VRIJWILLIGERS.

Er zijn toch merkwaardige menschen onder de Hollandsche militaire

artsen. Toen ik indertijd naar Arnhem was gegaan, om te laten

onderzoeken, of mijn corpus ook waardig kon geacht worden om de

Hollandsche driekleur tegen de Atjehers te verdedigen, zeide mij de

dokter:

„Man, je hebt in je leven veel te veel spek gegeten; je bent te dik en

zoudt onder de stralen der tropische zon wegsmelten als boter in den

zomer.” De dokter in Den Haag daarentegen beweerde, toen ik hem de

opinie van zijn Arnhemschen collega meedeelde: „Er komen nooit vette

moffen naar Holland; dat worden ze eerst, als ze een tijd lang hier

gewoond hebben.”

Beide heeren hebben zich nogtans in mijn persoon vergist. Ik heb

evenmin vaak spek gegeten, als dat ik in den loop der jaren in Holland

„vet” ben geworden en toch ben ik trotsch van top tot teen een „mof” te

zijn gebleven. Maar versta mij goed, ik bedoel niet van die soort, die

tusschen vier muren, bij gesloten deuren fluisterend verklaren durven:

„ik ben Duitscher” en buitenshuis de huik naar den wind hangen en

doodsangsten uitstaan als deze of gene burger van het land, welks

gastvrijheid zij genieten, hen toevallig op de nationale eksteroogen

trapt; niet zoo een, wiens hart vandaag voor den Adelaar, morgen voor

den Beer en overmorgen voor een ander beestje gloeit, dat hem met

zilverkleurigen blik aanstaart. Vaderlandsliefde laat zich niet als een

vuil hemd afleggen en tegen een ander verwisselen.

Maar om tot mijn onderwerp terug te keeren, ik was destijds blij, dat

de tweede dokter gelijk kreeg, want in mijn verbeelding zag ik mij

reeds over eenige jaren de luitenantssterren en de eene of andere

Indische koningsdochter met een kruiwagen vol briljanten en eenige

millioenen guldens speldegeld toebedeeld. Het zou werkelijk jammer zijn

geweest, als zoo’n spek-vreezende aesculaap mijne luchtkasteelen omver

had geworpen.

Nog meer voedsel kreeg mijn verbeeldingskracht, toen ik eene afdeeling

„schutters” had zien exerceeren, die ik voor „echte” soldaten hield.

Jongen, jongen, dacht ik, als de soldaten in Indië precies zoo zijn als

deze „Krähwinkler”, dan, dan.... krijg je al gauw de berenmuts op het

hoofd en kaplaarzen aan de voeten.

Mijn illusies werden wel wat verzwakt, toen mij een oude snorrebaard

van een korporaal werd toegevoegd, die mij naar het Dorado der

„kolonialen” naar Harderwijk moest brengen. Om aan onze kennismaking

een ietwat hartelijk karakter te verleenen, liet hij mij, bij den

aanvang onzer reis, vijf blinkende patronen zien. „Die zijn allen voor

jou, als je ’t in je hoofd mocht krijgen, om er van door te gaan”,

zeide hij met een grimmig lachje. Ik bedankte voor de attentie,

verklaarde zulke mooie patronen niet waard te zijn en betuigde levendig

mijn spijt, hem niet in de gelegenheid te kunnen stellen, op mij de

zekerheid van zijn schot te bewijzen, daar ik niet naar Holland was

gekomen met de bedoeling om er van door te gaan, maar om te blijven.

Mijn Cerberus scheen met deze verklaring tevreden. Hij stak een

pruimpje achter de kiezen en spuwde op Moeder Aarde. In Utrecht deed ik

de ontdekking, dat zich ook in Holland de niet-militaire sterveling een

ander begrip van een „vrijwilliger” vormt dan de militaire. De

scherp-geladen korporaal volgde mij, zesjarig-vrijwilliger, op den

voet. Hij dronk ook mijn cognac op, die ik aan het station had gekocht,

waarschijnlijk om zich te overtuigen, dat zich daarin geen ingrediënten

voor adspirant-zelfmoordenaars bevonden.

Voortdurend omringde ons een nieuwsgierig publiek, uit welks midden

enkele gezegden mijn oor troffen, waaruit ik kon afleiden, dat men zich

omtrent mij nog geen juiste voorstelling vormde. Een meende er, dat ik

wel iemand moest hebben doodgeslagen; een ander verzekerde, mij nog

onlangs in den Haag te hebben gezien op de bank der beschuldigden,

gezeten tusschen een paar andere leden van het edele spitsboevengilde.

In elk geval was ik een interessant iemand. Nogtans zou ik moeten

liegen, als ik beweren wilde, dat de aandacht aan mijn persoon

geschonken, mij aangenaam was.

In Harderwijk aangekomen, nam mij aan het station een patrouille tegen

een menigte langneuzige menschen in bescherming, die allen naar den

naam Mozes luisterden. Het waren „hoteliers (?)”, die mij in hun

vertrekken het paradijs reeds op aarde voorspiegelden. Daar ik nooit

een vriend van knoflook ben geweest, volgde ik den raad van een

sergeant op en nam mijn intrek in een herberg, in de onmiddellijke

nabijheid der kazerne, die eerst den volgenden morgen zich gastvrij

voor mij zou openen. In de gelagkamer ging het vroolijk toe. Alles zag

er blauw; de lucht van den rook der sigaren, de uniformen en eveneens

gezicht en handen der dragers. De champagne, waarvan kleur en

mousseerende werking sterk herinnerden aan het product der appelboomen

in den omtrek van Sachsenhausen, stroomde rijkelijk over de tafel.

De waard was een waar menschenvriend. Toen hij bemerkte, dat het edele

nat zijn gasten naar het hoofd begon te stijgen, kwam hij telkens als

er om champagne geroepen werd, met ledige flesschen aandragen, die hij

op tafel zette. Minder menschlievend was het echter, dat hij die ook

voor volle liet betalen.

De kazerne liet niet in het minst vermoeden, dat men zich in het

schatrijke Holland bevond. Het is een oude, wormstekige kast, die aan

de controle van een adjudant-onderofficier met den omineuzen naam van

„Stier” toevertrouwd was. De man kon er op bogen geen enkelen vriend te

bezitten. En waarom? Omdat hij steeds zijn plicht deed, wat men van de

overige onderofficieren niet kon beweren.

Nadat ik hem mijn papieren had overhandigd, en het hem, uit mijn

getuigschrift van goed, zedelijk gedrag duidelijk was geworden, dat ik

nooit op gespannen voet had gestaan met de Duitsche politie, zond hij

mij met nog een paar andere Europa-moede jongelingen naar den dokter.

Ja, het zijn voorzichtige menschen, die Hollanders, zij koopen voor 200

gulden geen kat in den zak. Doch ook deze dokter kon geen

schoonheidsgebreken aan mij ontdekken en ik mocht hem verlaten in het

geruststellend bewustzijn, eindelijk aan het begin van mijn militaire

loopbaan te staan. Weinig genoegen bereidde mij de metamorphose, door

welke ik, burgerlijk embryo, in een schitterenden militairen vlinder

zou worden herschapen. O, die gemeene blauwe kleur der uniformen! Geen

aasje schoonheidsgevoel kan de uitvinder er van hebben bezeten. De

helft van mijn handgeld heb ik in zeep moeten omzetten, om gezicht,

handen en mijn overige corpus van de indigo te reinigen. Eén voordeel

evenwel bezorgt de frissche blauwe kleur den drager; zij maakt hem

tallooze vrienden; zijn verschijning toovert op de tronies der

herbergiers de zonnigste uitdrukking; zelfs korporaals en, nog sterker,

sergeants vertrekken de plichtmatig grimmige gezichten tot een

vriendelijk lachje, want hoe blauwer de vrijwilliger is, hoe meer

guldens van zijn handgeld hem nog in den zak rammelen.

Tot deze ontdekking kwam ik toen ik de krijgsartikelen, waarvan ik geen

woord verstond, aangehoord had en met den broekzak vol rijksdaalders in

de kazernekamer terugkeerde. Daar ontvingen mij de kameraden met

ongehoorde geestdrift. De één had mijn schoenen gepoetst; een ander

toonde mij mijn kapotjas, in welker knoopen men zich kon spiegelen; een

derde verzekerde, dat ik de aardigste kerel was dien hij ooit had

leeren kennen en dat hij mij vriendschap wilde schenken, waarmede hij

anders zeer spaarzaam omging; kortom allen legden een zoo roerende

blijdschap aan den dag, alsof een engel tot hen was neergedaald.

Arme, arme rijksdaalders! Hoe rolden ze mij uit den zak! Geruimen tijd

verliep, eer ik mij onder de manschappen wat georiënteerd had. Er waren

gewezen Duitsche corps-studenten onder, gemakkelijk te herkennen aan

hun getatoeëerde gezichten; voormalige officieren, die zich door stem

en loop onderscheidden; ex-leden van het Fransche vreemdenlegioen met

hun magere door de zon verbrande gezichten stonden naast van gezondheid

blozende polderjongens; alle volkslagen, van de bovenste tienduizend

tot de onderste arme massa, hadden haar vertegenwoordigers in het

Indische leger. Een alleraardigste kennismaking had ik op zekeren dag,

toen mij bij het plaatscorvee de taak werd opgedragen, om met nog een

paar manschappen, het gras tusschen de steenen vóór de kazerne uit te

wieden. Het waren bijna allen Duitschers en ik dacht eerst, dat de

menschen gekscheerden, toen zij elkander met Graaf V., Baron van A. en

andere welbekende adellijke namen aanspraken. Tot mijn verbazing

bemerkte ik, dat het werkelijk echte adellijke jongelui waren. Die

blonde kroeskop met zijn kranig kneveltje had nog geen vier weken

geleden als een chique gardeluitenant „unter den Linden” geflaneerd.

Volgens het vertellen van de faam, moet een zeker generaal het hem zeer

kwalijk hebben genomen, dat hij, juist op het oogenblik, dat Zijne

Excellentie zijn jeugdige en bevallige echtgenoote goedennacht wilde

gaan zeggen, uit het venster van het boudoir dier schoone sprong. De

dikke heer, wien de zweetdroppels op het voorhoofd stonden, terwijl hij

met een afgebroken stuk sabel tusschen de steenen wroette, was

luitenant bij de Uhlanen geweest en had met veel hartstocht de rijsport

gehuldigd. Bij wedrennen had hij steeds op zich zelf gewed, doch daar

hij even zwaar was als twee andere ruiters te zamen, was hij steeds

verscheiden paardlengten achtergebleven. Terwijl hij voortdurend dikker

werd, leed zijn porte-monnaie aan vliegende tering. Een man, genaamd

Aäron, behandelde de zieke een tijd lang, doch daar zich geen

verschijnselen van beterschap voordeden, zond hij ten slotte den

regiments-commandant de zeer hooge dokters-rekening.

Overmatig geldgebrek was bij de meesten de oorzaak van de verandering

van lucht. Het was interessant het dozijn blauw-bloedige heeren te zien

concurreeren met een stuk of wat oude vrouwen, die vóor het hotel

Ducroix aan de overzijde der straat denzelfden arbeid verrichtten. Maar

het is in Harderwijk: gelijke monniken, gelijke kappen. Voor niemand

wordt daar brood apart gebakken. Een andere, niet minder typische

kennis maakte ik eens op een dag, toen ik bevel kreeg tot het reinigen

van „zekere plaatsen.” Ik ontmoette er een heer, die door den geur der

kazerne-viooltjes omgeven, zich aan mij voorstelde als een gewezen

luitenant v. K. Zooals ik van hem vernam en mij later ook bevestigd

werd, had zich de man met de borst toegelegd op het verzamelen van

antiquiteiten, welke hem door een antiquaar zeer bereidwillig werden

geleverd.

Toen hij nu bij dezen zeer diep in het krijt stond, deed hem de edele

man het voorstel een overoude antiquiteit van hem over te nemen; op die

conditie zou hij de schuld als vereffend beschouwen. De antiquiteit was

juffrouw Bertha, eenige en oudste dochter van den antiquaar.

„Dan nog liever kazerne-viooltjes plukken,” dacht de luitenant en ik

gaf hem gelijk.

Doch niet alleen Duitsch blauw bloed stroomde naar Harderwijk; ook

trotsch klinkende Hollandsche namen, waarboven veeltakkige kroontjes

prijkten, werden op het rapport afgelezen.

Men kan zich voorstellen, dat menige boeren- en andere jongens er een

duivelsch behagen in schepten, zoo’n „monsieur le baron” het leven zuur

te maken. Gebeurde het, dat de een of andere havelooze vagebond, wien

de zon door talrijke luchtgaten op de huid kon schijnen, zich als

vrijwilliger kwam aanmelden, dan hoorde men dadelijk: zeker een

verloopen baron uit Den Haag of een Duitsch officier. Vooral deze

laatsten waren stiefkinderen der publieke opinie. Zelfs de pers

bemoeide zich met hen.

Op zekeren dag kon men in een te Amsterdam verschijnend blad lezen:

„Naar wij uit goede bron vernemen, bevinden zich te Harderwijk een

aantal Duitsche stafofficieren, waaronder zelfs een majoor, die zich

als vrijwilligers hebben in laten schrijven, natuurlijk alleen om te

spionneeren.” Lieve hemel, hoe naïef! Wat hadden zij door spionneeren

te weten kunnen komen? Bijvoorbeeld de inrichting der faecaliën-kuilen

of hoe men daar de straat wiedt? Dat zou Moltke toch om ’t even kunnen

zijn! Menigeen trok zich dergelijke uitvallen aan en zoo zich de goede

luim van sommigen niet had doen gelden, of indien men niet op zijn

illusies had kunnen teren, dan zou misschien deze of gene met een

knal-effect geëindigd zijn.

Een der vroolijkste kameraden was de reeds genoemde uhlanen-luitenant

v. A. Die had zoowat door de geheele wereld rondgeboemeld. Vóór hij

naar Harderwijk kwam had hij nog een kort bezoek aan Amerika gebracht.

Daar wilde hij squatter worden en had met een verloopen

huzaren-luitenant tot dat doel voor weinige dollars een groot stuk van

een oerwoud gekocht. Den huzaar echter stonden de handen altoos

verkeerd, als zij een boom wilde omhakken en de uhlaan zat steeds in

angst, dat de huzaar hem bij het boomen-vellen nog eens in de beenen

zou houwen. Beiden lieten daarom de boomen hemelwaarts groeien en

jaagden op buffels en beren, tot de Groschen gevlogen waren. Toen

zetten zij koers naar Harderwijk. V. A. moet inderdaad een weergaloos

genie in het geld-maken geweest zijn. Ontelbaar waren de brieven, die

hij ontving van geldschieters, die hem tegen de kleinigheid van 100 tot

200 % vriendendiensten hadden bewezen. Bij gebrek aan andere lectuur,

moest men zich met de voorlezing van dergelijke epistels vergenoegen,

waarmede vaak een halven avond heen ging. Men zou het nauwelijks kunnen

gelooven hoeveel geld een dozijn officieren bij elkaar kan leenen.

Onder de hier aanwezigen waren er die bijna evenveel brieven ontvingen

als onze v. A. Enkele schuldeischers schenen van de groote bekwaamheden

hunner luitenants zoo doordrongen te zijn, dat zij dezen als

staf-officieren in het Indische leger waanden en hun titels

toedichtten, waarvan men het water in den mond zou krijgen. Anderen

dreigden weer den Hollandschen minister van oorlog voor de

verschuldigde sommen aansprakelijk te zullen stellen. Noch dezen, noch

genen konden geholpen worden. De gemeenschappelijke menage, welke voor

dertien man—zoo groot was onze club—dagelijks uit voor 10 cent groene

kaas bestond, verslond namelijk het grootste deel der voorhanden zijnde

geldmiddelen. Waar zijn ze thans, al de vroolijke broeders van

destijds? Twee zijn officier geworden, drie vielen als sergeant in

Atjeh, één erfde veel geld en boemelt nu als Pruisisch ritmeester

ergens aan de Russische grens rond. Waar bleven de anderen?

Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven · 第 4 / 14 题