gemeentehuis en kwamen weer in de vlaggende straat, waar de toeloop
van het volk intusschen tot enorme proporties was gestegen. Het leek
wel of het heele dorp daar bij elkaar getroept was. Een dol-joelende
stoet vergezelde hen tot aan de kerk, en, na de kerkelijke
ceremonie, tot aan het rijtuig dat hen naar de stad zou voeren,
alwaar zij, volgens gebruik, den huwelijksdag verder zouden
doorbrengen.
* * * * *
Eerst om negen uur 's avonds kwamen zij in 't dorp terug.
Gedurende hun afwezigheid waren de grappenmakers druk aan 't werk
geweest. Brandende lampions en vetpotjes hingen feestelijk te
wiegelen aan gespannen touwen voor de huizen, een vurige triomfboog
prijkte in de straat en hier en daar schitterden transparanten met
zeer eigenaardige opschriften. Maar de Stier hield zich goed, en de
man begreep maar half of in 't geheel zelfs niet.
Voor hun deur, onder den vuurstralenden triomfboog, werden zij
gek-plechtig door het feestcomite verwelkomd. Een der leden trad
gewichtig uit 't gelid naar voren, een groot vel papier in de eene
hand, een grooten ruiker in de andere. Met luidgalmende stem las hij
een hoogst-origineel gedicht voor, waarbij de joelende omstanders
weer herhaaldelijk in wilde schaterpret uitbarstten. Maar de man
begreep er niets van en de Stier hield zich voortdurend
onverstoorbaar goed. Strak-ernstig nam zij den bloementuil aan, boog
en dankte, dronk even van den eerewijn en overhandigde daarna het
glas aan haar echtgenoot, die het in een teug ledigde. Dichtbij nu
bomden de kanonnen, hun roode vuurtongen ten hemel schietend; en
plotseling verscheen in rooden fakkelgloed de muziek, met
donderendbonzende groote trom en schril-schetterende fanfaren. Het
gepeupel begon te zwieren, te springen en te dansen en 't feest
ontaardde in een woeste bacchanaal. Meisjes werden gichelend-gillend
in donkere hoekjes gedrongen, bier en jenever stroomden overvloedig,
waggelende kerels zwenkten brallend, met heesche dronkaardsstemmen
door de straat. De Stier en haar man, roerloos op den drempel van hun
huisje, keken het schouwspel een heele poos aan; en eerst toen de
vetpotjes waren uitgedoofd en de wilde joelbende eindelijk met
fakkels en muziek naar de dorpsplaats terugtoog, sloten zij in stilte
hun luiken en hun deurtje en doofden binnen alle lichten uit...
Verder was 't een vreemde, ongewone nacht. Er werd op straat
geschreeuwd, gezongen, gekeven, gevochten. Soms bleef 't een heele
poos doodstil en de menschen konden slapen; maar eensklaps weer
hoorde men allerlei rare geluiden: spotgelach, nabootsing van
hondengehuil, hanengekraai, kattengemiauw, getokkel met knokkels op
luiken, en af en toe een telkens weer herhaald., schor en
woestbrullend geloei, als van een gansche, dolle veestapel. Het was
een abnormale, gekke, rustelooze nacht.
* * * * *
's Ochtends, al van in de eerste vroegte, stonden de buren op den
loer.
Hoe zou het afgeloopen zijn? Allen waren ondeugend-benieuwd om de
Stier en haar man terug te zien.
Eerst tegen zes uur, toen het reeds volzonnig Augustus-daglicht
schitterde, werd een der groene luikjes van _Het Koffijhuis_ zachtjes
opengeduwd. Onmiddellijk daarna het tweede. Zij flapten met een kort
geluid tegen het witte muurtje aan en een hand zette de knipjes
vast. Toen ging insgelijks het groene deurtje open en "den nieuwen
boas" zooals de menschen hem noemden, verscheen even in zijn
hemdsmouwen op 't stoepje en staarde rechts en links de straat eens
vlugjes in.
--Dag Boas! Alles goed?" riep vroolijk, op een afstand, een der
buren.
De baas keek op, en, heel gewoon, even naar den buurman
hoofdknikkend:
--Ieste klasse! scheun weer, he?" antwoordde hij; en verdween in het
huisje.
Ietwat teleurgesteld, staken de buren de hoofden bij elkaar. Hoe zoo:
alles goed! He! wat vreemd! Zou de Stier dan toch, gewoon weg, als
elke andere vrouw... Maar wat had 't Kuipken dan zoo uit te varen en
zich aan te stellen of hij allerhande rare dingen wist die hij niet
zeggen kon!--Zij zelven voelden zich nu vaag belachelijk, met al hun
raar gefeest. Het geheimzinnig raadsel bleef althans onopgelost en
't leek wel of de Stier zelf hen allen voor den gek gehouden had.
Futloos, inwendig nijdig op het Kuipken, rouwend over 't geld dat zij
aan 't grapje verdaan hadden, trok elk naar zijn gewone bezigheden
terug.
Doodkalm en saai als altijd, verliep verder de dag. Tusschen elf en
Twaalf--het borreltjes-uur--gingen enkele kerels eens tot aan het
_Koffijhuis_ om er den raadselachtigen toestand in oogenschouw te
nemen. Verloren moeite. De man was kalm aan 't spitten in zijn
tuintje en de Stier ontving haar klanten met een
helder-onverschillig, strak gezicht, alsof er absoluut niets
ongewoons gebeurd was. De kerels waagden krasse toespelingen, doch
ook al vruchteloos: de Stier stond hun flink en onbeschroomd te woord
en zij mochten onverrichterzake weggaan. Zij trokken naar 't _Huis van
Commercie_, waar 't Kuipken, landerig en norsch, eenzaam-pijprookend
in de ongezellige gelagkamer zat.
--Hawel, ontvanger, wa zegt-e nou van de jonge treiwers? We zijn d'r
doar bij geweest. Alles es goed, zille!"
--Zwijg moar, zwijg moar!" bromde 't Kuipken bevend. "'K zegge dat
't 'n schande es! dat 't deur de wet zoe moese verboon worden!"
--Ha joa moar, ontvanger, ge 'n zijt toch nie rechveirdig! As da
vreiwemeinsch nou toch goest ha om te treiwen; en as ze nou mee
heure veint gelukkig es!"
--Zwijgt er van, zeg ik ulder! 't 'n Es nie meugelijk! 't 'n Es nie
meugelijk! Pouah! Pouah...!"
Meer was er niet uit te krijgen. Rillend-walgend schudde 't Kuipken
't hoofd voor alle verdere verklaringen.
En de buren, geheel en al van streek gebracht, wisten niet meer wat
ze moesten denken.
* * * * *
Eenige dagen verliepen. De diepteleurgestelde dorpelingen bleven de
Stier en haar man in 't oog houden. En een glans van ondeugende pret
kwam van lieverlede weer op de gezichten, want... het leek hun of
"den nieuwen boas" er toch niet zoo geheel tevreden uitzag. Hij zat
of liep daar doelloos in en om zijn herberg, nurksch, sprakeloos,
wenkbrauwen gefronst, blijkbaar uit zijn humeur. De buren kwamen vol
belangstelling kijken, trakteerden hem, maakten vertier in
't _Koffijhuis_, trachtten hem aan den praat te krijgen. Doch ook al
te vergeefs: niets liet hij los. En toch er moest iets zijn; er was
iets; want ook de Stier zag er nu veel minder kalm en
sterk-zelfbewust uit. 't Leek of ze bleeker en magerder werd en in haar
strakke oogen beefde nu soms een diep-schuilende uitdrukking van
zware droefheid. Maar evenmin als hij liet zij iets los. Haar lange
haviksneus stond als een klem midden in haar beenderig gezicht
gedrukt en haar manlijke mond met donkere snorrelip bleef stugger dan
ooit op haar vermoed geheim gesloten. Het werd wanhopig voor de
dorpelingen en reeds begonnen zij dien toestand als onveranderlijk en
niet eens langer belangwekkend aan te nemen, toen het eensklaps,
volkomen onverwacht, tot een openbaring en een oplossing uitbarstte.
* * * * *
't Was op een ochtend, tamelijk vroeg nog, midden in de saaie stilte
van het suffig dorp: Een man, "den nieuwen boas", wilddronken
waggelend in de straat, luid-schreeuwend het volk bij elkaar
troepend, schreeuwend, met dreigend naar zijn huis gebalde vuisten,
dat hij bedrogen was geweest, dat men hem voor den gek gehouden had,
dat die vrouw van hem, die Stier! die Stier! die Stier...
--Watte? Watte? Wat es er mee?" gilden de menschen, trillend van
ondeugende nieuwsgierigheid, hem de woest-hikkende woorden als het
ware uit den mond halend.
--Die Stier! Die Stier! Die Stier!..." herhaalde hij steeds
razender. Hij stikte in dat woord, hij schudde 't hoofd en zwaaide
met zijn knuisten; hij bralde 't uit van woede en teleurstelling,
hij stampte met zijn voeten en bulderde verwenschingen en
dreigementen, schreeuwend dat het er mee uit was, dat zoo'n huwelijk
niet telde en dat hij onmiddellijk alles wat hem toebehoorde in ging
pakken en ermede naar zijn dorp terugkeeren.
--Wie lient er mij 'n peird en 'n kerre? 'K rij er direkt mee wig!"
brieschte hij.
't Was een geweldig opstootje. Een rumoerige bende liep dadelijk met
hem mee, begeleidde hem tot bij zijn huis,--meer en meer hem
opwindend en aanporrend om nu ook de Stier te zien verschijnen. Maar
de Stier vertoonde zich niet.
--'n Kerre!" gilde hij opnieuw. "Wie lient er mij 'n peird en
'n kerre? En wie helpt er mij ne moment om mijnen boel op te loan en
te verhuizen?"
Paard en kar werden hem beloofd en twee mannen boden zich terstond
aan om zijn goed naar buiten te sjouwen.
--Veuruit!" schreeuwde hij, in het schetterend gejoel der menigte
zijn deur ruw openstampend.
De kerels stoven met hem binnen. Twee tafels, een bed, een
kleerkast, enkele stoelen, een hoop kleeren en dekens werden midden
in het opgewonden-gichelend volk naar buiten gesjord, maar de Stier
bleef onzichtbaar.
Achter een dravend paard kwam de hossebossende kar over de hobbelige
straatsteenen aangerateld. In een oogwenk was het gansche boeltje
opgeladen; en, onder geweldig en bijna oproerig gegil en gejouw,
reed "den nieuwen boas", vloekend-vuistenballend, als een gek er mee
weg. Het was gebeurd als in een droom zoo vlug. De menschen keken
elkaar stomgapend aan toen hij verdwenen was; en dan weer staarden
zij verbaasd naar 't huisje, waar nu toch zeker wel de Stier zich
eindelijk vertoonen zou.
Maar de Stier was en bleef onzichtbaar...
Toen dropen zij ook allen langzaam af, drukopgewonden lachend en
pratend, tevreden aan den eenen kant dat zij nu eindelijk zonder nog
eenig mogelijken twijfel "wisten"; teleurgesteld ten andere, dat
alles zoo verbazend vlug en gek en, buiten de Stier om, was
afgeloopen.
--Och! 't es zottigheid! Hij zal hier morgen weere zijn.," meenden
de menschen.
* * * * *
Doch hij kwam in 't geheel niet terug... Dagen, weken, maanden
gingen voorbij en van "den nieuwen boas" werd zelfs niets meer
gehoord. 't Was of hij nooit bestaan had, en de Stier, stil in
zichzelf teruggetrokken, uitte verwijt noch klacht. De strakke
lippen stug op haar geheim gesloten, bediende zij als vroeger hare
klanten; en haar antwoord op onbescheiden uitvorschingen was steeds
onveranderlijk hetzelfde:
--Hij es hij zot geworden. Wa kan ne meinsch doar aan doen as iemand
zot wordt? Nog liever giene veint mier as ne zotte veint."
Maar de menschen lieten haar praten en grinniken. Zij wisten nu wel
beter...
't Kuipken, die zich in het ongezellig _Huis van Commercie_
doodelijk ergerde en verveelde was al dadelijk na de vlucht van "den
nieuwen boas" indirect begonnen met toenadering te zoeken. De Stier,
niet rancuneus, stak hem zelve de hand der verzoening toe; en, op een
avond, waren zij weer met hun beidjes, net als vroeger, in het
huisje, waar zij zooveel lange jaren samen hadden doorgebracht.
Geen wederzijdsche vragen, klachten noch verwijten. 't Kuipken, die
haar al dien tijd niet gezien had en haar veel verouderd en
vermagerd vond, vroeg enkel:
--Hoe goat 't er mee?"
En zij, hem even aankijkend, antwoordde, heel gewoon, alleen met
ietwat matte, trieste stem:
--O nog al goed; en mee ou?
--O, euk nog al goed.
Dat was alles. Over hem, die van haar weggeloopen was, werd geen
enkel woord gesproken. 't Kuipken ging zitten, even vaag-wantrouwig
om zich heen loerend, als vreemd nog in zijn eigen huis; en zij nam
sprakeloos het eten van de kachel en diende 't voor hem op.
--En gij? vroeg hij, verwonderd, dat zij haar stoel niet bijschoof.
--'K 'n he nie veel honger, antwoordde zij. 'K 'n goa nie anders as
'n potse kaffee drijnken.
Het Kuipken at en dronk, over zijn bord gebogen, met van ingehouden
ontroering af en toe nog lichtbevende vingers. De Stier, haar
kopje koffie in de hand, zat peinzend naast de kachel, met
strakstarende oogen. Groot was de stilte in het leege herbergje; en
stil ook was het buiten, in de donkere, leege straat.
--'t Es kaud geworden; 't 'n zoe mij nie verwonderen da we vust of
snieuwe kregen, zei 't Kuipken, na een lange poos.
--'t He passeerde nacht al 'n klein beetse wit gevrozen en van den
achternoen he 'k uit alle veurzichtigheid onz' eirdappels mee streud
doen dekken, antwoordde zij.
--Onz' eirdappels!... zacht deed dat woord hem aan; zoet klonk het
in zijn ooren. "Onze"... dat was dus weer van haar en hem en niets
meer van den vreemden indringer die weggeloopen was.
Het Kuipken had gedaan met eten, hij stak zijn pijpje aan,
genoeglijk smakkend en ging, als vroeger, met uitgestrekte beenen op
zijn aloude plaats, aan de overzijde van de warme kachel zitten. Hij
was er weldra ingesoesd. Op den kerktoren sloeg het negen uur en
onmiddellijk daarna luidde de nachtrust in. Hij trok zijn kleine
oogjes slaperig half open.
--Wat dijnkt ou? Zoen we nie goan sloapen? stelde hij voor.
--O, ba joa, e-woar; 'k zal moar sluiten, antwoordde zij.
Zij stond op en verdween in 't gangetje, om buiten de luikjes en de
voordeur dicht te doen.
Toen ze na een oogenblik terugkwam, waren haar hoofd en schouders
dicht met witte sterretjes en stippeltjes bepoeierd. Een hing er in
haar snor, dat dadelijk tot een kristal-traantje versmolt.
--Kijk kijk! snieuwt het woarachtig al? riep hij verwonderd.
--Joa 't en 'k geleuve dat ze 'r dikke zal vallen, knikte zij.
Zij schudde zich af, stak, in groen-aarden kandelaars, twee kaarsen
aan, draaide de groote hanglamp uit, en liet hem voor, over de trap,
naar boven. Hij kreunde een beetje, door de inspanning van
't stijgen. Het dansend kaarslicht wierp gedrochtelijk hun groote
schaduwen over de witte muren.
Boven op 't portaal waren twee deurtjes, links zijn kamer, rechts de
hare. Hij durfde niet goed om te kijken. Dat was de kamer waar zij
met hem, den indringer, den vreemdeling, den vijand, die het al had
aan de groote klok gehangen... ach ach!... Hij schudde 't hoofd en
zuchtte onmerkbaar, terwijl hij, met den kandelaar in de hand zijn
deurtje openduwend, haar "sloapwel, Fliesta" wenschte.
--Sloapt euk wel, Binus, anwoordde zij met haar gedrukte, matte
stem.
Het gele schijnsel van de beide kaarsen danste spokig door elkaar op
't smal portaaltje en in de open deurtjes, en toen werd alles
plotseling heel stil en donker.
Buiten sneeuwde 't zacht en overvloedig nu, met groote, dikke
vlokken...
VII.
BEROUW.
Dit is 'n heel zware en droeve obsessie geweest...
'n Kort, viezig zijstraatje, aan 't uiteinde van 't dorp. Rechts,
niets dan de hooge, witte, blinde muur van een groot heerenhuis.
Links vier kleine, lage, aan-elkaar-gebouwde werkmanshuisjes in
vuilgrijzen steen, met dofgroene luikjes.--Het is er somber, kil,
treurig, modderig. Haast nooit komt er een zonnestraaltje in de
vieze, altijd natte greppels glimmen.--Maar, even voorbij den
blinden muur en de huisjes, ontvouwt zich in zijn breede
heerlijkheid het vrije veld; en daar is 't eensklaps alles
vol-gezonde ruimte van blijde zonnigheid!
Daar wuiven en golven, zacht-streelend door den milden wind geaaid,
de frissche groene lentenkorenvelden; daar kronkelt blond de breede
zandweg naar het blauwachtig verschiet, onder den hoogen,
zonnigblauwen hemel met zijn glinsterwitte wolken. Daar zingen de
vogeltjes en geuren de bloempjes; daar stralen de oogen en blozen de
wangen; daar gaan de zwaar-benauwde longen, in breed-gezonden
rythmus, halend open...
Vier kleine, lage, grijs-en-groene trieste huisjes: drie met deur en
luikjes open; een met deur en luikjes dicht-gesloten. Aan beide
kanten van dat dichte deurtje staat een vaalverkleurd, tegen de
luikjes aangeleund, langwerpig-vierkant zwart vaandel, met
dof-zilveren doodshoofd in het midden en dof-zilveren franjes als
omlijsting. Op den drempel van het huisje ligt een geel, strooien
kruis, met een rooden baksteen er op neergedrukt.
In dat huisje is een doode.
* * * * *
Het was een lange, magere, bleeke jongen. Ik heb hem goed gekend.
Hij heette Jules. Hij had een vreemd, ongunstig uiterlijk, met iets
valsch en gluiperigs in de oogen; en hij had ook een heel slechte
reputatie: de reputatie van een luiaard, een dief, een dronkaard,
een vechter en bijna een moordenaar.
Die kwade naam was verdiend. Hij was lui,
hij stal, hij dronk, hij vocht. Zijn vader--een timmerman--bij
wien hij heette te werken, doch met wien hij het niet vinden kon,
stuurde hem eindelijk het huis uit. Hij dwaalde, dompelde, verviel
van kwaad tot erger. Nu moest hij wel van roof en diefstal leven,
want nergens, al had hij 't ook gewild, zou hij nog werk gekregen
hebben. Herhaaldelijk werd hij in gezelschap van een beruchte
dieven-en stroopersbende gezien, en geen schurkenstreek werd in het
dorp gepleegd, of 't heette dat ook hij er schuld in had. Het heette
zoo, maar was toch niet bewezen, daar hij nooit op heeterdaad
betrapt werd en niemand ook beslist-bezwarende getuigenissen tegen
hem kon inbrengen. Veldwachters, koddebeiers en gendarmen waren er
nog nooit in geslaagd hem gerechtelijk te doen veroordeelen. Hij was
sluw en slim; telkens weer ontglipte hij, als een aal tusschen de
mazen van een net. Nog voor geen cent was hij beboet; nog geen uur
had hij in de gevangenis gezeten.
Toen gebeurde die beruchte aanslag op een rijken boerenzoon, die
's avonds van de stadsmarkt terugkomend, door drie kerels aangerand,
geplunderd en half dood gevonden werd. De man genas en beschuldigde
uitdrukkelijk Jules als een van zijn aanranders.
Met onverholen vreugde kwamen de gendarmen hem halen en 't gansche
dorp verademde en juichte:
"Ha, eindelijk is de schelm toch gepakt!"
Hij was er niet bij geweest, beweerde hij. Hij was dien avond, tot
tamelijk laat in den nacht, bij zijn lief gebleven en daarna, zooals
hij dikwijls deed, in een boerenschuur gaan slapen. En hij voegde er
bij, met een zonderlingen, raadselachtigen glimlach, een glimlach van
bijna naieve oprechtheid en bedeesdheid, als schaamde hij zich voor
deze in zijn mond zoo vreemd en onverwacht klinkende woorden:
--'K he mij gebeterd, 'k wirke, 'k goa treiwen."
De gendarmen stelden een onderzoek in. Zij vernamen dat Jules dien
avond werkelijk bij een meisje had gezeten dat den naam had van zijn
lief te zijn. Maar 't meisje was er een uit de beruchte dievenbuurt;
hare getuigenis leek eenigszins verdacht en de aanslag was ook
trouwens midden in den nacht gepleegd. Waar had hij dien nacht dan
verder doorgebracht, nadat hij van zijn lief was weggegaan.
--Wel, in de boereschure woar da 'k gesloapen he!" herhaalde Jules
een beetje snibbig. En hij noemde den boer aan wien de schuur
behoorde.
Dat kwam uit. De boer getuigde dat de jongen dikwijls in die schuur
ging slapen. En 't kwam ook uit dat hij sinds een tijd geregeld
werkte, en zijn geld opspaarde, en niet meer dronk. Doch de
gendarmen schudden 't hoofd en grinnikten wantrouwig. Niets belette
dat hij 's nachts toch ongezien weer uit de schuur gekomen was om
met de anderen zijn slag te slaan; en overigens: dat slapen in
schuren behoorde bij een ongebonden landloopersleven en geenszins
bij de fatsoenlijke levenswijze van iemand die eerlijk aan zijn
brood wenscht te komen. Waarom sliep hij als een vagebond in de
schuren? vroegen de gendarmen.
--Om er 't geld van mijn huishure mee uit te spoaren," antwoordde
Jules.
De gendarmen spotlachten. Haha! dat was er een eigenaardige manier
van sparen! Waar zou het op gaan lijken in de wereld, als iedereen
zoo redeneerde!
--'t Es toch azeu! 't Es de zuivere woarheid!" bevestigde Jules met
nadruk.
--Ge bezit dus al wa geld?" vroegen de gendarmen.
--Joa ik," zei Jules.
--Woar es 't?"
--Mijn meisken bewoart het, om er ons meubels mee te keupen en ons
huizeken van t' huren."
Zij deden huiszoeking bij 't meisje en vonden er 't geld: een paar
honderd frank in mooie zilverstukken.
Het aan den rijken boerenzoon ontstolen geld bestond in
bankbriefjes. Maar dat bewees niets: zij konden 't uitgewisseld
hebben. Jules werd met den boerenzoon geconfronteerd.
--'t Es hem! 't es hem!" verzekerde deze. "Ze woaren ulders
gedreien, twie kleine en ne greuten. Hij es de greuten!"
--Ge liegt!" gilde Jules, bleek en bevend van woede.
--'t Es hem! 't es hem!" herhaalde de boer met onverstoorde
overtuiging.
--'K zegge dat ge liegt, gie sloeber!" bulderde Jules.
De gendarmen drongen niet aan. Zij lieten Jules los, maar hun
overtuiging stond onomstootbaar vast. Jules was een der daders en
proces-verbaal werd tegen hem opgemaakt.
* * * * *
Eenige weken verliepen. Jules, sterk door zijn onschuld, werkte
rustig en geregeld voort, spaarde zijn geld, bracht iederen avond bij
zijn meisje door en sliep daar waar hij plaats kon vinden, in de
boerenschuren, om te bezuinigen. Toen ze genoeg hadden om te beginnen
huurden zij een van de vier kleine huisjes in het zijstraatje, en
trouwden.
Zij waren pas veertien dagen getrouwd, toen Jules voor de
correctioneele rechtbank in de stad gedagvaard werd. Men had hem
aangeraden een advocaat te nemen, maar hij deed het niet. Waarom zou
hij nutteloos geld verspillen dat hij nu juist zoo hoogst noodig
had?
Voor de rechtbank herhaalde de boerenzoon zijn formeele
beschuldiging en Jules, met moeilijk ingehouden toorn en sterken
nadruk, zijn nog formeelere ontkenning. Getuigen verschenen, die het
allen eens waren om Jules' slecht gedrag en ellendige antecedenten
te bevestigen, al moesten zij er bij bekennen dat hij zich scheen
berouwd te hebben en sinds zijn huwelijk een vrijwel onbesproken
leven leidde.
--Achte gulder hem in stoat zulk een misdoad bedreven t' hen?" vroeg
de voorzitter om de beurt aan allen. En allen zonder een oogenblik
te aarzelen, affirmeerden dat zij er hem volkomen toe in staat
achtten.
Deze getuigenissen, gevoegd bij de nogmaals uitdrukkelijk-herhaalde
beschuldiging van den aanklager, bleken afdoende. Jules werd tot een
jaar gevangenisstraf veroordeeld en op staanden voet aangehouden.
Iedereen, in 't dorp, vond het een welverdiende straf.
* * * * *
Ik weet niet,--en niemand heeft eigenlijk ooit geweten,--wat aan
Jules' hart sinds dat oogenblik geknaagd heeft. Na zeven maanden
onberispelijk gedrag werd hij uit de gevangenis ontslagen en kwam
op een avond in 't dorpje terug. In het triestig klein huisje met
de grijze muren en de dofgroene luikjes vond hij zijn jonge vrouw
met een klein kindje, dat in zijn afwezigheid geboren was.
--Hier ben ik!" glimlachte hij vreemd-droogjes. En aan zijn vrouwtje,
dat zoo bitter schreide, gaf hij 't beetje geld dat hij in de
gevangenis verdiend had en nam het kindje op zijn schoot, in lang,
verrukt aanstaren.
--Hoe hiet het?" vroeg hij zacht, met van ontroering heesche stem.
--Jules... Julken," snikte zij.
--Julken... Julken..." streelde hij. En hij kittelde de kuiltjes van
het wichtje, dat hem even met glanzend-blijde oogjes toelachte...
* * * * *
Zijn leven werd heel kalm, heel stil, heel eenzaam. Hij werkte
gansche dagen, sprak weinig, zat doorgaans, in zijn schaarsche
rusturen, droomerig te peinzen en te staren, als verdiept in verre,
verre gedachten.
--'t Kot he hem goe gedoan," meenden de menschen. "Hij he bereiw,
hij es broave geworden."
* * * * *
Dikwijls heb ik geprobeerd hem aan de praat te krijgen, want zijn
geval interesseerde mij en ik was van lieverlede een vreemde
sympathie voor hem gaan voelen. Maar nooit is het mij mogen
gelukken. Na een paar korte zinnetjes brak hij telkens het gesprek
met zwijgen af en over zijn bleeke wangen kwam dan soms als 't ware
een teere kleur van pijn of schaamte. Nooit heb ik hem bitter hooren
klagen, razen of verwijten doen. Voor vrouw en kind was hij
uitnemend zacht en goed. Aan omgang met wie ook, buiten zijn gezin,
scheen hij in 't geheel geen behoefte te hebben. Hij was niet bang,
hij was niet boos, hij was niet valsch noch nijdig: ik weet niet hoe
het met hem was.
Alleen was er iets vreemd, iets macabervreemds aan hem. Altijd had
hij, op den zolder waar hij nu gansche dagen timmerde, kant en klaar
eene wit-houten doodkist, een armemenschen-doodkist staan. Zij stond
daar, griezelig-bleek in 't schemerachtig zolderlicht, scheef tegen
den muur geleund onder de dakpannen, en bleef er staan, tot ze,
verkocht, door iemand werd weggehaald. Dan maakte hij er
onmiddellijk een nieuwe voor in de plaats.
--Och alweer 'n nieuwe deukiste!" klaagde dan zijn vrouw, die dat
gezicht zoo akelig vond. "Woarom 'n wacht-e toch niet tot da ze
gevroagd worden?"