„Zeg eens, jij lange, je zet zoo’n gewichtig gezicht, alsof je een
conferentie met Bismarck gehad hebt,” riep mij de snerpende stem van
Von Sch. toe, terwijl ik met groote passen naar de bamboekazerne
stapte. Die von Sch. was een aardige kerel. Nauwelijks twee jaar
geleden had zijne sabel nog op het asphalt Unter den Linden gekletterd
en had zijn ook nu nog welverzorgde knevel jonge schoonen tot het maken
van gedichten bezield; en thans droeg hij de strepen van den sergeant
van het Indische leger. Een man, Isaäc geheeten en behoorende tot de
wijdvertakte familie van Sem, had hem geld tegen „papiertjes” gegeven,
wat aan de verandering zijner uniform schuld moet hebben gehad. Doch
zoo iets is onder kameraden janz ejal. En hij had veel kameraden; ik
was er één van. Altoos had hij een passenden kwinkslag tot zijn dienst,
als een van zijne voormalige of hem nog overgebleven kameraden om de
eene of andere reden „het land” had. Zijn humor was tegen alles bestand
en leed eenige jaren later volstrekt niet onder het bericht, dat eene
verstandige, oude tante hem, nevens een stuk of wat smousjes en katten,
ook haar vrij aanzienlijk vermogen had nagelaten.
Sergeant Von Sch. dan riep mij op de bovenbeschreven wijze toe en
plaatste zich wijdbeens vóór mij, in afwachting van eene verklaring.
„Nu, van zooveel belang als een onderhoud met den ouden Bismarck is het
wel niet, maar het scheelt toch niet veel; ik moet mijn eerste
korporaalswacht afsteken en zit duchtig in den brand over het
schriftelijk rapport, ingeval er iets mocht voorvallen,” was mijn
bescheid.
„Och kom, wat kan er nu op zoo’n korporaalswacht gebeuren?” vroeg hij.
„Zou je het misschien willen rapporteeren, als twee kakkerlakken
elkander den kop afbijten of je een tjitjak [7] op het hoofd valt? Op
die wacht is er immers nog nooit iets voorgekomen? En als er werkelijk
iets gebeuren mocht en je kunt er geen Hollandsch woord voor vinden,
dan omschrijf je eenvoudig. Maar je moet je toeleggen op mooi schrift:
de inhoud komt er minder op aan.”
Na deze vaderlijke vermaning verwijderde hij zich lachend, en ik
vervolgde mijnen weg.
Een uurtje later betrok ik met mijn drie man de wacht, nam vol
welgevallen het beheer over de ledige arrestlokalen van mijnen
voorganger over en vlijde mij, na gedanen arbeid, behaaglijk in een
matten stoel neder. Het was een heerlijke, zonnige dag. Den nacht te
voren had het geregend, en nu slurpten zonnestralen en planten het
kostelijke nat gretig op. De lucht was helder, zoodat men in de verte
de blauwe omtrekken van het gebergte onderscheiden kon. De Tjilewong
verhaalde zachtkens, in vriendelijk gebabbel, van die reuzen daarginds,
waartoe ik mij zoo machtig voelde aangetrokken door de herinnering aan
mijn bergachtig vaderland. Zoet geurden de twijgen van den „tjampakka”
boven mijn hoofd, en wanneer een zoel windje van het naburige zeestrand
door het gebladerte streek, viel er een bloesemregen neder en omhulde
mij als met eenen mantel van het teêrste dons.
Het was werkelijk niet noodig Duitscher te zijn, om in eene zoo
paradijsachtige omgeving te dwepen, luchtkasteelen te bouwen en zich de
toekomst in de liefelijkste kleuren af te schilderen.
Het waren stoute droomen, die mijne verbeelding voortbracht. Al de
makke Javaantjes, die daar ginder in den looppas heen en weer snelden,
of, al naar de velddienst het vorderde, als slangen over den grond
kropen, herschiep zij in bloeddorstige oproerlingen, die het moordende
staal ophieven tegen het handjevol Europeanen in hun midden.
Dezen zag ik met den moed der wanhoop tegen de overmacht strijden; meer
en meer dunde het hoopje mijner kameraden; zij zouden het onderspit
delven! Daar snelde ik toe met mijne drie man, schoot, hieuw en stak
als een bezetene; de kameraden herademden, keerden zich opnieuw tegen
den vijand.
Victorie! de zege was ons.
Wat heerlijke aanblik! Het „Waterlooplein” gevuld met duizenden
toeschouwers.
Het geheele garnizoen opgesteld in parade-orde. Aller blikken zijn naar
het midden van het plein gewend; dáár, namelijk, sta ik en hoor met
vurig oog en duizelend hoofd de krachtige toespraak aan, welke de
legercommandant tot mij richt. Zijne hand rust op mijnen schouder en
met luider stemme zegt hij:
„Het heeft Zijner Majesteit behaagd u tot ridder van de Militaire
Willemsorde...” „Toeloeng! toeloeng!” [8] krijscht op eens eene
vrouwenstem en overschreeuwt de beteekenisvolle slotwoorden, waarmee
mijn fantasie-generaal op het punt stond zijne rede te besluiten. Uit
was mijn droom. Met één sprong was ik op de been, beval een der
soldaten, die dommelend in het gras lag, mij te volgen en snelde zoo
spoedig mijne lange beenen mij dragen konden naar eene naburige loods,
waaruit het hulpgeroep geklonken had. Daar vond ik een inlandschen
soldaat, die de knie op de borst eener vrouw gedrukt hield en zonder
ophouden met een steen op haar sloeg. Natuurlijk greep ik hem onzacht
in den nek en sleepte hem naar de wacht. De vrouw liet ik naar de
ziekenzaal brengen. Gedurende zijn transport huilde de kerel als een
oud wijf en deed niet de geringste poging om zich te verweren. Geen
enkele maal zelfs beet of krabde hij.
Huilend ging hij het arrestlokaal binnen en huilend beantwoordde hij
mijne vragen. Hij huilde zelfs nog, toen ik met mijn rapport bijna
gereed was, en dat duurde lang, want het Hollandsch wilde mij niet
gemakkelijk uit de pen.
Te langen leste had ik het epistel toch klaar en verdiepte mij met
welgevallen in den inhoud van het dienstbriefje: „De inlander Sowodrono
heeft zijn huishouderesse met een steen geslagen. Daarom heb ik hem
arrestierd.”
Reeds maakte zich een fuselier gereed om het rapport naar de hoofdwacht
te brengen, toen de schildwacht door het venster naar binnen riep: „Ik
geloof waarachtig, dat de kerel in de gevangenis zich heeft
opgehangen!”
Deze woorden deden mij zóó ontstellen, dat ik onder de vele verroeste
en overtollige sleutels, die aan mijn zorg waren toevertrouwd, den
juisten niet vinden kon. Het gerochel, dat uit de cel tot mij
doordrong, was niet geschikt mij op mijn gemak te brengen. Ik bezon mij
daarom niet lang, liep met den schouder tegen den deurpost en wierp de
halve gevangenis omver, die, terloops aangemerkt, uit bamboe was
opgetrokken. Ter eere van de gevangenissen in Indië dient echter
verklaard, dat niet alle van zulk een zwakken bouw zijn. Anders mocht
het eene of andere lid van het edele Europeesche boevengilde eens lust
krijgen, het veld zijner kunstverrichtingen naar dit Dorado te
verplaatsen.
Met twee sprongen was ik over de splinters heen, en bij den
ongelukkige, die aan zijnen halsdoek hing te bungelen.
Een fuselier sneed hem af en ik diende den zelfmoord-candidaat een paar
oorvijgen toe, die zijne ademhalingsorganen weder in functie brachten.
Daarna tooide ik hem met ijzeren hand-manchetten en liet hem naar de
hoofdwacht brengen. Maar nu kwam de grootste moeielijkheid aan; er
moest een nieuw rapport worden opgesteld en dat wel zoo spoedig
mogelijk, anders kreeg ik met den commandant der hoofdwacht te doen.
Als gewoonlijk schreef ik dezen dienstbrief eerst in het Duitsch en
vertaalde hem daarna woord voor woord. Hij luidde: Der gefangene
Inländer Sowodrono hat versucht sich aufzuhängen; ich habe ihn
desswegen gefesselt.
Het eerste deel van dit rapport was, meende ik gemakkelijk te vertalen;
maar met de slotwoorden haperde het.
Wat beteekent toch ook weer Fesseln in het Hollandsch? „Fetteln?”
Neen.—„Fetseln?”—ook niet! Lieve hemel, er moet toch een woord voor
zijn!
Daar ging mij een licht op. „Omschrijven, als men het juiste woord niet
vindt,” had Von Sch. dien morgen gezegd. Precies! Hoe zou het zijn, als
ik eens schreef: ich habe ihn desswegen in Ketten gelegt? Dat klonk wel
wat middeleeuwsch en rook naar burcht-kelders en pijnigende
roofridders, maar het was toch verstaanbaar.
Doch nu haperde het met de vertaling weer. Kette beteekent in het
Hollandsch „ketting,” bijgevolg beteekent in Ketten: „in kettingen.”
Die uitdrukking kwam mij echter verdacht voor, ik had haar nog nooit
gehoord. Het angstzweet brak mij uit! Er wilde mij niets invallen,
ofschoon ik reeds den halven penhouder had afgeknaagd. Daarbij kwam
nog, dat de twee fuseliers vlak naast me op het geschrift zaten te
wachten. Hoe benijdde ik de kerels! Ze spraken beiden perfect
Hollandsch, want het waren Hollanders; maar ik durfde hun toch niets
vragen. Daarmede zou ik mijn gezag verloren hebben en den volgenden dag
hadden de kameraden verteld: „de vent laat zich zijn rapporten door de
wachthebbende manschappen dicteeren.”
Als ik eens wat diplomatisch te werk ging, misschien dat ik dan toch
nog te weten kwam welke de juiste uitdrukking was. Zonder langer te
aarzelen, wendde ik mij dus tot een der beide mannen en vroeg zoo
losjesweg: „Zegt men in de streek, waar jij vandaan komt, ook „in
kettingen gelegd?””
De man keek mij verbaasd aan; hij begreep blijkbaar niet wat ik wilde.
Hij bezon zich een oogenblik en sprak dan: „Nee koproal! Bij ons thuus
zeggen ze: oan de ketting legd.”
Goddank! Nu wist ik het. Nu maar snel geschreven! Daar gaat-i: „Der
Inländer Sowodrono hat versucht sich aufzuhängen” = „De inlander
Sowodrono heeft verzocht zich op te hangen”—„ich habe ihn desswegen in
Ketten gelegt” = „ik heb hem daarom aan de ketting gelegd.”
Ziezoo! maar nu ook als de wind naar de hoofdwacht er mee! Was me dat
een karwei!
De fuseliers schenen van dezelfde meening, want één hunner vroeg mij:
„Zeg eens, korporaal, het is zeker zoo gemakkelijk niet, om eene
vreemde taal te leeren? U kent er zeker wel zoo’n stuk of wat?”
„Natuurlijk, vrindje!” antwoordde ik, „zoo’n beetje Latijn, Grieksch,
Fransch, Duitsch, Maleisch (ik wist nauwelijks tien woorden dier taal)
en natuurlijk Hollandsch ken ik wel. Met het Hollandsch spreken wil het
nog niet recht vlotten—nu dat hoor je zelf—maar schrijven, schrijven,
zie je, kan ik het als mijn moedertaal.” Ik had het immers zoo juist
bewezen.
Eindelijk en ten laatste kon ik weer eens wat rust nemen! In het zalig
besef een groot werk verricht te hebben, vlijde ik mij neer in mijnen
stoel en nam één der heerlijke manilla’s uit den zak, waarvan men er
bij den dikken Chinees op den passer zes voor een dubbeltje koopt.
Scherts ter zijde,—het waren echte manilla’s; maar zij hadden één
gebrek, dat haar voor de rooktafel der „buikjes” ongeschikt maakte: er
bevonden zich tallooze gaatjes in het dekblad, welke diep in het
binnenwerk doordrongen, en daarin zaten kleine wormpjes. Als men nu
zulk een sigaar wil rooken, dan moet men eerst de gaten met papier
beplakken, en dat is niet ieders werk. Als zoo’n sigaar „gereed was om
te vuren,” zag zij er steeds als eene dikke papierrol uit.
Ik bereidde mij dus zulk een exemplaar toe, stak er den brand in en gaf
mij weer over aan mijne droomen, die zoo ruw verstoord waren geworden
en thans door het rooken mij in eene andere, meer materieele, sfeer
verplaatsten. Telkens namelijk, als het vuur der sigaar een der
verstopte gaten bereikte, klonk het „Pschi!” en steeg er een soort van
braadlucht in mijn neus, afkomstig van een wormpje, dat door het papier
den terugtocht was afgesneden. Ik telde de gaatjes. Er waren er negen.
Een rijk menu waarlijk.
„Pschi!” Gebakken oesters.—Pschi! hoendersoep.—Pschi! zalm met
Hollandsche saus.—Goeie God, wat rook die saus heerlijk!—Pschi!
Ossehaas.—Pschi! Pschi!—He, kellner! niet zoo vlug achter elkaar
opdienen! Daar brengt me nu de kerel kip en kreeftenmaijonaise
tegelijk! (Het vuur had namelijk twee wormpjes achter elkaar
aangetast.) Misschien dat ik wat te luid gedacht had, want de fuselier,
die tot dusver rustig had zitten lezen, sprong op en vroeg: „Zei u wat,
korporaal?”
„Houd je mond!” riep ik geërgerd.
De kerels kunnen je niet eens met rust laten eten. Het geheele dessert
en de kaas gingen door die domme vraag voor mij verloren, want er waren
nog twee gaatjes in de sigaar. Thans smaakte mij het rooken niet meer;
ik kon niet meer in de stemming komen, die voor het besluit van het
aangebroken diner vereischt werd.
Ook nog het laatste restje mijner goede stemming vervloog, toen een
korporaal in volle uniform op mij toesnelde en reeds uit de verte riep:
„Gauw, gauw, je moet op het bataljonsrapport!”
Vreeselijk woord: rapport! „compagniesrapport” is reeds genoeg om
iemand kippevel te doen krijgen van angst, en nu bataljonsrapport!—Het
woord alleen gaf mij een gevoel of ik door den grond zou zinken.
Wat kon ik in ’s hemelsnaam hebben uitgevoerd? Mijn geweten was
engelrein. Maar wat hielp mij dat? Onder militairen, vooral in Indië,
staat men steeds met één been in arrest.
Mijn kameraad kon mij ook geen opheldering geven. Hij had alleen bevel
gekregen mij terstond af te lossen. Wel had de adjudant gelachen, toen
hij het bevel gaf. Maar een adjudant kan zelfs lachen als hij eene
geheele sectie naar de provoost stuurt. Dat was dus geen troost.
Vervuld van bange gevoelens, marcheerde ik naar de kazerne. Daar
verwelkomde mij de „dubbele” met eenige weinig liefelijke toespelingen.
Ook de sergeanten en korporaals staken de hoofden bijeen en namen mij
van alle kanten op. Dat maakte mij hoe langer hoe ongeruster. Vergeefs
pijnigde ik mijne hersenen om mij het eene of andere misdrijf te
herinneren; maar ik moest het opgeven. In gezelschap van een stuk of
wat op opiumschuiven betrapte Javaansche soldaten, volgde ik den
„dubbele” naar den majoor.
Op de veranda voor het bataljons-bureau heerschte eene heilige stilte,
ofschoon een dertigtal soldaten in groote tenue daar bijeen waren.
Zelfs de vier „dubbelen”, die overigens niet op hun mond gevallen
waren, zwegen als moffen. Ieder, die een slecht geweten had, stond dit
op het gezicht te lezen. Mij neep de angst letterlijk de keel toe; ik
snakte naar adem als een visch op het droge naar water.
Daar ging de deur van het bureau open. De bataljons-adjudant verscheen,
en allen stonden als zoutpilaren. Hij telde de manschappen, vergeleek
de rapporten en verdween weder.
Nog vijf minuten uitstel van executie; zij schenen ons zooveel uren.
Eindelijk kwam de majoor. Met één oogopslag overzag hij de aanwezigen.
„Waar is de korporaal, die van morgen het rapport over den
adspirant-zelfmoordenaar heeft ingezonden?” vroeg hij met dreigende
stem.
„Present, majoor!” riep ik en deed een stap voorwaarts.
De bataljons-commandant monsterde mij met een langen blik; onderwijl
vertoonde zich bij hem eene eigenaardige trekking om den mondhoek.
„Je hebt zware straffen verdiend, wegens twee militaire vergrijpen,”
begon hij.
Al het bloed drong mij naar het hart; toch hield ik zijnen blik uit.
„Waarom heb je den soldaat Sowodrono permissie gegeven, zich op te
hangen?”
Gerechte hemel, wat moest dat beteekenen!
„Neem mij niet kwalijk, majoor, ik kan bezweren, dat de man mij geen
verlof gevraagd heeft,” stotterde ik.
„En je schrijft zelf, dat de man je verzocht heeft, zich te mogen
ophangen!”
Nu begon er in mijne arme hersenkas eenig licht te komen.
„Verder heb je den man behandeld op eene wijze, die den soldaat
onwaardig is, door hem als een hond aan een ketting te leggen, zooals
je ook zelf schrijft”, ging hij voort.
Ik moet er op dat oogenblik niet bijster snugger hebben uitgezien, ten
minste naar de gelaatstrekken der omstanders te oordeelen, die slechts
met moeite hun lachen schenen te bedwingen.
Het kan voorkomen dat een soldaat meesmuilend lacht, als een luitenant
beweert, zijn leven lang geen grooteren os gezien te hebben dan hij.
Het is ook mogelijk dat een soldaat pijnlijk lacht, als hij boven aan
eene trap toevallig bij het opengaan der deur zijnen kapitein tegen het
lijf loopt, achterover naar beneden tuimelt en op de vraag van den
kapitein: „kerel, ben je dood?” ten antwoord geeft: „met uw verlof nog
niet, kapitein!” Maar tegen een majoor te lachen, dat zal een soldaat
zelfs in den dood niet overkomen. En hier, in mijne naaste omgeving,
stonden 1 onder-adjudant, 4 sergeant-majoors, 4 sergeanten, 4
korporaals en eene geheele bende arme zondaars en lachten, waar de
majoor bijstond! Maar wat het onverklaarbaarst was, de majoor zelf
lachte, lachte, dat zijn buikje er van schudde. Een majoor, die in
diensttijd lacht! Een majoor, die lacht tegen een korporaal!
Zoo de beroemde weer-professor Falb in mijne plaats ware geweest, dan
zou hij dezen dag zeker als een kritieke dag van de hoogste orde hebben
aangemerkt en de latere uitbarsting van den Krakatau met dit oogenblik
in verband hebben gebracht.
Eene heele poos duurde het, alvorens de gemoederen weder tot bedaren
kwamen. Daarop commandeerde de majoor: „rechtsomkeert, marsch!”
Hij riep mij nog na:
„Je wordt ersucht beter Hollandsch te leeren, anders blijf je nog lang
aan den korporaals-ketting liggen.”
Ik zag of hoorde niets meer—ik zweefde letterlijk over de aarde. Het
beeld van den lachenden majoor vergezelde mij naar de kazerne. Daar
schoten van alle kanten de korporaals op mij toe en vroegen deelnemend:
„Wat is je toch om ’s hemels wil gebeurd? Je ziet zoo bleek als een
doode!”
Ik kon alleen maar uitbrengen:
„Ik heb een lachenden majoor gezien!”
„Wa-a-at blief je?”