen, bijna

gedwongen.

Ik moet ronduit verklaren, dat de pas bij de depot-bataljons aangekomen

soldaten honger lijden. Uit de volgende „schaftorder” kan men zulks

spoedig gewaar worden.

Des morgens ontvangt ieder soldaat koffie en een broodje, zwaar 2 H.G.,

waarvan natuurlijk geen kruimel overblijft; om 10 uur wordt soep met

vleesch en rijst en ten 3½ ure rijst, sajor (groenten) en een

miniatuur-portie vleesch verstrekt. Van 3½ uur ’s namiddags tot den

volgenden morgen 5 uur is het pauze, ofschoon een vermoeiende exercitie

van 4½–6 uur waarlijk voldoende is om het sobere maal te doen verteren.

Van de waarheid hiervan heb ik mij herhaaldelijk overtuigd, wanneer ’s

avonds om 7 uur het signaal voor ’t eten der onder-officieren gegeven

werd. Dan slenterden vele pas uit Europa aangekomen recruten, waaronder

mannen met aartsvaderlijke baarden, die zich nog niet aan rijst met

sambal hadden weten te gewennen, om de onder-officiers keuken rond,

terugsnakkende naar het Harderwijker kommiesbrood, als vroeger de

kinderen Israëls naar de vleeschpotten van Egypte.

Waren eindelijk de onderofficieren opgestaan en verscheen de kok met

den kookketel, waarin het restant boeboer (rijstebrei) zich bevond, dan

vielen de mannen er als uitgehongerde wolven op aan, om ieder zijn deel

machtig te worden.

Hoe dikwijls heb ik zelf niet in den droom, schotels welriekende Knödel

als een fata morgana voorbij mij heen zien trekken!

„Zijn er dan in Indië geen keukendragonders?” zal misschien menig lezer

vragen, die zich moeilijk een soldaat anders kan voorstellen dan aan

den arm van eene keukenprinses, die hem behoorlijk van het noodige

voorziet.

Het antwoord moet luiden: „Helaas, neen!”

Het ergste is nog, dat het Gouvernement zich volstrekt niet gedrongen

voelt om in dat gebrek ook maar eenigszins te voorzien. Met het oog

hierop is het dan ook niet te verwonderen dat vele soldaten, ziende

welk een naarstigheid zoo’n inlandsche huishoudster ten toon spreidt,

besluiten ook den stap te wagen, zoodra zij zijn afgeëxerceerd.

Bovendien gebeurt het niet zelden dat zulk een morganatisch gehuwd

fuselier als zindelijk en oppassend soldaat aan anderen ten voorbeeld

wordt gesteld.

In den beginne is het moeilijk met dien toestand vrede te hebben. Die

paartjes huizen namelijk met andere soldaten in dezelfde kamer, doch,

het zij hier onmiddellijk bijgevoegd, iets wat aanstoot kan geven, komt

hoogst zelden voor. Bij de inlandsche vrouwen toch, is over ’t algemeen

het schaamtegevoel sterk ontwikkeld en zij kunnen in dit opzicht op

verre na niet gelijk gesteld worden met hare zusteren in Europa, die in

dezelfde omstandigheden verkeeren. Bovendien wordt de overtreding van

het zesde gebod streng gestraft.

Zij wordt uit het kampement gejaagd en hij gaat voor veertien dagen de

provoost in. Voorwaar geen aanlokkend vooruitzicht!

Na deze kleine uitweiding moet ik mij weer met mijn eigen ik bezig

houden. Een machtwoord van den allesvermogenden bataljonscommandant had

mij als korporaal overgeplaatst bij eene inlandsche compagnie, waar

vóór eenige dagen een detachement kersversche Javaansche recruten was

aangekomen. Mijn escouade alleen was ± 50 man sterk, waarlijk geen

kleinigheid, wanneer men nagaat, dat de meesten zelfs niet wisten hoe

ze een broek moesten aantrekken. Vermoeienis en wrevel waren dan ook

aan de orde van den dag en gaven mij soms een geweldigen honger.

Tot mijn ongeluk moest ik mijn menageketel in de keuken der Europeanen

doen afhalen.

„Tot mijn ongeluk!” zeg ik, want de tamboer, die gewoon was mij het

maal te brengen, hield zulk een nauwkeurige inspectie over mijn

soepketel, dat ik alleen beenderen af te kluiven kreeg. Ook wist hij,

misschien met de beste bedoelingen, het zorgvuldig dáárheen te leiden,

dat ik mij niet te buiten ging aan gebakken visch. Meestal toch

ontdekte ik bij het openen van den ketel een vischkop, (’t achterdeel

ontbrak bijna altijd) die mij weemoedig aanstaarde. Zoo nu en dan kon

ik tusschen 2,5 H.G. rijst een z.g. frikkadel ontdekken ter grootte

ongeveer van een walnoot.

Doch niet geklaagd, zoolang de soldij nog voldoende is om de ledige

maag te vullen met smeerproppen. Was ’t evenwel ook daarmede gedaan,

dan kon ik het bijna niet meer uithouden. Ik watertandde, wanneer van

alle zijden welriekende geuren mij in den neus kwamen, afkomstig van de

gerechten, die de inlandsche vrouwen voor haar gebieders gereed hadden

gemaakt. In kleine groepen hurkten zij vóór de kazerne neer en deden

zich te goed aan de verblindend witte rijst met daarbij behoorende

toespijzen, terwijl ik, gewapend met een stopnaald, vergeefsche

pogingen aanwendde om de vuistgroote gaten in mijn sokken te dichten en

mijn schreeuwende maag slechts kon troosten met het uitzicht op een

volgenden traktementsdag.

Neen! aan dien toestand moest een einde komen. Ik deed er een eed op

dat dit de laatste sok was, die ik gestopt had. ’t Mocht kosten wat het

wilde—d.w.z. ƒ 1.50 per vijf dagen, want zooveel bedroeg mijn

soldij—eene huishoudster moest ik hebben om voor mijn maag en sokken te

zorgen. In de krijgsartikelen stond wel veel geschreven over kogel en

strop, doch van celibaat was daarin geen sprake en bovendien—een

korporaal is geen kloosterling.

Waar moest ik echter zoo’n schepsel vandaan halen?

Het toeval was mij gunstig. Een hoornblazer van het garnizoen te

Weltevreden, die naar Europa dacht te vertrekken, wilde mij zijne

wederhelft kosteloos overdoen. Naar zijne beschrijving te oordeelen

moest zij minst genomen een engel zijn. Zij bezat een massa

barang-barang (huisraad), kon koken, o, zoo heerlijk! was trouw als een

mopshond en och, zoo schoon!

„Laat haar dan maar opkomen,” zei ik en de overeenkomst werd bezegeld

met een handslag en een glas ijswater met stroop.

Toen ik den volgenden morgen van de exercitie terugkeerde, trof ik de

dame, op een mat gezeten, reeds in mijn kamer aan. Zij zag er werkelijk

niet kwaad uit en ik trachtte een gesprek aan te knoopen door naar haar

naam te vragen, doch kreeg hetzelfde resultaat als de examinatoren van

den candidaat Jobs n.l. een hardnekkig hoofdschudden. Een nieuwe

poging, die ik aanwendde, door wat luider te zeggen: „noem dan toch een

naam; waar komt ge vandaan en hebt ge nog familie?” werd met denzelfden

uitslag bekroond.

„Lieve Heer” dacht ik „zou ze misschien doofstom zijn?” Dat was een

mooi geschenk. Ook was het mij niet mogelijk, niettegenstaande ik mijn

oogen goed den kost gaf, iets anders te ontdekken van de zoo

opgehemelde barang-barang, die mijn huishouding zoo in eens op de been

zou helpen, dan een ijzeren pan, waarin de inlanders gewoon zijn zoowat

alles te bakken en te braden. Heerlijk vooruitzicht!

Verduiveld! Daar werd reeds ’t signaal gegeven voor het

compagniesrapport. Ik moest kennis geven, dat ik eene huishoudster had

genomen en wist nog niet eens haar naam!

Of ik mijn hersenen ook al pijnigde door het zoeken naar middelen om

mij voor de vrouw begrijpelijk te maken—het lukte niet, en toen ik den

sergeant-majoor op onheilspellende wijze mijn naam hoorde uitbrullen,

ijlde ik naar het rapport om den zegen van den vader en de moeder der

compagnie deelachtig te worden.

De vader (de kapitein) vroeg: mij „hoe heet de meid?”

„Ik weet het niet! ik geloof dat ze doofstom is, kapitein.”

„Wat doe je er dan mee?”

„Ze kan heerlijk koken, kapitein.”

„Smulpaap!” bromde deze en zich tot den sergeant-majoor wendende, zei

hij: „Schrijf op, de meid heet Salima.”

„Waar ze thuis hoort weet je natuurlijk ook niet?” vervolgde hij en op

mijn ontkennend antwoord gelastte hij den sergeant-majoor maar eene of

andere kampong van Java op te schrijven.

Hiermede waren de formaliteiten van den burgerlijken stand afgeloopen

en met zeer verdeelde gevoelens kon ik naar mijne kamer terugkeeren.

Toen ik weer binnenkwam vond ik de pas herdoopte Salima in dezelfde

houding nog op dezelfde plaats, alleen met dit onderscheid, dat ze

thans een pruim tabak, ter grootte van een vuist, benevens de noodige

„sirih” in den mond had gestoken en bezig was daaraan te zuigen als een

kind aan de moederborst. De geheele omgeving was met rood sap bespogen,

zoodat mijn kamer er uitzag als een slagveld.

Nu bestaat er voor een Indischen korporaal geen grooter gruwel dan

onzindelijkheid en wanorde. Daarom wees ik met strengen blik, alsof ik

op al de geweren van mijn escouade roestvlekken ontdekt had, op den

vloer. En wat deed nu dat vrouwspersoon? Zij trok den mond samen en

spuwde mij met ontzettende zekerheid een geheele lading tabakssap over

den uitgestrekten wijsvinger.

Hemelsche gerechtigheid, bestaan er dan geen straffen meer voor zulk

een beleediging van een autoriteit als ik? Ik stond geheel versteld.

Maar hoe moest ik die doofstomme vrouw te verstaan geven, dat een

dergelijke handelwijze onvergeeflijk was? In mijn verwarring riep ik

een inlandschen korporaal—een jong, slim kereltje—die met de Indische

talen beter op de hoogte was dan ik. Nauwelijks had hij den mond

opengedaan of—wonder boven wonder—daar ratelde het van haar lippen als

bij een afloopende wekker-klok. Nu helderde zich de zaak op: zij kende

alleen de Javaansche taal en ik had getracht mij in ’t Maleisch

verstaanbaar te maken. Een prettige toekomst! Ik kon dien korporaal

toch niet altijd als vertolker mijner gevoelens gebruiken!

Om te beginnen droeg ik hem op te vragen, waar toch wel al die

huishoudelijke benoodigdheden waren.

Het antwoord luidde: „Ik heb niets, dan wat ik aan het lichaam draag.”

Nota bene een sarong, een kabaia en een gescheurde slendang. Een goed

begin.

„En hoe staat het met de kookkunst?” zoo liet ik den korporaal het

onderzoek voortzetten.

„Daar verstaat ze niets van, maar zij heeft honger,” vertaalde deze.

Ik dacht dat ik een beroerte kreeg. Wat had me die vervloekte

hoornblazer te pakken genomen! Wat bleef er eigenlijk wel van al de

goede eigenschappen van die vrouw over?

Een weinigje twijfelachtige schoonheid en „trouw”; maar daarmee kon ik

mijn hongerige maag niet tevreden stellen. Ze was in staat om mijn

geheele soldij alleen aan pruimtabak en sirih op te maken en hoe kwam

ik dan aan mijn geliefde smeerproppen en gezouten eieren?

Ik was geheel terneergeslagen.

De inlandsche korporaal was heengegaan en ik bleef met mijn smart en de

kauwende dame alleen.

Daar naakte het middageten. Goddank! Er werd erwtensoep met

varkensvleesch geschaft en die kost is den geloovigen Javaan een

gruwel. Toch kon ik niet nalaten die levende tabakszak mijn menageketel

eens eventjes onder den neus te houden. Toen daar evenwel een gedeelte

van een varkenskop uit opdook, kroop zij verschrikt terug en kwam eerst

tot zichzelve, toen ik haar mijn ketel met rijst toeschoof en daarbij

nog vijf klinkende centen voegde voor sajor en deng-deng. Deze

lekkernijen waren tot billijken prijs in de warong verkrijgbaar en, te

oordeelen naar de snelheid, waarmede ze daarheen toog, moest ze grooten

honger hebben.

Toen zij terugkeerde nam ze zeer deftig de tabakspruim uit den mond en

stopte die heel gemoedelijk in mijn patroontasch, die spiegelglad aan

den wand hing.

Wilde dat mensch mij dan met alle geweld te gronde richten? ’s

Namiddags moest ik op wacht trekken. Verbeeld u, dat de luitenant van

piket dat vieze zoodje in mijn patroontasch had gevonden! Dat zou me

minstens op veertien dagen politiekamer zijn te staan gekomen.

Buiten mijzelven van toorn smeet ik het kauwsel uit het venster. Zij

evenwel bleef kalm dooreten en dacht misschien: „Gij moet me toch

andere tabak koopen.”

Met een zucht deed ik mijn wapenen om, hing den ransel over de

schouders en marcheerde af om mijn post in de „bamboe-kazerne” te

betrekken.

Tegen den avond echter veroorloofde ik mij de vrijheid om voor een

oogenblik de wacht te verlaten, ten einde eens te gaan zien wat Salima

wel in de nieuwe huishouding uitvoerde. Voorzichtig opende ik de deur

en zag haar in een erg vertrouwelijk onderhoud met den inlandschen

korporaal, die des morgens mijn tolk was geweest.

Nu was ook de laatste der hooggeprezen eigenschappen, de trouw, naar

den bl....

Ellendige hoornblazer!

Thans moest met spoed gehandeld worden. Een revolver of vitriool had ik

niet bij de hand, doch een paar stevige vuisten waren tot mijn

beschikking en daarmede bewerkte ik de oogen van den Don Juan zoodanig,

dat zij zich weldra blauw verfden als de hemel boven ons.

Salima had er intusschen de voorkeur aan gegeven om spoorloos te

verdwijnen en te Meester-Cornelis werd zij niet meer gezien. Ik droeg

mijn smart zooals het een korporaal betaamt.

Toen den volgenden morgen aan mijn inlandschen collega door den

kapitein gevraagd werd waar hij die blauwe oogen had opgeloopen,

antwoordde hij met een schuinen blik op mij: „Een kebo heeft mij

gestooten.”

Nu, toen ik van wacht terugkwam, heeft diezelfde kebo hem nog eens

ongenadig toegetakeld.

Eenige weken hield ik het weer alleen uit. Toen zond een kameraad, die

medelijden met mij kreeg, uit Batavia een van die oude erfstukken,

die—zooals de soldaten zich uitdrukken—voor de derde maal kiezen

krijgen.

Met mijn maag stond zij op zeer goeden voet, want ze kookte heerlijk.

Daarenboven wist ze zooveel van mijn soldij over te houden, dat mijn

kleerkist zich langzamerhand met slaapbroeken en kabaaien vulde, doch

van mijn hart bleef zij verre.

„ZIJ HANGT MAAR AAN EEN DRAADJE!”

„Wacht aantreden!” klonk het door de lange chambrée der 1ste compagnie.

De kamerwacht herhaalde het bevel en de huishoudster van den

almachtigen sergeant-majoor, die juist bezig was haar lievelingsaap

behulpzaam te zijn bij eene drijfjacht op zekere parasieten, mompelde

het na. Nauwelijks was de order gegeven, of reeds wemelde de trap van

manschappen. Vooraan eenige jonge soldaten, wien de malaria de

Europeesche kleur nog niet van de wangen had geroofd; uit de

gejaagdheid en het angstige gezicht, waarmede zij hun wapenen en

kleeding monsterden, kon men dadelijk opmaken dat zij hun eerste

„wachtje snapten”. Daarop volgden met een onverschillig gezicht de

oudere fuseliers, meest magere, bruingebrande mannen, die reeds menigen

vijand met de punt der bajonet hadden doen kennis maken. Een jong

korporaaltje, wien de zaak te langzaam ging, trachtte naar voren te

dringen om toch vooral niet te laat te komen, en achteraan daalde de

trappen af—ikzelf, de nieuwbakken sergeant, geheel onder den indruk van

de waardigheid, waarmede mijn nieuwe titel mij bekleed had.

Wat weet een gewoon sterveling van het gevoel eens korporaals, wien men

plotseling de katoenen streep van de mouw neemt en er de gouden voor in

de plaats hangt? Die indruk is niet te beschrijven, men moet dat hebben

doorleefd; eerst dan kan men begrijpen wat het zeggen wil uit den kring

der gewone soldaten, waarin de korporaal steeds verkeert, opgeheven te

worden tot den onderofficiersstand. Bovendien schitteren nu in het

verschiet de luitenantssterren!

Daarbij kwam nog de feestelijke toespraak van onzen kranigen kapitein

v. V..., van wien men vertelde dat niemand hem ooit had zien lachen,

behalve wanneer de Atjehers schrikkelijk slaag kregen.

Het duizelt mij nog wanneer ik aan dien tijd denk. Ik gevoelde mij zoo

nietig, zoo geheel gelijk nul, toen ik tegenover mijnen

compagnies-commandant stond, wiens borst versierd was met het kruis der

Militaire Willemsorde, en wiens linkerhand rustte op een eeresabel.

Zijne toespraak was kort. „Denk er om, zij hangt slechts aan een

draadje,” zeide hij op mijne gouden streep wijzende, en in zijne

woorden lag groote waarheid, zoowel in figuurlijken als in werkelijken

zin. Ik had er niets op kunnen antwoorden, want door vreugde overmand,

stokte de stem mij in de keel.

Nu stond ik op de bovenste trede der trap en monsterde als een veldheer

mijnen troep. De soldaten keken tersluiks naar boven. Verbeeldde ik het

mij of lag er werkelijk op hunne aangezichten eene niet thuis te

brengen uitdrukking, zoo’n soort van onderworpenheid, waarbij men zijn

lachen moeilijk bedwingen kon? Mij ging het trouwens evenzoo. Telkens

weder gaf ik mij moeite om een nijdig gezicht te trekken, zooals een

sergeant betaamt, doch het hielp weinig. Ik moet bij die pogingen om

mijne waardigheid op te houden een onbeschrijfelijk dom gezicht

getrokken hebben, althans toen ik trotsch langs het front stapte,

konden de mannen zich slechts met moeite inhouden. „Wacht maar jongens,

dat zal ik jelui inpeperen,” dacht ik.

„Geeft acht!” commandeerde ik met donderende stem, zoodat de pas

afgeëxerceerde soldaten van schrik bijna omvervielen. Met het lachen

was het natuurlijk in eens gedaan. Daarna begon de inspectie. Eerst

waren de geweren aan de beurt. „Een koninkrijk voor een roestvlek”,

bood ik in stilte; zoo gaarne had ik aanmerkingen gemaakt en standjes

uitgedeeld, doch er was geen smetje te ontdekken. Even weinig geluk had

ik met de uniformknoopen; ze zaten als vastgenageld. Het was werkelijk

een schandaal—reeds een half uur sergeant, en nog niet éénmaal eens

flink uitgevaren. Ja, het noodlot deelt soms harde slagen uit. Er

schoot mij niets anders over dan „op de plaats rust!” te commanderen.

Die rust duurde evenwel niet lang, want onder de poort der kazerne

verscheen reeds de gestalte van den luitenant van piket om de wachten

nogmaals te inspecteeren.

Het is moeilijk te gelooven welk eene afkoelende uitwerking zoo’n

luitenants-uniform op een met eenige phantasie behepten sergeant heeft.

Had ik mij ook al een oogenblik te voren verbeeld een militair „iets”

te zijn, bij de verschijning van den luitenant verdween ik weer in het

niet.

Met geschouderd geweer meldde ik mij bij den jongen officier, en met

stil genoegen hoorde ik de woorden aan, waarmede hij mij met mijne

bevordering gelukwenschte. Een welwillend lachje van den luitenant

verplaatste mij bijna in den zevenden hemel; het kan een sergeant soms

gaan als een bakvischje. Het was mij evenwel opgelegd het: Himmelhoch

jauchzend, zum Tode betrübt in een halfuur tijds tweemaal te moeten

doorleven, want daar zag ik met groote stappen den kapitein van de week

aankomen om nog een nader onderzoek in te stellen naar roestvlekken en

stofjes. Met een blik, die tot in de geweerloopen en tot aan de hakken

der schoenen doordrong, overtuigde hij zich van het onberispelijke

uiterlijk der manschappen, gaf eenige korte bevelen, en rechts en links

zwenkten de verschillende wachten de poorten uit. Hoe grooter de

afstand tusschen de inspecteerende officieren en mij werd, des te meer

keerde mijn gevoel van eigenwaarde terug, en toen ik den hoek, waar het

huis van den bataljonscommandant stond, achter mij had, gevoelde ik mij

zóó verheven boven alle „buikjes”, dat ik een razenden trek kreeg om

een voorbijgaanden Chinees, die mij erg onbeschaamd aanstaarde, bij den

nek te pakken. Ik deed het evenwel niet, gedachtig aan de waarschuwing:

„zij hangt maar aan een draadje.”

Toen ik voorbij de militaire school marcheerde, hoorde ik eene

vroolijke stem roepen: „Goeden morgen, collega!” In mijne vreugde

verbeeldde ik mij dat zij kwam van een élève dier inrichting, doch ik

vergiste mij. Die heeren zijn nog hooghartiger dan een pasgebakken

sergeant. Het was slechts een sergeant van politie, die mij gegroet

had. Ook de njonja [16] van den kapelmeester lachte mij vriendelijk toe

als ik haar voorbijging. Toen ik nog korporaal was, kwam daar niets van

in; volgens haar werd iemand eerst een mensch als hij den graad van

sergeant had bereikt.

Ja, alles werkte mede om mij gelukkig te maken. Ik had kunnen juichen

van vreugde, doch dat was in dienst verboden en de manschappen zouden

er moeilijk eene goede verklaring voor hebben kunnen vinden.

Dus—hou je goed!

In flinken pas marcheerden wij door Meester-Cornelis langs den

stoffigen weg naar de passar [17]. „Met rotten rechts!”

Nog eenige schreden, en daar stonden wij voor de gevangenis, die voor

een etmaal aan onze hoede zou worden toevertrouwd. De wacht stond reeds

in het geweer en wisselde met ons de voorgeschreven eerbewijzen. De

commandant, een sergeant evenals ik, gaf mij de wacht over. Hij was pas

uit Europa gekomen en had eenigen tijd in den zoeten waan verkeerd, dat

in Indië de officierssterren als rijpe kokosnoten van de boomen vallen.

Tot zijne niet geringe ontzetting had hij evenwel spoedig bemerkt, dat

het hier vrij wat gemakkelijker was achteruit dan vooruit te komen.

Ik zag den inventaris na, bestaande uit patronen, een inktpot, eene

olielamp en dergelijke kostbare zaken meer, waarvan evenwel het zoek

raken zwaar geboet moest worden. De cipier ontsloot de verschillende

strafkamers en liet toe dat ik er mijn neus in stak. Ik wist echter

niet hoe gauw ik hem weer zou terugtrekken, uit hoofde van de

onaangename prikkeling, die mijne reukorganen ondervonden.

Eindelijk was de inspectie afgeloopen en de oude wacht marcheerde af.

Ik zette mij voor het wachthuis neder en liet mijne blikken gaan over

het bonte gewoel op de passar. Thans gevoelde ik mij een volkomen

alleenheerscher.

Reeds dikwijls, wanneer ik als soldaat op post stond en ook later als

korporaal, had ik mij vermeid in het aanschouwen van dat gewriemel,

doch nu was het alsof ik door andere oogen zag. Dat was alleen de

schuld van die mooie gouden streep. Ik keek er eens naar; zij hing nog.

Van louter pleizier had ik tot nog toe niets van eetlust bemerkt, doch

toen de verschillende scherpe geuren uit de nabijgelegen warongs [18]

mij in den neus kwamen, begon mijne maag hare rechten te doen gelden.

Gelukkig, daar naderde reeds de etendrager.

Mijn eerste maaltijd uit de onderofficierskeuken! Het liefst was ik den

man te gemoet gegaan en had hem zijn draagkorf afgenomen, daar hij mij

te langzaam liep, doch dat zou beneden mijne waardigheid geweest zijn.

Hoewel mij het water bijna uit den mond liep, verwaardigde ik den

brenger met geen blik, toen ik hem achtereenvolgens biefstuk,

aardappelen, rijst, roode vischjes en nog andere heerlijkheden zag

uitpakken. En daarbij porseleinen borden en schotels! Neen, zulk eene

weelde...

Reeds zoo lang had ik mijn maal uit een menageketel genuttigd en het

had mij altijd goed gesmaakt; hoe moest het dan wel smaken uit

porselein?

Nauwelijks had de etendrager zijn „slamat makan” [19] uitgesproken, of

ik viel op het eten aan alsof ik veertig dagen gevast had. Er bleef

geen rijstkorreltje over, en om den manschappen geen aanstoot te geven

en niet voor een veelvraat door te gaan, riep ik een gladdakker [20]

binnen en liet hem de ledige borden aflikken. Een eerste staaltje van

sergeantsdiplomatie.

Langzaam kropen de middaguren voorbij. Naarmate de zon den horizont

naderde, werd de passar meer en meer ontvolkt en toen het geheel

duister was geworden, werden er obor’s [21] en olielampjes aangestoken,

die op de warongs en de zich daaromheen groepeerende inlanders een

phantastisch licht wierpen. Nu begon er ook weer meer levendigheid te

komen; gestaarte zonen van het Hemelsche Rijk pikelden [22] hun

vrachten op een sukkeldrafje voorbij, en troepjes soldaten, pas uit

Europa gekomen, trokken zingende van de eene warong naar de andere.

De indruk van dit woelige tooneel werd nog verhoogd door de

donkergroene pisang- en klapperboomen op den achtergrond en den

onbewolkten, met fonkelende sterren bezaaiden hemel. Ook dit

aantrekkelijk beeld verdween langzamerhand, naarmate de nacht zijne

vleugelen verder uitbreidde. Ik bleef alleen met mijne luchtkasteelen

en mijn geluk. Werktuiglijk nam ik een boek ter hand; het was

Perelaer’s: Een kwart eeuw tusschen de keerkringen, waarin de

lotgevallen van twee sergeanten geïdealiseerd worden. Het eerste deel

had ik reeds doorgelezen, en thans trachtte ik het tweede door te

worstelen, waarin de beide helden, Frank en Herman, evenals jonge dames

van eene kostschool, elkander bezingen met alle mogelijke citaten uit

verschillende dichtwerken. Zulke sergeanten had ik in de werkelijkheid

nog niet aangetroffen. Toen ik echter op bladzijde 103 aan dat gedeelte

kwam, waarin Frank zijnen vriend omarmt en hem toefluistert: „lieve

dweper!”—toen kon ik de oogen niet meer open houden, ik sliep weldra in

en droomde. Ik waande mij gezeten naast den braven Hendrik Meijer, den

gebaarden sergeant, die van mij een onderofficier gemaakt had. De brave

Hendrik had zijn hoofd aan mijne trouwe vriendenborst gelegd, terwijl

hij de oogen smachtend naar den hemel opsloeg. Hij verhaalde mij de

geschiedenis van zijne laatste liefde. „Ach, ge hadt het meisje moeten

kennen,” zuchtte hij, „zij was een engel! Elken Maandag bracht zij

roast-beef, ’s Woensdags varkenskarbonade en op Zaterdag een heele

flesch wijn, want ge moet weten dat het lieve kind bij een

wijnhandelaar in dienst was. Hoeveel gelukkige uren heb ik niet met

haar in Velp doorgebracht, en telkens betaalde zij, dat ideaal van een

meisje! Mijn hart en maag breken nog als ik er aan denk, dat zij mij

ontrouw geworden is. Het was op een Zaterdag, en zij bracht mij slechts

eene halve flesch wijn. Mijn God, dacht ik, zou ze mij niet meer zoo

oprecht liefhebben als vroeger? Die onzekerheid wond mij zoodanig op,

dat de wijn mij niet smaakte. Toen zij bovendien nog een half uur

vroeger dan gewoonlijk afscheid nam, werd mijn vermoeden zekerheid. Ik

volgde haar op eenigen afstand; zij sloop een zijstraatje in en greep

bijna onmiddellijk daarna den arm van een sergeant der rijdende

artillerie. Duidelijk hoorde ik het klokken van mijn halve flesch wijn

in zijn keel. Met elk geklok werd een der banden verbroken, die mijn

hart nog aan de trouwelooze hechtten. Doch mijn hartzeer heb ik

overwonnen; ik ben er ten minste niet van gestorven.”

„Lieve dweper,” lispelde ik, en toen ik hem daar zoo zag, geheel

terneergeslagen door die treurige herinnering, trachtte ik den arm om

zijn hals te slaan.

„Ben je nou heelemaal gek?” riep hij plotseling uit en legde zijn vuist

onzacht op mijn aangezicht. „Ik heb eene andere genomen; in Arnhem zijn

mooie meisjes genoeg!”

Deze ruwe bejegening deed mij uit mijne sluimering ontwaken. Het hoofd

was mij van den arm gegleden en thans lag ik met den neus in den

inktpot.

Verschrikt sprong ik op. Heer in den hemel, hoe was ’t mogelijk dat ik

op wacht kon inslapen! Dat zou mij mijne streep kunnen kosten. Goddank,

zij hing nog. Eigenlijk had ik geen schuld, doch alleen die overste

Perelaer. Waarom liet hij die Frank en Herman zulke wonderlijke dingen

doen?

Er bleef mij weinig tijd om over mijn verzuim na te denken, want

plotseling verscheen de gestalte eens fuseliers in de deur, die mij

rapporteerde dat in de „roemah pandjang” (eene philantropische

inrichting) eene patrouille zich aan allerlei onbehoorlijkheden

schuldig maakte. Dat was toch wel een beetje sterk. Eene patrouille,

wier plicht het was de orde te handhaven, verstoorde die zelf. Wee u,

korporaal, de straf volgt de zonde!

Nadat ik het commando over de wacht aan eenen korporaal had

overgegeven, snelde ik met vier man naar de bedoelde plaats en trad het

huis binnen. Daar ik bij ondervinding van vroegere

patrouilleeringen—men denke niet aan iets kwaads—wist, dat het lokaal

ook nog een achterdeurtje had, posteerde ik daar twee man en meende

daardoor al een buitengewoon strategisch talent te hebben ontwikkeld.

Het rapport van den fuselier bleek volkomen juist te zijn; het gansche

gezelschap was aan ’t dansen.

Als de bliksem voor de voeten van deze ontrouwe zonen van Mars ware

ingeslagen, zouden ze niet heviger hebben kunnen schrikken dan bij mijn

verschijnen. Nu had ik gelegenheid de sluizen mijner welsprekendheid

open te zetten en de woordenlijst van krachtige militaire uitdrukkingen

met eenige te verrijken.

„Vervloekte kerels!” zoo begon ik, „denkt ge dat ge hier nog in het

ellendige Harderwijk zijt? De duivel zal jelui halen, wanneer je niet

als de bliksem maakt dat je er uit komt!”

Met den commandant der patrouille, een jongen korporaal, rekende ik

afzonderlijk af. Ik stelde hem provoost en cachot in ’t vooruitzicht,

doch mijne hoogste troef speelde ik uit met de woorden, die mij zoo

angstwekkend in de ooren hadden geklonken: „Denk er om, de

korporaalsstreep hangt maar aan een draadje.”

Het kereltje was geheel uit het veld geslagen. Hij bezwoer mij, hem

niet ongelukkig te maken; veertig dagen had hij op zee doorgebracht en

na het aan wal stappen was het hoofd hem een weinig op hol geraakt.

Natuurlijk deed ik alsof zoo iets voor mij geheel onverklaarbaar was,

en op zijn bidden en smeeken gaf ik slechts kort ten antwoord:

„gestraft moet je worden!”

In stilte, en vervuld van een angstig voorgevoel, trok de patrouille

huiswaarts. Ikzelf begaf mij met het gezicht van een Nemesis naar de

wacht terug en overlegde onderweg of ik van de zaak al dan niet rapport

zou maken. Mijn „korporaal van aflossing” trachtte eenige woorden ten

gunste van den zondaar te spreken, doch een kort: „hou je mond!” deed

hem afdruipen. Het was een moeilijk geval. Zweeg ik en werd de zaak

buiten mij om ruchtbaar, dan kon mijn kapitein gelijk gehad hebben,

toen hij zeide: denk er aan....!” Maakte ik rapport, dan zou het

vermoedelijk den patrouillecommandant zijne streep kosten, en dat zou

mij voor het arme ventje leed gedaan hebben. Ik wist bij ondervinding

hoe gelukkig iemand reeds door de katoenen streep wordt gemaakt—hoeveel

te meer dan nog door den gouden chevron! Lang dacht ik na, zonder een

uitweg te vinden. Daar viel mij iets in. De korporaal en de manschappen

droegen kennis van het voorval; ik moest hen dus in de meening doen

verkeeren dat ik rapport gemaakt had. Snel nam ik een vel papier,

linieerde het volgens voorschrift en schreef:

„Beste Hendrik! Morgen hoop ik u en andere collega’s van de eerste

compagnie in de kantine aan te treffen. Ik trakteer op een paar

flesschen prinsessenbier. Salut!”

Dezen brief vouwde ik dicht in den vorm van een rapport, riep een

inlandsch fuselier, die toch niet lezen kon en zond hem daarmede naar

mijn vriend Hendrik aan de hoofdwacht. Korporaal en soldaten dachten

natuurlijk dat het een rapport was omtrent de patrouille, die zoozeer

haren plicht vergeten had. Hier en daar hoorde ik zelfs iets mompelen

over mijne hardvochtige strengheid. Ik evenwel, zette mij tevreden op

eenen stoel neer en verdiepte mij in overpeinzingen over de

duurzaamheid van gouden strepen. Daar werd zachtjes aan de deur getikt

en binnen trad een Javaansch meisje met eene flesch in de hand.

Wat moest dat beduiden? Een vrouwspersoon binnen de heilige muren eener

wachtkamer!

De bruine schoone liet mij evenwel niet lang in onzekerheid. Met een

betooverend lachje bracht zij mij de groeten over van haren gebieder,

den houder van de roemah pandjang, die mij uit dankbaarheid voor mijne

bemoeiingen, eene flesch druivensap deed toekomen. De geslepen Chinees

had het niet raadzaam geoordeeld zelf te komen; misschien had hij er

een voorgevoel van dat ik hem met zijne flesch wijn vierkant de trap

zou hebben afgesmeten. Wat dacht zoo’n langstaart wel van een sergeant?

Meende die spekverzwelgende dikbuik misschien, dat ik om zijnentwille

de patrouille uit zijn huis verwijderd had?

Tegenover dit meisje ging het evenwel niet aan grof te worden; zij had

zulke verliefde oogen, zulke schoone zwarte tanden, en hare huid was

zoo sierlijk met gele oker besmeerd, dat de aangeboren ridderlijkheid

van een sergeant zoo iets niet gedoogde. Ik loodste haar daarom met een

zoet lijntje naar de deur, en wilde haar juist als loon voor de

boodschap een kus op den mopneus drukken, toen plotseling het geroep

van den schildwacht weerklonk: „Werda?” en kort daarop: „Halt,

korporaal heraus, rond-luitenant!”

Heere bewaar ons! Ongelukkiger kon het niet treffen. Wat moest daarvan

terecht komen! De ronde naderde en nog altijd bevond het meisje zich in

de wachtkamer. Met eene enkele handbeweging wierp ik haar onder de

tafel, bedekte haar zoo goed en zoo kwaad als het ging met mijn

kapotjas, greep mijn geweer en snelde naar buiten. Daar zag ik ook

reeds op de passar het licht eener kleine lantaarn en bij het zwakke

schijnsel daarvan bemerkte ik duidelijk de oranjekleurige sjerp van den

luitenant van piket. Met van angst trillende stem deed ik de noodige

commando’s, trad vooruit en meldde: „Niets nieuws.”

„Laat de manschappen inrukken en geef mij het rapport ter teekening,”

luidde het bevel.

Bevend voldeed ik aan dien last en volgde den officier in de

wachtkamer, een lam gelijk, dat ter slachtbank wordt geleid.

Het rapport lag op de tafel, de luitenant ging zitten en strekte

geeuwend zijne lange beenen uit. Ik dacht dat mijn vonnis geveld was.

Het kon bijna niet anders of hij moest tegen de vrouw trappen.

Het koude angstzweet brak mij uit en de pen sidderde in mijne hand,

toen ik haar den luitenant aanbood. Mijn ontsteld uiterlijk viel hem op

en deelnemend vroeg hij: „Zijt ge misschien ziek?”

„Neen, luitenant,” antwoordde ik, nog meer in de war; „ik ben voor het

eerst wachtcommandant en de... de... de groote verantwoordelijkheid...”

en meteen greep ik krampachtig naar mijn gouden streep.

„Je hebt toch, hoop ik, niet te diep in het glas gekeken?” vroeg hij,

tegelijkertijd een onderzoekenden blik op mijn ontdaan gelaat

richtende.

Deze veronderstelling bracht mij weder tot bezinning. Wat, ik, die

nooit iets anders over de lippen bracht dan koffie en thee met en

benevens dozijnen „smeerproppen”, waarvoor ik zelfs den eeretitel

„smeerproppenvreter” verworven had, ik zou dronken zijn?

Het met volle overtuiging uitgesproken „neen” scheen dan ook den

officier voldoende te zijn, ten minste hij stond op. Alvorens te

vertrekken kon hij toch niet nalaten mij nog even toe te voegen: „Denk

er om, drinken op wacht wordt zwaar gestraft; de gouden streep hangt

maar aan een draadje.”

Waarachtig, de luitenant had gelijk, en onwillekeurig tastte ik weer

naar mijn chevron; er naar zien durfde ik niet. Als een steenen beeld

bleef ik voor den officier staan, toen hij mij nog eenige wenken gaf

tot het voorkomen van malaria en buikpijn.

Doch neen, zoo hoog zat mijn kwaal niet, noch in het hoofd, noch in den

buik, zij zat op een pas van ons af onder de tafel.

Eindelijk, eindelijk ging hij heen en ik volgde hem, de deur

voorzichtig achter mij dichttrekkend. Nog een genadig hoofdknikken, en

hij verdween met zijn lantaarndrager in de richting van het

kruitmagazijn.

Toen het geluid van zijne voetstappen in de nachtelijke stilte was

weggestorven, ijlde ik naar de wachtkamer terug en kwam daar juist aan,

toen de oorzaak van mijn angst van onder de tafel te voorschijn kroop.

Op dit gezicht werd ik woedend, en de deur openrukkende schreeuwde ik

met al de kracht, die mijn longen mij veroorloofden: „Rrraus!”

De aartsengel Gabriël kan er niet onrustbarender hebben uitgezien, toen

hij Eva uit het paradijs verjoeg, dan ik op dat oogenblik.

Het meisje scheen het ook te vinden, want zij vloog letterlijk.

Tegelijkertijd stormden evenwel ook mijne manschappen naar buiten, daar

zij dachten dat het „heraus” hen gegolden had. Moest dan alles

samenwerken om mij ten val te brengen?

Dewijl in oogenblikken van gevaar een commandant der wacht altijd de

grootste tegenwoordigheid van geest moet hebben, ging ik onmiddellijk

op den schildwacht „voor het geweer” af, en vroeg hem of hij die meid

niet in de wachtkamer had zien sluipen. Hij ontkende, en met recht,

want het vrouwspersoon was binnengekomen toen er een ander op post

stond. Nu schopte ik hem een standje, dat klonk als een klok: „Heb je

dan geen oogen in ’t hoofd? Moet ik soms een baboe bij je zetten om op

je te passen? Weet je niet, dat je eene zware straf verdiend hebt?”

Zoo ging ik een oogenblik voort en daarna gevoelde ik mij zoo licht als

een vogel; er was mij een steen van ’t hart gevallen.

Het was een mooi begin van mijne loopbaan als sergeant!

Door de ondervonden wederwaardigheden uitgeput, strekte ik mij voor de

wachtkamer op een bank uit en de diepe rust, die in de natuur

heerschte, liet niet na haar weldadigen invloed op mijne geschokte

zenuwen te doen gevoelen. Geen blad ritselde; het eenige wat mijn oor

trof was het kabbelen van de Tjilewong en de eentonige stap van den

schildwacht. Weldra werd de maan door het geboomte zichtbaar, en

wanneer een der reuzenbladeren van een pisangboom zich voor haar bleek

aanschijn heen en weer wiegelde, scheen het mij toe alsof die oude

vrijster mij, arm geplaagd menschenkind, uitlachte. Lach maar! Ik lach

ook, want heden heb ik de zekerheid gekregen, dat ik lang zoo onhandig

niet ben als ik wel gedacht had.

Daar kraaide in de verte een haan. Goddank, de morgenschemering brak

door. Reeds kwamen talrijke inlanders met hunne krakende pikolan’s

[23], zwaar beladen met sterk riekende vruchten en andere koopwaren,

naar de passar. Die lucht, vermengd met de uit den bodem opstijgende

dampen, drukte mij loodzwaar op de borst, en mij overviel eene

huivering alsof ik de koorts had.

Ik wist—de luitenant had er mij trouwens pas aan herinnerd—dat het

liggen in de open lucht in Indië zeer schadelijk voor de gezondheid is.

Op! dus, daar komt reeds de koffie; die zal mij weer uit mijn gedommel

wekken. Hare komst kondigde tevens aan, dat de eerste nachtwacht begon

te „draaien” d.w.z. ten einde spoedde.

Weldra kwam de aflossing, en in den versnelden pas begaf ik mij met de

manschappen naar de kazerne terug. Reeds op een afstand zag ik den

patrouille-commandant van den vorigen avond staan. Het ventje zag er

bleek en ontdaan uit en met angstige stem vroeg hij: „Sergeant, hebt u

rapport gemaakt?”

„Neen,” antwoordde ik, „ge hadt het dubbel en dwars verdiend, doch voor

ditmaal heb ik het door de vingers gezien; zorg dat het niet weer

gebeurt!”

De blijdschap van den armen jongen was onbeschrijfelijk. Den ganschen

nacht had hij wakende doorgebracht, met de treurige gedachte dat hij

misschien den volgenden morgen zijne streep zou moeten missen, en dat

zou jammer voor hem geweest zijn. Thans is hij reeds jaren lang

officier.

Toen ik voorbij mijn vriend Hendrik marcheerde, riep deze mij toe:

„Denk er om!”

„Ja, ik weet het al,” antwoordde ik, „zij hangt maar aan een draadje!”

„Ben je gek, kaffer! Je moet van avond op bier trakteeren!”

„O, meen je dat? Dan is het in orde!”

In drie sprongen vloog ik de trappen naar mijne kamer op, want er werd

geblazen voor het eten en ik moest mij nog voorstellen aan de

collega’s. Snel mijn ransel losgemaakt en het kapmes afgeworpen.

Goede God! Wat is dat? Waar is mijn gouden streep? Daar hing ze aan den

ranselhaak, die haar van mijn mouw had gescheurd. Nu, nog mooier! Ze

hing immers ook maar aan een draadje!

Snel nam ik naald en draad en naaide haar ditmaal zelf vast, en ze

bleef hangen.

Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven · 第 9 / 14 题