Wij konden aanvankelijk zelfs niet gissen, waarom de Bulgaren zulk een

maatregel namen. Het Servische papier was behoorlijk gedekt en al had

de vijand zich niet meester kunnen maken van het goud en zilver der

Nationale Bank, een overeenkomst zou toch wel te treffen geweest zijn

om de Servische bevolking voor een ramp te behoeden. Maar zelfs al ware

zulk een overeenkomst niet mogelijk geweest, dan nog had de Bulgaarsche

regeering haar toevlucht niet tot zulk een noodlottigen maatregel mogen

nemen. Het is een domheid de bevolking van een land, dat men annexeeren

wil, tot den bedelstaf te brengen. Een volk van bedelaars is geen

aanwinst voor een staat.

We ontdekten echter spoedig wat er achter den Bulgaarschen maatregel

stak, want enkele dagen nadat de Servische bankbiljetten waardeloos

verklaard waren, zaten de hotels en koffiehuizen van Nisch vol met

Spaansche Joden uit Sofia, die er de bankbiljetten van 10 dinaren kwamen

opkoopen tegen den prijs van 4 levs (franc). En als men nu weet, dat het

niet zoo gemakkelijk was om in dien tijd van Sofia naar Nisch te reizen

en dat men daarvoor de bijzondere toestemming noodig had van Sofianer

autoriteiten, dan is de gevolgtrekking, dat Sofia zaken wilde doen en

speculeeren met de ellende en op den wanhoop der Serviërs, niet gewaagd.

Kort daarop stelde Sofia den prijs der Servische bankbiljetten van 10

dinaren vast op, naar ik meen, vijf levs.

Zeer groote zaken zullen de Bulgaren met hun manoeuvre wel niet gemaakt

hebben, want de Serviërs waren verstandig genoeg om zich zoo weinig

mogelijk om het voorschrift der Bulgaren te bekommeren. Groot nadeel

leden alleen zij, die met koopen niet wachten konden en geen ander

geld dan Servisch tot hun beschikking hadden. Dit waren juist de minst

vermogenden. De boeren bezaten echter veel zilver en ofschoon ook dit

geld, volgens het voorschrift der Bulgaren, in waarde sterk gereduceerd

was, zij leden er niet veel onder, omdat zij geen ander geld wilden

aannemen dan juist Servisch en niemand van hen ook ander geld bekomen

kon. En ik heb den tijd gekend, in den zomer van 1916, dat het

waardeloos verklaarde bankpapier van 10 dinaren in Servië hooger in

prijs stond dan tien kronen van de Oostenrijksche onderdrukkers.

Aanvankelijk begreep ik niets van al de maatregelen van geweld, die de

Bulgaren tegenover de Servische bevolking namen; eerst later ontdekte ik

systeem in hun barbaarschheid en dat elke maatregel slechts een deel

uitmaakte van een systeem, dat leiden moest naar één groot, afschuwelijk

doel, zooals het alleen in de hoofden van geraffineerde Aziaten, van 19e

eeuwsche Hunnen, kon opkomen: de uitroeiïng van de Servische bevolking.

Haar tot den bedelstaf brengen, was slechts één der maatregelen, de

anderen waren: onderdrukking van het Servische nationale leven,

uitroeiïng van de dragers van dit leven, zooals de geestelijkheid,

interneering van de mannelijke bevolking, om ze in den vreemde

langzaam te doen sterven en, wijl men toch niet zooals in den tijd van

Herodus, alle kinderen kon gaan vermoorden, het zenden van Bulgaarsche

schoolmeesters en Bulgaarsche schoolmamsels naar het bezette gebied, om

van de Servische kinderkens Bulgaarsche te maken.

Men doorzocht de woningen der Serviërs naar Servische boeken en

Servische schilderijen; men haalde alle Servische boekwinkels leeg en

vroeg er niet naar, of men den eigenaar ruïneerde; alles wat Servisch

was, moest worden vernietigd, al waren het slechts onschuldige boeken.

De Serviërs kregen Bulgaarsche namen; de zakenlui moesten hun Servischen

firmanaam omdoopen in een Bulgaarschen.

Het zal alles tevergeefs zijn; het helpt niet of men den Serviër een

Bulgaarschen rok aantrekt.

Wat helpt het of men thans Servische boeken vernietigt? Ze zullen altijd

gedrukt worden.

Wat geeft het of Popowitch thans Popoff heet? Onder den Bulgaarschen

naam verschuilt zich een Servische ziel.

Wat helpt het of men Servische kinderen Bulgaarsch laat leeren door

Bulgaarsche schoolmeesters? Ze hebben Servische moeders.

Wat helpt het of men den Serviërs de afbeeldingen hunner heiligen

ontneemt en hun Sint-Save in den ban doet? Hun Slawafeest zullen ze

niettemin blijven vieren, waaraan men den Serviër herkennen kan.

Doch de Bulgaren denken met een Tartaarsch assimileeringssysteem,

ondoordacht, tergend en wreed, hun doel te bereiken en van de Serviërs

Bulgaren te maken. Wat den Duitschers niet gelukt is in Polen

en in Elzas-Lotharingen, den Magyaren en Duitschers niet in de

Donau-Monarchie, dat zou een Tartaro-Bulgaar gelukken in Servië?

De Servische geestelijken zijn naar Bulgarije gebracht, te voet, midden

in den winter, in de sneeuw. Hoevelen zijn er aangekomen? En hoevelen

zijn onderweg vermoord? Ge kunt, lezer, de namen van de vermoorden lezen

in: „les Souffrances”. Barbaarsch, vindt ge niet? Maar niettemin

bezitten de Bulgaren een edelmoedige ziel, volgens Paskoff.

Men kan zich denken welk soort van bestuur de Bulgaarsche regeering naar

het bezette gebied zond. Want voor dit soort werk, zooals de Bulgaren in

Servië wilden ondernemen, is zelfs niet iedere Bulgaar geschikt.

De burgemeester van Nisch moet, volgens de getuigenis van een Bulgaar,

een gewezen kroeghouder zijn; hij ranselde het volk met een zweep af. De

prefect van Nisch, Iwanoff, was, volgens de getuigenis van een anderen

Bulgaar, Savadjan (in: La Bulgarie en guerre) redacteur van een blaadje,

dat van tijd tot tijd verscheen met chantage-doeleinden; hij was reeds

vroeger door de Bulgaarsche justitie veroordeeld wegens afpersing. De

prefect van Monastir heette Boyadjieff en was door zijn vader, den

generaal, uit het ouderhuis gejaagd als onverbeterlijk, waarvan deze in

de pers mededeeling had gedaan. Op de dorpen was het leven der Serviërs

in handen gegeven van Bulgaarsche gendarmen, een zeer lief volk.

Er zijn niet veel mannen meer te vinden in het door de Bulgaren bezette

gebied. Waar ze gebleven zijn? Men heeft ze naar Bulgarije gebracht en

ook naar Klein Azië. Men laat ze er allerlei werk verrichten; ze sterven

bij tientallen tegelijk van ellende en gebrek. Juist, wat de Bulgaren

verlangen.

Of alle Servische mannen, die bijvoorbeeld uit Nisch en omgeving

verdwenen zijn, ook gedeporteerd of geïnterneerd zijn? Wie zal het ons

vertellen? Och, roepen de Nischers uit, als de vesting eens spreken kon?

En schuw kijkt hij de oude Turkenvesting aan, waarin zoo'n naamloos

leed geleden wordt en hij siddert als hij er aan denkt, wat er met hen

gebeurt, die er werden opgesloten.

De vesting en de Nischewa, het snelstroomende riviertje dat in Bulgarije

ontspringt, door Nisch stroomt en zich in de Morawa stort, ze zullen

beide ten eeuwigen dage door de Nischers vervloekt worden. Want beide

verbergen in zich ontzettende geheimen. Als de Nischewa droog liep,

zei ons eens een Nischer, dan zoudt ge ontdekken dat haar bed met

menschenlijken is geplaveid. En er is geen Nischer te vinden, die thans

visch uit de Nischewa zal eten, ondanks zijn honger.

Er wonen in het door ons bezette gebied geen Serviërs, beweren de

Bulgaren; de bevolking is er Bulgaarsch en het land is indertijd ten

onrechte bij Servië gevoegd. Het zouden dus eigen landgenooten zijn, die

door de Bulgaren vermoord worden. En het zijn er niet weinigen. Men

zegt, dat de Bulgaren twintig duizend menschen in het bezette gebied

over de kling hebben gejaagd. Het cijfer is niet te controleeren, thans

niet, maar dat het er velen, ontelbaar velen zijn, daarover kan geen

twijfel bestaan.

Is het onder zulk een régime niet verklaarbaar dat een bevolking, tot

den bedelstaf gebracht, gekneveld en geplaagd, die het moet aanzien dat

vaders, broeders en zelfs moeders en zusters in koelen bloede door de

Bulgaarsche bestiën worden vermoord, uit vertwijfeling naar de wapens

grijpt, die verborgen zijn, om er den geweldenaar mede neer te slaan?

En dat de Serviërs zich beginnen te verzetten?

Het verzet tegen de Bulgaren is een tijdlang zeer hevig geweest en ook

zeer gevaarlijk en ging ten slotte over in een formeelen opstand. Op het

einde van Maart van het vorige jaar kregen de inwoners van Nisch bevel

hunne huizen gedurende twintig dagen niet te verlaten; huis aan huis

werd er doorzocht. De kanonnen rolden door de straten van het stadje en

in de verte donderde het geschut.

Er was oproer uitgebroken in Prokoeplje, ten Westen van Nisch, dat

zich snel had uitgebreid over Koeschoemlija en zelfs over Leskowats.

De Bulgaren zonden onmiddellijk talrijke troepen met kanonnen en

mitrailleusen, waartegen de opstandelingen natuurlijk geen stand konden

houden; het oproer werd in bloed gesmoord, talrijke dorpen werden met

den grond gelijk gemaakt en de inwoners: mannen, vrouwen, kinderen en

grijsaards door de Bulgaren vermoord.

Tandenknersend en het hart vol wrok, gerechten wrok, maar schijnbaar

kalm, draagt de Serviër zijn naamloos leed. Fier houdt hij het hoofd

omhoog, vol moed, trots ellende en honger, want het geloof, dat de dag

van vergelding komen zal, leeft onverwoestbaar in hem voort.

IV. HET BULGAARSCHE VERRAAD.

Wilde de Duitsche „Orientpolitiek” met succes bekroond worden, dan mocht

Duitschland op zijn weg naar de Perzische Golf geen staten ontmoeten,

die het een slagboom konden opwerpen. Een vrij en onafhankelijk

Oostenrijk-Hongarije, een Zuid-Slavisch rijk, een zelfstandig Bulgarije

en een Turkije, die zich tegen zijn wil verzetten konden, een Rusland,

dat het èn op den Balkan èn in Klein-Azië den weg versperren kon, een

Engeland, machtig genoeg om het een gebiedend halt toe te roepen, was

onduldbaar. De Duitsche „Orientpolitiek” kon dan alleen slagen, zoo

Duitschland zijn vijanden versloeg en zijn vrienden tot onderwerping

bracht. Het eerste is tot heden niet gelukt, het laatste daarentegen

schijnt maar al te goed te gelukken. Op zijn weg naar de Perzische Golf

zal het, zoo het zijn vijanden verslaat, geen staten ontmoeten, die zich

tegen zijn wil durven verzetten.

Servië is uitgeschakeld; het is in handen der Duitschers; de

Oostenrijkers en de Bulgaren, die het hebben bezet, zijn slechts de

mandatarissen van Duitschland, al dragen zij den naam van bondgenooten.

Zijn echter deze bondgenooten, de Bulgaren en de Oostenrijkers, er beter

aan toe dan het vertrapte Servië en België? Neen, want ook in Oostenrijk

en Bulgarije zijn de Duitschers heer en meester en regeert hun wil

alleen. Ook met de onafhankelijkheid van deze landen is het gedaan,

zoo de Duitscher mocht overwinnen. Al de pogingen van keizer Karel

om zijn noodlot te ontkomen, zullen hem niet baten, zullen hem niet

uit den greep van den Duitscher verlossen; het is het resultaat van

een averechtsche binnenlandsche politiek van meer dan een halve eeuw.

Turkije mag vrij zijn om zijn Armeniërs, die de Turksch-Germaansche

toekomstplannen in den weg staan, te vermoorden, het heeft zich,

als gevolg van de noodlottige politiek van een Enver Pascha, gedwee

en zonder morren te onderwerpen aan den wil van Wilhelm II, den

zoogenaamden beschermer der Mahomedanen. En de imperialistische

tendenzen der Bulgaarsche staatslui, die parallel loopen met het

Duitsche pangermanisme, hebben van het Groot-Bulgarije der toekomst

tevens een Duitsche vazalstaat gemaakt; de Duitschers zullen de Bulgaren

niet beter behandelen dan zij het hun Herero's hebben gedaan.

Nu is het wel juist, dat economische en militaire overeenkomsten

tusschen Staten met zulk een verscheidenheid in belangen en tusschen

volken van zulk een verschil in ras, overeenkomsten daarenboven, die

de hegemonie van den een over al de anderen moeten bevestigen, niet

van duur kunnen zijn, vooral niet waar 70 millioen menschen hun wil

dicteeren aan 127 millioen, maar hier zouden ze toch juist zoo lang

duren als het Duitsche zwaard in staat was ze te verdedigen. Europa zou

dus in een blijvend oorlogskamp herschapen worden, een der noodlottige

gevolgen van een Duitsche overwinning.

Dat dit zoo komen zou, is echter niet de wil der volken uit deze

staten geweest; het is het gevolg van de fouten hunner bestuurders.

Behalve de Duitschers en de Magyaarsche edelen wil geen mensch in

de Donau-Monarchie met Duitschland te maken hebben en zoowel het

Bulgaarsche als het Turksche volk verfoeien den Duitscher. Niet alleen

in België en Frankrijk, maar ook in Oostenrijk-Hongarije, op den Balkan

en in het Turksche Rijk is de Boche de meest gehate man.

„Een heroïsche worsteling ontrolt zich voor ons: de heilige en machtige

Germaansche cultuur worstelt met de verrotte Fransche cultuur, die, ten

doode opgeschreven, tracht achter haar al de volken van Europa mede te

sleepen,” schreef de Bulgaar Petkoff in 1914. Ik zou Petkoff thans

wel eens willen spreken en vragen naar zijn meening van thans over de

heilige en machtige Germaansche cultuur, waarmede Bulgarije geïnfecteerd

wordt. Ik heb gedurende den oorlog een anderen Bulgaar gesproken, die,

minder bombastisch en nuchterder dan Petkoff, me de vraag voorlegde:

hoe krijgen we de kerels er weer uit, waarmede hij vragen wilde, hoe

ontworstelen wij, Bulgaren, ons aan de Duitsche overheersching? Zij,

die den Balkan overheerschen willen, zien zich thans op hun beurt

overheerscht.

De zucht der Bulgaren naar de hegemonie op den Balkan heeft henzelf,

maar ook de Zuid-Slavische zaak heel wat nadeel berokkend. Tot hun

verontschuldiging kan aangevoerd worden, dat het de Russische politiek

is geweest, die op hen de hegemonie-bacil heeft geënt. Het begon bij

San-Stefano, waar de Russen den Bulgaar over het paard hebben getild.

Het daar in elkaar gezette Groot-Bulgarije is de nachtmerrie geworden

der Sofianer politici, die ze geen oogenblik met rust liet. Dit

Groot-Bulgarije hebben ze ook beproefd tot stand te brengen in den

eersten Balkanoorlog, toen zij van geen herziening der verdragen met

Servië en Griekenland wilden weten, wat toch noodzakelijk was na een

oorlog, die andere resultaten had opgeleverd dan verwacht waren. En toen

zij hun wil niet konden doorzetten, namen zij hun toevlucht tot verraad,

dat hen naar Boecarest bracht, waar hen aan het verstand werd gebracht,

dat de kans op een Groot-Bulgarije was verkeken. Dat was het gevolg van

„het werk der camarilla, die de Balkan-confederatie vernietigde en

Bulgarije zonder genade als holocaustum aan Oostenrijk overleverde”,

beweert—en terecht—de Bulgaarsche generaal Vazoff.

Miljoukov heeft, als lid van het Carnegie-Comité, in het „Journal de

Paris”, op 12 December 1916, beweerd, dat, zoo de overeenkomst tusschen

Bulgarije en Servië van 1912 gerespecteerd was geworden op het Congres

van Boecarest van 1913, Bulgarije niet aan de zijde der Centrale

Mogendheden zou zijn opgetreden.

Behalve dat met zulk een eisch, om op het Congres van Boecarest het

tractaat van 1912 te respecteeren, waarlijk al te veel gevergd is, is

daarenboven zijn oordeel niet juist.

Bulgarije had Servië en Griekenland plotseling overvallen, nadat

prins Fürstenberg aan Boecarest had te verstaan gegeven, dat de

Donau-Monarchie, in het geval dat er een conflict tusschen Servië en

Bulgarije ontstond, het laatste rijk met de wapens verdedigen zou. En

wel met het doel met geweld het tractaat van 1912 door te voeren,

waarvan een herziening een eisch van billijkheid was met het oog op de

resultaten verkregen in den oorlog tegen Turkije. En dan zou men, nadat

Bulgarije verslagen was, aan dit tractaat zelfs niet mogen tornen?

Maar zelfs al had men zich in Boecarest aan dit tractaat gehouden, een

onzinnige eisch, te meer daar Macedonië _niet_ Bulgaarsch is, dan nog

zou Bulgarije in dezen oorlog aan de zijde der Centrale Mogendheden

opgetreden zijn. En wel omdat het imperialistische streven der Bulgaren

zich verder uitstrekt dan tot Macedonië. Wat zelfs de Buxtons nooit

hebben ontdekt.

Er bestaat een Bulgaarsch werk onder den titel: „De kameraad van den

soldaat, handboek voor de soldaten van alle wapens”. Het is gepubliceerd

overeenkomstig de order no. 76 van 14 Maart 1907 van het Bulgaarsche

ministerie van oorlog en werd aanbevolen door ditzelfde ministerie bij

circulaire no. 28 van 21 Maart 1907. Het is dus een officieel Bulgaarsch

boek, dat in handen komt van iederen Bulgaar, omdat iedere Bulgaar een

tijdlang kazernebewoner is. Op bladzijde 56 van het geschiedkundige deel

van dit werk komt een kaart van Groot-Bulgarije voor, waarin het „reeds

bevrijde” Bulgarije in rose, de „nog niet bevrijde” deelen in rood

zijn gekleurd. Welnu, tot het rood gekleurde deel behoort niet alleen

Macedonië met de steden Monastir en Prisrend, maar ook een deel van

Servië, met Nisch, en de geheele Dobroedscha met Constanza en ook bijna

geheel Tracië met Adrianopel. Deze rood gekleurde deelen kon Bulgarije

in rose overschilderen, alleen door aan de zijde der Centrale

Mogendheden op te treden. En om dit te bereiken heeft het, kortzichtig

als zijne diplomaten zijn, de Slavische zaak verraden, de débâcle van

het Servische leger veroorzaakt en voor Duitschland den weg naar het

Oosten geopend.

Dat Bulgarije een zwaar verraad aan de Zuid-Slavische zaak heeft begaan,

zien de Sofianer politici wel in, en om het te verdedigen, maakt er een,

Ghenadieff, een politieke salto mortale en vertelt ons: „het Slavisme is

een fatale hinderpaal voor onze nationale macht en ons enthousiasme. Het

wordt tijd voor ons om deze dwaling te herstellen en niet langer een

dergelijken leugen te propageeren”. Laat ik er echter bijvoegen, dat

Ghenadieff niet een man is, wiens oordeel men hooge zedelijke waarde

mag toekennen; op den Balkan kent men de gestes van dien oud-minister

al te goed en weet men waartoe hij alzoo in staat is. Maar goed, de

Bulgaarsche politici, in den trant van Ghenadieff, willen thans van

de Slavische zaak niets meer weten, sedert de realisatie van hun

imperialistisch streven het verraad der Zuid-Slavische zaak beteekende.

Servië, het Piemont der Zuid-Slaven, wat Bulgarije niet kon zijn, moest

daarom vernietigd worden; „dat is de hoogste noodzakelijkheid voor de

toekomst der menschheid”, schreef Narodni Prava op 19 Mei 1916. De

Bulgaren, die niet weinig inbeelding bezitten, schijnen te meenen dat

zij, Slaven in een Tartaren-omhulsel en met Tartaren-manieren, de

geheele menschheid vertegenwoordigen.

Het woord pan-bulgarisme heeft men tot heden niet gebruikt. Maar al

bestaat het woord niet, het begrip bestaat niettemin. Het beteekent voor

de Bulgaren hetzelfde als het pan-germanisme voor de Pruisen.

Onder pan-germanisme verstaat men niet het streven der Pruisen om alle

landen, waar Duitschers in compacte massa te zamen wonen, onder zich

te vereenigen, doch het is in waarheid het streven der Pruisen om zich

meester te maken van alle landen, die Duitschland noodig heeft of meent

noodig te hebben ter wille van de macht der Hohenzollerns.

Precies zoo is het gesteld met het streven der Bulgaren. Ook zij

wenschen te bezitten, wat zij meenen noodig te hebben om hun

alleenheerschappij op den Balkan te verzekeren. Ze trachten het te

bereiken op eenmaal, in twee étappes of ook in drie, al naar de

omstandigheden. Bereiken zij hun doel niet heden, dan morgen of

overmorgen.

Thans verkondigen ze openlijk, dat iedere Bulgaar voelt dat Turkije moet

blijven bestaan. Ze zullen het net zoo lang verkondigen tot ze kans zien

de hand op Constantinopel te leggen. Ze verkondigen thans ook, dat een

deel van Servië in handen van Oostenrijk behoort te blijven. Doch zoodra

zij kans zien den Oostenrijker uit den Balkan te jagen, zullen zij hem

gaan zeggen dat hij er niet behoort, dat geheel Servië Bulgaarsch is.

Deze tactiek noemen zij met een Duitsch woord: „Realpolitik”.

Ze streven hun doel op iedere wijs na en om het te bereiken deinzen ze

voor niets terug. Iedereen, die hun daarin van dienst kan zijn, is hun

welkom. De goede tante is die, welke de grootste taart geeft, beweren

ze. Ze zullen echter de goede tante verraden, als er een andere komt,

die hun grootere brokken toewerpt. En straks als de débâcle Duitschland

zal gaan achterhalen, zal men de Bulgaren een diplomatischen zwaai naar

de Entente zien maken, om het doel, waarnaar zij streven, niettemin te

bereiken, voor zoover slechts mogelijk is.

De Bulgaren wilden geen vazal van Rusland worden. Waarin ze gelijk

hadden. Ze hadden een Stamboeloff, die ervoor heeft gewaakt. Maar

Stamboeloff is dood en een nieuwen hebben de Bulgaren niet. En omdat

er geen Stamboeloff in Bulgarije meer is, maar er slechts diplomaten

te vinden zijn die geen kijk op de toekomst hebben en slechts hun

oogenblikkelijk belang kennen, worden ze vazallen van het Duitsche rijk.

Wel bekome het ze!

En den goeden man, die me indertijd vroeg: hoe krijgen we de kerels er

weer uit, kan ik alleen antwoorden: door jelui eigen nederlaag; dan kunt

ge, zij het ook met geruïneerde finantiën en met het kenmerk van het

verraad op het voorhoofd, weder vrij worden.

Een jaar na den overval op de Serviërs en de Grieken, die geleid heeft

tot den vrede van Boecarest, in Juni 1914 dus, erkenden mannen als de

Bulgaren Guechoff, dr. Daneff, Malinoff, Janco Sakasoff en generaal

Iwanoff, dat op 29 Juni 1913 door de Bulgaren verraad was gepleegd, „het

resultaat van de dubbelzinnigheid onzer binnenlandsche en buitenlandsche

politiek, die te allen tijde het openbare leven in Bulgarije heeft

vergiftigd.”

Maar, in October 1915, plegen de Bulgaren weder verraad en straks, als

de Centrale Mogendheden niet mochten overwinnen, zullen we weder precies

dezelfde lamentaties hooren als in Juni 1914.

Het is te hopen dat dan de Entente tot de ontdekking zal zijn gekomen,

dat Bulgarije van zijn ziekte, zijn dubbelzinnigheid in de politiek,

die tot verraad leidt, niet te genezen is. Verraad is voor den Bulgaar

louter een element in zijn politiek tot een bepaald doel. Wordt dit

doel bereikt, dan voert het hem tot zelfverheerlijking, wordt het niet

bereikt, dan brengt het hem tot zelfbeschuldiging, tot inkeer echter

nooit.

V. EEN YOUGO-SLAVISCHE STAAT IN WORDING.

1. DE YOUGO-SLAVEN.

Hier, in het Noorden en zoo ver van ze verwijderd, hebben we vóór den

oorlog zeer weinig gehoord van de Yougo-Slaven. We wisten wel, dat

ze te vinden waren in het Zuiden van Europa, in Servië en Montenegro,

maar veel aandacht hebben we aan deze twee koninkrijkjes, voor ons

oogenschijnlijk van zoo weinig belang, nooit geschonken. Dat ze voor

Europa, voor de rust van Europa groote beteekenis hadden, was in ons

niet doorgedrongen; we ontdekten het eerst in 1912, toen de eerste

Balkanoorlog uitbrak, die geheel Europa in vlammen dreigde te doen

opgaan. We hadden ook wel eens gehoord van de Zuid-Slaven der

Donau-Monarchie, maar och, de Monarchie had zoovele volken, die elkander

zonder ophouden het leven zuur maakten, zonder dat zij er, naar onze

meening, sterk onder leed, dan dat wij ons over een Zuid-Slavische

vraag druk zouden maken; de Monarchie zou het met deze volken wel

klaar spelen. Van een Yougo-Slavisch probleem hebben we eerst in dezen

oorlog gehoord, zonder er nochtans veel van te begrijpen. Dat deze

Yougo-Slavische vraag in waarheid de directe oorzaak van dezen oorlog

is geweest en dat, zoo ze in dezen oorlog niet wordt opgelost, er in

Europa, zelfs na dit cataclysme, geen vrede zal heerschen, hebben zelfs

de meesten onzer tot heden niet ontdekt.

Er wonen in het Zuid-Oosten van Europa meer dan elf millioen

Yougo-Slaven als één compacte massa. In Servië 4½ millioen, in

Montenegro 435.000, in Dalmatië 610.000, in Krain, Goriza en Triest

705.000, in Karinthië en Stiermarken 535.000, in Kroatië-Slavonië

2.280.000, in Istrië 220.000, in het Zuiden van Hongarije, namelijk in

het Banaat, in Batschka en in Barania 656.000 en in Bosnië-Herzegowina

1.820.000.

Servië en Montenegro zijn zelfstandige koningrijken; Istrië en Dalmatië

Oostenrijksche provincies; het Banaat, Batschka en Barschka en Barania

Hongaarsche landsdeelen; Kroatië-Slavonië is een autonoom koninkrijk van

den Sint-Stefanskroon, de stad Fiume neemt een autonome plaats in onder

een gouverneur door Boedapest benoemd en Bosnië-Herzegowina wordt door

een gemeenzamen minister van Finantiën beheerd in naam van Oostenrijk en

van Hongarije. Krain, Goriza en Triest, Karinthië en Stiermarken zijn

Oostenrijksche landsdeelen.

Yougo-Slavia · 第 2 / 5 段