De Yougo-Slaven bestaan uit drie groepen: Serviërs in Servië en

Montenegro (4.925.000), in Zuidelijk-Hongarije (461.000) en in

Kroatië-Slavonië (645.000); Kroaten in Kroatië-Slavonië (1.638.000),

in Istrië (173.000) en in Zuidelijk-Hongarije (195.000), terwijl in

Bosnië-Herzegowina en Dalmatië 2.432.000 Serbo-Kroaten wonen en Slowenen

in Karinthië, Stiermarken, Krain, Goriza en Triest (1.310.000).

Alle drie groepen spreken één taal, zijn van denzelfden oorsprong en

hebben dezelfde nationale tendenzen. Ze zijn Roomsch-Katholiek (de

Kroaten) of Protestant (een deel der Slowenen) of Mohammedaansch

(650.000 Serviërs in Bosnië) of Orthodox (de Serviërs). De Serviërs

bezitten het Cyrillische, de Kroaten en Slowenen het Latijnsche

alphabet.

Het verschil in godsdienst en in alphabet tusschen Kroaten en Serviërs

is daaruit te verklaren, dat bij de Kroaten de cultuur vanuit het

Westen (Rome) ingang vond, bij de Serviërs, die vanuit het Westen niet

gemakkelijk te bereiken waren, vanuit het Oosten (Byzantium). Dat een

deel der Serviërs in Bosnië de Mahomedaansche godsdienst belijdt,

ligt daaraan dat vele Serviërs om hun bezittingen te redden en om een

bevoorrechte plaats tegenover de raja's (de christenen) in te nemen, bij

de invasie der Turken het geloof der heerschers aannamen. In den loop

der eeuwen hadden deze Mahomedanen hun afkomst geheel vergeten; zij

meenden ten slotte dat zij Turken waren. De echte Turken beschouwden de

Mahomedaansche Bosniakken niet als de ware broeders. Doch thans is er

in geheel Bosnië niet één Mahomedaan te vinden, die niet weet dat hij

Serviër is.

Ook de Bulgaren zijn Zuid-Slaven. In 659 en 660 n. Chr. werden de

Slaven, die tusschen den Isker (bij Sofia) en de Zwarte Zee woonden,

door Turco-Finsche horden, die zich Bulgaren noemden, veroverd. Doch de

veroveraars werden geabsorbeerd door de overwonnenen, door de Slaven

dus. De grootste dichter der Bulgaren, Kristof, beroemt er zich op geen

Slaaf te zijn en noemt zich Tartaro-Bulgaar. En het verraad der Bulgaren

aan de Zuid-Slavische zaak in dezen oorlog zegt ons duidelijk, dat dit

volk voor onafzienbaren tijd voor de Yougo-Slavische beweging heeft

afgedaan.

We hebben dus te doen met één natie, maar verdeeld over vier

verschillende staten, als we Bulgarije niet medetellen, dat thans als

element in het Yougo-Slavische probleem is uitgeschakeld. Een toestand

dus in flagranten tegenspraak met de nationale tendenzen, die zich in

den loop der vorige eeuw door de opkomst der democratie in de volken

hebben ontwikkeld: één volk, één staat. De democratie wil van den staat,

zooals hij zich in den loop der eeuwen onder de dynastieën ontwikkeld

heeft, niets weten; een bijeen veroverde, bijeen getrouwde en bijeen

geërfde staat is in haar oog een onding en niet van duurzaamheid. De

gescheiden deelen van éénzelfde natie willen zich, gedreven door de

kracht van onderlinge aantrekking, samenvoegen in onzen tijd, waarin het

nationaliteitsprincipe overheerschend is.

Dat vroeg of laat de vereeniging van het Servische volk tot één groot

geheel komen zou, was wel te voorzien. De vraag was slechts op welke

wijze. Zouden de Serviërs ten Zuiden van Donau en Save zich voegen bij

de Yougo-Slaven der Monarchie? Of zouden omgekeerd de Yougo-Slaven

der Monarchie zich voegen bij de Serviërs op den Balkan? Er is een

tijd geweest, dat zich het eerste liet verwachten. Dat het echter

niet is gebeurd, ligt aan de kortzichtigheid der Habsburgers, die de

Yougo-Slaven niet hebben gekend en de waarde van dit volk niet hebben

weten te beoordeelen. En thans ontwikkelt zich voor onze oogen het

tweede geval.

Men moet de geschiedenis der Yougo-Slaven onder het dualisme kennen,

om de ontwikkeling van het Yougo-Slavische probleem in dezen oorlog te

kunnen beoordeelen. Ik zal beproeven haar in enkele woorden te schetsen.

Ze is een geschiedenis van ellende en van schande. Van ellende, waarin

de Zuid-Slaven door hun overheerschers gedompeld zijn, van schanddaden

der laatsten, die voor niets zijn teruggedeinsd om het Zuid-Slavische

volk zijn nationaliteit te ontnemen. De geheele geschiedenis der

Yougo-Slaven der Monarchie en in het bijzonder die na het compromis

van 1867 tusschen Oostenrijk en Hongarije vormt één aanklacht tegen de

heerschers, zoo aangrijpend, dat Europa tegen het verdelgingssysteem

der Duitschers en Magyaren, in opstand gekomen zou zijn, zoo het dit

slechts gekend had. Maar Magyaren stonden bij Europa goed aangeschreven

en de Zuid-Slaven vonden er geen gehoor. Thans is het, en gelukkig,

toch anders geworden. Dat hebben de Zuid-Slaven te danken aan Fransche

schrijvers, die dit volk bestudeerd en in zijn midden verblijf gehouden

hebben, zooals Louis Léger en Charles Loiseau en vooral aan 't mooie

werk van den Engelschman Seton-Watson, waarvan een Duitsche vertaling

onder den titel: „die Süd-Slavische Frage im Habsburgerreiche” in 1913

het licht zag. Doch niet alleen danken dit de Zuid-Slaven aan hun

vrienden, maar ook aan hun.... vijanden die, zooals het gewoonlijk gaat,

geen maat wisten te houden en ten slotte hun toevlucht namen tot zulke

barbaarschheden, dat de Yougo-Slaven, ten einde raad, zich te weer

stelden en dat zelfs uitspattingen niet uitbleven. De aanslag van Loeka

Joekitsch op den Koninklijken Commissaris Cuvaj, het hoogverraad-proces

te Agram (Maart tot October 1909), het Friedjung-proces te Weenen

(December 1909) hebben, naast Seton-Watson's werk, Europa de oogen

geopend.

* * * * *

Er is er maar een geweest, die de waarde van Dalmatië gekend en alles in

het werk gesteld heeft om het land tot bloei te brengen. Dit was echter

geen Habsburger, maar een vreemdeling, Napoleon I, die Dalmatië, Istrië,

Karinthië, Krain en een gedeelte van Kroatië een korten tijd vereenigde

onder den naam van Illyrische provincies en deze landen uitstekend liet

administreeren. Nog immer staat bij den Dalmatiër de nagedachtenis van

den maarschalk Marmont, den Franschen gouverneur, in hoog aanzien. Waar

een Franschman den voet heeft gezet, zelfs al is het een generaal met

zijn troepen, daar blijft nog immer een lichtstraal achter.

Wil men de vertwijfeling der Dalmatiërs in het Habsburger rijk peilen,

dan leze men de rede, die dr. Jozef Smodlaka, de oprichter van de

Kroatische democratische partij in Dalmatië, op 3 December 1910 in het

Oostenrijksche parlement hield (welke als bijlage XVII voorkomt in de

Duitsche uitgave van Seton-Watson's werk) en die hij hield voor leege

banken, wat de belangstelling der Oostenrijksche vertegenwoordigers voor

Dalmatië treffend illustreert.

Dalmatië is een land van boeren, riep dr. Smodlaka uit, maar het vraagt

om invoer van vleesch uit Argentinië en het zal vragen om den vrijen

invoer van graan, want het volk heeft geen vleesch, geen brood en ook

geen aardappelen, die alleen op tafel bij „de heeren” komen. De geheele

oppervlakte vruchtbare aarde, die in Dalmatië te vinden is, staat onder

water en niemand legt het land droog, waardoor zelfs graan uitgevoerd

zou kunnen worden. Drinkwater is er evenmin. En de boeren lijden 's

winters koude, omdat ze geen hout hebben om te stoken; een kachel is in

Dalmatië een weeldeartikel. Onder het heerschende Kmetenstelsel is de

boer verplicht voor alle verbeteringen van het land te zorgen, ook alle

uitgaven te bestrijden en meer dan de helft of een derde van de

opbrengst aan den landheer af te staan.

Er zijn zoo goed als geen scholen in Dalmatië; meer dan 300 dorpen

hebben niet één enkele school en het aantal analphabeten bedraagt dan

ook 99 %.

Er zijn ook geen wegen. Er bestaat geen verbinding tusschen Dalmatië en

het Zuiden van Kroatië en het Westen van Bosnië; men kan sneller van

Weenen naar Petersburg reizen dan van Spalato naar Banjeloeka.

Niet Servië en Italië handelen tegen de belangen van Dalmatië, maar het

is de Oostenrijksche regeering, die niets voor het land doet en het te

gronde laat gaan. Dandelo heeft in vijf jaren meer voor Dalmatië gedaan

dan Oostenrijk in 105 jaren. Het land is een land van bedelaars

geworden, het land, waar vroeger een Ragusa bloeide.

Dalmatië heeft slechts één uitvoerartikel, menschenvleesch; het land

verliest zijn bevolking.

Geen velden, geen landbouw, geen veeteelt, geen graan, geen straten en

geen spoorwegen, omdat zich daartegen Hongarije verzet, geen industrie

en geen handel. En zonder Dalmatië had Oostenrijk geen zee. Het is het

land met honderden goede havens, met een rijk achterland (Bosnië) en

het biedt de beste voorwaarden aan voor den bloei van den handel en de

industrie, waarvoor het de sterkste waterkrachten van Europa aanwijzen

kan.

In Oostenrijk beschouwt men Dalmatië als een exotisch land, vanuit het

standpunt der archeologie, doch we willen geen archeologisch kerkhof

zijn, roept dr. Smodlaka uit.

En de Dalmatische afgevaardigde vraagt of het onder zulke omstandigheden

een wonder is dat in het land de ontevredenheid groot, zeer groot is en

hij waarschuwt ervoor, dat men deze ontevredenheid niet met processen

van hoogverraad geneest.

Zoo regeert de Oostenrijker in Dalmatië. Doch zoudt ge meenen, dat

de Oostenrijksche of de Hongaarsche regeering in hunne andere

Zuid-Slavische landen beter hebben geregeerd, bijvoorbeeld in

Bosnië-Herzegowina of in Kroatië-Slavonië? De Donau-Monarchie bezit

geen administratief talent en ze zal deze kunst ook nooit leeren. Haar

administratieve kunst bestaat in onderdrukking, verdeelen en heerschen

en de tastbare middelen, waarmede ze deze kunst uitoefent, zijn, precies

zooals in Rusland, verbanning, gevangenis en galg. Zeker, ze bouwde

mooie monumenten, hotels en kazernen in de verkregen Zuid-Slavische

landen, ze legde ook een net van spoorwegen aan voor.... strategische

doeleinden en oefende de gastvrijheid op weergalooze wijze uit tegenover

vreemde journalisten, die kwamen om.... zich zand in de oogen te laten

strooien, maar de kunst om voor de bevolking betere levensvoorwaarden

te scheppen, haar tot tevredenheid te stemmen en om op een goeden voet

met haar te komen, die kunst heeft ze nooit verstaan. Ze weet ook wel

hoe groot en hoe gerechtvaardigd de ontevredenheid der Zuid-Slavische

bevolking is en daarom liet ze hen, die op eigen gelegenheid naar de

Zuid-Slavische landen kwamen om uit eigen oogen te aanschouwen en zich

niet tot klaploopers eener regeering wilden verlagen, met spionnen

omringen en maakte hen het verblijf onmogelijk.

De spoorwegen, die in Bosnië-Herzegowina gebouwd zijn, zijn er niet voor

den handel en het verkeer, ze zijn er voor het leger en hebben alleen

een strategisch doel. Ze zijn smalspoor en hebben dus geen aansluiting

met het groote verkeersnet.

Bosnië is niet verbonden met zijn natuurlijke havens in Dalmatië; het

achterland bezit geen havens en het kustland geen achterland.

Het wordt niet geadministreerd door eigen landslui, maar door

vreemdelingen, die noch het land, noch de taal kennen.

Men wilde er den veestapel verbeteren en voerde er vreemde dieren in,

die zich niet acclimatiseerden, maar te gronde gingen, men liet ze

echter door de boeren peperduur betalen.

Er werd een kadaster aangelegd door geëmployeerden, die van de

verhoudingen in het land niets afwisten, wat tot gerechtvaardigde

klachten aanleiding gaf.

Onder het voorwendsel de vagebonden te bewaken, drongen de gendarmen op

ieder uur van den dag de huizen binnen.

Oostenrijk heeft het recht de orthodoxe bisschoppen in

Bosnië-Herzegowina te benoemen; de popen worden door de bisschoppen

aangewezen. De bevolking stelt natuurlijk noch in deze bisschoppen, noch

in deze popen vertrouwen. Het land werd overstroomd met Jezuiten en

Franciskaners, terwijl de Roomsch-Katholieke propaganda op allerlei wijs

bevoordeeld werd. De Katholieke bisschop Stadler is bij de orthodoxen

van Bosnië berucht wegens zijn propaganda.

De schoolboeken worden zorgvuldig geschift; van een Douschan, van een

Marko en van de Karageorge's mag daarin niets voorkomen, zooveel te meer

plaats vinden in deze schoolboeken de heldendaden van het Oostenrijksche

leger en de deugden van Frans Jozef.

Geen Servische courant mocht de geannexeerde landen binnendringen en

de Bosniakken mochten vooral niet weten, dat zij Serviërs waren; von

Kallaij verbood er daarom zelfs zijn eigen boek, dat de geschiedenis der

Serviërs behandelde en deswege wordt hij door de Oostenrijkers geprezen.

Er heerscht in Bosnië-Herzegowina nog het feodale systeem van den

grond-eigendom, zooals in de Middeleeuwen. Oostenrijk heeft niets gedaan

om het te doen verdwijnen, niettegenstaande de boeren 90 % van de

bevolking uitmaken.

De nationale tegenstand der Bosnische Serviërs was oorspronkelijk

een strijd voor de autonomie van de orthodoxe en de mahomedaansche

godsdienst; ze ging, door de regeerkunst der Oostenrijkers, over in

een zuiveren politieken strijd voor de autonomie van Bosnië.

Bosnië-Herzegowina is een zuiver Servisch land; de bevolking wilde er

een zuiver nationaal leven voeren. Maar natuurlijk, daarvan wilde de

Monarchie niets weten. Wat een dwaasheid is, omdat de nationaliteit

van een volk niet weg te doezelen is, terwijl het volk zelf tegen de

verdrukking ingroeit. En, wat de Monarchie niet alle middelen heeft

trachten te verhinderen, is juist door haar onderdrukkingssysteem toch

geschied: orthodoxen en mohamedanen hebben elkander gevonden. Waardoor

de nationale tegenstand der Bosniakken onoverwinnelijk is geworden.

Wanneer men een Hollander vragen zou in welke verhouding

Kroatië-Slavonië tot Hongarije staat, tien tegen een dat men tot

antwoord zou ontvangen: Kroatië-Slavonië maakt een deel uit van het

Hongaarsche koninkrijk. Dit antwoord behoeft ons niet te verwonderen,

want in de praktijk hebben de Magyaren geen ander oordeel. Na Sadowa

verdeelden de Germano-Magyaren de Donau-Monarchie in tweeën en

Kroatië-Slavonië werd uit dankbaarheid voor hetgeen het in 1848 voor

de Habsburgers gedaan had—de Habsburgers oefenden te allen tijde

een vreemd soort dankbaarheid uit—aan de Magyaren overgeleverd.

En niettemin is Kroatië-Slavonië geen deel van het Hongaarsche rijk.

Kroatië-Slavonië en Hongarije zijn twee koninkrijken, die alleen

door den persoonlijken band van hun heerscher verbonden zijn. Zoo

is het geweest vanaf het jaar 1102, toen de Kroatische adel, als

vertegenwoordiger van het Kroatische volk, tot koning den heerscher

van Hongarije, Koloman, koos. Na den dood van Lodewijk II, die op

het slagveld van Mohacs in 1526 tegen de Turken het leven liet, koos

Hongarije Ferdinand van Oostenrijk tot koning en kort daarna werd deze

ook tot koning door de Kroaten uitgeroepen. In 1772 kende de Kroatische

vertegenwoordiging—de Sabor—het recht van erfopvolging ook aan de

vrouwen uit het huis Habsburg toe; Hongarije echter volgde daarin

Kroatië eerst 10 jaar later. Kroatië-Slavonië en Hongarije hebben

dus nooit één rijk gevormd. Niettemin beschouwen de Magyaren

Kroatië-Slavonië als een deel van Hongarije en de manier, waarop zij het

regeeren, bespot elke beschrijving. Wat echter niet ten opzichte van

Kroatië-Slavonië alleen het geval is, doch ook ten opzichte van iedere

nationaliteit, die in het Hongaarsche rijk te vinden is.

Toen het compromis tusschen Oostenrijk en Hongarije gesloten was, was

ook een compromis tusschen het laatstgenoemde rijk en Kroatië-Slavonië

noodzakelijk geworden. De wijze echter, waarop dit laatste gesloten werd

zou, als het een overeenkomst tusschen gewone burgers gegolden had, een

der partijen als falsaris in de gevangenis gebracht en de nietigheid der

overeenkomst ten gevolge gehad hebben.

Hongarije had geen zeehaven en wilde er een hebben. Kroatië-Slavonië had

er een, namelijk Fiume. Daarop nu wilden de Magyaren de hand leggen.

Maar de Kroaten waren er niet voor te vinden Fiume af te staan. Het

compromis constateerde nu, dat er omtrent Fiume geen schikking was

getroffen. Het werd door Frans Jozef onderteekend.

Doch wat deden de Hongaren? Ze plakten over de origineele tekst van het

betreffende artikel een strookje papier en daarop stond geschreven, dat

Fiume een afgescheiden deel was van den Hongaarschen Kroon, met andere

woorden dat het den Hongaarschen staat behoorde.

De Magyaren hebben dus Fiume met den stijfselpot veroverd; ze namen de

stad in bezit en verdreven er de Kroatische ambtenaren.

Aan het hoofd der Kroatische regeering staat een Ban (banus), die door

den koning wordt benoemd, doch op voordracht van den Hongaarschen

minister-president. In de praktijk is dus de banus niet anders dan de

exponent der Hongaarsche regeering en wat dit beteekent, zegt ons de

Kroatische geschiedenis vanaf het compromis van 1868 tot op den huidigen

dag. Oplossing van den Sabor—Kroatische volksvertegenwoordiging—als

deze de Magyarische doeleinden in den weg stond, vervalsching van

kiezerslijsten, terrorisme bij de verkiezingen om tegenstanders de

uitoefening van het kiesrecht onmogelijk te maken, het in scène brengen

van monsterprocessen van hoogverraad, waar veroordeeld werd op de

getuigenis alleen van spionnen tot barbaarsche straffen, het werken met

valsche akten, om onschuldigen, die Boedapest in den weg stonden, op

te kunnen bergen in ellendige gevangenissen, was schering en inslag

der Magyarische overheersching. En bans als de beide Rauch's, in wier

familie—naar men in Kroatië beweert—het werken met valsche akten

erfelijk was, als Khun Hedervary, als Cuvaj zijn de vloek van Kroatië

geweest.

De rechters in Kroatië werden door den Banus benoemd, dus door den

exponent van Boedapest. Als rechters werden dus alleen zij gekozen, die

een gewillig werktuig der Magyarische regeering waren en zoo het al

eens voorkwam, dat de regeering zich had vergist en een zelfstandig man

als rechter had benoemd, dan werd hij spoedig ter zijde geschoven.

Rechtsgevoel mocht een Kroatische rechter niet bezitten, want dat was

een eigenschap, die bij de Magyaren uit den booze is. Tarabocchia, de

voorzitter in het proces van hoogverraad te Agram, was een notorische

drinker en een vaste bezoeker van nachtlokalen, maar hij was juist de

man, in staat de vuile wasch der Magyaren te doen.

De spoorwegtarieven der Kroatische spoorwegen werden door de Hongaarsche

regeering zoo vastgesteld, dat bijvoorbeeld het transport van goederen

van een Kroatische stad naar Fiume duurder was dan van Boedapest naar

Fiume. De locale spoorwegen in Kroatië waren verplicht hun hoofdzetel

te Boedapest of te Fiume op te slaan, opdat de belastingen, die deze

ondernemingen te betalen hadden, in de Hongaarsche kassen zouden vloeien

in plaats van in de Kroatische.

Zeer handig hebben de Magyaren den naijver, die er tusschen de Serviërs

en de Kroaten der Monarchie bestond, uitgespeeld; het divide et impera

is de genesis van alle politiek in de Donau-Monarchie. Het heeft hen

nochtans niet tot hun doel gebracht, integendeel, hun politiek, in het

bijzonder die van den Banus Khun Hedervary, heeft de Serviërs en de

Kroaten te zamen gebracht (sedert 1905) en onherstelbaar bankroet

gemaakt.

Het hoogverraad-proces te Agram en het Friedjung-proces hebben Europa

het bewijs geleverd, dat de Monarchie het op de ruïne van haar volken,

voor zoover ze geen Duitschers of Magyaren waren, toelegde en daarvoor

tegen geen enkel middel, hoe laag ook, opzag. Het Friedjung-proces deed

ons kennis maken met legatie-secretarissen, die onder het patronaat

van den Oostenrijk-Hongaarschen gezant te Belgrado valsche akten

vervaardigden. Deze gezant was een Magyar, Forgach, die later zijn

medewerking verleenen zou aan het opstellen van het ultimatum aan

Servië, dat den Europeeschen oorlog tengevolge zou hebben.

Het is hier niet de plaats het Agrammer- en Friedjung-proces te

behandelen, hoe belangrijk zij ook zijn voor de kennis der politieke

zeden, die in de Donau-Monarchie heerschen en ik verwijs daarom hen,

wien zulks interesseert, naar het reeds genoemde werk van Seton-Watson

en naar de beide brochures van den geleerden en strijdlustigen

professor T. G. Masaryk: „Der Agrammer Hochverratsprocess und die

Annexion von Bosniën und Herzegowina en Vasic-Forgach-Aehrenthal,

Einiges Material zur Charakteristik unserer Diplomatie”.

2. HET NATIONALE STREVEN DER YOUGO-SLAVEN.

Bij de Zuid-Slaven der Donau-Monarchie is in het begin der vorige eeuw

het nationaal bewustzijn ontwaakt. De eerste stoot daartoe bracht de

oprichting van de Illyrische provincies door Napoleon I, na den slag bij

Austerlitz, en, ofschoon deze Zuid-Slavische provincies weder tot hun

duf bestaan van vroeger terugkeerden, toen zij na den val van Napoleon

weder in de handen der Habsburgers vielen, de nationale idee stierf

niet geheel uit, doch bleef voortsmeulen. In de jaren 1830–1840 blies

Ljoedevit Gaj, politicus en de dichter van: Kroatië is niet verloren

zoo lang wij leven, door Lisinsky op muziek gebracht (het is een der

meeslependste melodieën, die ik ook gehoord heb) haar nieuw leven in;

hij boette echter zijn patriotisme met gevangenisstraf. En in latere

jaren was de bekende bisschop Strossmayer, een man van eminente

bekwaamheden en karaktereigenschappen, een groot patriot en een groot

tegenstander der Magyaren, de propagandist der nationale idee (geboren

4 Februari 1815; gestorven 10 April 1905).

Het nationale streven der Kroaten en Serviërs der Donau-Monarchie heeft

zich aanvankelijk, zelfs tot het jaar 1913, niet zoo ver uitgestrekt als

thans. Aan een vereeniging met Servië en Montenegro werd niet gedacht;

men streefde de Groot-Kroatische idee na, dat is de vereeniging van alle

Kroaten en Serviërs der Donau-Monarchie als autonome staat onder den

scepter der Habsburgers. Van het Servische koninkrijk waren de Kroaten

in het geheel niet gediend. Wat wel te verklaren was, want de regeering

van Milan en zijn zoon Alexander was er niet naar om in Servië een

waardig Piemont der Yougo-Slaven te zien.

Met de komst van Peter Karageorge, den vriend der Bosniakken, op den

Servischen troon, verbeterden zich de betrekkingen tusschen de Serviërs

der Donau-Monarchie en die van het Servische koninkrijk; ze werden

inniger na 1905, toen de Serviërs der Donau-Monarchie en de Kroaten hun

onderlingen strijd hadden bijgelegd, maar het Piemont der Zuid-Slaven

werd het Servische koninkrijk eerst in 1913, toen het de Turken had

teruggedreven en met Montenegro, Griekenland en Roemenië een hechte

barrière had opgeworpen tegen „den Drang nach Osten” der Duitschers.

Door de nederlagen der Turken was Oostenrijk-Hongarije op den Balkan

teruggeworpen en de poort naar Saloniki, die Andrassy door de occupatie

van Bosnië-Herzegowina voor de Habsburgers geopend had, dichtgeslagen.

Maar wat voor de Duitschers der Monarchie en Magyaren verpletterender

was: thans zagen zij op eenmaal den afgrond aan hun voeten liggen,

waarheen een erbarmelijke politiek tegenover hun Zuid-Slavische

bevolking hen had gesleept. Trots al de ellende, waarin de Magyaren

onder het oog der Duitsch-Oostenrijkers de Serbo-Kroaten hadden gestort,

hadden deze niet opgehouden het oog op Oostenrijk gevestigd te houden,

alsof zij vandaar hun verlossing wachtten; thans werd het „hoch

Oesterreich” overstemt door den woedenden kreet: „Austria-Hungaria

delenda est!”

Oostenrijk-Hongarije stond voor een catastrophe. Zoo het de Monarchie

niet gelukte den gerechtvaardigden drang der Yougo-Slaven naar

vereeniging te breken, wat bereikt kon worden door het Servische

koninkrijk te vernietigen, dan was het met haar grootheid gedaan. Want

bij een afscheiding harer Serbo-Kroatische bevolking en de vereeniging

van de Zuidelijke deelen der Monarchie met het Servische koninkrijk zou

het zeker niet gebleven zijn; ook de Noordelijke Slavische bevolking der

Monarchie, de Tsechen, Polen, Roethenen en Slowaken, zou deze

gelegenheid aangegrepen hebben om zich af te scheiden.

Yougo-Slavia · 第 3 / 5 段