Op het voordek der Celebes stond eene groep van ongeveer 30 soldaten,
die allen met schitterende oogen in de verte zagen naar kleine groene
stippen, die zich scherp tegen den gezichteinder afteekenden. Geen
enkele was er onder hen, die niet bij den aanblik der Duizend
Eilanden—want zoo heetten de groene stippen—eene onbeschrijfelijke
vreugde had gesmaakt. Het moest een bijzonder genot zijn, na eene reis
van twee en veertig dagen weer eens vasten grond onder de voeten te
voelen. Zoo velen hunner hadden in Napels, Port Said en Aden de
gelukkige passagiers met jaloersche blikken nageoogd als zij lachend en
schertsend de vreemde kusten betraden. Zoo velen hunner zouden gaarne
zijn meegegaan. Doch dat was niet geoorloofd, want de commandant ging
van de juiste zienswijze uit, dat velen alsdan niet zouden terugkeeren.
Thans echter naderde het oogenblik, waarop allen Insulinde’s bekoring
zouden ondergaan. Reeds kon men aan den „Kleinen Boom” een woud van
masten zien opduiken; reeds suisden kleine met vruchten beladen
zeilscheepjes ons vaartuig op zijde; voer een stoombootje de Celebes
tegemoet om de ongeduldige passagiers af te halen. Met een helsch
spektakel ratelde het zware anker in de leverkleurige golven. Met de
commando’s der scheeps-officieren, het regelmatige gejoel der matrozen
en het geschreeuw der passagiers, bezorgd over hun bagage, vermengden
zich de krijschende stemmen der geelhuidige vruchtenhandelaars.
Gelukkig de weinigen, die nog eenige zilverlingen uit de klauwen der
Harderwijker harpijen gered hadden.
Zij hadden zich afgezonderd en gaven voor hunne kameraden een
kauwconcert. Dezen liep het water uit den mond, wanneer de eters
sappige, dikke schijven ananas tusschen hunne kaken verdwijnen lieten.
Een Vlaming liet zich zelfs tot eene poging tot landverraad verleiden
en bood het geheele koninkrijk België te koop voor een dubbeltje,
waarmede hij zich een bos pisangs wilde aanschaffen. De aanwezige
Hollanders maakten echter van het aanbod geen gebruik, ofschoon zij zoo
doende weer doodgemoedelijk in het bezit der verloren provincies hadden
kunnen geraken. Zoo behield koning Leopold zijn land en de Maleische
vruchtenkoopman zijn pisangs.
Nadat de storm onder de passagiers een weinig bedaard was en allen in
de kleine stoomboot waren overgeladen, kwamen ook de soldaten aan de
beurt. Zij hadden zich niet over veel bagage bezorgd te maken. Eene
zwart-lederen kist verborg al de gaven van het goedhartige
gouvernement, van het „jachtgeweer” alias haarkam af, tot den
schoenborstel. Zij hingen de kist over den schouder en zetten zich op
commando in beweging. Het afscheid van de matrozen viel niet zwaar.
Deze geven zich niet gemakkelijk met den koloniaal af.
Aan wal komende, werden de dertig blauwjurken door den plaatselijken
adjudant van Batavia ontvangen, een kranig officier, wiens borst met de
Militaire Willemsorde versierd was. Hij geleidde het gezelschap naar
een huisje, waar elk een broodje—het eerste wittebrood sedert 42
dagen—en een glas wijn kreeg. Nadat op deze wijze het lichamelijk
evenwicht hersteld was, werden ook aan den geest eenige indrukken te
verwerken gegeven door voorlezing der krijgsartikelen. Deze kenden
allen bijna van buiten. Tegen ongeveer tien militaire vergrijpen werd
met de galg en tegen een half dozijn andere met den kogel gedreigd. Dit
prettige vooruitzicht had waarlijk niemand bewogen de verre reis te
ondernemen. Onder de dertig soldaten was er niet één, die, ieder op
zijne wijze, het hoofd niet met illusies had volgepropt; kogel en galg
vonden er geen plaats meer. Helaas echter werden de schoone Hindoesche
meisjes, die hier bij zwermen rond moesten loopen en den lezers van
Multatuli en Heine in het hoofd spookten, aan de landingsplaats met
smart gemist. Het eerste exemplaar generis feminini werd in een hoek
van het spoorwegstation ontdekt. Daar ik zelf de gelukkige vinder was,
is het mij ook mogelijk de vondst naar waarheid te beschrijven.
De dame zat in een donkeren hoek, zoodat ik haar eerst voor een stuk
bagage hield, tot zij plotseling begon te lachen en daarmede mijne
opmerkzaamheid gaande maakte. Bij nauwkeuriger toezien ontdekte ik een
paar geelbruine beenen, die gedeeltelijk met een stuk gekleurde stof
bedekt waren. Uit het gelaat kon ik vijf minuten lang niet wijs worden.
Waar andere menschen den mond hadden, was hier een uitwas van de
grootte van een vuist. Het raadsel werd opgelost, toen de dame den
uitwas wegnam en eene roode vloeistof in een boogvormigen straal naar
mij uitspuwde.
Nu bemerkte ik eerst, dat zij zich den tijd had gekort met het kauwen
van tabak. Gerechte hemel, welk een monster! Had Heine haar gezicht
kunnen zien, dan zou hij zeker geen rust in zijn graf hebben gehad,
maar onverwijld al zijne gedichten op Hindoemeisjes en Lotosbloemen
vernietigd hebben. Zoo groot kan toch het onderscheid niet zijn
tusschen de Indische meisjes aan den Ganges en die aan de Tjilewong.
Alhoewel ik nu juist geen Lotosbloembedden, gelijk aan de Haarlemmer
tulpenvelden, verwacht had, met in iedere bloemkelk een sluimerend,
naar liefde smachtend Hindoemeisje—het contrast was toch al te sterk.
In den geest legde ik eene gelofte van eeuwige kuischheid af. Zooals ik
later vernam, was het schepsel eene soldatenvrouw, wier sterkere helft
naar Europa was teruggekeerd.
Bij iedere gelegenheid monsterde zij de nieuw-aangekomenen, doch de
vurig verbeide kwam niet. Dat kon men hem waarachtig niet kwalijk
nemen. Zoo’n gezicht! Ze wacht zeker nog tot op den huidigen dag.
Intusschen scheen zij wel eenig voorgevoel te hebben van haar
eeuwigdurend onbestorven weduwschap, want ze schold ons na, toen wij
reeds op weg naar Meester-Cornelis waren. Daar werden wij in de
bamboekazerne aan den adjudant van het Suppletie-depot overgeleverd,
een 1sten luitenant met een Hunnengestalte, bij wien vergeleken de
lange plaatselijke adjudant in Batavia nog maar een dwerg was. In zijn
gevolg bevond zich een sergeant, het zuiverste wandelende lexicon voor
gepeperde Kasernhofblüthen. Een proeve van zijn talent genoten wij den
tweeden dag.
Op den eersten dag mochten wij nog ongestraft onder palmen wandelen. O,
hoe heerlijk was het toch onder de palmen! Daar zaten bruine mannen,
die ons voor twee cent een geheele cocosnoot verkochten, voor drie cent
een ananas en voor 5 cent de geheele muts vol smeerproppen. Men zou
gewenscht hebben een olifantsmaag te bezitten, om al die bekende en
onbekende lekkernijen te gelijk te genieten. Hoofd en maag dreigden mij
bijna te bersten van al de nieuwigheden, die ik er in had opgestapeld.
Ronggengs (danseressen), Chineezen, karbouwen, kokosnoten, ananas, een
biefstuk van een vliegenden hond, versch toebereid „door den landsman
van den Moezel”, een sluwe Chinees, alles en alles danste in dolle
vaart voorbij mijn geestesoog, toen ik doodmoede van het zien, op mijn
stroozak lag uitgestrekt, en de muskieten maakten er de muziek bij.
Hu! wat liep daar voor een beest over den balk boven mij? Zeker een
schorpioen, een duizendpoot, een vergiftige slang, een ...! Nu bleef
het stil zitten en sperde den muil open. De tong schoot als een pijl
tusschen de kaken te voorschijn en trok een langbeenige, niets kwaads
vermoedende vlieg in den afzichtelijken strot.
Bah! welk een afschuwelijk dier! Het slokte nog een vlieg op, nog één,
nog een half dozijn.
Nu moest het monster bersten; het zwol op als een ballon. Neen! het
berstte niet, maar het viel naar beneden, op mijn gezicht, midden op
den mond, waaraan een pijnlijke kreet ontsnapte. „Domkop”, bromde mijn
slaapkameraad „het is maar een „tjitjak”.”
Maar een „tjitjak”! En dat tegen een hagedis met ijskouden, opgezwollen
buik! Brr! Het ondier vervolgde mij in mijn diepsten droom. Het
verscheen mij als een draak met meters lange tong, die het schuimend
naar mij uitstak. Nu lekte het mij de beenen, nu het lijf, telkens
verder zoog het mij op. Alleen het hoofd staarde nog bevend de
vingerlange tanden aan en de vuisten sloegen in doodsangst tegen de
bloedroode, bliksemende oogen. Daar klonk mij als een bazuin van het
jongste gericht de krachtige stem van den reeds genoemden sergeant in
het oor: „Nu uit de wol; het is vijf uur!” Hij was het, die mij aan de
beenen getrokken had en daardoor mij het gevoel had gegeven, alsof ik
bij stukken in den drakenmuil verdween.
O, heerlijk, onvergetelijk was deze eerste morgen in Indië! Nog steeg
de damp uit het dal van de Tjilewong. Reusachtige pisangstammen, en nog
hoogere slanke palmen doemden uit de nevelen op, die onder de stralen
der opgaande zon langzaam in de oneindige ruimte vervloeiden.
Heerlijk geurden de met bloesems beladen twijgen van de „tjampakka”,
maar nog heerlijker geurde de koffie, die ik in den menageketel
huiswaarts droeg. „O, wat een lust, soldaat te zijn”, zongen eenige
kameraden, onder het poetsen hunner knoopen. De illusionisten; zij
waren nog lang geen soldaten! Eerst een half uur later zouden zij tot
den doop worden voorbereid door eene predicatie, welke de reeds
meermalen vermelde sergeant afstak. Zij luidde: „Geeft
acht!—Stommerikken! Je moet niet denken, dat je nog in dat voddige
Harderwijk bent. Daar kon je, als je bezopen waart, ongestraft in de
straatgoot gaan liggen; daar is hier geen denken aan. Hier verlangt men
van ieder die uit de kantine komt, dat hij driemaal achter elkaar
rechtsomkeert maakt en kan hij het niet, dan gaat hij in Zijner
Majesteits snuifdoos. Dat kan vandaag misschien een half dozijn van
jelui gebeuren, die gisteren toen ze thuis kwamen, niet meer wisten,
wat rechts- of linksom was.—Op de plaats rust!” Diepe, eerbiedige
stilte heerschte er na deze geharnaste woorden. Maar lang duurde zij
niet, want de luitenant kwam, om de nieuwe uniformen van den troep in
oogenschouw te nemen. Nooit heb ik later zulk een angst uitgestaan als
bij deze eerste inspectie. Zij begon bij den linkervleugelman. Die
kromp letterlijk ineen onder den handgreep van den luitenant, wiens
bruine vingers zich als vijf cervelaatworsten om hoofd en hals van den
ongelukkigen recruut kromden. „Dat noemt zich soldaat,” riep hij met
dreunende stem en hief den kerel als een veer in de lucht. „Sergeant,
haal een min! Wat moeten we met dat dwergengebroed aanvangen, dat niet
eens de uniform past?” Daarbij stak hij den armen vent twee zijner
cervelaatworsten—vingers wilde ik zeggen—tusschen rokskraag en hals,
zoodat den delinquent de oogen uitpuilden en de tong uit den mond hing.
Op die manier inspecteerde hij den geheelen troep. Hier tilde hij er
een van den grond, terwijl hij ’s mans hoofd tusschen de palmen zijner
handen nam, „om den langen hals nog langer te maken”, zooals hij zich
uitdrukte. Ginds drukte hij een ander de schouders naar achteren,
zoodat het slachtoffer de knoopen van de uniform sprongen. Kortom,
allen ondervonden de reuzenkrachten van den luitenant.
Nu ja, ieder die wat lang in Indië geweest is, heeft van luitenant D.
gehoord, die eens een Javaansch koetsiertje, dat ongelukkig in volle
vaart tegen hem aanreed, met paard en wagen in de straatgoot wierp.
Eindelijk was de inspectie afgeloopen en de manschappen werden
ondervraagd naar de wenschen, die zij voor de toekomst koesterden. De
luitenant begon daarmee bij den linkervleugel. „Wat wil je worden?”
vroeg hij den kleinen kerel, wien de uniform niet paste.
„Officier, luitenant,” was het antwoord.
„Zoo-o-o! En jij?” vroeg hij een ander.
„Ook officier, luitenant.”
„En jij?”
„Stafmuzikant, luitenant.”
„Wat speel je voor instrument?”
„Ocarina, luitenant.”
Ik dacht, dat het op dat oogenblik met den armen kerel gedaan was; geen
duit gaf ik meer voor hem, toen de luitenant hem bij den kraag pakte en
hem toebulderde: „Jij, lummel, zou je me misschien voor den gek willen
houden? In de provoost kun je ocarina blazen, brutale kerel. Dan kon-je
iederen orgeldraaier wel stafmuzikant maken!”
Het arme kereltje werd bij de bedreiging doodsbleek. Hij had op de
lange reis van passagiers en kameraden zooveel lof ingeoogst voor zijn
schoon spel, en in de vaste meening verkeerd, dat hij er bij de
stafmuziek wel de andere instrumenten zou bijleeren. Nu was de illusie
vervlogen.
De luitenant ging verder.
„Wat wil je worden?” was het tot een mageren ex-candidaat in de
theologie.
„Ook officier, luitenant.”
„En jij, en jij, en jij....?”
„Officier, officier, officier....!”
Nu barstte hij in bulderend gelach uit: „Ha, ha, ha, maar dat is een
bescheidenheid, die roerend is. Daar hebben we dus onder de dertig
kerels 21 adspirant-officiers, twee sergeants-candidaten, een blazer en
zes soldaten. Jelui kunt allemaal... ha, ha, ha! Rechtsomkeert,
marsch!”
Goddank, ook deze kelk was aan mij voorbijgegaan. Nu kwam echter nog
een moeilijk oogenblik. Allen, die zich als toekomstige officieren
hadden opgegeven, hadden voor den luitenant een soort examen af te
leggen, waarmee ze het bewijs moesten leveren, dat ze werkelijk iets
geleerd hadden, om later eens op de kaderschool te komen en misschien,
na jaren, op de militaire school.
Een paar candidaten hadden reeds met hoogroode gezichten het primitieve
examenlokaal in de bamboekazerne verlaten. Thans kwam de beurt aan mij.
„Zitten,” klonk het kortaf. „Ken je Fransch?”
„Jawel, mijnheer de luitenant.”
„Dat „mijnheer” schenk ik je. Voortmaken.”
Het was eene fabel van Lafontaine, die ik lezen moest; ik deed het tot
tevredenheid van Zijnedelgestrenge.
„Ken je Latijn,” vroeg hij verder. „Jawel luitenant.” Ik wist reeds,
wat er nu kwam. Mijn vriend Sch., die een jaar geleden hetzelfde examen
had doorstaan, had het mij verraden. De luitenant kende geen Latijn,
maar had, aangezien eenige vermetelen hem reeds een paar maal met hun
keukenlatijn wat hadden voorgelogen, een kapittel uit een Latijnsch
boekje uit het hoofd geleerd. Precies, hij sloeg het zooveelste
hoofdstuk op en ik begon vloeiend te vertalen: Hannibal, postquam Alpes
transiisset, in Italiam incidit, enz.
„Goed,” zeide hij.
Nu kwamen wij aan de geographie.
„Noem mij eens een paar zeeën op,” beval hij.
Ik begon natuurlijk het eerst met de „Seeën” van mijn vaderland, waarop
ik zoo vaak aan het spelevaren was geweest, de Königssee, Chiemsee,
Kochelsee, Starenbergersee, enz.
De luitenant zag mij wantrouwend aan en schudde het hoofd. „Wacht,”
dacht ik, „hij wil grootere hebben en ik ging voort: Baikalsee,
Ladogasee.....”
„Zwijg,” donderde hij, „dat zijn geen zeeën.”
Nu brak mij het angstzweet uit. Zouden de genoemde seeën hem alle
onbekend zijn?
„De Müggelsee” riep ik in wanhoop; die moest hij toch kennen.
„Wat,” barstte hij uit, „de muggenzee? Ben je wel goed, of wil je mij
voor den gek houden? Waar ligt die zee dan?”
„Bij Berlijn, luitenant,” kreunde ik in mijn angst.
„Wat wil je voor den donder met al die plasjes?” schreeuwde hij. „Heb
je dan nog nooit van de Middellandsche Zee gehoord, of van de Roode
Zee?”
„Maar luitenant, dat zijn immers „Meere” en geen „Seeën”?” stotterde
ik.
„En nu houd je den mond!” donderde hij. „Van de geographie heb je geen
flauw begrip.”
Nog moest ik de stelling van Pythagoras bewijzen; daarop kon ik gaan.
„Je behoeft nu niet te denken, dat je morgen al de luitenantssterren op
je kraag krijgt,” riep hij mij nog na. Wat wonder!
Tien minuten later stond ik voor mijn gapenden, ledigen stroozak en
verwondde mij den vinger aan de stoppelige rijsthalmen, waarmee ik hem
vullen moest. Welk een onderscheid! Voor weinige oogenblikken nog was
ik met Hannibal over de Alpen getrokken en had Italië doen sidderen en
thans..... Daarbij kwam nog het afschuwelijke stof, dat zich uit het
stroo, waaraan groote aardkluiten zaten, losmaakte. „Dat gebeurt
opzettelijk,” zei de sergeant, die goed gemutst scheen te zijn. „Als je
’s nachts op den stroozak klopt, dan komt er stof uit. De muskieten
denken dan: „de kerel rookt” en bijten je niet.”
Maar niettegenstaande dat beten ze mij toch.
Wat was ik in mijn schik, toen ik den volgenden morgen bij de 1ste
compagnie van het 1ste depot-bataljon werd ingedeeld! Eindelijk
recruut! Wat had dat lang geduurd!
Welk een kranige compagnies-commandant was de kapitein v. V....n!
Welke illusies wekte de aanblik van den held op, wiens borst gesierd
was met de Willemsorde en twee eervolle vermeldingen en aan wiens zijde
de eeresabel kletterde!
Den een na den ander der recruten riep hij vóór zich, om hem naar één
der verschillende afdeelingen te verwijzen. Er waren er vier. In de
eerste kwamen zij, die nog nooit soldaat geweest waren.
„Wat was je vroeger?” vroeg hij een Duitscher.
„Luitenant bij de dragonders!”
„Tweede afdeeling!”
„En jij?”
„Onderofficier in het Keizerin Augusta-regiment.”
„Derde afdeeling!”
„En jij?”
„Korporaal bij het 7e.”
„Vierde afdeeling!”
Nu naderde een ventje met een zeer gewichtig gezicht.
„En jij?” vroeg de kapitein weer, zonder op te zien.
„Eerste luitenant bij de dienstdoende schutterij,” klonk het in het
volle bewustzijn eener groote waardigheid.
Het mannetje zette een gezicht, of het zijn onmiddellijke indeeling bij
den generalen staf uit den mond van den kapitein dacht te vernemen.
Hoe verschrok de arme stakkert, toen de kapitein met een medelijdend
lachje, kalmpjes antwoordde: „Eerste klasse.”
In deze klasse kreeg het kereltje niet eens een geweer in handen. En
„schutter” komt toch van „schieten”?
Ja, het is toch merkwaardig, hoe weinig de verdiensten der schutterij
in het leger gewaardeerd worden!
Een uur later hielden wij exercitie in de „Berenlaan.” Eene aardige
bezigheid bij 95° warmte. Daarbij voelt men het Europeesche vet gram
voor gram wegslinken. Maar wat maakt het uit? Daar ginder, heel, heel
in de verte, blinken immers de korporaalsstrepen!