Ieder, die de toestanden in het Indische leger kent, zal zich
verwonderd hebben over al den onzin, die in den laatsten tijd daarover
geschreven en gesproken werd. Voornamelijk enkele hoogmogende
geestelijken en de middernacht-zendelingen, hebben in woord en
geschrift den banvloek uitgesproken over de schurftige schapen onder
hun zoo zorgvol geweide kudde. Zou dit wel de beste weg zijn, om
verdoolden op het goede spoor terug te leiden? Tot nog toe heb ik in ’t
practische leven nooit anders ondervonden, dan dat menschen in ’t kwade
verharden, hoe meer men hun fouten en gebreken wereldkundig maakt en
hen daarbij met verwijtingen en scheldwoorden overlaadt. Uit lang
vervlogen dagen klinken mij nog altijd de woorden in het oor van een
ouden geestelijke, die over naastenliefde sprak.
„Bestaat er geen naastenliefde meer, of strekt zij zich niet uit tot
den Indischen soldaat?” Als men mocht gelooven al hetgeen de heeren
zeggen, dan bestaat het Indische leger voor het grootste gedeelte uit
menschen, wier hoogste ideaal de jeneverflesch en de dienst van Venus
is. Haast nooit heb ik in hun uitlatingen een lichtpunt kunnen
ontdekken. Satan heeft het geheele leger in erfpacht. Hij beploegt,
bezaait het en oogst er van.
Volgen wij die heeren eens op hun militaire uitstapjes. Eerst dan naar
Harderwijk. De lieden, die WIJ er aantreffen, zijn geen soldaten van
het Indische leger; het zijn verkleede burgers en eerst na hun
inscheping kunnen zij gerekend worden deel uit te maken van het
Indische leger. Deze verkleede burgers, tot verschillende
nationaliteiten behoorende, zijn saamgepropt in een nest, waar de
verveling ieder mensch op ’t gezicht en ieder huis op de deur te lezen
staat. Hoe zullen deze verkleede burgers, die meest allen, ieder op
zijne wijze, uit den levensbeker van vreugde en leed met volle teugen
gedronken hebben, maanden achtereen, tot zij worden ingescheept, hun
vrijen tijd klein krijgen? De verveling en alleen de verveling is het,
die deze verkleede burgers zoo dikwijls met de jeneverflesch in
aanraking brengt. Deze verkleede burgers zijn het, die men in de
hoofdstad zoo dikwijls in gezelschap van liederlijke vrouwspersonen
langs de straat flaneeren ziet. Aan deze verkleede burgers is het te
wijten, dat het Indische leger zoo ten onrechte bij de burgerij in
slechten reuk is gekomen. Immers zij behooren nog niet tot het Indische
leger. Wat zij misdoen komt voor rekening van de burgerij.
Hoe geheel anders doet zich dezelfde verkleede burger voor, als hij
soldaat geworden is, als hij discipline geleerd heeft. Nu, een ieder,
die slechts éénmaal zijn neus in een Indische provoost heeft gestoken
of de verhalen heeft aangehoord van soldaten, die bij een hitte van 98°
daar 8 tot 14 dagen hebben doorgebracht, met den rechtervoet aan de
linkerhand geklonken en om den anderen dag gespijzigd met water en
droge rijst—en dat alles omdat zij te veel gedronken hadden—in ’t kort
een ieder, die tot bedoelde bevoorrechten behoort, zal beseffen dat de
jeneverflesch het ideaal van den Indischen soldaat niet zijn kan. Het
beste bewijs daarvoor zijn de strafregisters. Laat het nu gebeuren, dat
werkelijk de eene of andere soldaat eenmaal in het geheele jaar wegens
dronkenschap gestraft wordt; is hij dan een dronkaard? Daarbij moet ik
op den voorgrond stellen, dat men in het Indische leger niet die
talrijke fijne schakeeringen kent, waarvoor in het burgerlijk leven zoo
dikwerf uitdrukkingen gebezigd worden als: goed geamuseerd, een beetje
aangeschoten, even boven zijn theewater, enz.
Neen! daar laat de wachthebbende onderofficier den verdachte eenvoudig
„rechtsomkeert” maken en zoo hij bij die manoeuvre maar even zwaait,
dan is hij „zuur” en marcheert de provoost in. Gerechte hemel! Hoeveel
„rijksprovoosten” zou de minister van Justitie wel moeten laten bouwen,
indien hij zoo’n ouden Indischen snorrebaard aan de deur van „de Groote
Club”, „de Witte” en meer dergelijke inrichtingen posteerde, met de
opdracht, om ieder, die buiten komt, rechtsomkeert te laten maken en
wanneer hij waggelt, te doen inrekenen. Wie weet of er dan niet
menigeen onder zou zijn, van degenen, die thans met huichelachtige
verdraaiing der oogen bidden: „Heere! Heere! drijf toch den drankduivel
uit het Indische leger!” Om terug te komen op de geestelijkheid, wie
het werkelijk ernst schijnt te zijn, om in het Indische leger zedelijke
verbeteringen tot stand te brengen,—ik veroorloof mij, haar nogmaals te
wijzen op de verkeerde taktiek, sommige gebreken in het openbaar te
gispen of op misstappen opmerkzaam te maken, die door enkelen begaan
worden. Zoo las ik bijvoorbeeld onlangs in de Locomotief een artikel,
onderteekend Roge, waarin een pastoor zich bitter beklaagde over
soldaten, die hij tot kerkzangers had willen opleiden. In den beginne
had hij hun jenever gegeven zooveel zij wilden en toen hij bemerkte,
dat zij zich te buiten gingen, had hij een proef genomen met ijswater
en sigaren; maar toen waren de zangers weggebleven. Doch de pastoor
moest dan toch in ieder geval weten, dat de goede God niet gediend kan
zijn met den lofzang van menschen, wier plotseling opwellende
godsdienstzin door de uitwerking van spiritualiën is teweeggebracht.
Aan den anderen kant kan men het toch den soldaten niet euvel duiden,
dat zij, in de meening dat hun diensten dezelfde bleven, bij verlaging
van loon, het vrome werk staakten. Het is immers de oude geschiedenis
van den hond, die geen brood meer lust, nadat men hem met biefstuk
gevoed heeft. Had de pastoor op het eergevoel dier mannen gewerkt, had
hij hen beschouwd als menschen „van gelijke beweging” als hij, dan zou
hij geen jenever en ook geen ijswater met sigaren noodig hebben gehad.
Deze Pastoor Roge moest zich eens door zijn collega Verbraak op Atjeh
laten leeren hoe met Indische soldaten om te gaan; want die weet het!
Ik geloof, dat niet één soldaat—Christen, Jood, Mohammedaan of heiden,
om ’t even—van Atjeh is weggegaan, die niet met bewondering aan pastoor
Verbraak terugdenkt. Een glimlach helderde als een zonnestraal de
smartelijk verwrongen trekken der gewonden en zieken op, als de pastoor
de ziekenzalen binnentrad en vroeg: „Jongens, heb je ook wat op ’t
hart?” Nooit kwam er een verwijt over zijn lippen. Een vriendelijke
vermaning als: „Jongens, wat heb je nu aan dat vloeken over je pijn!”
was het ergste wat men van hem te hooren kreeg. Menig stervende van een
andere geloofsbelijdenis, die in zijn laatste oogenblikken berouw over
zijn vroeger leven gevoelde en zich tot Verbraak, die aan zijn sponde
bad, wendde met de woorden: „Pastoor, zal uw gebed wel voor een
andersdenkende helpen?” gaf hij ten antwoord: „Voor God zijn wij allen
gelijk en ook u zal Hij niet verstooten. Ge waart immers een braaf
soldaat en sterft voor uw vaderland.”
Door zulke woorden heeft hij honderden het sterven gemakkelijk gemaakt.
Wanneer die man zich met het maken van proselieten had willen
bezighouden, dan had hij waarschijnlijk op rijken oogst kunnen rekenen;
doch zulke gedachten bleven den edelen man verre. In den waren zin des
woords is hij „een man Gods”, iemand, die weet wat naastenliefde is en
aan wien zijn collega’s zich kunnen spiegelen.
Wat is het nu, dat dezen geestelijke de harten opent dier schijnbaar
ongevoelige soldaten? Juist deze liefde tot den naaste en daarbij een
schat van menschenkennis. Weinig geestelijken in Indië kunnen op deze
laatste eigenschap bogen. Ze begrijpen niet, dat door jarenlangen
omgang tusschen de verschillende geestelijke elementen der Indische
soldatenwereld een zekere gelijkheid plaats heeft gegrepen.
Onwillekeurig doet zich op den minder ontwikkelde in het Indische leger
de invloed gevoelen der duizenden meer beschaafden, die gemeenlijk, na
financieel schipbreuk te hebben geleden, in de haven van den militairen
dienst in Indië zijn binnengeloopen.
In ’t algemeen kan men zeggen, dat het „gladde” of „gare” jongens zijn,
zooals de volkstaal het noemt, die in Indië de uniform dragen; deze
hoedanigheid hebben zij zich op de puinhoopen van hun burgerlijk
bestaan eigen gemaakt. Is het nu niet dwaas, tot zulke mannen
zendelingen af te vaardigen, die indertijd misschien als schoen- of
kleermaker hun sporen verdiend hebben, maar wien het ten eenen male aan
menschenkennis ontbreekt? Nog steeds moet ik aan een doodzieken soldaat
denken, die in het hospitaal te Weltevreden in mijn nabijheid lag. Ook
hem kwam zulk een zendeling bezoeken, die een zeer opwekkende
voordracht hield over de pijnen der hel, de eeuwige verdoemenis en
andere schoone vooruitzichten, die hem aan gene zijde van het graf
wachtten, indien hij zich niet bekeerde. De man kwam daarbij zoo in
vuur, dat hij letterlijk schreeuwde. Toen hij ten slotte een oogenblik
ophield, merkte de kranke cynisch aan: „En daarvoor geven ze je ƒ 300
in de maand? Dat moesten ze mij eens geven: ik zou de menschen heel wat
anders vertellen.” Het algemeene gelach, dat zich daarop door de
geheele zaal deed hooren, bewees dat hier meer was bedorven dan tien
zendelingen in jaren weder zouden kunnen goedmaken. Men zende daarom
beschaafde, ontwikkelde zendelingen naar Indië, die niet alleen
bijbelvast zijn en ijverige arbeiders in den „wijngaard des Heeren”,
doch ook in staat eenigszins de personen te doorgronden, die zij troost
willen brengen. Ze zullen daar een rijk arbeidsveld vinden, in
samenwerking met officieren en burgerij. Deze samenwerking moet in de
eerste plaats ten doel hebben, om de soldaten in hun vrije uren
afleiding te bezorgen. Vooral is dat noodig bij de depôt-bataljons.
Hier ontvangt de soldaat de eerste indrukken van het Indische militaire
leven en die zijn meestal de blijvende.
Hoe diep gevoelde ik daar in den eersten tijd van mijn soldatenleven
dat gemis aan bezigheid voor den geest. Niemand bood mij bij mijn
zoeken naar geestesvoedsel de behulpzame hand, totdat eindelijk een
weldenkende chef—kapitein Flier heette de wakkere man—mijn verzoek om
te Meester-Cornelis een militaire zangvereeniging op te richten,
krachtdadig ondersteunde. In minder dan geen tijd waren er ongeveer
twintig, met een goede stem begaafde soldaten gevonden, die elken
avond, wanneer zij geen dienst hadden twee of drie uren lang, ondanks
de groote hitte repeteerden en getrouwelijk alle vijf dagen van hun
karige soldij nog een kleinigheid afzonderden, om zich daarvoor
muziekpapier enz. aan te schaffen. Die mannen dachten niet meer aan de
jeneverflesch. Hoe gelukkig waren zij, als bij een assaut of eenige
andere gelegenheid, hun gezang met geklap van dameshandjes werd beloond
of zich op de strenge gezichten hunner superieuren een welwillende
glimlach vertoonde! Die menschen hadden ook eergevoel en op dat
eergevoel, dat zooveel onverstandige beoordeelaars aan Indische
soldaten willen ontzeggen, moet voortdurend gewerkt worden.
Moge nu de geestelijkheid haar machtigen invloed eendrachtig aanwenden,
om, door te werken op het eergevoel, bij den soldaat het zedelijk
evenwicht, dat door verschillende slagen van het noodlot aan het
wankelen is gebracht, te herstellen en te bevestigen. Dit kan
gemakkelijk geschieden door hem gelegenheid te geven zich persoonlijk
te doen waardeeren. Men voere lichamelijke spelen in, als schermen,
kolven, kegelen, kaatsen, worstelen, enz. En wanneer er dan wedstrijden
werden uitgeschreven, waarvan officieren en burgers met hun dames
getuigen wilden zijn, zouden honderden soldaten zich beijveren onder
het oog van superieuren en schoone belangstellenden een goed figuur te
maken.
Een prijs door een dameshand uitgereikt, een welwillend en aanmoedigend
woord van schoone lippen, dat den soldaat zegt: „Ge zijt niet de paria,
het uitvaagsel der maatschappij, waarvoor dwazen in Europa u houden,
die allen omgang met u schuwen, als waart ge een melaatsche,” zou hem
aansporen, zich dat gunstig oordeel waardig te maken. Dan zou de
jeneverflesch geheel verdwijnen en de omgang met vuile deernen
grootendeels ophouden. Met dit laatste wordt evenwel niet bedoeld, dat
de Indische soldaat van zijn huishoudster afstand zou moeten doen.
Neen! Natuur stelt haar wetten en daar kan niet straffeloos tegen
worden gezondigd. Door het oprichten van
liefhebberij-tooneelgezelschappen, het organiseeren van vaderlandsche
spelen, zooals die reeds hier en daar beoefend worden, moet de soldaat
moreel worden opgeheven, gelijk dit mede door het houden van
voordrachten geschieden kan. Wat dit laatste betreft, heeft de
geestelijkheid een goede gelegenheid om op den voorgrond te treden.
Dorre predikatiën, doorspekt met bijbelteksten of diepzinnige
philosophische beschouwingen, zijn hier niet op haar plaats, maar
koddige, pakkende onderwerpen, waarbij drupsgewijze een ernstig,
overtuigend woord wordt ingelascht, dat de toehoorders treft en tot
nadenken stemt. Doch daartoe worden beschaafde, hoog-ontwikkelde
menschen gevorderd. Men biede ook den soldaten de gelegenheid, om over
’t gehoorde te debatteeren, ja, men wekke hen daartoe op. Hoe goed zou
het zijn, als nu en dan ook eens een der oudere officieren zich onder
de soldaten mengde en hun een blik gunde in zijn aan ervaring zoo rijk
militair leven! Men weet toch met welke illusies zoo vele jonge mannen
naar Indië gaan, hoezeer enkelen zich, juist in den eersten tijd,
ontgoocheld gevoelen en dan in hun wanhoop naar de flesch grijpen.
Velen, velen van hen zouden dankbaar zijn, indien zij bij superieuren
en notable burgers de behoefte mochten waarnemen, om hun te toonen, dat
men onder den ruwen bolster de goede kern op prijs stelt. Men late dus
het eeuwigdurende schimpen op den armen soldaat, die dagelijks, ja,
ieder uur, zijn leven veil moet hebben. Het leven wordt hem toch reeds
zuur genoeg gemaakt, als hij in de burgermaatschappij terugkeert.
Overal vindt hij deuren en harten gesloten. Heeft hij gelukkigerwijs
het eerekruis voor „moed, beleid en trouw” op de borst, ja, dan vindt
hij nog wel op voorspraak van invloedrijke mannen een schamel tehuis;
zijn kameraad echter, niet zoo gelukkig om het eeremetaal te kunnen
toonen, al heeft ook hij zich dapper geweerd, kan verder trekken en in
den strijd om het bestaan soms ellendig ondergaan.
Vele brave soldaten zijn zoo het slachtoffer van den blinden ijver
eeniger geestelijken en van de door haar misleide menigte. Mochten
daarom deze zoo veel vermogende heeren toch eens in boven aangeduide
richting werken. Er worden hier te lande zoovele goede patriotten
gevonden, die in openbare vergaderingen voor algemeenen dienstplicht
ijveren en van den katheder het „Dulce est pro patria mori” verkondigen
en dan naar huis gaan, en een paar bankjes van honderd uit de brandkast
nemen en voor het lieve zoontje een remplaçant koopen. Wanneer deze
zich met die geestelijken vereenigen en hun invloed in dien geest
aanwenden, dat men den Indischen soldaat niet langer een stuk vee
scheldt, dat voor 2 tot 300 gulden gekocht is, om naar de Atjehsche
slachtbank geleid te worden, dan zal ook eens de tijd komen, waarin een
Hollandsche moeder met trots zeggen kan: „Mijn jongen is Indisch
soldaat geweest.”