Nu en dan bracht ik een bezoek op het kasteel, waar vrienden

woonden; en meestal, om den weg te bekorten, en misschien ook wel om

nog eens even Zieneken te zien, ging ik over 't erf van

't boerderijtje heen. Dan liep ik even binnen in het huisje, vroeg

of ik weer eens over 't erfje mocht, hield mij daar een oogenblik op

en maakte een praatje, om 't frissche meisje aan het lachen te

krijgen en nog eens haar donkere oogen te zien stralen en haar

ongeevenaarde witte tanden te zien schitteren. Zij was wel een

beetje koket en voelde best waarom ik telkens kwam, en lachte en

oogenstraalde en schittertandde dat het een genot was.

Dien middag, toen ik met het gewone "Es er gien belet?" onder den

lagen boog van 't groene deurtje bukte en in 't roze huisje

binnentrad, kreeg ik geen antwoord op mijn beleefdheidsvraag. Ik vond

er het boerenkeukentje netjes maar leeg. Even bleef ik er in mijn

eentje staan kijken, innig mij in al die keurige en vriendelijke

netheid verlustigend. 't Was om het zoo uit te schilderen: de

versch-geboende tegelvloer rood-glinsterend, de koperen melkemmers

blinkend tegen den wit-gekalkten muur; en, in de zwarte haardstee,

onder den zwartgerookten schoorsteen, een heel klein houtvuurtje,

reeds half verkoold tot bleeke asch, en waarvan de twee laatste

kleine vlammetjes heel eigenaardig speelsch en grillig, met korte,

schichtige schokjes, als twee dansende kaboutertjes, tegen elkaar

schenen op te wippen en te stoeien. Zij sprongen likkend naar

elkander toe, doofden elkaar met een rookstaartje uit, staken elkaar

als voor de grap weer aan, het een 'n ietsje grooter dan het andere;

en 't kwam mij voor of het twee koddige huisbeestjes waren, die in

afwezigheid der meesters, vol lustige vrijheid baasje speelden.

Rechts van den haard stond de leege, oude armleuningstoel van

Zienekens vader; links hurkte zich het laag, diep-ingezakt

werkstoeltje van Zienekens, moeder. De groene, vierkante tafel glom

van netheid als een donkere spiegel; midden op de kleine bruine

eetkast stond de bruine, gesloten naaidoos met groen speldekussen; in

het wit-porseleinen wijwaterbakje boven den schoorsteenmantel stak

scheef een frischgroen palmtakje; en de lange, bruine kasthorloge met

grauwzinken uurplaat in den hoek tegen den achterwand, deed grappig

denken aan een oude, houtmagere vrouw met grijs en zuur gezicht, die

midden in haar buik, op navel-hoogte, een groot, rond glazen oog had

staan, waarachter de rondkoperen slingerschijf langzaam-tikkend heen

een weer bewoog. Dat alles leefde wonderbaarlijk-intens in zijn

verlaten eenzaamheid; en door de kleingeruite, groenachtige

vensterraampjes zeefde in die volle harmonie van het actief stilleven

een heel zacht-getemperd, bijna teeder-wazig licht naar binnen: het

rozig-wit-bloeiend weerschijnsel van de geurig-opwolkende

lentekruinen in den oud-knoestiger boomgaard daarbuiten...

* * * * *

Ik keer mij om en ga naar de deur toe. Even van op den drempel al die

omgevende zachte heerlijkheid nog genoten en dan naar de schuur, waar

ik weldra, door het halfduister, rechthoekig gat eener openstaande

deur, vagelijk Zienekens bekoorlijke gestalte ontwaar.

Zij hoort mij naderen, kijkt om, komt even half buiten, wenkt mij,

met een geheimzinnig, vlug gebaar, bij zich.

Ietwat verwonderd loop ik stilletjes naar haar toe.

--Wilt-e nou ne kier wa zien, meniere, dat-e zeker nog noeit van ou

leven gezien 'n het?" fluistert zij met een vreemde, half lachende.

half ernstige en bijna booze en bange uitdrukking over haar frisch

gelaat. "Moar stille, stille, dat hij ou nie 'n heurt." En

schoorvoetend trekt ze mij mee in het halfduistere der schuur.

Een eigenaardig geluid, achter een plankenbeschot, treft er mijn

oor. 't Is of er daar gevochten wordt, in 't stroo. Ik hoor hijgen.

zwoegen, dof bonzen en stampen; en 't is of er de stroohalmen onder

een stormwind door elkaar worden geslingerd en gezweept.

--Wat es da, Zieneken?" vraag ik verbaasd.

--Stt!" sist ze, met den vinger voor den mond. En zacht duwt ze mij

half om den hoek van de planken-afsluiting naar voren.

Het duurt een poosje voor ik in die grauwe schemering iets

duidelijks onderscheiden kan. Mijn oogen moeten er aan wennen. Maar

door een dubbel rijtje pannen onder 't lage stroodak schitteren

licht-wafeltjes; en eindelijk zie ik:

In een hoek der schuur een grijsgeel hoopje stroobundels. Midden op

die bundels, woest heen en weer springend, hijgend, wroetend,

stampend, schuddend, beukend met zijn beide vuisten, een heel jong

kereltje, een knaap van misschien twaalf of dertien jaar. Hij schopt

en slaat in 't ritselende stroo, hij herhaalt met een geknor van

toorn zijn aanloop en telkens zie ik, in zijn wildgezwaaide

rechterhand, de glinsterschicht van een getrokken mes opflikkeren,

dat hij wreedaardig-diep in den hoop boort en er heen en weer in

wringt. Het is een akelig gezicht van baldadige woestheid; en, niet

begrijpend, kijk ik Zieneken onthutst en ondervragend aan.

--Da es iets, e-woar?" fluistert ze bevend. En plotseling springt ze

toe en gilt ze 't verontwaardigd uit:

--Feel! gie leulijke sloeber! Wilt 'n kier seffens uitschien!"

Als bij tooverslag houdt het op. Doodverschrikt keert het kereltje

zich om, staat daar even sidderend voor ons, met zijn mes in de hand.

Zieneken grijpt hem bij den kraag, sleurt hem naar buiten, rukt hem

't mes uit de hand en schudt hem heftig heen en weer. Het is een

kleine, rosblonde rakker met lichte oogen en het aangezicht vol gele

sproeten. Hij hijgt en jaagt en zijn gezicht is opgeblazen en

paarsrood van wilde inspanning.

--Es da nou gien schande, meniere!" krijscht Zieneken opgewonden.

"Da es nou al den twieden kier da 'k hem azeu betroape; moar as

't nou nog ne kier gebeurt, vliegt hij 't hof af, op stroate! Ala,

leulijke sloeber, noar ou wirk; en 'n kom van doag onder mijn eugen

nie mier!"

Zij knijpt en schudt hem nog eens flink door elkaar en met een mep

om zijn oor, die hem even doet huilen, maakt hij zich uit de voeten.

Meer en meer verbaasd kijk ik Zieneken aan. Wat is ze pittig en

mooi, in haar schielijk uitbarstende woede! Zoo moet ik haar toch

nog eens eventjes goed opnemen, voor ik haar verder over dat gekke

gedoe ondervraag. Haar donkere oogjes flikkeren als karbonkels, haar

wangen gloeien, kleine, donkere krulletjes hebben zich om haar

voorhoofd en haar slapen losgewrongen; en haar mondje, haar mooi

rood-lippen-mondje, dat hijgend half-open staat van toorn en

inspanning, laat, beter nog dan in het vroolijk lachen, al haar

schitterwitte tandjes zien, de kleine, nu kwaadaardige, nijdige,

bijtende tandjes, maar toch zoo wit en fijn en recht en zoo

verrukkelijk mooi, dat men haast wenschen zou er een knauwtje van te

krijgen.

--Wa es er toch gebeurd, Zieneken, mee da koewachterken? Tegen wie

vecht hij doar mee da mes?" vraag ik eindelijk.

Zieneken vertelt het mij. Die kleine snotvent, die

kwajongen-koewachter van dertien jaar is me toch waarachtig verliefd

geworden op een jong meisje uit de buurt, waar een andere koewachter,

van ongeveer denzelfden leeftijd, insgelijks verliefd op is. Verleden

zondag zijn ze uit jaloerschheid aan 't kijven gegaan en bijna

handgemeen geworden; en wat doet me die gemeene schavuit nu: hij

koopt zich een mes en leert er tegen stroobundels mee vechten, om er

dan later, bij de eerste botsing, zijn echten vijand mee te lijf te

gaan. En dan zal 't bloed wel stroomen!... "O, meniere, azeu

'n sloeberken, doar 'n he-je gien gedacht van! 't Es ne veurvechter;

ge zult doar loater van heuren! Dat hij zeu goe nie 'n woare veur

zijn wirk w'han hem al wel honder kiers wiggezonden..."

* * * * *

Zieneken, Feelken de koewachter, het roze boerenhuisje met zijn

eigenaardig binnen-stil-leven, het bloeiende boomgaardje, onder de

hooge, donkere kruinen van 't kasteelpark... wat is dat alles toch al

lang geleden...!

Op het kasteel wonen nu andere menschen en ik kom er nooit meer. Zoo

heb ik ook in jaren 't boerderijtje niet weergezien. Wat is er

geworden van Zieneken, van haar ouden vader en haar oude moeder, van

't vechtlustig Feelken... ik weet het niet!--Zoo nu en dan, in den

loop der jaren, heb ik eraan gedacht, en telkens ook weer het

verlangen gevoeld om er iets meer van te weten. Toch maar een vaag,

vluchtig verlangen; iets dat even, met de herinnering der speelsche

vlammetjes in 't eenzaam haardje, voor mijn geest opglansde en als

een dwaallichtje verdween. Doch gisteren,--hoe of waarom juist

gisteren zou ik niet kunnen verklaren, want niets bizonders gaf er

eenige aanleiding toe--gisteren kwam het zich eensklaps met de

kracht van een obsessie aan mij opdringen... Zieneken, Feelken, de

oudjes, het roze boerderijtje onder de bloeiend-opwolkende kruinen

van zijn lenteboomgaardje, het sarde en kwelde alles dooreen in mijn

geheugen, ik kreeg er heimwee naar, ik moest er heen.

* * * * *

't Is winterdag, en grijs en koud, en vuil en vochtig.--De

wagensporen in den blonden zandweg kronkelen als geel-glimmende

moddergeulen door het naakte veld. Hier en daar liggen groote, vieze

waden, dwars over de volle breedte van de baan. Een kille wind blaast

scherp en nijdig door het nat-klapperend rapenloof; trage, loome

benden raven zwerven droevigkrassend rond en in de effengrijze lucht

zweeft ook nu en dan dofsnorrend een heele zwerm van kleine vogeltjes

voorbij, vlug-knippend met de fijne vlerkjes, fijntriestig tjilpend

als van weemoedig, heimweeig verlangen, in hun haastige, haastige

vlucht naar mildere oorden.

Daar staat, hoog en streng als een zwart-ondoordringbare berg, de

sombere reuzenmassa van 't kasteelpark; daar ligt, vlak eronder, en

als 't ware er door in den grond gedrukt, het kleine, nog altijd

roze boerderijtje. Ik duw het grijze hekje open, stap dwars over het

winterdoodsche boomgaardje, kom voor het groen, half open

boogdeurtje.

--Gien belet?'

--Kom moar binnen," klinkt een onverschillige stem.

--Dag Zieneken!..."

Zij staat omringd door drie kleine kinderen, bij een

heetdampend-en-stoomenden ketel, die over het haardvuur hangt. Een

vierde kind, heel jong nog, zit in een stoeltje, bij het kleingeruite

raam, met blaasjesmond te spelen. Starend-ondervragend,

vaag-wantrouwig, den grooten, houten lepel, waar mee zij in den ketel

roerde, even onbeweeglijk in de hand, kijkt Zieneken mij aan.

Blijkbaar herkent ze mij niet.

--Dag Zieneken," herhaal ik, glimlachend. "Mag ik ne kier binne

komen om mijn puipken t' onsteken?"

--Och Hiere Godheid, meniere!" roept ze plotseling, haar beide

handen in elkaar slaande. En verrukt, met stralende oogen en

blozende wangen, komt ze naar mij toe:

--O, meniere! wa zij-e gij toch veranderd! K'n zoe ou noeit irkend

hen!"

En wij praten over het verleden...

Vader en moeder sinds jaren reeds dood, Zieneken getrouwd, moeder

van vier kinderen en bijna van een vijfde, dat tegen de lente moet

komen... Haar man is op den akker; als ik maar eventjes wil wachten

zal zij hem dadelijk laten halen. "Toe, Zulma," roept ze tot haar

oudste meisje, "goa ne kier ziere bij voader op 't kloaverstik en

zegt hem dat hij seffens noar huis moe komen.--Moar zet ou,

meniere, zet ou, 'k ben blije da 'k ou nog ne kier zie;

'k he al zeu dikkels op ou gepeisd, moar 'k miende da g' ons

allemoal al lank vergeten hadt. Wilt ge 'n gloazeken bier of 'n

dreupelke pakken...?"

Er is in mij een vreemde, diepe, heimweeige emotie. Ik voel ineens

den afstand en de tijdsruimte van de vervlogen jaren. Haast niets is

in het oude keukentje veranderd. Daar is de zwartgerookte haard met

links vaders armleuningstoel en rechts moeders laag, ingezakt

werkstoeltje. Daar glinsteren, tegen den muur, de mooie, koperen

melkemmers; daar staat nog steeds, als vroeger, de oude, lange,

bruine kasthorloge met grauw-zinken uurplaat, die koddig doet denken

aan een stokoud wijf met zuur gezicht en rond, strak-glazen naveloog,

waarachter, langzaam tikkend, de vaal-glimmend koperen slingerschijf

zich rythmisch heen en weer beweegt... Alles, alles is er 't zelfde

gebleven; alleen de menschen zijn veranderd... Door Zienekens zwarte

haren loopen nu fijne, zilveren kronkeldraadjes; om haar nog steeds

levendig-blinkende oogen trekken zich rimpeltjes samen; de eens zoo

schittermooie, gave, witte tandenrij is door donkere gaten

onderbroken, en haar zwaar, bijna massief-geworden figuur van

mild-vruchtbare moeder heeft al zijn lenige gratie van vroeger

verloren. De jaren, de zorgen, en al die kinderen hebben hun

vernielingswerk aan haar verricht.

Een onuitsprekelijk gevoel van weemoed komt koud-en-nuchter-sluipend

over mij. Het spijt mij dat ik hier gekomen ben en 'k wou dat ik

weer heen was. Waarom ook hield ik niet onaangeroerd en diep en

zacht in mijn gemoed verborgen, de teere, frissche, jeugdherinnering

van vroeger? Waarom kwam ik er terug, op dien grijzen, droeven,

somberen wintermiddag, daar waar voor altijd in mijn geest een

beeld stond vastgegroeid zoo vol van zon en licht en kleur en poezie

en lente?

Toch was er nog iets dat ik gaarne weten wou.

--En da koewachterken, Zieneken, weet-e nog wel, da Feelken, die mee

zijn mes in 't streu lag te vechten, wa es er doarvan geworden? Es

't zuk nen beuswicht geworden lijk of ge vreesde?

--Feelken nen beuswicht! Ah nien 't zille meniere! 't Es

't broafste manneken van heul ons hof. Kijk, 't goat doar over den

boogoard, mee die kurtewoagen roapen noar de koestal..."

En Zieneken wees mij door het raampje, in 't mistig-grijze van de

wintervlucht, een kromgebogen ventje, dat, met inspanning een zwaar.

beladen kruiwagen voortduwend, in 't donkere van een openstaande

staldeur verdween.

Feelken!... O, was dat het hartstochtelijk, vechtlustig Feelken, zoo

oud, zoo afgeleefd, versleten...!

--'t Veintsjen he zeuveel verdriet en zeuveel oarmoe g'had," zei

Zieneken. "Zijn vreiw in 't kinderbedde gestorven en hij oarm en

allien achtergebleven met drei kleine kinders..."

Ach! was Feelken reeds weduwnaar en was het overleden vrouwtje

datzelfde jong meisje, om welks bezit hij vroeger, als kleine

koewachter, met messen wilde vechten?

--O nien, nien 't," zei Zieneken; de diee was al lank vergeten.

't Was 'n heul andere." 'n Heel andere...! Alles leek mij plotseling

geheel anders in en om het liefelijk, zoo welbekend boerderijtje.

Zieneken was anders. Feelken was anders, haar man en kinderen waren

voor mij onbekenden; en ikzelf voelde mij daar nu als een heel, heel

oude vreemdeling geworden...!

Een jonge, onbekende meid kwam binnen en hielp Zieneken den zwaren

ketel van het vuur nemen. Zij droegen hem aan een dwarsstok in het

achterhuis en de bevrijde vlammen van den haard dansten even

likketongend door elkaar, tegen den zwarten schoorsteenwand.

Ik voelde een zacht-weemoedigen glimlach op mijn lippen komen; en in

verbeelding zag ik weer de twee, heel zwakke en kleine, met elkaar

spelende likvlammetjes van vroeger, zooals ik er die op een

heerlijk-schoonen lentemiddag in het bijna uitgebrand haardvuurtje

zag, o, zooveel lange jaren reeds geleden, in de stil-zonnige

eenzaamheid van het verlaten keukentje...

* * * * *

't Is uit... ik voel dat het voor altijd uit is en dat ik nooit op

het aardig boerderijtje meer terug zal komen...

Twee ouderwetsche leege stoelen in den ouderwetschen

schoorsteenmantel, waarin vroeger de twee oudjes zaten, het ventje

oolijk grappenmakend, het vrouwtje soms wat knorrig pruttelend,...

twee kleine vlammetjes die grillig-speelsch tegen elkaar opdartelen

en stoeien, het een een ietsje grooter dan het andere en om de beurt

elkaar met een dun rookstaartje uitdoovend en weer aanvurend (het is

mij soms te moede of het de plaagzieke zielen der twee oudjes

zijn)... een koddige horloge-kast en blinkend-koperen emmers langs

den muur,... dat alles zacht-oplevend in een teederen weerglans van

bloeiende lentepracht daarbuiten en bezield door de frischjeugdige

verschijning van hetZieneken van weleer, die het vechtlustig jong

koewachterken beknorde,... 't is alles wat er nog in mijn herinnering

van overblijft,... 't is alles wat ik er van wensch in mijn geheugen

te bewaren...

EINDE.

Lente(#18069) · 第 9 / 9 段