omdat zij in zijn algemeene politiek een factor van overwegende
beteekenis uitmaakte. Duitschland moest op Oostenrijk-Hongarije kunnen
rekenen, in tweeërlei opzicht. Eensdeels als leverancier van soldaten,
om Europa te kunnen beheerschen, anderdeels als een van de staten, die
naast den Balkan en het Turksche rijk aan zijn macht goedsmoeds moesten
onderworpen worden, om zijn Hamburg-Perzische Golf-politiek te kunnen
realiseeren.
Misschien—ofschoon twijfelachtig—zou de Donau-Monarchie het gevaar
eener débâcle hebben kunnen bezweren door het dualisme den rug toe te
keeren en een radicale hervorming te brengen in haar binnenlandsche
staatkundige verhoudingen, maar behalve dat ze geen staatsman van
beteekenis kon aanwijzen, die zulk een taak durfde, waartegen de
Magyaren zich met hand en tand verzetten zouden, zou ze dan toch voor
Duitschland verloren geweest zijn. Een Oostenrijksche staat, die zijn
volken de rechten inruimt, waarop zij aanspraak mogen maken, moet
anti-Duitsch zijn.
Oostenrijk-Hongarije had beproefd het gevaar, dat het dreigde na de
overwinning van de Balkanstaten op de Turken, te weren door de Bulgaren
in het vuur tegen hun vroegere bondgenooten te drijven. Het middel had
echter gefaald, omdat Bulgarije was verslagen geworden. En thans had een
sterke Balkan-federatie, Roemenië, Servië, Montenegro en Griekenland,
met een zeer sterke neiging tot de Entente, een dam opgeworpen tegen de
hegemonie-plannen der Centrale Mogendheden en zag Duitschland den weg
Hamburg-Perzische Golf op eenmaal versperd. Een verzwakt Bulgarije en
een geruïneerd Turkije vermochten daartegen niets.
Duitschland had het Yougo-Slavische gevaar te bezweren dat èn den
bondgenoot dreigde te gronde te richten èn hetzelf een barrière opwierp
op den weg naar de Perzische Golf. Het was daarom voor de Yougo-Slaven
een veeg teeken, toen Wilhelm en Frans Ferdinand te Konopitsch te samen
kwamen; men ging inzien dat de Europeesche oorlog zou komen. Het is de
moord op Frans Ferdinand, welke dien oorlog heeft verhaast.
De oorlog gaf de Donau-Monarchie een gereede aanleiding om opruiming te
houden onder het intellect der Zuid-Slavische bevolking en ze heeft er
ruimschoots gebruik van gemaakt. Bij honderden werden de Serbo-Kroaten
in gevangenissen opgesloten, geëvacueerd en hun goederen geconfisceerd;
de galgen kraakten onder het gewicht der ongelukkige Serviërs, wier
eenige misdaad was, dat zij met al hun kracht hadden gestreefd zich aan
de onderdrukking, waaraan zij waren overgeleverd, te ontworstelen.
In Bosnië waren reeds voor de mobilisatie meer dan 5000 Serviërs in
de gevangenis geworpen, waaronder in de eerste plaats de pioniers der
nationale idee. In Dalmatië werden alle prefecten der steden en bijna
alle afgevaardigden van het volk in den kerker gebracht. In Marburg
(Stiermarken) alleen werden 332 Dalmatiners gevangen genomen. In Triëst
bedroeg het aantal gevangenen 1000. In Bosnië-Herzegowina werd niet één
orthodoxe priester vrijgelaten.
De regeering greep weder naar haar oude tactiek: de processen van
hoogverraad werden weder in scène gezet, op de manier zooals Agram ons
getoond heeft. Op 3 Maart 1915 begon te Banjeloeka een proces tegen 28
leerlingen, den directeur en 3 leeraren van de Hoogere Burgerschool.
De leerlingen zouden het voornemen opgevat hebben een Yougo-Slavische
vereeniging op te richten, terwijl de directeur en 3 leeraren het niet
hadden verhinderd. Er werden straffen uitgesproken van 2 jaar tot 4
maanden gevangenis. Op 13 Juli 1915 begon te Trebinje een proces tegen
65 leerlingen. Straffen werden gegeven, varieerend van 3 jaar tot 6
maanden gevangenis. Op 13 September 1915 begon een proces tegen 38
leerlingen en 3 leeraren te Tuzla. Een beschuldigde werd ter dood
veroordeeld, door middel van ophanging en talrijke anderen kregen 15,
14 en 12 jaar gevangenisstraf. Behoudens enkele uitzonderingen waren
alle beschuldigden in dit proces minderjarig en er waren er onder,
die nauwelijks 15 jaren telden. In het geheel werd in dit proces
uitgesproken: één doodstraf en 155 jaar en 10 maanden gevangenisstraf.
Op 9 November 1915 begon een monsterproces te Banjeloeka. Er werden daar
98 menschen veroordeeld, waaronder 16 tot de doodstraf. Alle ter dood
veroordeelden woonden de executie bij en een voor een werd opgehangen.
Vasyl Grdjic, afgevaardigde en secretaris van Provesta (een vereeniging
van meer dan 6000 leden, ten doel hebbende de ontwikkeling van het
Servische volk door ondersteuning van scholen, het organiseeren van
cursussen etc.), wien men het zwaarst wilde treffen, werd het laatst
opgehangen. In het geheel werd er in dit proces 858 jaar gevangenis
uitgesproken. De rechters in dit proces waren...... Duitschers.
De regeering confisceerde de vermogens van alle vereenigingen, die de
zaak harer Servische onderdanen bevorderden. Zoo 3 millioen kronen van
Provesta; 100.000 kronen van de vereeniging Dobrotwima Zadroega, voor
een groot deel een schenking van Miss Irby, een Engelsche; 15.000 kronen
van het fonds Karageorge, gesticht door den vader van den tegenwoordigen
Servischen koning om de studie van jonge Serviërs te bevorderen.
Bijna al de leeraren der lyceums werden afgezet, zonder opgaaf van
redenen; andere leeraren werden gevangen genomen. Bij de decreten van
7 en 13 October 1914 werden alle goederen van hen, die zich in het
buitenland bevonden, geconfisceerd. Een ordonnantie van 7 December van
dit jaar verklaarde, dat een deel der geconfisceerde vermogens kon
afgestaan worden aan loyale burgers, met andere woorden, aan spionnen en
verklikkers.
Toen de Oostenrijksche soldateska in dezen oorlog de gevangenissen van
Agram, Laibach en Zara tot bersten toe vulde met de Servische onderdanen
der Monarchie, toen zij de galgen deed kraken onder het gewicht van
veroordeelde Serviërs, toen zij Servische grijsaards, vrouwen en
kinderen van hof en haard verdreef en als een kudde wilde beesten voor
zich uitdreef en ze liet omkomen van gebrek en door mishandeling, toen
zij het Servische vermogen confisceerde en het gedeeltelijk schonk aan
spionnen en verklikkers, toen riep ook de consul der Monarchie in
New-York de Servische onderdanen van Frans Jozef op om hun plaats te
gaan innemen in de rijen van het Oostenrijksch-Hongaarsche leger. Een
antwoord, waaruit slechts gloeiende haat sprak, kwam: „Ga heen, satan,
de melk van onze moeder is ons te heilig dan dat wij ons zouden kunnen
verheffen tegen onzen broeder. Wij kennen je, satan! Je naam is
Oostenrijk. Ga heen, we hooren je oproep niet. De stem der Servische
strijders bereikt ons hart en onze ziel zweeft over het Servische
heldenland, waar ge je graf zult vinden en waarin voor ons, Kroaten, de
gouden zon der geheiligde vrijheid zal opgaan, die gij ons, zondaar, te
lang verborgen hebt gehouden”.
Was een ander antwoord mogelijk? Van Kroaten, die in Amerika de vrijheid
hadden leeren kennen? „De zon der geheiligde vrijheid, die gij ons,
zondaar, te lang verborgen hebt gehouden!” In deze beschuldiging wordt
den Habsburgers de oorzaak aangegeven, waarom zich de Yougo-Slaven van
hen hebben afgewend. Och, zoo deze slechts het gebed van den dichter
Jowan Jowanowitch hadden verstaan: „Heer, zegt ons dat uwe woede is
bedaard en dat ge onze fouten hebt vergeven! Heer, maakt een einde aan
de kwellingen der zonen van Lazar, den martelaar van Kossowo! Heer,
geeft ons de plaats die ons toekomt in het midden der naties en bevrijdt
ons van de Turken en de Schwaben!” Welk een geheel anderen loop zou de
geschiedenis genomen hebben! Maar thans is het te laat, voor altijd te
laat.
In dezen oorlog zijn de Yougo-Slaven voor altijd voor de Habsburgers
verloren gegaan. „Austria-Hungaria delenda est!” Een andere kreet kent
de Yougo-Slaaf niet meer.
En vanuit Rome, waar de Kroatische emigranten, de besten uit het
volk, in Februari 1915 vereenigd waren, klonk het den Oostenrijkers
en Magyaren toe: het Kroatische volk beschouwt zich als één met het
Servische, vereenigd door de heilige banden van den bodem, het bloed
en de taal.
De Yougo-Slavische eenheid was uitgeroepen.
Oostenrijkers en Magyaren mogen zich nu tot de meening bekeerd hebben,
dat het dualisme in de Donau-Monarchie heeft afgedaan en dat het plaats
moet maken voor een trialisme, bestaande uit Oostenrijk, Hongarije en
Serbo-Kroatië-Slavonië, het is thans te laat. Na alles, wat er gebeurd
is, zijn de Zuid-Slaven der Monarchie er niet meer voor te vinden. „Na
al de martelingen, die wij hebben ondergaan onder het afschuwelijke
Oostenrijk-Hongaarsche juk, mag geen voet van onzen nationalen bodem en
geen deel van ons volk onder de heerschappij blijven van Oostenrijk of
van Hongarije, zelfs zoo deze beide staten onder den een of anderen
vorm de verschrikkelijkste débâcle, die hen wacht en die zij wel
verdiend hebben, mochten overleven. Wij hebben slechts één kreet:
Austria-Hungaria delenda est, en een onbuigzaam algemeen voornemen: de
vereeniging met onze broeders Serviërs en Slowenen in één compacten
staat en onder één dynastie, de roemrijke dynastie der Karageorge's”,
riep dr. Hinkowitch uit in een rede, die hij op 27 April 1915 te Parijs
hield.[2]
[2] Deze vereeniging onder alle Yougo-Slaven onder Karageorge's is
uitgeroepen bij de declaratie van Corfu op 20 Juli 1917.
Het is duidelijk gesproken. Het is een rechtvaardige eisch. Het is
tevens een eisch, die geschreven staat in de oorlogsvaan der Entente.
En, zou men meenen dat het den Duitschers en Magyaren ernst was met hun
voornemen om den nationaliteiten recht te doen wedervaren?
In tijden van nood hebben de Habsburgers altijd concessies gedaan aan
hare nationaliteiten, maar hun woord hebben zij nooit gehouden. In
tijden van nood, zooals de Monarchie ook thans weder doormaakt, wordt
het divide et impera een korten tijd opgeborgen, maar zoodra zijn deze
tijden niet achter den rug, of het wordt opnieuw gedreven als een wig
tusschen de nationaliteiten, die ze dan op de oude manier weder tegen
elkander ophitst.
Terwijl aan de eene zijde Oostenrijk zich nauwer gaat aansluiten bij
Duitschland en daarvoor zelfs een deel van zijn onafhankelijkheid zal
prijsgeven, belooft het aan de andere zijde zijn nationaliteiten recht
te doen wedervaren. Van tweeën een. Of het bedriegt Duitschland, of het
bedriegt zijn nationaliteiten. Het bedriegt zijn nationaliteiten, omdat,
zoo den nationaliteiten recht wordt gedaan, het met de hegemonie van
Duitschers en Magyaren is gedaan. Zou men meenen, dat Duitschland het
zou dulden?
Of Duitschland wordt verslagen en dan is het met de Donau-Monarchie
gedaan, òf Duitschland wordt niet verslagen—zij dat het overwint of dat
de oude status quo wordt hersteld—en dan is het met de nationaliteiten
der Donau-Monarchie gedaan; een middenweg is hier niet.
3. HET YOUGO-SLAVISCHE PROGRAMMA.
De Servische eenheid moest komen, wat voor iedereen, die de toestanden
in het Zuiden der Donau-Monarchie en in de Servische landen ten Zuiden
van Donau en Save kende, duidelijk zichtbaar was. De idee: één homogene
natie, één taal, één verleden, één staat had zich ten slotte ook van de
Yougo-Slaven meester gemaakt. De vraag was slechts hoe deze eenheid tot
stand zou komen.
Tot 1912 was Agram het middelpunt van het Zuid-Slavische leven, ofschoon
er reeds vóór dien tijd genoeg kenteekenen aan te wijzen waren, die op
een verplaatsing van het centrum van Zuid-Slavisch leven naar Belgrado
wezen. De komst van Peter Karageorge op den Servischen troon, onder
wiens regeering Servië zich wist te herstellen van de ruïne, waartoe
Milan het gebracht had, zich in een ongekenden bloei ging verheugen
en zich wist vrij te maken van Oostenrijksche invloeden, was voor de
Donau-Monarchie geen fortuin. Haar belang eischte een geruïneerd,
chaotisch en anarchisch Servië; een Servië met een sterke regeering,
dat de toestanden wist te ordenen en de finantiën te regelen, was voor
haar een gevaar, vooral bij den chaotischen toestand welke, door eigen
schuld, in hare Zuid-Slavische landen heerschte.
Voor het jaar 1912 hoopte het meerendeel der Zuid-Slaven op het tot
stand komen van een Groot-Kroatische staat, omvattende Kroatië-Slavonië,
de Servische deelen van de Monarchie, het land der Slowenen,
Bosnië-Herzegowina en Dalmatië, met Agram als hoofdstad en onder den
scepter der Habsburgers. Doch na de overwinningen der Serviërs op de
Turken in 1912 richtten de Zuid-Slaven den blik op het Servische
koninkrijk, dat zij als het Piemont van een Yougo-Slavischen staat
gingen beschouwen.
Thans is het Yougo-Slavische probleem tot een der levensbelangen van
dezen oorlog geworden, want zoo uit dezen oorlog geen zelfstandige
Zuid-Slavische staat mocht geboren worden, dan zal Europa niet tot rust
komen en het doel, voortaan de volkeren in vrede naast elkander te doen
leven, zal niet worden bereikt. „De vereeniging der Yougo-Slaven is een
der vitale problemen van dezen oorlog en de oprichting van een sterken
Yougo-Slavischen staat, die alle Serviërs, Kroaten en Slowenen omvat,
zal de zekerste vredes-garantie zijn in het Zuid-Oosten van Europa”,
schreef Seton-Watson (de auteur van het beroemde werk: The Southern Slav
Question and the Habsburg-Monarchie) in den herfst van 1915.
Er zijn thans niet veel Yougo-Slaven, die hun stem kunnen doen hooren,
want er bevinden zich betrekkelijk weinig vertegenwoordigers van hen
in het buitenland, maar zij, die er zich bevinden en bijtijds hun land
konden ontvluchten en daardoor den galg zijn ontsnapt, of die reeds
vóór het uitbreken van den oorlog in ballingschap leefden, zijn de
voornaamsten hunner. Met hun stem, die thans luid weerklinkt, spreekt
het geheele Zuid-Slavische volk. Deze groep ballingen is haar actie
te Rome begonnen, kort na het uitbreken van den oorlog, en heeft
zich tot een comité geconstitueerd met het doel uit dezen oorlog een
zelfstandige, sterke Yougo-Slavische staat te doen ontstaan, omvattende
alle Serbo-Kroaten en Slowenen, onder de vaan der Karageorge's.
President van het Yougo-Slavische Comité is de bekende Dr. Ante
Trumbitch, de vroegere burgemeester van Spalato, in Dalmatië, en
oud-afgevaardigde in het Oostenrijksche parlement. Onder de leden,
Dalmatieërs, Bosniakken, Kroaten, Serviërs en Slowenen, treft men mannen
aan als Dr. Hinko Hinkovitch, de bekende verdediger der beschuldigden
uit het schandelijke hoogverraad-proces te Agram, wien men het verblijf
in de Oostenrijk-Hongaarsche landen onmogelijk heeft gemaakt en de
bekwame, arme en door en door eerlijke journalist Frano Supilo—sedert
in Londen overleden—welbekend uit het Friedjung-proces, Dr. Nicola
Zupanitch, conservator van het ethnographisch museum te Belgrado en
Mihajlo Pupin, professor aan de Columbia Universiteit te New-York.
Verder treft men er talrijke bekende advokaten onder aan en de bekende
beeldhouwer Iwan Mestrowitch, de schepper van het mooie beeld Moja Majka
(mijne moeder).
Het Comité reikte den 1en Mei 1915 aan Delcassé en aan Iswolski een
memorie over, waarin de ongelukkige situatie, waarin zijn landgenooten
verkeerden en hunne aspiratie's werden uiteengezet en den 4en Juli een
andere memorie aan lord Creve, die toenmaals Sir Edward Grey verving.
Sedert den 1en October van hetzelfde jaar geeft het regelmatig een
bulletin uit, in het Fransch en in het Engelsch.
In Amerika, waar zich talrijke kolonies Serbo-Kroaten bevinden, roerden
de Yougo-Slaven zich geducht. Op 10 Maart 1915 werd te Chicago een groot
congres gehouden, waar 563 afgevaardigden bijeenkwamen. Te Pittsburg
werd een petitie door 2000 afgevaardigden aangenomen en te Cleveland
kwamen de vertegenwoordigers der Narodna Hrvatska Zajednitsa, een
Kroatische vereeniging met 35000 leden, en de Servische vereenigingen
Sloga en Srboran bijeen en namen er de volgende resolutie aan: „Wij
Kroaten, Slowenen en Serviërs, één enkele natie door het bloed, de taal,
de algemeene aspiratie's, voelen ons met ziel en hart verbonden met het
volk, met het leger en met het gouvernement onzer broeders van Servië
en van Tsrna Gora (Montenegro). Hun zaak is de onze; wij zijn bereid
te strijden, zijde aan zijde, tegen de gemeenzame vijanden: Teutonen,
Magyaren en Turken, om de vrijheid te veroveren en de vereeniging van
alle Yougo-Slaven in één grooten, nationalen staat. Wij hopen dat geen
enkel deel van ons volk, geen duim van onzen bodem, in het Westen, in
het Oosten, in het Noorden of in het Zuiden, vallen zal onder het
vreemde juk.”
Het programma, dat het Yougo-Slavische Comité heeft opgesteld,
eischt dat vereenigd zullen worden in één rijk: 1o. Servië en
Montenegro, 2o. Bosnië-Herzegowina, 3o. Dalmatië met zijn Archipel,
4o. Kroatië-Slavonië met Rika (Fiume) en de Medjoemoeje (tusschen de
Drave, Mur en Stiermarken), 5o. Batschka (tusschen Theiss en Donau)
en het Banaat (Zuidelijk-Hongarije), ten Noorden van den Donau, zich
uitstrekkend tot de Theiss met steden als Temesvar, Becskereck,
Kikinda, Panschewo, Orsowa, Resica; 6o. Istrië met zijn eilanden en
Triest; 7o. de Krain en Goritz en 8o. Zuidelijk Karinthië en Zuidelijk
Stiermarken.
Er wonen in Oostenrijk-Hongarije 6½ millioen Yougo-Slaven, in Servië en
Montenegro 4½ millioen en 11 millioen Yougo-Slaven zouden dus, volgens
hun eisch, vereenigd worden in één rijk; het zou dus een staat van
beteekenis worden.
Eén rijk onder de Karageorge's! In dezen eisch der Yougo-Slaven
ligt opgesloten, dat de koning van Montenegro voor hen niet meer
bestaat. Ook niet voor het Montenegrijnsche comité voor de nationale
eenheid, dat zich geheel heeft aangesloten aan het programma der
Yougo-Slaven. President van dit comité is Andriija Radowitch, vroeger
minister-president en minister van buitenlandsche zaken van Montenegro.
De Montenegrijnen kunnen den ouden Nicolaas zijn dubbelzinnige houding
in dezen oorlog niet vergeven en het allerminst de laffe wijze, waarop
hij en zijn familie het land heeft verlaten, die zulk een schrille
tegenstelling vormt met den schitterenden terugtocht van het Servische
leger, met zijn koning in het midden. Ja, als Nicolaas thans met een
leger, hoe gedecimeerd ook, aan het front in Saloniki stond, dan zouden
er genoeg Montenegrijnen gevonden worden, die hem niet zouden afgevallen
zijn, zelfs nu zijn verblijf op den Montenegrijnschen troon een anomalie
zou zijn, maar thans? Neen, zijn verdwijnen van het tooneel van den
strijd heeft hun eer aangetast en dat vergeven zij hem nooit. Zelfs een
van zijn meest reactionaire ministers, Jowan Plamenac, heeft openlijk
verklaard dat Nicolaas, door de wijze waarop hij in de catastrophe
verdwenen is, voor Montenegro niet meer bestaat.
Nicolaas schijnt echter niet van plan te zijn vrijwillig van zijn
troon afstand te doen. Het zal hem echter niet helpen. De Yougo-Slaven
en zijn Montenegrijnen zijn niet meer van hem gediend. De Italiaansche
afgevaardigde Arthur Labriola zegt volkomen terecht in de Lavoro van
14 Augustus 1917: „de dynastie Petrowitch weet zeer goed, dat de
Yougo-Slavische unie zich zonder haar zal voltrekken. Door het streven
dezer familie te steunen, zou men niet alleen het plan der Yougo-Slaven
dwarsboomen, maar ook den uitdrukkelijken wil der Montenegrijnen. Koning
Nicolaas zou een onafhankelijk Montenegro willen doen voortbestaan, maar
zijn onderdanen verzetten zich tegen zulk een voornemen. Italië zou een
zeer zware fout begaan, zoo het de persoonlijke politiek van den koning
van Montenegro aanmoedigde.”
„De rol van Montenegro is afgespeeld. Het kan niet langer bestaan ten
pleiziere van eenige liefhebbers van antiquiteiten en een dynastie,
die boven alles zijn eigen belangen en ambitie's plaatst. In den
toekomstigen staat van Serviërs, Kroaten en Slowenen willen de
Montenegrijnen geen republiek van San Marino zijn”, schrijft Andriija
Radowitch in „Le monde slave” (December '17).
De Yougo-Slaven weten dat, zoo de Duitschers overwinnaars in dezen
oorlog mochten zijn, hun streven naar nationale eenheid met geweld zal
worden onderdrukt in lange, lange jaren, omdat het de pan-germaansche
heerschzucht in den weg staat. Maar ze weten ook, dat hun eischen
ingewilligd zullen worden, zoo de Entente de zege behaalt, omdat:
1o. de vereeniging van alle Yougo-Slaven in één rijk de zuivere
consequentie is van het nationaliteitsprincipe, zooals het door de
Entente in haar oorlogsvaan geschreven is;
2o. een vrede in het Zuid-Oosten van Europa illusoir zou zijn, zoolang
aan het nationale streven der Yougo-Slaven niet is voldaan;
3o. een sterke Zuid-Slavische staat een barrière zal opwerpen tegen
pan-germaansch streven. Het oude Servische keizerrijk, dat sterk was
zoolang het een sterke heerscher had, is te gronde gegaan, omdat het
een barrière vormde tegen den drang naar het Noorden van de Turken; het
Servische koninkrijk, dat zwak was omdat het slechts een klein deel
van het Servische volk omvatte, ging te gronde, omdat het een barrière
vormde tegen den drang naar het Oosten van de Duitschers; slechts een
Yougo-Slavische staat, die sterk zal zijn omdat hij het Zuid-Slavische
volk in zijn geheelen omvang omvatten zal, zal in de toekomst voor een
catastrophe bewaard blijven.
4. ITALIË EN DE YOUGO-SLAVEN.
_De Yougo-Slaven zullen met of tegen Italië zijn;
de keuze is aan Italië._
't Zal zoo ongeveer in de maand Mei van het jaar 1915 geweest zijn,
toen ik, te Nisch in Servië verblijf houdend, vernam, dat de geheime
diplomatie weder eens op haar manier aan het werk—aan het konkelen, zou
ik haast geschreven hebben—was geweest.
Ik houd niet van de geheime diplomatie. Ze heeft de wereld heel wat leed
berokkend en heel wat waardeloos werk geleverd, omdat het volk niet
achter de regeering staat, als ze in het geheim aan het werk tijgt. Aan
haar verwijt ik, dat het rebus sic stantibus is uitgevonden, dat ze van
een diplomaat een intrigant en van een contract een vod papier maakt, in
één woord is: „la diplomatie contre la nation.”
Hier, in het geval dat ik op het oog heb, was de geheime diplomatie niet
zoo geheim geweest, of iedereen in Servië wist te vertellen, dat ze op
echt Metternichsche manier aan het verschacheren van volken was geweest
en deze volken van de hand had gedaan, zooals een veekooper op de markt
zijn vee bij handslag van de hand doet.
Onze staatslui zijn, generatie op generatie, grootgebracht in de geheime
diplomatie, die stamt uit het tijdperk van het absolutisme en dezen
heeren leert men daarom de oude methoden niet zoo spoedig af, zelfs
al zijn ze nolens volens tot het inzicht gekomen, dat ze, namelijk de
geheime diplomatie, uit den booze is. Laten we hopen, dat, wat ze in het
jaar 1915 heeft gedaan, de laatste daad van een stervende is.
Wat we in Mei van het jaar 1915 te Nisch hoorden vertellen? Niets minder
dan dat de Entente met Italië de volgende overeenkomst had gesloten.
Italië zou Duitschland den oorlog verklaren. Voor deze hulp, die het de
Entente verleende, zou het bij het sluiten van den vrede, zoo natuurlijk
de Entente overwon, in het bezit gesteld worden van Zuidelijk Tirol,
Trente, Triëst en zijn omgeving, de provincies Goriza en Gradisca,
geheel Istrië tot aan Quarnero, met inbegrip van Volosca en de Istrische
eilanden, Cherso en Lussin, en van nog enkele anderen, van Dalmatië tot
aan de Narenta en van de Dalmatische eilanden en van Wallona en
omgeving. Dit, wat de omgeving van de Adria betreft.
Dat we toenmaals vrij juist waren ingelicht, is later gebleken, toen de
Bolsjewiki het tractaat openbaar maakten.
President Wilson had zich nog niet aan de zijde der Entente
geschaard,—een geluk voor Italië—maar het zou me toch een lief ding
waard geweest zijn om te vernemen hoe hij over dezen koehandel dacht,
hij, die later verkondigde, dat aan het volk alleen het recht toekomt
om over zichzelf te beschikken en dat deze vrijheid alleen beperkt
mag worden voor zoover ze een bedreiging en een gevaar voor anderen
oplevert. En hoe is deze transactie te rijmen met de vrijheid der zee,
zooals Wilson die opvat? Omdat deze handel in het geheel niet past in
het kader van Wilson's ideeën over het doel van dezen oorlog, geloof ik
dat, sedert Amerika zich in den oorlog geworpen heeft, er heel wat van
de waarde der overeenkomst zal verloren zijn gegaan.