+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |
| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder |
| accent, met/zonder koppelteken, letterwisselingen: g/k, v/w. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |
| e-boek op https://www.gutenberg.org/ |
| |
+----------------------------------------------------------------+
YOUGO-SLAVIA
DOOR
G. SMITS.
[Illustratie: Z. K. H. de Prins-Regent van Servië,
de toekomstige Koning van het Yougo-Slavische rijk.]
N.V. Electrische Drukkerij „LUCTOR ET EMERGO”—'s-Gravenhage
1918.
YOUGO-SLAVIA
DOOR
G. SMITS.
INHOUD.
Bladz.
Een woord vooraf 5
I. Een Manifest 7
II. De Serviërs, zooals ze zijn en zooals ze niet zijn 15
III. Arm Servië 22
IV. Het Bulgaarsche Verraad 32
V. Een Yougo-Slavische Staat in wording:
1. De Yougo-Slaven 38
2. Het Nationale Streven der Yougo-Slaven 48
3. Het Yougo-Slavische Programma 54
4. Italië en de Yougo-Slaven 59
5. De toekomst van den Yougo-Slavischen Staat 63
EEN WOORD VOORAF.
Het was, ik weet niet meer in welk jaar, maar niet lang na den moord op
koning Alexander en zijn vrouw, toen ik voor de eerste maal naar Servië
zou gaan, voor zeer korten tijd, om er zaken te doen.
Het was dus in den tijd, dat Servië in Europa zeer slecht aangeschreven
stond en Oostenrijksche verdachtmakingen bij ons in goede aarde vielen.
Men kende bij ons dit land niet en begreep daarom de Serviërs niet.
Ik ging er heen, zooals elk koopman naar een land gaat om er zaken te
doen, met volkomen onverschilligheid voor het land en zijn bewoners,
neen, erger nog, met tegenzin en met een bezwaard hart. Want ik had lang
in Hongarije gewoond en er van de Serviërs niets dan slechts gehoord. En
ofschoon ik niet alles geloofde, wat een Magyar mij vertelde, zooveel
was daarvan toch bij mij doorgedrongen, dat ik in den Serviër nu juist
geen braaf man zag.
Het staat mij nog duidelijk voor den geest hoe onbehagelijk ik me
gevoelde, toen ik op een avond van den altijd mooien Servischen herfst
op het perron te Belgrado stond en meende in elken Serviër minstens een
roover te ontdekken. En nog thans moet ik hartelijk lachen als ik me de
eerste weken van mijn verblijf in Servië voor den geest roep, toen ik
niet slapen ging zonder eerst de kasten te inspecteeren en onder mijn
bed te kijken, of er zich niet een sluipmoordenaar had verborgen, een
paar zware stoelen naar de kamerdeur te sjouwen, het geld, dat ik bij
mij droeg, op het bloote lijf te binden en mijn geladen revolver onder
mijn hoofdkussen te deponeeren. De brave Magyar had bij mij wel succes
gehad met zijn verdachtmakingen!
Een bende gauwdieven, roovers, moordenaars, menschen zonder eer en
zonder geweten, voor alles veil en voor geen rooden duit goed. Aldus
luidde het getuigschrift, dat de Magyaren mij van de Serviërs hadden
medegegeven. Erg liefelijk klinkt zulk een getuigenis niet en dat men
tegenover menschen met zulke eigenschappen, als in dit getuigschrift
worden opgesomd, op zijn hoede is en zijn maatregelen neemt, is
verklaarbaar.
Ik ging naar Servië voor korten tijd, zooals ik zei. Maar het geluk
heeft gewild, dat ik er lange jaren gebleven ben. Ja waarlijk, ik mag
zeggen, dat het geluk het heeft gewild! Want mijn verblijf in Servië
behoort tot de gelukkigste jaren van mijn leven. En ik zou er nog
wonen, zoo de Duitschers het voor hen niet beter hadden gevonden,
dat ik het land verliet, mij gevangen namen en mij, na bijna negen
maanden gevangenis, naar ons vaderland terugbrachten. Wel een bewijs,
dat ik, die naar Servië met tegenzin ging, ten slotte voor de beste
der Serviërs, in Duitsche oogen altijd, niet onderdeed. Ik dank de
Duitschers voor zulk een getuigschrift!
Het Servische volk is mij lief geworden en het dwong mij, als het ware,
om het nauwkeurig te bestudeeren. Ik heb er mij niet tegen verzet.
Ik heb zijn geschiedenis bestudeerd en kwam tot de ontdekking, dat het
een volk met een groot verleden was. Ik heb zijn economie, sedert de
komst van Peter I op den Servischen troon, bestudeerd en kwam tot de
conclusie, dat het een volk met een groote toekomst was. Ik heb dit
volk gadegeslagen in zijn laatsten strijd tegen de Turken en ontdekte,
dat het aan moed en aan vaderlandsliefde zijns gelijke niet had. Ik
ontdekte in den Serviër den Geus van den Balkan! Ik heb zorgvuldig
de politiek bestudeerd, die de groote buurman, het morse Oostenrijk,
volgde tegenover den kleinen, maar pienteren Serviër en kwam tot mijn
ontzetting tot de ontdekking, dat zware tijden voor het kleine Servië
zouden aanbreken, waarin het gaan zou om zijn bestaan. Ik heb, in één
woord, dit volk leeren kennen en waardeeren.
Dit kleine boekje is een bewijs van die waardeering, in de zware tijden,
die thans voor het Servische land aangebroken zijn, maar waaruit het,
naar ik met zekerheid verwacht, in vollen glans te voorschijn zal
treden.
Wat ik met dit boekje bereiken wil? Niets anders dan de belangstelling
van het Nederlandsche publiek op te wekken voor een volk, welk geen
offer, in goed en in bloed, te zwaar is om zijn nationale eenheid te
verwerven en om in het midden der naties de plaats in te nemen, die het
toekomt.
Als dit doel ermede bereikt wordt, zal ik tevreden zijn.
DE SCHRIJVER.
's-Gravenhage, Juni 1918.
I. EEN MANIFEST.
In het begin van het jaar 1914, na den tweeden Balkanoorlog, verscheen
het volgende manifest, opgesteld door den Bulgaar Basiel Paskoff:
„De Bulgaar is robuust, hij heeft stalen zenuwen en wordt zeer oud. Maar
de bron van zijn kracht ontspringt uit zijn groote deugden.
Hij is verdraagzaam. Hij is geheel vrij van godsdienstig fanatisme en
van chauvinisme.
Hij heeft een edelmoedige ziel, wat hij bewezen heeft gedurende den
oorlog, door zijn zorg, gewijd aan de gevangenen.
De Bulgaar is bescheiden.
De Bulgaar is sober en teruggetrokken, hij laat zich niet gaan. Het
succes maakt hem niet dronken.
Wanneer hij een weinig opgewonden geweest is in den bevrijdingsoorlog,
dan heeft dit slechts bestaan in de gedachte van zijn onbekwame
regeering.
Hij is arbeidzaam.... Hij is spaarzaam.
De Bulgaar is ondernemend....
Hij is een goed vader....
Hij is onbeschroomd en moedig....
In zijn deugden ligt zijn onuitputtelijke kracht en zij vormen den
zekersten waarborg voor zijn glorierijken toekomst.”
Een mooier brevet heeft een landgenoot zijn volk nooit uitgereikt. Het
is al te mooi zelfs. Volgens Paskoff bezitten de Bulgaren zoovele en zoo
groote deugden, dat elk ander volk er door in de schaduw wordt gesteld.
Met uitzondering natuurlijk van de Duitschers, die zich, volgens de
getuigenis van de pan-germanisten, hemelhoog boven alle andere volkeren
verheffen, zelfs boven de Bulgaren, die slechts „Ersatz”-Pruisen zijn.
Paskoff achtte het zeer noodzakelijk de wereld eindelijk eens kond te
doen van der Bulgaren deugden. Dit was hem nochtans niet genoeg. Hij
wilde er ook op wijzen door welke verachtelijke volken deze deugdzame
Bulgaren omringd zijn. Want hij vervolgt zijn manifest met de woorden:
„Omringd: door de Roemeniërs, die gebukt gaan onder een onrechtvaardige
verdeeling van den grond, waardoor de heerschende klasse in staat wordt
gesteld een lui, weelderig en verdorven leven te voeren, het gewone volk
daarentegen een ellendig bestaan en beestachtig leven leidt; door de
Serviërs, een zwak en kleingeestig volk, maar met een onverzadigbare
heerschzucht, dat, door zijn pogingen om de Bulgaren van Macedonië en
een deel der Albaneezen in zich op te nemen, óf stikken zal óf zijn maag
uit elkander zal doen springen; door de Grieken, die nog in hoogere mate
het hoofd verloren hebben als gevolg van hun onverwachte successen, die
zij geheel aan anderen te danken hebben en die nog veel sneller den weg
naar de degeneratie afhollen; en eindelijk door de Turken, die in alle
opzichten lager dan wij staan; omringd door al deze volken, heeft de
Bulgaar niets te vreezen. De toekomst op den Balkan behoort hem.”
Het manifest werd in honderdduizend exemplaren in Bulgarije verspreid.
Met het doel natuurlijk den Bulgaren te vertellen, op welke schoone
deugden ze bogen kunnen, zonder dat zijzelf het zich bewust waren.
Want dat er één Bulgaar gevonden wordt, die voor het verschijnen van
het manifest al dat moois in zichzelf ontdekt had, geloof ik niet.
Het werd tevens in het Fransch vertaald en opgenomen in „l'Echo
de Bulgarie”, het orgaan van de Bulgaarsche regeering. Met het
waarschijnlijke doel ook het buitenland niet langer onkundig te laten
van de schitterende deugden, die in het—op den eersten aanblik zeer
onaanzienlijke—omhulsel van den Bulgaar huizen, deugden, die tot heden
zelfs de Buxtons niet in hem ontdekt hebben.
Paskoff is voor zijn manifest ter schole gegaan bij de pan-germanisten.
Beweren deze laatsten, dat de Duitschers het volk der volken zijn,
Paskoff beweert, dat de Bulgaren de uitverkorenen op den Balkan zijn.
En met een variant op Wilhelms' evangelie. „Am deutschen Wesen Soll die
Welt genesen”, zingt hij zijn Bulgaren een litanie voor met als laatste
strophe: am bulgarischen Wesen soll der Balkan genesen. Deutschland über
alles. Bulgarien über den Balkan. Dat is dus: de Balkan als filiaal van
den Duitschen heilstaat met Ferdinand als zetbaas.
Wat is er nu waar van al dat moois, dat Paskoff ons van zijn Bulgaren
opsomt? Ik ga het u hier zeggen. Want ik meen het te mogen zeggen, omdat
ik den Balkan en zijn bewoners wel ken.
De Bulgaar is een robuuste man, hij heeft stalen zenuwen en wordt zeer
oud, zegt ons Paskoff. Dit is juist. Maar daarmede is de physische
beschrijving van den Bulgaar nog niet voltooid. En daarom vul ik
Paskoff's beschrijving aan, zoo, dat ge meent den man voor u te hebben
staan.
Het is van algemeene bekendheid dat de Slaven, nadat zij den Donau
overschreden hadden, zich over den geheelen Balkan hebben verspreid
en zich assimileerden met de inheemsche bevolking, in het Oosten met
Tracische stammen, in 't Westen met de Illyrische bevolking. In de jaren
659 en 660 n. Chr. werden de Slaven tusschen den Isker en de Zwarte Zee
veroverd door Turco-Finsche horden, die, onder den Khan Asparouch den
Donau overschreden hadden; deze noemden zich Bulgaren. Langzaam smolten
zij zich ineen met de daar wonende Slaven. Dit is, zooals de bekende
professor Cvijitch zegt, de eerste mongolisatie der Donau-Slaven.
Een tweede mongolisatie der Slavo-Bulgaren had in de 11e eeuw plaats,
die zich zelfs uitstrekte over een deel der bevolking ten Westen van den
Isker, over de zoogenaamde Torlaks.
Wil men nu de Bulgaren leeren kennen, dan moet men niet de bevolking
ten Westen van den Isker bestudeeren, ook niet de Macedoniërs, die de
Bulgaren ten onrechte tot de hunnen rekenen, doch den man ten Oosten van
den Isker, ten Oosten van Sofia, den zoogenaamden Tomak dus. Op hem past
mijne beschrijving.
Hij is niet groot, zooals de Serviër, maar krachtig gebouwd. Een vrij
groot hoofd is door een al te korten, maar gespierden nek op den romp
geplant. Haar, baard en wenkbrauwen zijn gewoonlijk zwart van kleur;
de laatsten zijn zwaar en welven zich ineenloopend over schitterende,
eenigszins schuin staande oogen. De neus is kort en plat. De
kaakbeenderen zijn zeer sterk ontwikkeld. De gelaatstint is geelbruin.
De echte Bulgaar is dus een Mongoolsch type.
En deze Bulgaar nu, met dit Mongoolsche type, zou, geheel in strijd met
zijn physionomie, in zijn binnenste een edelmoedige ziel herbergen?
Er zijn er, die beweren, dat hij „beestachtig wreed” is.
Laten we eens luisteren naar hetgeen Joseph Reinach, in zijn „Voyage en
Oriënt”, dat te Parijs in 1879 verscheen, ons van de „edelmoedigheid”
der Bulgaren weet te vertellen: „Absoluut geen moraal kennend, beschouwt
de Bulgaar diefstal als de hoogste legitieme bron van den eigendom,
vertelden de Russische officieren; ze stelen wat ze kunnen, wanneer
ze kunnen en waar ze kunnen; wanneer zij verrast worden en ze zijn
gewapend, dan schieten ze. Wanneer dit gespuis talrijk is, dan neemt
deze beestachtigheid vreeselijke afmetingen aan. Wat de Bulgaren, bij
afwezigheid van Russische troepen, voor wreedheden bedreven hebben,
hoeveel Muzelmannen ze hebben gedood na ze te hebben gefolterd, hoeveel
vrouwen ze geschonden hebben en hoeveel dorpen verbrand, zal men nooit
te weten komen. Het is overigens voldoende de galgentronie's van deze
zwervers aan te zien, die het leven van niet een onzer soldaten waard
zijn, niet van een Turk, niet van een Roemeniër. Voor drie of vier jaren
hebben de Bulgaren er zelfs nog niet van gedroomd zich van het Turksche
juk te bevrijden. Maar sedert men hun het woord vrijheid heeft doen
hooren, meenen zij dat vrij te zijn beteekent ongestraft zich den
eigendom van anderen te mogen toeëigenen en zich te ontdoen van een
buurman, die hen in den weg staat.”
Als Reinach nu van de Bulgaren geen valsch getuigenis heeft laten
afdrukken—wat buitengesloten is omdat het oordeel, dat het weergeeft,
geheel overeenstemt met dat van allen, die den Bulgaar uit den
vrijheidsoorlog hebben gekend—en Paskoff heeft ons de waarheid gezegd,
dan zou de Bulgaar in de laatste veertig jaren van een woesten barbaar
tot een deugdzaam man gemetamorphoseerd zijn.
Nu, de wonderen zijn de wereld nog niet uit en, denkend, dat wij aan
zulk een wonder bij de Bulgaren zullen gelooven, vertelt ons Paskoff,
dat de Bulgaar zijn edelmoedigheid getoond heeft in den oorlog. Hij
meent daarmede den Balkanoorlog van 1912. Men moet maar durven!
Serres, mijnheer Paskoff! Hoe zijn daar uw Bulgaren met hun edelmoedige
ziel opgetreden? De dooden uit dit mooie, bloeiende stadje zullen in den
hemel zeer zeker den edelmoed der Bulgaren niet verkondigen!
29 Juni 1913, mijnheer Paskoff! Herinnert ge u de beestachtige moorden
niet meer op Servische soldaten en officieren, bij den overval bedreven
door uwe Bulgaren, dezen Bulgaarschen schanddaad?
Informeert u eens naar den edelmoed der Bulgaren bij Pierre Loti,
mijnheer Paskoff! Of bij de gemartelde Serviërs uit den Europeeschen
oorlog! En mijnheer Paskoff, ge kunt ook van mij informatie's bekomen!
Van mij, die de bezetting van Nisch door uwe Bulgaren heeft bijgewoond
en ze er maandenlang in hun edelmoedig werk heeft kunnen gadeslaan.
In het bezette Servië is door uwe edelmoedige Bulgaren beestachtig
huisgehouden. Het lust mij niet het te beschrijven, maar zoo ge het
wenscht—ge hebt het maar voor het zeggen—zal ik u feiten leveren, die
een zeer vreemden kijk zullen geven op de edelmoedige ziel der Bulgaren.
De Bulgaar is bescheiden, zegt Paskoff ons verder. Neen, de laudator der
Bulgaren had moeten zeggen: leeft bescheiden, dan zou hij de waarheid
hebben verteld.
Bescheiden! Uwe boeren zijn het, zoolang ze op hun velden een leven
vol arbeid en ontbering voeren. Maar zoo zij, door een ontberende
spaarzaamheid eenig vermogen bijeengescharreld hebben, of zoo zij zich
vestigen in de stad als koopman, dan is hun bescheidenheid verre te
zoeken. Zeker, ze blijven zelfs dan een bescheiden, dat is een armelijk
bestaan voeren, omdat elke luxe, hoe gering ze ook is, geld kost,
maar in de manier, waarop ze verder hun geld bijeenschrapen, zijn ze
aanmatigend brutaal.
En wie zal er bescheidenheid ontdekken bij de Sofianer politici? Die
heeren zijn niet met weinig tevreden. Informeert eens, mijnheer Paskoff,
bij buitenlandsche kooplui, die met hen in aanraking komen voor hun
zaken! Zij zouden u een boekje kunnen openen, waarin de bescheidenheid
van Sofianer politici in wonderbaarlijke cijfers is uitgedrukt![1]
[1] Ter illustratie vertaal ik hier hetgeen ons Victor Kuhne mededeelt
in zijn werk „Les Bulgares peints par eux-mêmes” (Librairie Payot et
Co., Paris-Lausanne; blz. 247/8); de Bulgaarsche minister-president,
Radoslawoff werd voor het tribunaal geleid wegens onwettige
verrijking gedurende zijn ministerschap. Koberg heeft hem de
vrijheid weergegeven vóór het einde van het proces. De chef van de
tweede fractie der liberalen, Tontcheff, de tegenwoordige minister
van finantiën, heeft deelgenomen in de beruchte zaak van den aankoop
van defecte wagons. Hij is beschuldigd geworden, veroordeeld en
gered door de welwillendheid van Ferdinand. Ghenadieff werd op
de bank der beschuldigden gebracht wegens verduistering van fondsen,
langen tijd vóór de zaak Desclausières, waarin hij veroordeeld
werd tot tien jaren dwangarbeid.... Dr. Goudeff, die Petkoff als
president was opgevolgd, eindigde, evenals alle leden van zijn
kabinet, zijn loopbaan met plaats te nemen op de bank der
beschuldigden van het tribunaal, verdacht van diefstal. De minister
Ivantchoff, de vriend van Tontcheff, is, evenals zijn broeder,
vervolgd geworden wegens onrechtmatige verrijking. Generaal Ratcho
Petroff, van wien men vertelde, dat hij niet half zoo rijk kon zijn
als hij thans is, zelfs indien hij geboren was met zijn salaris als
generaal en 150 jaar geleefd had zonder een centime uit te geven,
werd eveneens beschuldigd, maar evenals zoovele anderen, bevrijd
vóór het einde van het proces. Generaal Savoff is eveneens vervolgd
geworden wegens frauduleuse verrijking.
Ook in dezen Europeeschen oorlog heb ik van de Bulgaren niets kunnen
ontdekken, wat op bescheidenheid geleek. Zij hebben in het bezette
Servische gebied onbeschaamd geplunderd.
Bescheiden! Wat voor bescheidenheid is er te ontdekken in de vertooning
die op 11 Aug. 1913 te Sofia werd opgevoerd, op den vooravond van de
débâcle, toen koning Ferdinand met een lauwerkrans om het hoofd en onder
klokgelui aan het hoofd der troepen, de stad als triomfator binnenreed?
Het Bulgaarsche leger was door de Grieken en Serviërs totaal verslagen
en de Roemeniërs stonden op eenige mijlen afstands van de hoofdstad van
het Bulgaarsche rijk.
De Bulgaar is sober, arbeidzaam, spaarzaam. Hij is ook onversaagd en
moedig. Het zijn zijn goede eigenschappen en hij bezit ze in hooge mate.
Maar elke medaille heeft een keerzijde. Ook deze moet getoond worden.
De Bulgaar is spaarzaam, zeker. Maar juister is men, zoo men zegt, dat
hij vrekkig, dat hij een duitendief is. Dat is ook spaarzaamheid, maar
met een zeer onaangenamen kant. „Snobs” ontmoet men in Bulgarije dan ook
niet, tenzij onder de politici.
Hij is daarenboven terughoudend en zeer wantrouwend, als gevolg van
gebrek aan inzicht. Een kijk op de toekomst heeft hij beslist niet,
en hij is daarom noch een groot, ondernemend koopman, noch een goed
diplomaat. Hij scharrelt een beetje in den handel en in de politiek. Een
talent als Stamboeloff staat geheel op zichzelf, zei von Kallay, die de
Bulgaren goed kende. De politiek van den Bulgaarschen diplomaat, voeg ik
er aan toe, is machiavellisch, maar in het klein en op korten termijn;
ze wordt al te dikwijls ingegeven door naijver en haat, ondeugden, die
de Bulgaar in hooge mate bezit, zooals ons de Russische schrijver
Leonida Andreijeff leert.
Hoe gemeen soms die haat tot uitdrukking kan komen, daarvan vinden wij
in den allerlaatsten tijd, in „Kambana” (de Klok) van 8 September 1914,
een treffend voorbeeld, waarin de Bulgaarsche dichter Kristoff een ode
aan Frankrijk wijdt en waarin deze strophe voorkomt:
„Uw nakomelingen—vuile ellendelingen,
Een hoop gedegenereerden! Een man van eer
Is thans onder hen een jammerlijke hansworst,
Hun corruptie is zoo groot!
Wilt ge ze betalen? Ze zijn voor alles veil.”
Beschouwd vanuit intellectueel gezichtspunt, bezitten de Bulgaren geen
talent, vertelt ons de geschiedschrijver Jirecek, die indertijd hun
minister was.
De Bulgaar heeft, zoo goed als elk ander volk, zijn goede en zijn
slechte eigenschappen. Maar zijn slechte eigenschappen zijn talrijk en
groot, veel talrijker dan zijn goede en, wat deze laatsten niet ten
voordeele strekt, zelfs in zijn goede hoedanigheden doet hij niet
sympathiek aan.
Het is dan ook den waanzin ten toppunt gevoerd, zoo zulk een volk voor
zich alleen de toekomst opeischt, met uitsluiting van al de anderen, die
naast hem wonen.
Het is nauwelijks veertig jaren geleden toen plotseling een nieuwe
staat in het leven werd geroepen, geheel bevolkt met menschen, die in
beschaving niet veel hooger stonden dan de Krim-Tartaren onder Katharina
II. Negen-en-negentig procent dezer Bulgaren kon in het geheel niet, een
honderdste deel nauwelijks lezen en schrijven. Wat vrijheid beteekende,
wisten ze niet en het behoeft ons daarom niet te verwonderen, dat ze de
vrijheid opvatten als het recht om een ander te mogen knevelen.
Dit volk kreeg op eenmaal het geheim en algemeen kiesrecht; het kreeg
ook een verantwoordelijk parlement. Wat kon dit bij zoo'n onontwikkeld
volk anders beteekenen dan dat een kleine, sluwe en onscrupuleuze
minderheid een wilde en domme meerderheid mocht onderwerpen aan zijn
bijzonder eigenbelang? De Bulgaarsche geschiedenis der laatste veertig
jaren, dus de geschiedenis der Bulgaren sedert zij hun vrijheid
verkregen, is er om het met talrijke voorbeelden te bewijzen.
Het volk was, zonder eenige voorbereiding en zonder dat het er een
hand voor uitgestoken had, van een slaafsche onderworpenheid plotseling
tot volkomen vrijheid geraakt, niet door eigen wil dus en ook niet
door eigen kracht, maar door den wil en de kracht van een machtigen
beschermer, Rusland. Het werd, om het kort te zeggen, over het paard
getild. Het is dus weder geen wonder, dat het zijn kracht ging
overschatten en in zichzelf, daartoe gedreven door de eerzuchtige
minderheid, die zich van de regeering had meester gemaakt, het volk der
toekomst ging zien, voor wien allen, die het daarbij in den weg stonden,
plaats hadden te maken. En thans meent het overal te mogen heerschen,
waar het slechts een Bulgaar ontdekt of waar in vroeger eeuwen eens een
Tartaro-Bulgaar was gezeteld en rijp te zijn om in het volkeren-concert
een rol van overwegende beteekenis te mogen vervullen.
En om dit te bereiken, zijn de Bulgaren tot alles in staat, werpen zich
van het eene verraad in het andere en zien tegen geen enkelen leugen op.
„Là où il ne peut pas se servir de sa force, le Bulgare lutte par le
mensonge, l'hypocrisie, la sournoiserie, la calomnie et la supercherie.
Quand il se plaint, ses lamentations bruyantes s'élèvent vers le ciel et
lorsqu'il craint quelqu'un, il se prosterne. Il est prêt à toutes les
trahisons et il est fier de son astuce.” Dit getuigenis, dat Victor
Kuhne van de Bulgaren geeft, klinkt anders dan dat van Petkoff. En het
is ook heel wat juister.
II. DE SERVIËRS, ZOOALS ZE ZIJN EN ZOOALS ZE NIET ZIJN.
Ondankbare moordenaarsbende onder de regeering ring van een koning,
wiens handen met bloed bevlekt is. Dit getuigenis, dat de brave
onderdanen van den Habsburger van de Serviërs geven, alsof in
hun politiek tegenover de „blutbefleckte Wege der Serbischen
Intrigen-politik” slechts braafheid richtsnoer is, alsof er geen Rauchs,
geen Khun Hedervary, geen Cuvaj, geen Agrammer hoogverraad-proces, geen
Friedjung-proces, geen actenvervalsching, geen diplomaat als Forgach
een rol hebben gespeeld in hun politiek tegenover Servië—om van den
allerlaatsten tijd slechts te spreken—, is niet bijzonder mooi. Maar is
het ook waar?
Ondankbaar! Nu, over de dankbaarheid van de Serviërs kan de Oostenrijker
zeker niet roemen! Maar heeft hij ook recht om er aanspraak op te maken?
De Donau-Monarchie heeft getoond de aartsvijandin der Serviërs te zijn,
op wier ondergang zij zich immer heeft toegelegd. En wie eischt er nu
dankbaarheid van hem, op wiens vernietiging men zich toelegt?
Wijst mij, heeren Oostenrijkers, niet op uw gezant Khevenhüller, die in
1885 den Bulgaren te Pirot een halt toeriep. Want ik zou u wijzen op
Bismarck, die u heeft gezegd dat gij het geweest zijt, die koning Milan
in den oorlog tegen de Bulgaren gedreven hebt en dat uw Länderbank
daarvoor het geld heeft verschaft. De Serviërs beschouwden hun koning
Milan als een agent der Donau-Monarchie en waren noch hun koning, noch
de Oostenrijkers dankbaar voor hun politiek, die Servië ten verderve
moest strekken.
Moordenaarsvolk! En de Oostenrijkers wijzen op den moord op Karageorge,
op Mihael, op Alexander en zijn vrouw en ten slotte op aartshertog Frans
Ferdinand en diens gemalin.
Karageorge werd, naar men zegt, op last van Milosch vermoord.
Of het waar is, weten we niet, maar onmogelijk is het niet. Beide
vrijheidshelden, Karageorge en Milosch, die voor meer dan een eeuw den
strijd tegen de Turksche overheersching aanbonden, werden niet geplaagd
door overgevoeligheid, waren menschen van het ruwe geweld; de een stond
den ander in den weg. Maar ze waren opgevoed onder een Turksch régime,
kenden alleen Turksche zeden en gewoonten en konden daarom geen andere
dan Turksche praktijken volgen. Wie zal het hun ten kwade duiden?
Mihael, de verlichtste vorst, dien Servië ooit gehad heeft, werd in
1868 door een drietal Serviërs in het park van Topschider bij Belgrado
neergeschoten. Het was een politieke moord. De moordenaars kennen we,
maar van de aanstichters van den moord weten we niets af. De Serviërs
beweren dat men in de Donau-Monarchie de aanstichters wel kent. Doch
hoe het ook zij, een feit is het dat Mihael, die met zijn minister
Garaschamin een anti-Oostenrijksche politiek volgde, vermoord werd een
jaar nadat in Boecarest het accoord tusschen Servië en het Bulgaarsche
volk tot stand was gekomen en dat zijn dood voor Servië een slag, voor
de Donau-Monarchie een fortuin was.
Men moet de geschiedenis der regeering van den „Lebemann” Milan en zijn
zoon Alexander kennen, om zich den moord op den laatsten en diens vrouw
te kunnen verklaren. Milan ruïneerde de Servische finantiën, trad met
geweld tegen de radicale partij op, die negen tienden van het volk
vertegenwoordigt, wierp zijn politieke tegenstanders in de gevangenis of
dreef ze in de verbanning, maakte geweld en list tot regeeringsmiddelen
en sloot met de Donau-Monarchie een tractaat, waarin hij den
Oostenrijkers den weg naar Saloniki openstelde over Belgrado; hij deed
heel Europa spreken over zijn schandalig huwelijksleven. Zijn zoon
Alexander, in tegenstelling met zijn vader, die een schitterende geest
bezat, een man met minder dan middelmatige geestvermogens, opgevoed
in de ellendige atmospheer van een twistend ouderenpaar, zonder ware
vrienden, was niet in staat de nadeelen, die de regeering van zijn
vader het land berokkend had, te herstellen en beging zelfs den misstap
een vrouw te huwen, die, zooals algemeen in Servië beweerd wordt, de
maitresse van zijn vader was geweest. En deze vrouw, Draga Maschin, een
bekende schoonheid, prikkelde zeer gevaarlijk het leger door haar beide
broeders, nietswaardige onderofficieren, in het officierencorps te doen
opnemen.
Nu is in Servië de koning niets anders dan de eerste landsdienaar, en
zoo men den Serviërs mocht spreken over den gezalfden des Heeren of over
koningen bij de gratie Gods, dan zouden ze u niet begrijpen. Hun koning
is hun ambtenaar, wel is waar de hoogste, maar niettemin hun ambtenaar.
Aan de regeering van Alexander moest een einde gemaakt worden, wilde het
land niet te gronde gericht worden; zijn vader had het land geruïneerd,
hij kon diens fouten niet herstellen en beiden hadden ze de eer van het
land te grabbelen gegooid. Als men hem dus had afgezet en hem met zijn
vrouw uit het land verwijderd, was er tegen dit optreden niets te zeggen
geweest. Doch men heeft hem en zijn vrouw beestachtig vermoord.
Maar wat heeft het volk daarmede te maken? Het vólk heeft hem en
zijn vrouw niet vermoord; er was geen spoor van een revolutie in de
bloednacht te ontdekken; de schuldigen zijn een bende dronken officieren
geweest.
En nu wordt den tegenwoordigen Servischen koning verweten, dat hij den
kroon heeft aangenomen uit de met bloed bevlekte handen der moordenaars.
Maar had hij dan den kroon moeten weigeren, tot ze hem aangeboden werd
door hen, die met den moord niets te maken hadden gehad? Met andere
woorden: hij had het land aan de anarchie moeten prijsgeven. Want
deze zou het gevolg geweest zijn van zijn weigering. Wat zou dan de
Oostenrijksche regeering een mooie gelegenheid gehad hebben om in te
grijpen, het land te bezetten en in bezit te nemen. Het is in den
tegenwoordigen koning te loven, dat hij den Oostenrijkers die
gelegenheid niet geboden heeft.
En thans de moord op den aartshertog Frans Ferdinand. Wat heeft
daarmede het Servische volk te maken? Wat zelfs de Servische regeering?
Te beweren dat deze de hand in het spel gehad heeft, is Servië van
zelfmoord beschuldigen en de Servische regeering waanzinnig verklaren.
Pachitsch waanzinnig! De Servische regeering, die er de lucht van
gekregen had dat er iets tegen Frans Ferdinand broeide, had de
Oostenrijksche regeering gewaarschuwd. En wanneer de laatste geen acht
sloeg op deze waarschuwing, dan is dit niet de schuld der Servische
regeering. Joseph Reinach, die van den aanslag op den aartshertog een
diepe studie heeft gemaakt, vertelt in zijn rede van 8 Februari 1917,
dat zich bij hem de overtuiging gevestigd heeft, dat de aanslag van
Cabrinovitch door de Oostenrijksche politie in scène is gebracht, doch
dat die van Prinzip haar heeft verrast.
Na deze inleiding zal ik thans trachten den Serviër te beschrijven in
zijn goede en slechte hoedanigheden. Maar laat ik u vooruit zeggen:
_mij_ is hij zéér sympathiek. En niet alleen mij, maar allen Hollanders,
die in de oorlogen van de laatste jaren met hem hebben kennis gemaakt.
De Serviër is een groote man, nochtans niet plomp en log, maar lenig en
vlug, van donker uiterlijk, met zwart haar en donkere oogen, ofschoon er
ook heel wat blonde typen in Servië voorkomen.
Hij is levendig in den omgang, spraakzaam en hartelijk. Van zijn hart
maakt hij geen moordkuil en als hij verontwaardigd is, drukt hij zich
niet altijd parlementair uit, hoe goed hij overigens zijn woorden weet
te kiezen; het vloeken verstaat hij nog beter dan een Hollander.
Hij is een geboren optimist, doch zijn optimisme wordt voortdurend
onderbroken door vlagen van pessimisme, die echter niet lang stand
houden. De Servische zon is zoo fel, dat zelfs het donkerste gemoed voor
haar niet onbereikbaar is.
Zijn fantasie is bijzonder groot; hij goochelt met cijfers en overdrijft
geweldig; hij overschat zijn eigen krachten en die zijner vrienden in
hooge mate, maar onderschat die van zijn vijanden.
Hij is zeer voorkomend en zeer hoffelijk, zal u helpen zoo het hem
slechts mogelijk is, maar ziet er ook niet tegen op, u onder de mooiste
woorden, de hoffelijkste termen en de schoonste beloften met een kluitje
in het riet te sturen. Een meester in deze kunst is de Servische
minister-president Paschitch. Journalisten, die hem komen interviewen,
weet hij urenlang aangenaam aan de praat te houden, maar als zij thuis
komen en het interview op papier willen brengen, komen zij tot de
ontdekking, dat hij hun heelemaal niets heeft verteld.
De Serviër is gastvrij en zijn gasten, waaronder hij iedereen verstaat,
die zich maar als gast aanmeldt, onthaalt hij op voortreffelijke
manier, zijn zeer beperkte middelen in aanmerking genomen.
Spaarzaam is de Serviër niet; het geld is rond en daarom laat hij het
rollen. Een deugd is dit nu juist niet, maar zoo het een ondeugd is, dan
is het er een, waarmede men zich meer vrienden maakt dan met de hoogste
deugd.
Hij is evenmin wantrouwend, integendeel, zijn vertrouwen is dikwijls
roekeloos groot en men moet heel wat tegen hem misdreven hebben, wil men
het voor altijd verloren hebben.
Hij is evenmin haatdragend; zijn haat vergeet hij even spoedig als zijn
leed.
Hij is zeer bevattelijk, dikwijls al te glad en meent van alles verstand
te hebben. Hij kan u een geheel betoog houden over dingen, waarvan hij
absoluut niets weet.
Hij wordt gaarne gevleid en beschouwt allen, die hem vleien, als zijn
vrienden. Hij kan zich moeilijk voorstellen, dat ge een vriend van hem
zijt, zoo ge hem uw kritiek niet spaart.
Hij is fier op zijn vrijheid en zijn onafhankelijkheid en duldt geen
dwang. Aan discipline onderwerpt hij zich noode en niet langer dan
strikt noodzakelijk is.
Hij is buitengewoon moedig, heeft geen vrees voor den dood en voelt zich
volkomen solidair met zijn rasgenooten.
Zijn vaderlandsliefde boezemt eerbied in. Als het vaderland in nood
verkeert, is geen offer hem te zwaar; gewillig en zonder morren offert
hij er goed en bloed voor op. Nochtans ontaardt dit patriotisme wel eens
in chauvinisme. Wat overigens verklaarbaar is in een jong volk, dat, na
eeuwenlange onderdrukking, zijn vrijheid bevochten heeft, buren bezit,
die zijn vrijheid belagen en dat naar eenheid van zijn volk streeft.
Hij is, in één woord, de Franschman van den Balkan.
* * * * *
De Serviërs zijn een jong volk. Zoo zegt men. Is het wel juist?
Servië, zooals het zich thans aan ons vertoont, is een jong rijk,
maar de Serviërs zijn geen jong, doch een oud volk, dat een grootsche
geschiedenis achter zich heeft liggen. De grootheid van Servië is echter
niet van langen duur geweest en op een korte, glansrijke periode is er
een van eeuwenlange onderdrukking gevolgd.
Ook Servië heeft zijn Karel de Groote gehad. Hij heette daar Doeschan de
Groote. Ook Servië kan zijn groote geschiedkundige figuren aanwijzen,
zijn Sava, Lazar, Obilitch, Kraljevitch Marko en in de nieuwere
geschiedenis: zijn Zwarte George en zijn Milosch. En evenals om sommige
groote figuren uit de Germaansche landen, hebben zich ook om de groote
figuren uit de Servische geschiedenis mythen gesponnen. Welk een
overweldigenden indruk maken niet de legendarische figuren van Lazar,
Obilitch en Kraljewitch Marko op ons uit de Kossowo-Cyclus, deze
Servische rijmlooze gedichten, die onder het Servische volk van mond tot
mond zijn gegaan en door de eene generatie de andere zijn voorgezongen,
in de herbergen op de kruispunten der wegen in het gebergte en in de
Zadroega's, door blinde barden en onder begeleiding van de goesla!
* * * * *
Als ik thans deze Kossowo-cyclus herlees, deze legendarische
beschrijving van de daden der helden uit het dramatische tijdperk
van den ondergang van het Servische keizerrijk, dan rijst het beeld
der Bejania van dezen tijd, van 1915, mij voor den geest, van deze
heldenmoedige en rampspoedige terugtocht der Serviërs, die als drama
niet onderdoet voor Kossowo en die, na eeuwen, door de Serviërs even
legendarisch zal bezongen worden als de débâcle van 1389 op het
vervloekte Amselveld. Want is ze niet een geweldig drama, deze heroïsche
terugtocht der Serviërs, die, aan zichzelf overgelaten door hunne
bondgenooten, wijken moeten voor een overweldigend aantal vijanden,
waartegen geen stand te houden is? Kan men zich een aangrijpender drama
voorstellen dan deze vlucht van het Servische leger, met zijn koning en
zijn ministers in het midden, in regen en sneeuw, dwars door Albanië,
over bergen en langs wegen, onbegaanbaar door de modder en bezaaid met
gebroken voertuigen, met doode paarden en ossen en met de lijken van
burgers, die op de vlucht waren geslagen voor Schwaben en voor Bulgaren
en van honger en koude waren omgekomen of door de woeste Albaneezen
vermoord?
„Nicht allein der Triumphator,
Nicht allein der sieggekrönte
Günstling jener blinden Göttin,
Auch der blut'ge Sohn des Unglücks,
„Auch der heldenmüt'ge Kämpfer,
Der dem ungeheuren Schicksal
Unterlag, wird ewig leben
In der Menschen Angedenken.”
zong Heine, de Duitsche banneling.
Men kent bij ons den Serviër niet of slecht. En nog minder kent men zijn
geschiedenis. Men weet bij ons alleen, dat er ergens in het Zuiden van
Europa een Servisch koninkrijk ligt met een paar millioen inwoners, men
weet niet dat er 11 millioen Serviërs in compacte massa bijeenwonen. Men
zegt daarom bij ons: het is een klein volk en wijdt er geen aandacht
aan. Maar ik zeg u: het is een gróót volk, dat uw aandacht ten volle
waard is.
III. ARM SERVIË.
De Servische socialistische partij, vertegenwoordigd door den
heer D. Popowitch, secretaris dier partij en den afgevaardigde T.
Katzlerowitch, heeft den 10en November 1917 aan den secretaris van
het Hollandsch-Scandinavische Comité te Stockholm, den heer Camille
Huysmans, een gedenkschrift overhandigd, dat de onweerlegbare documenten
bevat der Austro-Hongaarsche en Bulgaarsche wreedheden, bedreven op de
burgerlijke bevolking van Servië.
Dit gedenkschrift werd gepubliceerd onder den titel: Les Souffrances
d'un peuple en, voorzien van een inleiding van Camille Huysmans, in dit
jaar door de Librairie Kundig te Genève uitgegeven.
In het Zwitsersche appèl, op de eerste bladzijde van Les Souffrances
afgedrukt, stellen 46 mannen van beteekenis, waaronder de bekende
professor O. Nippold te Bern, de vraag: „zal de beschaafde wereld niet
de middelen en den weg vinden om paal en perk te stellen aan dit
afschuwelijk schrikbewind?”
Als het doel van dit werk is daartoe de beschaafde wereld op te eischen,
dan is het, naar mijne meening althans, tevergeefs geschreven. Ingrijpen
in dit afschuwelijke régime der Oostenrijkers en der Bulgaren kan
niemand. En zonder dit ingrijpen zal noch de Oostenrijker, die er
niet tegen opzag zijn eigen bevolking uit te moorden, te knevelen,
te mishandelen en te berooven, alleen omdat ze Servisch is, noch de
Bulgaar, deze Tartaar, die de manieren van de Duitschers in België heeft
afgekeken, van zijn schrikbewind afzien. Aan een misdaad stelt men geen
paal en perk, zoolang men zich niet van den misdadiger meester maken
kan.
Maar, al wordt dit doel niet bereikt, toch is met dit boek een goed werk
verricht. Want hier worden de schuldigen gebrandmerkt. En straks, als er
over den vrede onderhandeld zal worden, zal men hen herkennen aan hun
brandmerk.
De heeren Popowitch en Katzlerowitch hebben een tijdlang gezucht onder
het wreede regime van de Oostenrijkers, tot zij kans zagen het land te
verlaten. En oogenblikkelijk daarop hebben zij de documenten, die zij
verzameld hadden, gepubliceerd. Het werk geeft dan ook slechts een
opsomming van misdaden, bedreven door Oostenrijkers en door Bulgaren,
met hier en daar een conclusie; het geeft geen aaneengeschakeld verhaal,
dat meesleept door schrijverstalent. Het is ook niet noodig. Want deze
eenvoudige opsomming laat zelfs het hardste gemoed niet ongeroerd.
Ik kan het werk der beide Servische socialisten aanbevelen; het geeft
de waarheid en niets dan de waarheid, zonder overdrijving. Ik kan dit
beweren, omdat ik zelf langen tijd verblijf hield in dit deel van
Servië, dat door de Bulgaren is bezet en waar ik deze heeren aan het
werk heb gezien, tot de Duitschers ontdekten, dat ik gevaarlijk kon
worden en mij gevangen namen.
Om nu de opsomming, die „Les Souffrances” ons geeft, aan te vullen en te
versterken, te versterken vooral, doe ik u hier het verhaal mijner
ervaringen:
* * * * *
Servië was een rijk land.
Dit klinkt paradoxaal voor ons, Hollanders, die steeds in de meening
verkeerden, dat Servië een ongecultiveerd bergland was, met een
bevolking zonder behoeften en die van den Serviër gehoord hadden, dat
hij even gerust op den harden grond van een landweg of van een armzalige
schuur sliep als wij in een goedverwarmde kamer in een zacht bed en dat
hij leven kon van droog brood en uien.
Het is waar: de Servische boer leeft zeer sober en kent geen luxe,
volgens onze opvattingen althans. En nochtans was Servië rijk.
Levensmiddelen waren er steeds in overvloed te vinden en hongersnood,
zooals wel eens in het rijke Roemenië voorkwam, was den Serviër
onbekend. Hij bezat een prachtigen veestapel: ossen, koeien, schapen
en varkens. Het vleesch was in Servië goedkoop. Tarwe, rogge, maïs
groeiden er welig en het brood was er voortreffelijk. Het pluimvee:
kippen, ganzen, eenden, kalkoenen, was er ontelbaar. Eieren waren er
spotgoedkoop. Aan vruchten: pruimen, appelen, peren en druiven, was geen
gebrek. De wijn was er voortreffelijk. En de pakhuizen en de winkels der
Servische kooplui waren immer tot berstens toe gevuld met de producten
der industrie, die van buiten moesten worden ingevoerd. Gebrek kan er
bij ons nooit ontstaan, al duurt de oorlog nog zoo lang, zei de Serviër.
Hij zou gelijk gehad hebben, zoo hij slechts zijn vijanden buiten de
landpalen had kunnen houden.
Servië was rijk, maar thans, nu het in de handen van Oostenrijkers
en Bulgaren is geraakt, is het o zoo arm geworden. Want zijn rijkdom
is gestolen en geroofd, door Duitschers, door Bulgaren en door
Oostenrijkers, die het land hebben leeggehaald en de bevolking tot den
bedelstaf gebracht.
Wij strijden niet tegen het Servische volk, maar tegen den Servischen
koning en zijn leger, zei de veldmaarschalk Mackensen in een
proclamatie, die hij op de hoeken der straten van de Servische steden
liet aanplakken.
Ja, waarlijk, excellentie, ge hebt de geheele bevolking niet over de
kling gejaagd, dat is waar, maar ge hebt ze naakt laten uitschudden en
gij, uwe soldaten en uwe waardige bondgenooten hebben goede sier gemaakt
van hetgeen Servische arbeid op Servischen bodem had voortgebracht en,
toen gij met uw staf het land verliet om uw rooftocht voort te zetten,
toen liet ge den honger in Servië achter. Ge hebt niet alle Serviërs
vermoord, doch ge hebt ze zoo diep in de ellende gestort, dat zelfs de
schitterende Servische zon de duisternis uit hun ziel niet meer
verdrijven kon.
Toen de Duitschers het Servische land betraden, stonden ze verstomd
over zijn rijkdom. Men had hun verteld, dat de Serviërs zeer dapper
waren, maar dat het Servische land arm, o zoo arm was. Toen ze kwamen,
ontdekten ze, dat de Serviërs werkelijk zeer dapper waren, maar dat het
land rijk was. En thans? De Serviërs zijn even dapper gebleven, maar het
land is arm geworden. Waar een Hun en een Tartaar hun voet gezet hebben,
groeit zelfs geen gras meer!
De Duitschers, Oostenrijkers en Bulgaren waren nog geen maand in Servië,
of het land was leeggehaald. Verdwenen was de veestapel. Leeg waren de
magazijnen en de winkels. Berlijn at Servische ossen en de Duitsche
soldaten deden zich te goed aan Servische varkens, Servische schapen en
Servisch pluimvee.
Men requireerde, men roofde en men stal; alles wat waarde had, was naar
de gading der veroveraars.
Duitschers, Oostenrijkers en Bulgaren requireerden. Op echte en op
valsche bons. Want valsche bons werden ook afgegeven. Ik heb een bon
gezien, uit vele andere valsche, onderteekend met: „Königpeterzahlt”,
afgegeven aan een Serviër natuurlijk, die geen woord Duitsch verstond.
De echte bons werden door de Duitschers betaald in Marken en met 20 tot
45 pCt. korting op de prijzen, die zij zelf bij de requisitie hadden
vastgesteld. Ook de Bulgaren betaalden met.... wissels op de eeuwigheid.
Men requireerde niet alleen, men roofde ook. De woningen van Nisch
bijvoorbeeld, die door de Serviërs verlaten waren bij den intocht der
Bulgaren, werden door de Bulgaren leeggehaald en de meubelen en kleeren
der gevluchte bewoners publiek verkocht, hetzij in Nisch of elders. De
opbrengst der geroofde goederen verdween.... ik zal maar zeggen in de
Bulgaarsche schatkist.
Vaten met wijn, met cognac, wagenvrachten manufacturen, comestibles
werden door de Bulgaren geroofd en de koopmansboeken der eigenaars
werden verbrand.
Ik was door de Duitschers gevangengenomen en achter slot en grendel
gezet in een groote particuliere woning in Nisch, die tot gevangenis was
ingericht. Wegens den toestand mijner gezondheid veroorloofde men mij
echter mij vrij op de binnenplaats mijner gevangenis te bewegen, bewaakt
natuurlijk door Duitsche soldaten met geladen geweren.
Deze binnenplaats was aan de voorzijde afgesloten door het tot
gevangenis ingerichte gebouw, aan de achterzijde door een tweetal
zeer groote magazijnen. In deze magazijnen hadden de Bulgaren de
geroofde goederen van een mij bekenden koopman opgeslagen; goederen,
die naar mijne schatting eene waarde van 40 tot 50 duizend gulden
vertegenwoordigden. Ze werden heel nauwkeurig door Bulgaarsche
officieren met hun ondergeschikten geïnventariseerd en daarna bij
wagenvrachten weggesleept.
Op zekeren dag, toen de geheele voorraad zoo goed als ingeladen was en
ik op de binnenplaats van mijn gevangenis wandelde, kwam een Bulgaarsch
officier op mij toe en sprak mij aan.
„Monsieur, parlez-vous français?” vroeg hij mij.
„Mais oui, monsieur”, antwoordde ik.
„Je voulais demander quelque chose au Feldwebel, ayez la bonté de le
traduire.”
„Le Feldwebel n'est pas ici, monsieur.”
„C'est dommage.”
Na een oogenblik nagedacht te hebben ging hij voort:
„Nous voulons exécuter un acte, en quoi votre présence nous gêne.”
Ik had genoeg van het Fransch van den Bulgaar en antwoordde kort:
„Je quitterai la cour.”
„Groote goden, wat een ezel,” dacht ik, maar ik verliet de binnenplaats
en.... zocht een plaatsje op, van waaruit ik ongezien kon waarnemen,
welke daad, waarbij ik hinderlijk was, de Bulgaren te verrichten hadden.
Er werd een brandstapeltje gemaakt van stroo, papier en wat droog hout.
Het werd aangestoken en toen het goed oplaaide, kwamen Bulgaarsche
soldaten met groote koopmansboeken aandragen, trapten ze aan stukken en
wierpen ze in het vuur.
„Aha,” zei ik tot mezelf, „de heeren vernietigen de bewijzen van hun
diefstal, en, als na den oorlog de eigenaar den Bulgaarschen staat een
proces wil aandoen om de waarde van de gestolen goederen vergoed te
krijgen, zal hij geen enkel bewijs kunnen leveren.”
Er is, door de Bulgaren vooral, ontzettend gestolen in het bezette
gebied; iederen dag kwamen er wagonladingen met gestolen goederen te
Sofia aan en de Bulgaarsche couranten somden met welgevallen den buit
op, die weder was binnengehaald. De Tartaar stond te likkebaarden.
Deze diefstallen schijnen de Bulgaren in hun eigen oogen niet te
onteeren, want de Sobranja—de Bulgaarsche volksvertegenwoordiging—nam
een wet aan, waarbij de goederen van hen, die het land verlaten hadden,
uit vrees voor de Bulgaren natuurlijk, tot Bulgaarsch staatseigendom
werden verklaard. En ik heb het bijgewoond, dat iemand, die in twee
steden eigendom bezat, het moest aanzien, dat zijn eigendom in een der
steden tot staatseigendom werd verklaard, omdat hij daar niet aanwezig
was.
De minister van handel had vroeger reeds een besluit genomen dat alle
in beslag genomen Servische boeken—en het waren boeken, die men èn
particulieren èn boekhandelaars ontnomen had—tegen 15 centimes per
kilo zouden worden verkocht voor de papierfabricatie.
Men bracht het Servische volk tot den bedelstaf door roof; men liet het
echter nog op andere wijze verarmen. Want men overstroomde het land met
Oostenrijksch papiergeld dat straks, als de vrede zal worden geteekend,
door het bankroet van de Donau-Monarchie, volkomen waardeloos zal zijn.
Het Servische papiergeld werd door de Bulgaren plotseling waardeloos
verklaard, toen zij nauwelijks een maand het Servische gebied in hun
bezit hadden.
Er liep in Servië zeer weinig groot bankpapier om; biljetten van 100
dinaren (franc) zag men er zelden. Doch talrijk waren de biljetten van
10 dinaren, die in handen van iedereen waren. Men kan zich dus denken
welk een geweldigen slag de Bulgaren de bevolking van het door hen
bezette gebied toebrachten; ineens was de geheele bevolking straatarm
geworden. Nisch was wanhopig.