Hij glimlachte vreemd en staarde, sprakeloos, in gedachten. Ginder

in de gevangenis, had hij gedurende zeven maanden niets anders dan

doodkisten, dan wit-houten arme-menschen-doodkisten gemaakt. Het zat

hem in den geest en in de handen. Het was een manie, een obsessie

van zijn hersenen geworden. Hij had er gemaakt, zooveel, zooveel dat

hij er wel een kerkhofje mee had kunnen vullen. En misschien zag hij

het in verbeelding, dat kerkhof, vol, vol met van die lange, smalle,

witte kisten onder 't groene gras.

--Ge zie wel da ze gevroagd worden; da wordt altijd gevroagd," was

eindelijk zijn stilgeheimzinnig antwoord.

En meer was er niet uit te krijgen...

* * * * *

... 'n Kort, viezig zijstraatje, rechts de hooge, barre muur van het

groot heerenhuis; links de vier kleine werkmanswoninkjes met de

grijze muurtjes en de groene deurtjes en de groene luikjes, waarvan

het tweede nu gesloten is, met het strookruis en den baksteen op den

drempel, en de vaal-verkleurde, zwarte vaandels met de doodshoofden

en zilveren franjes voor de dichte, groene luikjes...

Heel stil, zonder verwijt noch klacht, als een kaars die langzaam

uitbrandt, is hij doodgegaan. Wat hij gehad heeft weet niemand, wat

hem 't hart verknaagde kent geen mensch. Armoede,... stil

verdriet... kwijnende ziekte... wie zal het zeggen? Berouw, meenen

de dorpelingen. Maar wat weten de dorpelingen! Hij ligt daar, in een

van die wit-houten arme-menschen-kisten, die hij altijd maar op

voorhand timmerde, omdat hij er zooveel getimmerd had, en er nog

altijd meer moest timmeren...

Wat doet nu, in de schemering van 't doodgesloten huisje, de jonge

vrouw met het klein kindje? Zit ze daar gebroken-snikkend in het

stille, leege kamertje, of dwaalt ze doelloos rond, met

uitgeschreide, zwakke oogen, niet wetend wat ze zoekt? Ligt

't kindje zachtjes slapend in zijn wieg? Of speelt het rustig in

zijn stoeltje met wat karig speelgoed, dat het in de halve

duisternis bijna niet ziet?--Het is er alles zoo stil! Geen klank,

geen zucht, geen adem komt naar buiten.

Alleen de frissche lentewind waait streelendzoet over de wijde

velden. In stillen ondertoon zingt hij zijn eeuwigdurend lied. De

groene korenaren schommelen en wuiven, als 't ware stoeiend onder

lang-strijkende golvingen; de blonde zandweg kronkelt eenzaam naar

stille verten; en in den zonneblauwen hemel drijven, o zoo hoog en

puur en glinsterwit, fantastische drommen van donzigzachte en lichte

wolkjes...

VIII.

PEETJE PRUIS.

In 1870, op het oogenblik dat de oorlog tusschen Frankrijk en

Duitschland uitbrak, was de toenmalige Pruische Koning Wilhelm, in

Vlaanderen, op 't platteland althans, een vrijwel onbekende figuur.

Men kende er beter den Franschen Keizer, zooals de gekleurde platen

hem voorstellen: dikke snor, zware sik, doffe, ietwat trieste oogen,

en het breed, rood dwarslint van het Legioen van Eer.

Maar niet zoo gauw waren de eerste, wreede veldslagen door de

Duitschers gewonnen, of ons land werd overstroomd met afbeeldingen

van Duitsche generaals en vorsten. Bismarck, Moltke, prins Friedrich

Karel, de kroonprins, de Koning, al hun portretten vulden onze

geillustreerde bladen en de menschen zochten gelijkenissen: die

welbekende, stoere boer, uit een of ander ver gehucht, leek

eenigszins op Bismarck; dat oud, gebogen ventje uit het

Armenhuis op Moltke, die handelsreiziger, die om de zooveel weken

met zijn pakje in het dorp kwam, op Prins Friedrich Karl... En zoo

was er ook een op ons dorpje, die leek, die sprekend leek op Koning

Wilhelm.

Het was een welgestelde rentenier die aan het uiteinde van 't dorp,

met vrouw en dochter, een opvallend buitenhuis bewoonde. Ik zie het

nog zooals 't in dien tijd was: een hoog, wit gebouw, met

gestucadoorden voorgevel, mooie, heldere ramen en fijne, lichtroze

persiennes. Een frisch lief bloementuintje, vol zonnige, heldere

kleuren, lag er verdeeld in keurig-onderhouden perkjes achter het

ijzeren hek met vergulde piekens langs den straatkant; hooge,

donkergroene sparren, waar de wind in wuifde en suisde, stonden, als

sombere reuzenschermen, aan de zijkanten; en achter het huis strekte

zich een heel groote, mooie lusttuin uit, met oude pracht-boomen en

fluweelzacht-golvende gazons.

Hij was een welgestelde rentenier, zonder meer. Hij droeg den niet

bizonderen naam van Amede Fruytier. Hij hield van lekker eten en

drinken, hij ontmoette zijne vrienden in de dorpsherbergen, hij las

iederen dag, van 't begin tot het eind, een paar couranten.

Hij bemoeide zich niet met politiek, al had hij wel zijn politieke

opinies, en was ook geen lid van den gemeenteraad, al wist hij heel

precies te zeggen hoe de gemeente had moeten beheerd worden. Hij was

er trotsch op, dat hij geheel onafhankelijk, en daardoor boven en

buiten alle partijen stond.

--Ik, zei hij, zijn stramme gestalte verwaand achteroverhellend,

als de menschen hem soms vroegen waarom hij, die zoo rijk was en

zooveel verstand had, zich met niets wilde bemoeien,... ik ete thuis

op mijn gemak mijn kieken op en drijnke mijn flassche wijn uit en

veurt van de rest 'n kan den boel mij nie tichelen."

Toch was hij geen bepaald hardvochtig man. Hij kon soms iets

goed-ruws hebben. Hij deed dan wel heel barsch en sprak wel heel

kort van zich af, maar 't was soms om een diepere emotie te

verbeteren. Alleen was hij ijdel, ongeloofelijk, kleinkinderachtig

ijdel!

* * * * *

Toen de oorlog uitbrak, had hij dadelijk, beslist en scherp, partij

gekozen voor de Franschen. Ditmaal vond hij 't toch wel de moeite

waard om er zich warm voor te maken.--De Duitschers, pouah! wat 'n

volk! Niks waard! Prullen! Niks! Ze zouden niet weinig op hun kop

gaan krijgen! Hij schold er op, 's avonds in de herberg, met zijn

vrienden, die hem maar zelden durfden tegenspreken, omdat hij de

rijkste van het dorp was. En met grijnzend welgevallen las hij hun,

uit zijn dagblad, de eerste, den Franschen gunstige oorlogsberichten

voor.--Ja maar, en dat was nog slechts een begin! Nu trok de Keizer,

Louis Napoleon, naar het oorlogsterrein en 't zou nog heel wat anders

worden, zoodra die zelf het heft in handen nam!

Hij prononceerde: "Lowie Napoleon" en hij sprak over den Franschen

Keizer op een familiaren toon, alsof hij hem persoonlijk goed kende.

Lowie Napoleon zou dit, Lowie Napoleon zou dat; Lowie Napoleon had

zijn plan, dat slechts door heel enkelen gekend was; en meneer

Fruytier liet duidelijk genoeg verstaan, dat hij onder die heel

enkele bevoorrechten behoorde.

Toen vielen de harde, bittere klappen: Weissenburg. Worth,

Froeschwiller; en onze geillustreerde bladen, die eerst niets dan

Fransche portretten gaven, kwamen vol met Duitsche plaatjes. Zoo zag

meneer Fruytier voor 't eerst het konterfeitsel van Koning Wilhelm en

de gelijkenis met zich zelf trof hem ineens, overweldigend.

Het was datzelfde barsch voorkomen, die stuursche oogen, die sterke

kaken, die grijze, dikke bakkebaarden, die zware snor. De kin van

den Pruisischen vorst was geschoren--dat was het eenige verschil--en

toen meneer Fruytier even met de hand het haar van zijn kin wegduwde

en zich in den spiegel bekeek, werd de gelijkenis zoo treffend, dat

hij voor zijn eigen beeld in een lach van ijdelheid uitbarstte. Hij

kwam bij zijn vrouw en dochter, legde hun het plaatje voor oogen,

streek met de hand zijn kinbaard weg, keek haar stuursch aan en

vroeg:

--Zie-je gien gelijkenesse?"

--Ha moar Hiere toch!" riepen moeder en dochter te gelijkertijd,

door het evenbeeld getroffen.

En mevrouw werd er haast bang onder.

--O! da ge nou moest in Frankrijk leupen!" huiverde zij.

--Watte!... Wa zoen ze doen!" riep hij, trotsch zijn gestalte

achteroverhellend.

--Wel! ou deudschieten, natuurlijk!" angstigde mevrouw met

verschrikte oogen.

--Peuh!... mient-e dat de keunijnk van Pruisen hem zoe loate schieten

lijk 'n mussche dan!" zei hij minachtend.

* * * * *

Dien morgen ging hij een half uurtje vroeger dan anders in de gewone

"stamenees" zijn "dreupelkes pakken". Zijn oogen lachten

Schalksch van innige pret, zijn koonen bloosden, hij kwam bij zijn

vrienden, haalde 't geillustreerde blad half dichtgevouwen uit zijn

zak, streek de haren van zijn kin weg en liet hen naar het

konterfeitsel kijken, terwijl hij grinnikte, ijdel als een kind:

--Hm! He-je 't al gezien? Mijn portret in de gazette? Hm? Hoe vindt

ge 't?"

--O! gie verdeeke! Hoe komt-e gij doar in te stoan?" verbaasden zich

de vrienden, om de beurt het afbeedsel met meneer Fruytiers gezicht

vergelijkend.

--Hm? Hoe vindt ge 't? Lijkt het?" herhaalde hij, opgeblazen van

trots en pret.

Tot hij plotseling, schoklachend, het blad geheel ontvouwde en hun

liet zien wat onderaan stond:

Willem I, Koning van Pruisen.

--Watte! Peetje Pruis! Es dat 't portret van Peetje Pruis? gilden de

vrienden.--O, moar, menier Fruytier, 't gelijkt op ou lijk twie

dreupels woater! Scheirt ouen board op oue kinne wig en iederien zal

mienen dat ge Peetje Pruis zijt!"

* * * * *

Van dat oogenblik af ontstond er een kentering in menier Fruytiers

buitenlandsch-politieke gevoelens.

Zonder bepaald op Lowie Napoleon af te geven, die zeer zeker een

beste kerel, maar helaas heel zwak van karakter en door heel slechten

invloed beheerscht was, begon hij van lieverlede te smalen en te

mopperen op de Fransche generaals en 't Fransche leger; en het duurde

niet lang of de sympathieen van meneer Fruytier en met de zijne ook

die van zijn vrienden-aanhoorders, welke den natuurlijken invloed van

het sukses ondergingen, waren totaal omgekeerd. Voortdurend kwam hij

aanzetten met nieuwe courantjes, allen Duitschgezind nu, en hij

grinnikte van pret bij iedere Fransche nederlaag, om zijn

voorspellingen die telkens uitkwamen, terwijl hij meer en meer, op

familiair-vertrouwden toon ging spreken over 't Duitsche leger, over

de Duitsche generaals en ook over den Pruisischen Koning, dien hij

weldra zoo intiem scheen te kennen als hij destijds Lowie Napoleon

gekend had. Ook begon hij uiterlijk meer en meer op de alom

verspreide konterfeitsels van den duitschen vorst te lijken. Zijn

houding was voortdurend stram-martiaal, zijn oogen keken barsch en

stuursch, zijn woord klonk kort, gebiedend, cassant; en 't leek ook

of de haren op zijn kin begonnen te verkorten en te dunnen, terwijl

integendeel de grijze bakkebaarden breeder uitgroeiden. Zijn vrienden

merkten het, maakten er hem attent op, zeiden leuk-glimlachend:

--Verdeeke! menier Fruytier, ouen board valt uit op oue kinne. Nou

wordt-e percies Peetje Pruis!"

--Joa, vindt ge?" zei hij, kinderachtig in zijn ijdelheid

gestreeld. Maar hij wist het best, evenals hij wist dat iedereen, in

't dorp, hem nu Peetje-Pruis noemde. En hij vertelde hun dat hij

wel vreesde iets aan de kinneharen van zijn baard te hebben. Het

deed hem soms pijn, daar; ze braken af en vielen uit, hij dacht

erover om eens een specialiteit te gaan raadplegen.

--Scheir ze liever af, ge'n zilt er gien last mier van hen." raadden

zijn vrienden hem aan.

Ik herinner mij nog de sensatie in 't dorp, toen meneer Fruytier, op

een ochtend, achteroverhellendfiks van hoogmoed, met geschoren kin

in de straat voorbijging. De menschen kwamen op hun drempels om hem

na te kijken. Ik zie hem nog de stoep van "Het Huis van Commercie"

beklimmen, zich daar even, als een Koning, naar het volk omkeeren,

en statig, strijkend aan zijn grijze bakkebaarden, in de herberg

verdwijnen.

--O! Peetje Pruis! Peetje Pruis!" riepen de menschen. En een vreemde

huivering van ontzag en haast van angst liep door de menigte.

Dat was daags na den veldslag van Sedan!... Hij had de krant met het

ontzettende nieuws in zijn zak; hij haalde ze te voorschijn,

ontplooide ze statig, las het aan zijn vrienden voor.

--_We_ zijn d'r!" zei hij... _W'_ hen Lowie Napoleon vaste? _We_ 'n moen

nou moar op ons gemak veuruit goan en binnen veertien doagen valt

Parijs in onz' handen"...

O! die weerklank in ons land van de tragische gebeurtenis!...

't Zijn van mijn verste herinneringen, maar nog voel ik de

koortsachtige opgewondenheid die alleman overweldigde!

De sensationeele berichten zwollen tot de

proporties van een algemeene wereldramp, die ook ons zou komen

aantasten. Tot in het hart van Vlaandren beweerden sommige menschen

het kanongebulder te hebben gehoord; men had den grond voelen

dreunen en 's avonds zagen de angstig-verwilderde oogen van de

dorpelingen reusachtig-breede bloedvlekken aan den hemel. Men sprak

van meer dan honderd duizend dooden en gekwetsten; en wie niet al te

bang was of verafschuwd, en er geld en tijd en moed voor over had,

maakte plannen om dat gruwel der gruwelen ter plaatse te gaan zien.

* * * * *

Zooals van zelf spreekt was meneer Fruytier een van de eersten. Hij

kondigde 't plechtig voor zijn vrienden aan, dienzelfden avond, in

de "stamenee" "Het Gouden Zulleken" en deelde 't opgewonden bij

zijn thuiskomst aan zijn vrouw en dochter mede:

--Moak mijne koeffer geried; 'k vertrekke morgen noar Sedan!"

--Och Hier och God! dat 'n mient-e toch niet!" vlogen moeder en

dochter ontsteld overeind.

--Nie mienen!... Ha ge zil wa goan zien!" bravoerde hij, met een

beweging naar de deur of hij al vast zelf ging inpakken.

Zij snelden naar hem toe, verperden hem den weg, klampten zich

smeekend, snikkend aan zijn kleeren.

--O, nie, man, o, nie, Pa as 't ou b'lieft 'n doet dat toch niet! Ze

goan ou ginter deudschieten!"

--Mij deudschieten! 'k Neme mijn jachtgeweire mee!" pochte hij.

--O man, o, Pa, as 't ou b'lieft! as 't ou b'lieft! as 't ou

b'lieft!"

--Loat mij los!" krijschte hij, eensklaps woedend, opgewonden en

vechtlustig. "'K wil d'r noartoe!"

--O, wacht te minsten nog nen dag of twiee, nog ienen dag! nog nen

halven dag!" smeekte zijn vrouw. "Wacht te minsten tot morgen

uchtijnk, tot da we gelezen hen wat dat er in de gazet over

geschreven stoat!"

Na oneindig veel moeite liet hij zich ten slotte tot dit laatste

overhalen.--Goed. Hij zou wachten tot den volgenden ochtend. Maar

zijn valies moest al vast gepakt worden en, zoodra hij 't laatste

nieuws in de courant gelezen had, zou hij vertrekken. 't Was en

bleef onherroepelijk; hij moest, hij wilde er naartoe. Hij had het

plechtig, aan al zijn vrienden in het "Gouden Zulleken" beloofd.

Ongetroost holden moeder en dochter naar boven om zijn kleeren in te

pakken, terwijl hij zelf, koortsachtig opgewonden, zijn jachtgeweer

van den wand afhaakte en zijn tasch met patronen voorzag.

* * * * *

Den volgenden ochtend waren de dagbladen, van 't begin tot het eind,

met de verhalen van den schrikkelijker veldslag gevuld.

Reeds voor het ontbijt begon meneer Fruytier hardop te lezen. Vrouw

en dochter, die den ganschen nacht niet geslapen hadden, zaten op

hun stoel te beven. Dat duurde uren in steeds stijgende, spannende

aandacht. Meneer Fruytier nam nu en dan een haastige hap van zijn

brood en een slok van zijn koffie, die ijskoud werd. Anais, de

dochter gaf wel af en toe blijken van vermoeidheid en staarde naar

de deur alsof zij op wou staan, maar telkens zond de moeder haar,

met strenggefronste wenkbrauwen, een gebiedenden blik, om haar te

doen blijven. 't Was immers tijd gewonnen. Terwijl hij las kon hij

geen toebereidselen tot vertrek maken.

Eindelijk las meneer Fruytier, toen de heele courant bijna uit was,

het volgende sensationeel bericht:

"Duizenden en duizenden soldaten van het

"Fransche leger komen onophoudelijk over de

"Belgische grens gevlucht. Velen zijn gewond

"en allen verkeeren in een allerdroevigsten

"toestand van uitputting en ellende. Zij worden

"onmiddellijk ontwapend en zoo spoedig mogelijk,

"per spoorweg, naar verschillende plaatsen

"van het land gedirigeerd. Gisteren avond

"vertrokken drie stampvolle treinen naar Luik,

"twee naar Namen, twee naar Brussel en twee

"naar Antwerpen. Morgen ochtend vroeg worden

"er ook twee naar Gent gestuurd, waar

"zij vermoedelijk tusschen vier en vijf in den

"namiddag zullen aankomen."

Mevrouw Fruytier kreeg plotseling een inval:

--O, man, loat ons doar te goare goan noar kijken!" riep zij.

Meneer Fruytier legde zijn krant neer en staarde zijn vrouw

strak-roerloos al over zijn brilglazen aan.

--En mijn reize noar Sedan?" zei hij.

--Wa goa-je ginter zien? Niets mier! Natuurlijk alles afgezet deur

troepen! Morgen, te Gent, zilt-e veel mier zien!" verzekerde mevrouw

Fruytier.

Hij aarzelde even. Zij voelde hem aarzelen.

--Loat ons al te goare goan, mee ou vrienden d'r bij. Die zillen da

euk wille zien," drong zij aan.

"'K goa 't ulder vroagen!" riep meneer Fruytier, eensklaps

opgewonden overeind staande.

* * * * *

't Was als een kermisdag in Gent...

Met duizenden en duizenden waren de nieuwsgierigen gekomen, uit alle

gewesten van Vlaanderen, om dat eenig schouwspel bij te wonen: de

aankomst der krijgsgevangen vluchtelingen en gekwetsten uit Sedan.

Krioelzwart waren 't groote stationsplein en al de straten er

omheen. Rijtuigen konden er niet meer door, de politie was

overrompeld, en alleen de gendarmen te paard slaagden erin nog een

betrekkelijke orde te handhaven.

Meneer Fruytier stond in de eerste rij, met zijn vrouw en dochter,

elk oogenblik geperst, gedrongen en gestooten. Zijn kin was pas

geschoren, zijn bakkebaarden stonden uit, zijn oogen blikten

gezagvoerend-stuursch, zijn gestalte rees martiaal-fiks achterover.

Hij had geen seconde getwijfeld of zijn verschijning zou een enorme

sensatie verwekken; doch het viel tegen, geen mensch lette bizonder

op hem, geen een scheen door de sprekende gelijkenis getroffen; en

't maakte meneer Fruytier inwendig nijdig en woedend. Wat waren dat

voor stomme lui die zoo iets frappants niet merkten! Hij voelde zich

gekrenkt en vernederd tegenover zijn vrienden en voortdurend verweet

hij op bitteren toon aan zijn vrouw en zijn dochter dat zij hem

verhinderd hadden naar Sedan te gaan.

--Wa es da hier? Wa gelijkt da hier? T'n es hier niets te ziene!"

bromde hij.

--'n Beetse passiencie, man, 'n beetse passiencie, Pa, smeekten

vrouw en dochter, die, tegen haar zin meegekomen, in de benauwende

menigte bijna stikten.

Dat duurde eindeloos lang, in angstig-toenemende woeling en drukte.

Toen ging er plotseling als 't ware een golfslag over 't gekrioel

der menigte; en iets naderde, door een troep gendarmen te paard

voorafgegaan en door ontelbare politieagenten met getrokken sabels

rechts en links omlijst.

De Fransche krijgsgevangenen!...

Eensklaps een plechtige, doodsche stilte in plaats van het woelend

rumoer! Eenieder roerloos, zonder dringen, door eerbied en emotie,

met wijdangstige oogen aan den grond genageld. Eenige lui, op

't stationsplein, ontblootten, als voor een lijkstoet, hun hoofd; en

machinaal werden daarop alle hoeden afgenomen.

Daar waren ze!... Gele, uitgemergelde gezichten, bleeke of donkere,

hol-starende oogen; lange, zwaarhangende snorren over ongeschoren,

ingekrompen, weggetrokken wangen! Het rood en blauw der uniformen

was verkleurd, verscheurd, verregend en verschroeid; de epauletten

hingen afgezakt in vale rafels; de shako's waren ingedrukt; de

bloote, gore, struikende voeten barstten uit de ros-en-grauw

geworden, gapende schoenen. Armen werden in vuilgrijs linnen verband

gedragen; bebloede doeken omwonden gekorven gezichten; en af en toe

kwam er, gedragen door vier mannen op een lage berrie, een

lang-en-platuitgestrekte gedaante voorbij, het gele hoofd met dichte

oogen op een wit-en-blauw-geruit kussen, machteloos en roerloos als

een lijk.

De stilte, de groote, plechtige, plotselinge roerloosheid en stilte

van de menigte was nog het indrukwekkendste en het aangrijpendste

van alles. Die rooie, gezonde gezichten der toeschouwers, die

welgedane, lustige kerels wien niets ontbeerde, daar zagen ze nu

eindelijk van heel dichtbij, Dat waar ze maanden van gedroomd en

zich mee opgewonden hadden: een tafereel uit den oorlog!... Dat was

er nu geworden, door honger, door uitputting, door wreedheid, door

bloed, van al die menschen--hun medemenschen--die niet eens wisten

waarom zij zoo gevochten hadden en als wilde beesten naar den dood

werden gejaagd! 't Was helsch van folterende onrechtvaardigheid,

't was als de zwijgend-wraakroepende dreiging van een gansche

Menschheid, als een stomme, reuzenstormloop die, ten hemel

opgestegen, machteloos verpletterd door het gruwbaar Noodlot op de

aarde weer in puin stortte.

--Och Hiere toch! Och Hiere toch!" snikte plotseling mevrouw

Fruytier, zich aan den arm van haar man vastklampend.

--Zwijg!" kreet hij, "zwijg!" haar heftig van zich afschuddend. En

eensklaps, door het schouwspel overweldigd, kon hij zich ook niet

goed meer houden, en midden in zijn vrienden, die hem

stom-en-star-verbaasd aankeken, begon hij zelf te huilen en te

snikken als een kind...

* * * * *

Enkele weken later droeg meneer Fruytier opnieuw zijn vollen baard.

Zijn oogen hadden een zachtere uitdrukking gekregen, zijn houding

was gedweeer, zijn woord klonk kalmer, bedaarder, zonder stroeve

autoriteit.

Hij leek in het geheel op Peetje Pruis niet meer...

IX.

VAN TOEKOMST EN VERLEDEN.

Dat duurt nu al jaren en jaren, dat ik af en toe weer eens aan

Zieneken, aan haar ouden vader en haar oude moeder en aan hun jong

koewachterken denk...

't Was in de lente. De beekjes vloeiden snel en helder, de lucht was

ijl en blauw, met hoogdrijvende, witte wolkjes. Het malsche,

groene gras tintelde van zilveren madeliefjes en van gouden

boterbloempjes en overal stonden de oude boomgaarden in vollen

prachttooi.

Het boerderijtje van Zienekens ouders lag daar poetisch verscholen,

met zijn oud-verweerde, grijze stroodaken, in de schaduw van het

groot kasteelpark. Het huisje was in heel licht roze gekleurd, met

een heldergroen boogdeurtje en heldergroene luikjes. De kleine,

groenachtige ruitjes van de vensterramen waren in lood gevat.

Zieneken, twintig jaar oud, was eenig kind en woonde daar alleen, met

haar op lateren leeftijd gehuwden vader en moeder.

Zij was een mooi boerinnetje. Kaarsrecht, slank van gestalte en toch

poezelig van vormen, sierlijk-harmonieus van lichaamsbouw, met

fijne, smalle voetjes, een blozend gezicht, donkere, om de slapen

heel liefelijk krullende haren, tintel-lachende bruine oogen en

zulke mooie, glinsterwitte tanden in haar frisschen mond met roode

lippen, dat men er voortdurend in bewondering naar kijken

moest.--Ook haar ouders waren vriendelijke menschjes: vader, een

guitig gezicht, altijd vroolijk en zeer jong van hart nog; moeder

soms een beetje pruttelig en brommerig, over "den nieuwen tijd"

zooals ze 't noemde, waarin de jonge meisjes veel te veel van luxe

en schoone kleeren hielden; maar toch ook dadelijk weer opgewekt

door de aanstekelijke vroolijkheid van vader, lachend-hoofdschuddend

om zijn voortdurende grappen en heel innig in den grond op hem

gesteld, hem koesterend en verzorgend met teedere, haast moederlijke

liefde. Zij was vier jaar ouder dan hij en beschouwde hem zoowat

alsof hij twintig jaar haar jongere was. "Mijn ouwste kind" noemde

ze hem soms.

* * * * *

't Was lente, lieve, zachte, heerlijke lente... De heldere beekjes

neurieden hun suizend liedje, het jonge groen sprong overal

frischlevend uit, de oude ruige boomen van den boomgaard bloeiden.

Hun witte en roze kruinen wolkten in geurige tuilen rondom de

verweerde, grijze schuur ten blauwen hemel op en 't bloeiend groene

gras was bij plaatsen wit-en-roze-zacht bezaaid met al de

overvloedige weelde van hun vederlicht-neerzijgende blaadjes. En

't was of zelfs het frisch-geverfde roze huisje bloeide, zoo

liefelijk-harmonieus en teer als het daar midden in die feerie van

licht en kleur en zoeten geur te lachen en te schitteren stond.

* * * * *

Lente(#18069) · 第 8 / 9 段