Zooals bekend is, zijn de Indische kazernes niet zoo kolossaal gebouwd,
dat iedere korporaal of zelfs iedere sergeant over een eigen vertrek
beschikken kan. Gewoonlijk deelen twee in rang gelijke militairen met
elkander ééne kamer. Zoo ook in de bamboe-kazerne, waar ik met een
ouden gemoedelijken korporaal en den „kapitein” samenwoonde. Wie de
„kapitein” was? Dat was eene reusachtige Makassaarsche huishoudster,
die mijn kameraad van Celebes had meegebracht. Wegens hare basstem,
waarmede zij alle overige huishoudsters—die van den sergeant-majoor er
onder begrepen—commandeerde, en wegens de energieke wijze, waarop zij
over mijn kameraad de pantoffel zwaaide, had men haar den titel van
kapitein verleend. Voluit heette zij kapitein „Eenoog”. Zij bezat
namelijk maar één oog. Of het andere door een vroegeren „laki”
toegeslagen werd,—haar huidige sterkere wederhelft had het zeker niet
gedaan, want die bezat niet eens den moed „ja” te zeggen, als zij
„neen” zeide—of dat het van zelve was dichtgegroeid, weet ik niet. In
elk geval zag zij met dat ééne oog zoo scherp als een werkelijke
kapitein met twee, eene omstandigheid, waaronder haar echtvriend veel
te lijden had. Want of hij ook te midden van een heele bende korporaals
naar de kantine sloop met het doel „er eentje te koopen” en zich daar
in het meest verborgen hoekje terugtrok, om niet gezien te worden,
kapitein „Eenoog” wist hem onder allen uit te vinden. De vrouw oefende
eene merkwaardige heerschappij over hem uit, die zij evenwel—het zij
tot hare eer gezegd—slechts tot zijn bestwil aanwendde. Zoo kon zij
bijvoorbeeld jenever zien noch luchten; hij daarentegen opperbest. Als
het nu nog maar bij ruiken gebleven was! Maar hij dronk het Schiedammer
nat ook, en dat was meer dan zij verdragen kon. Dan blies zij als een
wilde kat en haar oog fonkelde als eene gloeiende kool. Het eten was
dan steeds aangebrand en de koffie geleek op gootwater.
Het afschuwelijkste echter was het bedsermoen, dat des nachts achter
den klamboe werd afgestoken; want ongelukkig genoeg moest ik dat altijd
mede aanhooren, en of ik ook honderdmaal riep: Toetoep moeloet! (op
zijn Hollandsch: houd je snater)—de „kapitein” liet zich door geen
korporaal de wet stellen, maar ratelde door tot zij van vermoeidheid
mond en oog sloot. Dergelijke tooneelen zocht mijn collega natuurlijk
te vermijden, en hij scherpte zijn geest zooveel hij kon, om te
trachten zijn „ouwe” te verschalken, maar die liet zich niet beetnemen,
en zoo viel hij steeds weer door de ben. Had hij bijvoorbeeld eens een
borrel naar binnen gespeeld, dan poetste hij zich eerst de tanden en
spoelde vervolgens den mond, voor hij bij „kapitein Eenoog” op het
appèl verscheen. Eerst kwam hij dan nog bij mij, ademde mij onder den
neus en vroeg „ruik je nog wat?”
Het was mij natuurlijk ook niet altijd aangenaam aan een andermans mond
te moeten ruiken en ik liet hem daarom steeds een paar menage-ketels
vol slappe thee opslobberen, vóór ik verklaarde niets meer te ruiken.
Kapitein Eenoog echter rook het, want evenals haar gezichtsvermogen was
bij haar het reuk-orgaan sterk ontwikkeld. „Ze ruikt als een
jachthond,” jammerde mijn kameraad steeds. „Nauwelijks ben ik in de
kantine, of het is dadelijk: „Brammetje, geef acht, de kapitein komt!”
En dan heb ik nog maar even den tijd om te verdwijnen”.
Ja, de kapitein was eene model-huishoudster. Iederen halven cent keerde
zij driemaal om, vóór ze hem uitgaf, en ze had veel halve centen. Ze
was rijk; men mompelde van eene heele kous vol „ringgits” en „roepia’s”
[9] welke zij verborgen hield. Als dat eene kous van haar was geweest,
dan had zij werkelijk rijk moeten zijn, want naar haar stappers en de
bevallige ronding harer kuiten welke de sarong liet doorschemeren te
oordeelen, moest zulk eene beenbekleeding geweldige afmetingen hebben.
Maar inlandsche vrouwen dragen, zooals men weet, geen kousen, en
soldaten-kousen zijn niet overgroot, daarvoor zorgen de leveranciers.
Het geld verdiende zij met wasschen, naaien en handeldrijven, want zij
had een goeden stand in den warong. Natuurlijk profiteerde mijn
kameraad daar ook van. Zijn rijsttafel moest den grootsten fijnproever
bevredigen en zijn slaapbroeken en kabaaien waren steeds van den
smaakvolsten snit. Geen wonder dus, dat hij voor zijn „kapitein” een
razenden eerbied had. Zooals vanzelf spreekt, had de „kapitein”, zoo
goed als haar overige zusteren, hare kleine zwakheden. Zij was een
beetje koket, zalfde en blankette zich als eene Parisienne en was min
of meer hoovaardig.
Dolgraag zou zij gezien hebben, dat haar korporaal, die zijn katoenen
streep nu reeds bijna 15 jaar met eere gedragen had, die met de gouden
chevron had verwisseld; maar dat gebeurde niet, alhoewel de man
dagelijks met papier, schrijfgereedschap en reglementen zwaar beladen
naar de kaderschool trok. „Ze willen maar prefesters van ons maken,”
klaagde hij. „Vraagt me daar de sergeant niet, hoeveel steenen van 10
cM. lengte en 5 cM. breedte ik voor een muur noodig heb die 6 meter
lang en 3 meter hoog is. Ik wil toch waarachtig onderofficier en geen
metselaar worden! Wat gaat het mij aan, dat Weenen de hoofdstad van het
Duitsche rijk is! Als ik maar weet, hoe het er bij ons in Holland en
Indië uitziet. Naar Duitschland ga ik toch niet!” Zoo mopperde hij dag
in dag uit, maar ging niettemin getrouw ter school en trachtte
tevergeefs zijne arme hersenen te bewegen den regel van drieën op te
nemen. Sergeant is hij nooit geworden.
Met deze twee brave menschen deelde ik dus de kamer en ook vreugde en
leed. Kapitein „Eenoog” mocht mij gaarne lijden, want ik was een goede
klant van haar. Twee derden mijner soldij, een gulden dus, vond in
plaats van naar de kantine den weg naar hare woning, waar ik onder de
stapels smeerproppen steeds eene vreeselijke verwoesting aanrichtte.
Dikwerf wees zij haren korporaal, als deze buitengewoon zuur uit den
mond rook, mij als voorbeeld ter navolging aan, wat den armen man niet
weinig verdroot. Het moet daarom voor hem werkelijk een zalig gevoel
zijn geweest, toen hij den „kapitein” op zekeren dag „boven haar
theewater” zag. Dat droeg zich als volgt toe.
Het was Oudejaarsavond. Reeds een paar dagen te voren had mijn kameraad
mij weten over te halen dien avond waardig te vieren; alleen over het
financieele punt waren wij het nog niet eens. Punch toch kost geld. Ik
had wel 2½ gulden goed bewaard in mijne kast liggen, maar die waren
voor een klamboe bestemd. Doch wat deed het er ook eigenlijk toe, of de
muskieten nog een paar weken langer mijn corpus martelden; het is maar
eens in ’t jaar oudejaarsavond. Het vorige jaar had ik hem nog ver over
den oceaan onder eene flesch champagne gevierd; ditmaal mocht een
plechtige punchbowl de herinnering aan die schoone dagen wel
opfrisschen! Ik offerde alzoo vijftig cent voor eieren en besten arak.
De „kapitein” zorgde voor heet water, suiker en kinnebakswerk; de
zwelgpartij kon dus beginnen. Bij gebrek aan eenigerlei ander vaatwerk,
geschikt tot het aanmaken van punch, gebruikte ik voor dat doel onze
gemeenschappelijke waschkom; die was tamelijk groot. Weldra dampte er
het zoete brouwsel in en vermengde zijnen geur met den heeten walm, die
opsteeg uit de heerlijkste smeerproppen ooit door de vaardige vingers
van den „kapitein” gerold. Galant, gelijk het een korporaal betaamt,
presenteerde ik „Eenoog” het eerst een klein glaasje. Ik moet bekennen,
dat ik daarbij van de booze onderstelling uitging, dat het geen kwaad
kon, zoo Adam eens voor een keer Eva den appel aanbood. De „kapitein”
bracht de punch eerst onder den neus, maar zette daarop een gezicht als
een mopshond, dien men aan een peperbus laat ruiken.
Vastberaden schudde zij het hoofd. Ten leste liet zij zich toch bewegen
het goedje te proeven, stak den vinger in het glas en likte hem toen
af. „Enak betoel” [10] mompelde ze en smakte met de tong. Spoedig
gebruikte zij niet meer den vinger, maar dronk, evenals wij, uit het
glas. De verleider had gezegevierd, tot groote vreugde van mijnen
kameraad, die thans onder de oogen der hooge politie tot dusver
verboden lusten mocht botvieren. Dat deden we alle drie in ruime mate
en geraakten daardoor in zulk eene vroolijke stemming, dat wij om de
geringste flauwiteit tranen konden lachen. Wat zou echter Wein und Weib
zonder gezang zijn? Dus de gitaar van den wand genomen, heure snaren
getokkeld en den lof gezongen van onzen wakkeren kapitein „Eenoog”.
Deze scheen het stemmen van het instrument reeds voor de eigenlijke
muziek te houden; de dreunende tonen kwamen ook merkwaardig veel
overeen met de welluidende muziek van een gamalang. Met eene vlugheid,
die ik met haar 250 pond vleesch onvereenigbaar zou hebben geacht,
sprong zij op en nam de verleidelijke houding van eene „ronggeng” [11]
aan.
„Ha! ha!” Het gezicht, dat mijn kameraad zette bij deze beweeglijkheid,
was allerdolst. Zijn kapitein aan het dansen! Dat was onbetaalbaar. In
minder dan geen tijd had hij een menageketel omgekeerd tusschen de
knieën en sloeg er op los of hemel en aarde vergaan moesten. Daarmede
vereenigden zich de valsche tonen van mijn edel instrument tot eene
dansmuziek, die ons trommelvlies dreigde te verscheuren, doch de
kapitein in verrukking scheen te brengen. Die wiegde zich op de heupen
als een eikeboom in den storm en trippelde over den vloer gelijk een
dansende beer.
„Wat zou je er van denken,” riep ik overmoedig, „als wij de kapitein
eens een ring door den neus boorden en haar voor geld lieten kijken?”
Maar daarmede kwam ik bij mijnen kameraad leelijk te pas. „Als je een
paar blauwe oogen er aan wagen wilt, dan zeg je dat nog eens!” riep
hij. Maar die verwenschte punch maakte mij steeds overmoediger. Ik
wilde mijnen kameraad een beetje jaloersch maken en zong alle mogelijke
minneliederen, die voor de „kapitein” echter onverstaanbaar waren. Zij
bleef zich maar op de heupen wiegen, klapte daarbij in de handen en
zong zacht door den neus. Mijn kameraad daarentegen schoof steeds
dichter naar mij toe en siste mij in het oor: „Laat mijn „kapitein” met
vrede!” Hij riep in de woestijn! Bij den aanblik van een oog, als
„kapitein Eenoog” bezat, kon ik de verzoeking geen weerstand bieden en
hief uit volle borst aan: „Du holdes Aug’ du lieber Stern!” Nauwelijks
had ik deze hymne op het oog van de kapitein aangeheven, of daar voelde
ik ook reeds de vonken uit het mijne vliegen. De vuist van mijn
kameraad had er kennis mede gemaakt.
Mijn instrument om te keeren en het met kracht op den neus van mijn
aanvaller te laten neerkomen, was het werk van een oogenblik. In het
volgende rolden wij over den vloer en beukten op elkander los als
smeden op het aanbeeld. De „kapitein”, die van het geheele tooneel
niets begreep, stond onze krachtoefeningen aanvankelijk met open mond
aan te staren, maar stiet, toen zij den ernst van den toestand inzag,
zulk een vervaarlijk gebrul uit, dat voor onze deur een volslagen
oploop ontstond. Wij waren juist van den stoffigen vloer opgestaan en
poogden ons gehavend toilet wat in orde te brengen, toen de deur werd
opengerukt en op den drempel met een hoogrood gezicht de „dubbele”
verscheen.
„Wat gebeurt hier?” donderde zijne stem. „Wat! jelui bent aan het
bakkeleien geweest? En”—hierbij snoof hij een paar maal de lucht
in—„sterken drank heb jelui gedronken? Dat zal je voor den duivel....”
De verschijning van den sergeant-majoor en de vrees voor de gevolgen
eener mogelijke ontdekking van onze geurige contrabande maakten mij zoo
nuchter als een pasgeboren kalf. Ook kapitein „Eenoog” scheen haar
tegenwoordigheid van geest herkregen te hebben. Toen zij bemerkte, hoe
de blik van den „dubbele” onderzoekend in alle hoeken drong, hurkte zij
achter de tafel, waar zij bij den aanvang der handtastelijkheden de
waschkom met godendrank in veiligheid had gebracht, en—ik vertrouwde
mijne oogen niet—zette zich, als een evenknie van Mucius Scaevola,
midden in de eieren-punch. Deze heldhaftige daad van de „kapitein” zal
ik mijn leven niet vergeten, want de punch stond op een komfoor en was
gloeiend heet, en ik bedacht met eene lichte rilling, dat „Eenoog”
niets aan had dan een dunne sarong.
Gelukkig zocht de „dubbele” niet lang, anders zou „Eenoog” levend
gekookt zijn geworden. Met de troostrijke opmerking: „Morgen op het
rapport!” verliet de gevreesde moeder der compagnie het tooneel van den
strijd. Wij, van onzen kant, zochten met verdeelde gevoelens onze
stroozakken op, nadat zich de „kapitein” nog eerst in alle
verborgenheid het benedenste deel van den rug met verkoelende zalven
had ingewreven.
Deze nacht was de afschuwelijkste mijns levens. De koppige arak had
alle sluimerende geesten in mijn lichaam gewekt en deze bonsden en
hamerden nu in mijn schedel, zoodat ik vreesde dat hij zou barsten. In
dien arbeid werden zij nog bijgestaan door het ééne oog van de
„kapitein,” dat in mijne verbeelding mij verwijtend aanstaarde, en zoo
gloeiend was die blik, dat het mij scheen of alle speeksel in mond en
keel er door verdroogde. Door een razende hoofdpijn en het branden
mijner oogen gekweld, zocht ik nog in den nacht de rivier op en bette
en wiesch mij in hare golven; dat verfrischte. Geheele emmers water
zwelgde ik in, maar steeds had ik een gevoel alsof ik een dozijn
haringkoppen had opgeslokt. Lichamelijk en geestelijk gefolterd, legde
ik mij weder op mijn stroozak neer en luisterde naar het zachte gekreun
van de arme „kapitein”, die maar aldoor jammerde o, o, sakit sakit.
[12] De ochtendzon van den 1en. Januari bestraalde een treurig
gezelschap.
In de eerste plaats de dikke „kapitein”, die met omfloersd oog en het
hoofd krampachtig tusschen de handen geklemd, van achter de „klamboe”
te voorschijn kwam.
Kassian, kassian! jammerde ze, sakit sakit, saja poenja badan, [13] en
daarbij greep zij zich meewarig onder in den rug. Zij scheen nog maar
eene flauwe voorstelling te hebben van het voorgevallene op den vorigen
avond.
Daarentegen had zij eene katterigheid, die door geen twee „rolmops” te
genezen scheen. Nog grooter werd de verbazing van „Eenoog” toen zij den
gezwollen neus van haar korporaal en mijn blond en blauw geteekend oog
zag.
Bageh mana! [14] riep ze uit en kwam met een flesch obat [15]
aandragen, waarmede zij het gezwollen lichaamsdeel van mijn kameraad
zoolang bestreek, tot het glansde als koper. Ook over mijne oogen
ontfermde zij zich. Eene poos lang zaten we zwijgend tegenover elkaar.
Eindelijk zegevierde de goedhartigheid van mijn kameraad over zijn
wrok, en hij vroeg mij, of ik nog kwaad was.
„Ik zou wel eens willen weten, waarom!” antwoordde ik. „Jij hebt je
portie beet en ik de mijne. We hebben elkaar niets te verwijten. Maar
het kan vandaag slecht met ons afloopen bij den compagnies-commandant.
Je weet, dat de „dubbele” rapport gemaakt heeft.”
„Ja”, zuchtte hij, „helaas! Maar wat moeten we als oorzaak opgeven, dat
we elkander hebben afgeranseld?”
Ik dacht eenige oogenblikken na. Daar kreeg ik een goeden inval. Onze
compagnies-commandant had eene ronde, eerlijke soldatennatuur. Hij
zeide het altoos precies zooals hij ’t meende. Toen onlangs een
fuselier een ander had aangegeven, omdat deze hem een pak ransel had
toegediend, en beiden op het appèl verschenen, vroeg hij den aanklager:
„heb je teruggeslagen?” En toen deze hierop ontkennend antwoordde,
mompelde hij zoo iets van lafaard, en gaf den ander maar één dag
strafexercitie, „om de krachten, die hij te veel had, niet te
misbruiken,” merkte hij er bij op. Eene zware straf stond ons dus niet
te wachten, als wij maar eene geschikte verklaring konden vinden.
„Weet je wat,” zeide ik, „we vertellen hem, dat we twist hebben
gekregen over de vraag, wie van beiden grooter is: Kareltje van der
Heyden of Moltke. Ten slotte waren we elkander in het haar gevlogen.
Laat mij maar spreken.”
„Goed,” beaamde mijn kameraad. „Ik heb het dus voor Kareltje opgenomen
en jij voor den mof. Dat is afgesproken!”
Daarop togen wij aan ’t poetsen, want met helder gepoetste knoopen en
schoenen kan men dikwerf een knorrigen superieur verteederen. Een uur
later stonden wij tegenover den compagnies-commandant, die met een
kritischen blik onze getatoeëerde gezichten monsterde.
„Zeg eens!” vroeg hij mijnen kameraad, terwijl hij op mij wees, „hoe
komt het, dat je hem zoo hebt toegetakeld?”
Ongelukkig echter was de aangesprokene zeer zenuwachtig en flapte er
zonder nadenken uit: „Hij heeft op generaal Van der Heyden gescholden!”
Ik dacht op dat moment, dat ik eene beroerte kreeg. Zoo’n stommerik!
Geheel van mijn stuk, vergat ik een oogenblik de disciplinaire
voorschriften en riep: „Neem me niet kwalijk, kapitein....” Verder kwam
ik niet, want met een donkeren blik snauwde hij me toe: „Houd je mond,
kerel, tot je gevraagd wordt!”
En zich tot mijnen kameraad wendende, vervolgde hij: „Wat heeft hij
over den generaal gezegd?” De arme man wist niet wat daarop te
antwoorden, en geheel in de war, stotterde hij: „Dat weet ik niet
meer!”
„Ben je dan dronken geweest?” donderde het compagnieshoofd. Daarop
beval hij mij te zeggen, hoe de zaak zich had toegedragen, en waarom
wij elkander zoo mooi hadden gemaakt.
Ik dischte hem het sprookje op, dat wij er over hadden getwist wie
grooter krijgskundige was: Van der Heyden of Moltke. Eerst hadden wij
geschertst, vervolgens was het meenens geworden en ten slotte: de
koperen neus en de blauwe oogen.
Toen ik mijn verhaal gedaan had, keek de kapitein mij van onder tot
boven met een eigenaardigen blik aan, als wilde hij zeggen: „Kerel, wat
kun jij liegen!” En zich tot den sergeant-majoor keerende, zeide hij:
„Schrijf op voor ieder drie dagen kamerarrest!”
Dat was genadig afgeloopen. Terwijl we afmarcheerden, riep ons de
kapitein na: „Als jelui weer eens op het rapport komt, dan moet je te
voren beter afspreken!”
Daar had ik de quitantie voor mijn leugen om bestwil.
„Kapitein Eenoog” wachtte ons intusschen in de grootste bezorgdheid op.
Zij zat er danig over in den angst, dat haar korporaal met de provoost
zou moeten kennis maken. De drie dagen kwartier-arrest waren voor haar
een meevaller van belang. Gedurende dien tijd onthield zij haren
korporaal ook nog den éénen borrel, dien zij hem grootmoediglijk had
toegestaan. Wat straf heet, moet ook straf zijn!
Ik behoef niet te zeggen, dat ik mij van dien dag af weder meer dan
ooit tot koffie en smeerproppen bepaalde. Alleen een goed gesternte en
„Eenoog’s” heldhaftige daad hadden mij voor provoost bewaard.