ONDER INLANDSCHE RECRUTEN.

Een korporaal der „zandhazen” in Holland zou zeker een zeer verbaasd

gezicht zetten, als hem bij bataljons-order werd aangezegd, dat hij

zich den volgenden morgen naar een garnizoen te begeven had, verwijderd

van het zijne op een afstand als van Amsterdam naar New-York of nog

verder. Zijn Indische kameraad zou een dergelijk bevel met de grootste

onverschilligheid aanhooren, misschien vragen: waar ligt die negorij?

vervolgens zijn ransel pakken en dan het oude garnizoensstof van zijne

pantoffels schudden.

Ook ik deed eveneens, toen mij de sergeant-majoor mijne overplaatsing

naar de inlandsche compagnie mededeelde. Wel is waar was er in dit

geval slechts sprake van een afstand van eenige honderden meters,

welken ik van de steenen- naar de bamboe-kazerne had af te leggen; doch

de voorbereidende maatregelen bleven volkomen dezelfde als voor eene

wekenlange zeereis. Uniformstukken, kousen, hemden en andere onmisbare

toiletartikelen werden in de gapende kalfshuid neergelaten en mijn

geheele meubilair, bestaande uit een spiegel, laarzenknecht, met nog

andere voorwerpen van weelde, in de modelkist gesloten. Daarna

aanvaardde ik den korten marsch, waarvan het einddoel het bureau van

den „dubbele” [1] der derde compagnie was.

Bescheiden, gelijk het een korporaal betaamt, klopte ik aan. Maar ik

moest lang wachten voor de „Sesam” zich opende, want het ging

daarbinnen niet malsch toe. Daar regende het uitbranders, scheldwoorden

en andere liefelijkheden. Nog eenmaal waagde ik eene poging, om toegang

te verkrijgen en thans werd ik verhoord. „Binnen!” klonk het met

donderende stem door de deurreet, en gevolg gevende aan deze

vriendelijke uitnoodiging, trad ik binnen.

In de schemering, welke in het vertrek heerschte, bemerkte ik de

forsche gestalten van eenige Europeesche onderofficieren, die op de rij

af door den „dubbele” niet zoozeer toegesproken als wel toegedonderd

werden. De „moeder der compagnie” was zeker met den „vader”—aan gewone

stervelingen beter bekend onder den titel: kapitein—aan het kijven

geweest, of beter gezegd de „vader” met de „moeder”, want in de

militaire wereld is het de vader, die „de broek aan” heeft.

Het spreekt vanzelf dat er nu een bliksemafleider noodig was, om de

spanning te ontladen.

Wie kon daar beter toe dienen dan een korporaal, het laagste punt der

militaire superioriteit, die het wolkje op het voorhoofd van den

bataljonscommandant in den vorm van een donker onweder te aanschouwen

krijgt, nadat het zich aan den horizon van den kapitein, den luitenant,

den sergeant-majoor en de sergeanten tot eene steeds dreigender massa

heeft saamgepakt. Mijne komst maakte het spel compleet.

„Luiwammes, kun-je nog langer op je laten wachten?” aldus verwelkomde

mij Zijnedelgestrenge. „Je dacht misschien dat je met een rijtuig

gehaald zoudt worden!”

„Neem me niet kwalijk, majoor...!”

„Houd je mond, voor den donder, of ik...!”

De overige woorden slikte hij in, want een spiksplinternieuwe luitenant

verscheen op het tooneel. Als er nu nog gedonderd moest worden, dan

verviel de bevoegdheid daartoe van rechtswege aan den in rang hooger

geplaatste; maar deze onthield zich er van, omdat hij daarvoor nog te

korten tijd in Indië was.

Het onweder trok dus af, en slechts af en toe schoot nog een

bliksemstraal uit het aangezicht des „dubbelen,” dat zich tot een

bitterzoet glimlachje geplooid had in de richting, waar ik stond.

„Is de korporaal reeds ingedeeld?” vroeg de binnentredende.

„Jawel, luitenant, bij uw peloton in de tweede sectie,” antwoordde de

„moeder” op den onderdanigsten toon.

„Goed, laat hem dan heengaan, want de recruten kunnen ieder oogenblik

van Batavia aankomen.”

Met de meest militaire stijfheid maakte ik rechtsomkeert en haastte mij

weg te komen uit de schotlinie van den „dubbele” waar ik mij niet weder

onder waagde voor zijn gevoelsbarometer op zonneschijn stond, hetgeen,

tusschen haakjes, slechts uiterst zelden gebeurde.

In het „kampement” der derde compagnie, in welker centrum de

sergeant-majoor resideerde, ging het intusschen toe als in een

bijenkorf. Hier gebood de rechterhand van den „dubbele” de fourier, de

„meid-alleen,” wien het lichamelijk welzijn der compagnie toevertrouwd

is, de beheerscher der vertrekken voor de provisie en de kleeding

bestemd. Hij zat juist een aantal Europeesche en inlandsche korporaals

achter de vodden, die heilwenschen (?) tusschen de tanden mompelend,

mij voorbijvlogen. Nauwelijks kreeg hij mij in ’t oog, of ik werd er

ook bijgelapt.

„Hier, jij nieuweling, wees zoo goed en neem de matten voor je kerels

in ontvangst! Als de drommel je ransel af!” bulderde hij me toe. Ter

opheldering moet ik hier bijvoegen, dat den inlandschen soldaten

slechts matten van biezen worden verstrekt, en geen stroozakken, zooals

aan hunne Europeesche krijgsmakkers. Bovendien krijgen ze een met stroo

gevuld hoofdkussen en een katoenen deken, „sprei” genaamd: een

eenvoudig en zeer practisch leger.

Na weinige oogenblikken was ik reeds druk werkzaam en sorteerde al de

heerlijkheden, waarvoor elken recruut bijzondere zorg wordt aanbevolen.

Midden onder den arbeid werd ik door hoornsignalen opgeschrikt, die

steeds nader en nader klonken. Commando’s werden hoorbaar, ten slotte

eindigend in een langgerekt „halt!” Toen werd het stil, en men hoorde

slechts de barsche stem van den sergeant-majoor, die de recruten bij

hunnen naam riep; terloops aangemerkt: eene ondankbare, tijdroovende

bezigheid, daar de meeste dezer natuurkinderen òf te verlegen zijn, om

hunnen mond open te doen, als hun naam wordt afgeroepen, òf wel

vergeten zijn, hoe zij heeten. Ik verkneuterde er mij in, den „dubbele”

zoo rood als een kalkoenschen haan voor het front op en neer te zien

stappen, terwijl hij in machtelooze woede de arme drommels geheel van

hun stuk bracht met hun de namen in de ooren te brullen en daarop

slechts zulke onvolledige antwoorden kreeg, dat de „rommel” niet

„kloppen” wilde.

Het was een gezicht om zich den buik vast te houden van het lachen: al

deze kleine, bruine barrevoeters, die tegen elkander stonden

aangedrongen als eene kudde schapen. Ieder oogenblik verwachtte ik dat

zij op de voorpooten—pardon! handen—vallen zouden en tegen de

klapperboomen opklauteren. Daarmede hadden zij ons werkelijk een

grooten dienst bewezen, want het moest een heidensch werk zijn, eerst

menschen en daarna soldaten uit hen te maken. Deze gedachte baarde mij

geen geringe zorg, want ik verstond absoluut geen woord Maleisch,

buiten de hoofdwoorden: makan: eten; minoem: drinken, en pisang-goreng:

[2] smeerproppen of gebakken pisangs. Maar daarmee kon ik toch geen

recruten afexerceeren.

„Heilige Florian, ontsteek mijn geest!” bad ik in stilte, toen ik op

mijn sergeant toetrad, die met een arme-zondaarsgezicht, evenals ik,

tegen een deurpost geleund stond en in diepe verslagenheid den bruinen

menschenvloed gadesloeg, die onafgebroken zijne sectie binnenstroomde.

Hoeveel dagen kamerarrest en politiekamer stroomden daar wel mede

binnen? Dat kon alleen de goede God weten en de kapitein, de

onze-lieve-Heer der compagnie.

Tot deze slotsom scheen ook de sergeant gekomen te zijn, want hij

wendde zich met een zucht af. Eerst toen hij mij bemerkte, herkreeg hij

zijn geestelijk evenwicht.

„De kerels moeten eerst behoorlijk worden afgeschrobd”—d.w.z. zich

baden—„voor ik mij met hen afgeef”, zeide hij en wierp van terzijde een

blik op de recruten, die als eene bende apen dicht op elkaar zaten

neergehurkt. „Daar de vrouwen den weg niet weten, kunnen zij zich bij

den troep aansluiten,” liet hij er nog op volgen.

Het was zoo, er zaten ook nog vrouwen tusschen die knapen in. Zoo

ongeveer het derde deel hadden hunne huishoudsters meegebracht. Bijeen

geleken zij een grooten vuilnishoop, want zij hadden eene langdurige

scheepsreis achter den rug en hadden al dien tijd bijna geen waschwater

bekomen—voor Javanen, die over het algemeen zeer op reinheid gesteld

zijn, eene ware kwelling.

„Neem me niet kwalijk, sergeant, maar ik spreek geen Maleisch. Ik weet

niet hoe ik de menschen in het water en er dan weer uit krijgen moet,”

veroorloofde ik mij in het midden te brengen.

„Mooi zoo! dat wordt eene vroolijke geschiedenis,” riep de sergeant

wrevelig. „Ik ben eerst sedert vier weken bij de apen-compagnie, de

luitenant is kersversch uit Europa aangekomen, en jij kunt ook al niet

anders dan menage lepelen—laat dan de duivel zien, dat hij de kerels

afexerceert! Maak maar dat je wegkomt. Hoe je ’t met de bende klaar

speelt, is me glad onverschillig!”

Dat ziet er lief uit, dacht ik. Maar de nood maakt vindingrijk. Ik

zocht den grootsten uit den troep, wenkte de anderen en marcheerde de

deur uit. Als eene kudde schapen achter den hamel trappelden de

overigen, en ook de vrouwen, hunnen voorman achterop. Voor de deur

maakten wij nog eerst halt. Ik sorteerde het gezelschap naar de lengte

en geraakte daarbij zoo in vuur, dat ik na gedanen arbeid het commando:

„Met verdubbelde rotten!” weerklinken liet. Ik weet niet wie er op dat

oogenblik wanhopiger uitzag: de Javaantjes of hun korporaal.

Onwillekeurig bedacht ik dat zoo een Javaansche recruut toch stellig

nog minder militair begrip heeft, dan een afgeëxerceerde Amsterdamsche

schutter; ik herriep derhalve het commando, plaatste de luidjes in

rijen van vier achter elkander, hief mijn linkerbeen zoo hoog op, dat

het boven de hoofden der recruten uitstak en kommandeerde: „Marsch!” Ik

had net zoo goed „Hu!” kunnen kommandeeren; misschien hadden zij dat

nog eer verstaan. Nu, de hoofdzaak was: zij zetten zich in beweging.

Maar wat mij niet mocht gelukken, niettegenstaande de waanzinnigste

pogingen, het was om de vier voorsten tot een zelfde marschtempo te

bewegen. De kolonne vertoonde groote gelijkenis met een kruipenden

duizendpoot. Ten slotte gaf ik het op en liet hen loopen zooals zij

wilden. Ik dankte mijnen Schepper, toen wij eindelijk de steenen

kazerne aan de rivier bereikt hadden. Nu plaatste ik mij voor den

troep, strekte den arm uit als een houten wegwijzer en schreeuwde uit

al de kracht mijner longen „Halt!” Wel kregen de eerste paar rijen nog

een geweldigen schok, daar de achter hen aankomenden met hangende

hoofden tegen hunne voorgangers aanstietten; maar eindelijk stond de

geheele troep. Door naar het water te wijzen en het maken van krachtige

zwembewegingen, trachtte ik mijne bedoeling voor de menschen duidelijk

te maken. Dit gelukte boven alle verwachting. Onder luid gejuich vloog

de bende naar den oever, de vrouwen evenzeer.

„He! dat gaat niet,” riep ik haar toe, „jelui moet naar den anderen

kant!” Maar ik had met engelentong kunnen spreken, zij zouden mij toch

niet verstaan hebben. Gelukkig kwam mij een oude fuselier te hulp, die

de vrouwen begrijpen deed, dat bains mixtes in Indische kazernes niet

thuis behooren, maar dat het eene deel der militaire badkuip voor de

mannen, het andere deel voor de vrouwen bestemd was. De vrouwen

gehoorzaamden, en nu ontwikkelde zich een paradijs-achtig stilleven,

waarin dozijnen Adam’s en Eva’s de stoffeering vormden. „Mama

Gouvernement,” die anders in elk opzicht goed voor hare kinderen zorgt,

heeft er namelijk in het geheel niet aan gedacht hen van zwembroeken te

voorzien. De Tjilewong is daarom ook zoo vriendelijk, hare gele wateren

als een sluier uit te breiden over alles, wat de mensch liefst voor

zijnen evenmensch verborgen houdt. Een kwartiertje lang liet ik de

luidjes in het water spartelen en bracht toen longen en armen weder in

beweging, ten einde mijne kudde weer om mij heen te verzamelen. Dat

duurde tamelijk lang, want de eene natuurknaap had zijn broek achterste

voren toegeknoopt, weer een ander wilde zich niet met zijne jas

verzoenen, daar die hem te warm was, enz. Ten slotte evenwel kreeg ik

hen weer in rij en gelid en overtuigde mij dat er niet één ontbrak.

Voltallig leverde ik hen weer af aan mijn sergeant.

Weinige minuten later kwam de fourier al weder aangaloppeeren, die ons

in den looppas naar het magazijn bracht. Daar werden al de

fraaiïgheden, die ik kort te voren gesorteerd had, verdeeld en in de

eerste plaats de menageketels naar de keuken geëxpedieerd. Was het

verstand of instinct, dat het volkje in vroolijke groepen naar de

keuken dreef, toen het signaal voor het eten geblazen werd? Zij hadden

het toch nog nooit gehoord. De korporaals hadden heel wat moeite, om de

hongerige bruintjes in toom te houden. Messen en vorken zijn hun maar

ongemakkelijk; de vijf vingers verrichten denzelfden dienst. Luid

gesmak verkondigde weldra de tevredenheid van het gezelschap, waarbij

zich nu ook de vrouwen gevoegd hadden, die tijdens den dienst hare

tenten in den „warong” hadden opgeslagen. In het voorbijgaan was door

mij opgemerkt, met welke nuttige bezigheid zij zich na het bad onledig

hielden. In een kring gezeten, zoodat geen van het clubje te kort kwam,

woelden zij in elkander’s haren om en bewezen elkaar wederzijds de

kleine diensten, welke onze voorouders, volgens Darwin’s theorie, huns

gelijken zoo gaarne betoonen. ’s Lands wijs ’s lands eer!

Zij die zich in het bezit van bijzonder ontwikkelde reukzenuwen

verheugen en op een fatsoenlijk gedrag aan tafel gesteld zijn, zullen

wel doen met eene dineerende compagnie inlanders te mijden. De sterk

riekende vruchten, welke zij voor dessert gebruiken, als „doerian’s,

zuurzakken”, enz., verpesten den omtrek in die mate, dat het bijna niet

is uit te houden. Buitendien huldigen die natuurkinderen de

onbehaaglijke gewoonte om, zoodra zij zich aangenaam verzadigd

gevoelen, een vocaal concert te beginnen, dat meer uit de maag dan uit

de borst wordt gezongen en allesbehalve welluidend klinkt.

Deze ondervinding moest ik opdoen, toen ik mij naast onzen inlandschen

sergeant had neergezet. Hij was een merkwaardig heer. Zijn kameraad had

mij naar hem verwezen, omdat hij wat Hollandsch sprak, en dus in staat

was mij in de geheimenissen der Maleische taal in te wijden. Ik had

omtrent zijnen persoon de volgende inlichtingen ontvangen: „de sergeant

is ijdel; hij draagt laarzen onder voorgeven dat hij gevoelige voeten

heeft, in werkelijkheid echter omdat hij den half-Europeaan zou kunnen

uithangen, wat hij niet is.” Dit alles had ik mij in het oor geknoopt,

en ik nam mij voor op zijne ijdelheid te werken. Ik wachtte behoorlijk

tot mijn meerdere in rang zijnen maaltijd beëindigd had en zette hem

toen het doel mijner komst uiteen. Ik verklaarde hem, dat mij zijne

gelijkenis met een Indo-Europeaan, dien ik eens ontmoet had, sterk had

getroffen en vroeg hem of hij niet een broeder in Holland had. Hij

schudde weemoedig het hoofd, trok aan de vier of vijf knevelharen, die

hij tegen de gewoonte zijner landslieden liet staan en sprak

fluisterend: „Ik helaas niet Hollander, maar”—voegde hij er op

geheimzinnigen toon aan toe—„grootmoeder van mij was baboe

(kindermeisje) bij „toewan” kolonel.”

„Oei....!” ontsnapte mij onwillekeurig. Zoo’n opsnijder! Waarom niet in

eens baboe bij den legercommandant? „Jammer,” zeide ik en reikte hem de

hand. Wat jammer was, wist ik eigenlijk zelf niet; hij denkelijk ook

niet; maar desniettemin schudden wij elkander vriendschappelijk de

hand. Nu kwam ik met mijn verzoek voor den dag: of hij wel zoo goed zou

willen zijn, mij wat Maleisch te leeren? Hij knikte genadig en zeide:

Kossok beteekent: poetsen.

„Prachtig!” riep ik met onwillekeurige geestdrift uit. Met dit enkele

woord kon ik de geheele week volstaan, want „poetsen” is het militaire

Alpha en Omega. Het zonlicht, het maanlicht en het licht der walmende

petroleumlamp zien den Indischen soldaat aan het poetsen en ondanks

alle inspanning wordt hij nog dikwerf ter zake van onvoldoend poetsen:

„heruntergeputzt,” zooals de Duitschers zeggen. Nog drie woorden: mari

sini (kom hier) en lakas (snel)—want onder militairen moet alles snel

gaan—leerde ik en verwijderde mij toen onder duizend dankbetuigingen

aan den sergeant, wiens wederhelft reeds geruimen tijd op de

gelegenheid gewacht had, om den nakomeling der „baboe” van den

„toewan”-kolonel te „pidjetten.” [3]

Niet lang duurde het meer of de eerste dag was ten einde. In de lange

gangen van het „kampement” flikkerden de lampen en wierpen haar

schijnsel op verschillende groepen soldaten, die, blijde de drukkende

uniform te mogen afleggen, in primitief negligé samenhokten. Boven

hunne hoofden zweefde een afschuwelijk riekende wolk, van den rook der

„strootjes” [4] afkomstig en aan hunne voeten stonden uit

sigarenkistjes geïmproviseerde spuwbakken gereed, om het roode sap der

sirihpruim op te vangen. Anderen hadden zich in hun boudoir

teruggetrokken, en rustten op hunne schatten uit. De gehuwde Javaansche

soldaten namelijk, die allen zonder uitzondering—ook de ongehuwden—zeer

veel schaamtegevoel bezitten, toonen in vele gevallen eene kieschheid,

die den Europeanen vreemd is. Door katoenen gordijnen aan de brits te

bevestigen, scheppen zij zich een gezellig hoekje, waar zij hunne

rijkdommen, enkele kapok-kussens, somtijds zelfs een matras, verbergen.

Daar trekken zij zich na de vermoeienissen des daags terug en slapen

gerust, niettegenstaande het krachtige gesnork der slapers, die hunne

matjes op de brits boven hun hoofd hebben opgeslagen.

Ook ik volgde dit voorbeeld en ging op éen oor liggen, hoewel het nog

lang geen „taptoe” was. Zacht drong in mijn vertrek een eentonig door

den neus klinkend gezang door, dat door handgeklap begeleid werd.

Waarschijnlijk waren het herinneringen aan hun tehuis, die de bruine

schepsels in hunne liederen bezongen. Ja, ook deze natuurkinderen

lijden aan heimwee; zij zijn niet de gevoellooze wezens, waarvoor zoo

velen hen houden, zij gevoelen dikwerf veel dieper dan de Europeaan,

die zich naar den geest hun meerdere acht. Het slaperige gezang bracht

mij in eenen toestand tusschen waken en droomen. Het was mij, alsof ook

mij uit het lieve, verre vaderland bekende geluiden toeklonken.

Onzichtbare handen droegen mij derwaarts over. Ik zat in den kring van

oude bekenden, vroolijke drinkliederen weergalmden en de schuimende

bierkruik ging lustig rond, toen... een zacht gegons aan mijn oor, een

doordringende pijnlijke steek in de wang—weg waren vaderland, weg de

vrienden, weg het heerlijke bier. Wat mij stoorde, was de prik van een

muskieten-angel. De steek is nog zoo erg niet, maar de lange tijd, die

er verloopt tusschen het aanvliegen en het steken, kan een mensch

radeloos maken. De vermoeide hand slaat vergeefs in het rond.

Gewoonlijk steekt u het bloedgierige gespuis juist op eene plaats, waar

ge het niet verwacht. Alleen een „klamboe” [5] kan hier helpen, en die

had ik mij, ondanks alle zuinigheid, nog niet kunnen verschaffen. Doch

de goede Morpheus had medelijden. Hij liet zijn droomensluier op mij

nederzinken, en slechts als een verwijderde echo drong de klagende toon

van het taptoesignaal tot mijn verflauwend bewustzijn door. Ongestoord

zwelgden de muskieten—de kazernevloo is in Indië, Goddank!

onbekend—mijn bloed.

Als den volgenden morgen een oningewijde het „kampement” betreden had,

zou hij zich zeker in eene kleermakerswerkplaats met een

schildersatelier verbonden, verplaatst hebben gemeend.

Al de superieuren, met uitzondering van den „vader” en de „moeder,”

waren bezig hunne beschermelingen een menschelijk aanzien te geven. Met

de pantalons had men gemakkelijk werk, niet echter met de jassen. Den

eenen borst was de snit te ruim, den anderen de kraag te nauw; den

derden hing iedere jas als een meelzak over den rug. Het was om er

wanhopig van te worden. Daarbij kwam nog de booze luim van den fourier,

die telkens woedend werd als hij een nieuw kleedingstuk uit zijn net

geordenden voorraad moest afstaan, en de vinnige aanmerkingen van den

luitenant, wien alles veel te langzaam ging. Doch dat had zich alleen

de sergeant aan te trekken, want mij was de gewichtige taak opgedragen,

alle uniformstukken van „boezeroen” tot „kapotjas,” met roodgeverfde

stamboeknummers te voorzien. Een geluk was het dat er geen kousen en

schoenen te nummeren waren—de inlandsche troepen marcheeren

barrevoets—dan had het werk zeker nog langer dan een dag geduurd,

ofschoon het vlot van stapel liep.

Voortdurend liet ik mijn Maleischen taalschat schitteren, door het

geroep van: „Mari sini lakas!” zoodat zelfs de luitenant opmerkzaam

werd en mij vroeg: „Spreekt ge Maleisch?” Met de grootste

koelbloedigheid, antwoordde ik: „Zoo tamelijk, luitenant!” Dat zou voor

mij noodlottig worden, want onmiddellijk liet de luitenant er op

volgen: „Dan kun je later je manschappen eenig onderricht geven in het

militair saluut en dergelijke zaken meer!” Daar had ik mij aardig

ingewerkt. Het was mijn verdiende loon. Ik had mij zelf eene oorveeg

kunnen geven over mijne domheid. Het was nu te laat om haar te

herstellen, en er bleef mij niets anders over dan bij den nakomeling

der „baboe” van den kolonel te biecht te gaan, die mij uit de

moeielijkheid hielp door later zelf het verlangde onderwijs te geven en

mij aan den fourier, met wien hij op geen goeden voet stond, ter

assistentie overleverde.

Toen de uitmonstering der Javaantjes afgeloopen was, begon het poetsen,

want de kapitein zou den volgenden dag eene inspectie komen houden. Dit

woord „inspectie” is een der geduchtste termen uit de militaire

grammatica. Het bezorgt iedereen de nachtmerrie, van den luitenant tot

den soldaat. In het burgerlijke leven is het ongeveer te vergelijken

met een schoonmaak van het geheele huis, als men voorname gasten wacht.

Nu stelle zich eens eene huisvrouw voor, dat zij uitsluitend

„schoonmaaksters” in dienst heeft, die niet weten hoe zij een bezem

moeten hanteeren en niets dan Fransch kunnen spreken, terwijl zij, als

huisvrouw, alleen Hollandsch verstaat. Zij kan zich dan een zwak begrip

vormen van eenen namiddag bij eene Javaansche recruten-compagnie, vóór

den ochtend eener kapiteins-inspectie.

Men hoorde niets anders roepen dan: Kossok! Lakas, Lakas, Lakas!...

Ja, als het met bevelen alleen te doen was! De kerels wisten immers

niet eens, hoe zij met de knoopenschaar moesten omgaan, en dat het heft

van het kapmes blinken moest als zilver, scheen hun onverklaarbaar. Bij

eene Europeesche compagnie kan men bij dergelijke gelegenheden zijnen

toorn tenminste nog door eenige kazernevloeken lucht geven, doch dat

valt bij eene inlandsche compagnie uiterst moeilijk, vooral als men de

taal niet kent. Ofschoon ik een bijzonder grooten domoor den eenen

orang oetan na den ander naar het hoofd wierp, gaf hij geen blijk het

zich ook maar eenigszins aan te trekken; de kerel verstond niet eens

zijne eigen taal. Er bleef niets anders over dan zelf de hand aan het

werk te slaan, uit den treure knoopen te poetsen, stukken van uniformen

te zoomen, te vouwen en netjes op de „planken” te schikken. Dit duurde

tot laat in den nacht. Nog in den droom hoorde ik mijnen collega met

schorre stem roepen: kossok lakas! kapitein datang [6].

De gevreesde dag brak aan. Te gelijk met den haan van den

kompagnies-kok kraaide ook de sergeant-majoor, en diens stem werkte

electriseerend. In minder dan geen tijd was ieder op zijnen post.

Nogmaals de knoopenscharen te voorschijn gehaald. Thans ging het

poetsen veel beter. De kereltjes waren leerzaam. Tallooze bezems deden

dichte wolken stof opdwarrelen, welke weder door zachte stofdoeken

onbarmhartig werden weggenomen. De „kamerwacht”, een oude fuselier,

liep met een angstig gezicht ieder stroohalmpje na, dat de wind door de

lange gangen joeg. De „moeder” liep voor hem uit en voelde in alle

hoeken en gaatjes, om zich te vergewissen dat er geen stofje meer te

vinden was. Zij scheen tevreden. Minder vergenoegd waren de arme

sergeanten en korporaals. Daar had een hunner een recruut onder handen,

wiens kraag steeds weder tegen den langen hals opschoof; ginds wendde

een korporaal vergeefsche pogingen aan om een klein ventje de muts

recht op het hoofd te zetten; de schedel was zoo gebouwd, dat het

hoofddeksel telkens weer in den nek gleed. Ik was haast van schrik

flauw gevallen, toen ik ontdekte dat de een of andere ellendeling één

mijner manschappen twee knoopen van de uniform had afgesneden;

waarschijnlijk om ze aan zijne eigen kapotjas te zetten. Snel moest in

het onheil voorzien worden, want de luitenant was reeds in aantocht, en

een luitenant kan onder zekere omstandigheden al even onuitstaanbaar

wezen als een kapitein.

Eindelijk was alles tot de groote ontvangst gereed. In lange rijen

stonden de recruten vóór hunne slaaptafels en wachtten op de dingen,

die komen zouden. Een gewoon sterveling heeft niet het minste begrip

van het gewicht van een kapitein. Menige pennelikker, met een

jaarlijksch salaris van 600 gulden en eene geborgde jas aan het lijf,

gelooft zich ver verheven boven den „vergulden bedelaar,” zooals

neuswijze heertjes zich gelieven uit te drukken; zij behoefden slechts

ééne inspectie bij te wonen om van hunnen waan genezen te worden. Er is

een reusachtig onderscheid tusschen den kapitein in dienst en in de

samenleving. Wie hem zoo ziet zitten aan het venster van een der groote

café’s in de Kalverstraat, terwijl hij met een tevreden glimlach naar

de menschenmassa kijkt en met een stil genoegen zijn bittertje slurpt,

zou licht op de gedachte kunnen komen: „dat is een man om omver te

loopen!” Jawel, goeden morgen! Men moet hem in zijn element zien en dan

in de eerste plaats bij eene inspectie: dan is hij Jupiter gelijk. Dan

brult zijn mond als de donder, en zijne oogen schieten bliksemstralen;

waar die inslaan, ligt de getroffene van 8 tot 14 dagen krom. Zoo zijn

zij allen, en zoo was ook onze kapitein, wiens komst wij in duizend

vreezen te gemoet zagen.

Eindelijk klonk het bevel: „Geeft acht!” De luitenants zetten eene

hooge borst, snelden naar den ingang, en wij stonden als stokken aan

den grond genageld. Langzaam naderde het onweder. Onheilspellend

fonkelde de portefeuille van den sergeant-majoor, die het gevreesde

potlood, als eene lans tegen het front van den troep gericht, droeg. De

inspectie begon. Onze sectie was aan de beurt, en de sergeant volgde

met een gezicht, dat wel wat bleek zag. Het scheen of hem het

stereotype: „Sergeant-majoor, schrijf op: zoo en zooveel dagen arrest!”

reeds in de ooren klonk. Ieder oogenblik verwachte ik een: „Hum, hum!”

van den kapitein; onder broeders beteekende dat eenige dagen

kamerarrest. Zeide hij echter: „Smeerpoes!” dan kwam men er niet zonder

„politiekamer” af. Daarin deelen dan in den regel de berispte, de

korporaal en de sergeant broederlijk. Boven verwachting liep het

prachtig voor ons af. Het onweder trok voorbij, zonder in te slaan. De

kapitein was dien dag niet alleen God, hij was ook mensch, en zag dat

het mogelijke gedaan was. Toen hij zelfs ten slotte zeide: „Goed!”

hadden wij hem van blijdschap wel om den hals willen vliegen, als dit

niet in strijd geweest ware met alle begrippen van subordinatie.

Na afloop der inspectie was het uitbetaling van traktement, en toen ik

mijne 90 cents voor de drie dagen in handen hield, dacht ik bij mij

zelven: „Mama Gouvernement is toch eene brave ziel; zij beloont steeds

naar verdienste.” Daarop vergunde ik mij de weelde van vijf kop koffie

en een dozijn „smeerproppen,” en hiermede waren de eerste drie dagen

ten einde.

Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven · 第 6 / 14 题